← België

Arrest 243497 - Overheidsopdrachten - 24/01/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 januari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.497 Rolnummer: A. 227034/XII-8666 Zaak: Arrest 243497 - Overheidsopdrachten - 24/01/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-01-25 Raadplegingen: 74 - laatst gezien 2026-06-25 03:14 Fiche Arrest nr 243.497 van 24 januari 2019 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 243.497 van 24 januari 2019 in de zaak A. 227.034/XII-8666 In zake: de NV KONICA MINOLTA BUSINESS SOLUTIONS (BELGIUM) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Carlos De Wolf en Anthony Verheggen kantoor houdend te 9680 Maarkedal Etikhovestraat 6 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de STAD BRUGGE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gitte Laenen kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de NV RICOH BELGIUM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Peter Teerlinck en Louise Galot kantoor houdend te 1040 Brussel IJzerlaan 19 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 26 december 2018, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van onbekende datum van [de stad Brugge] om de raamovereenkomst ICT infrastructuur Perceel 12: Multifunctionals, printers en plotters, te gunnen aan [de nv Ricoh Belgium]”. XII-8666-1/15 II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Met een verzoekschrift van 8 januari 2019 heeft de nv Ricoh Belgium gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 januari 2019, om 10.00 uur. Kamervoorzitter Dierk Verbiest heeft verslag uitgebracht. Advocaat Anthony Verheggen, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaten Gitte Laenen en Fabian Swennen, die verschijnen voor de verwerende partij, en advocaat Louise Galot, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Auditeur Ines Martens heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. De stad Brugge schrijft een opdracht uit voor het sluiten van een raamovereenkomst “ICT Aankoopcentrale – Stad Brugge en andere entiteiten voor drie jaar en driemaal met één jaar verlengbaar”. Deze opdracht bestaat uit 12 percelen en is een gemengde opdracht voor werken, leveringen en diensten, naargelang het perceel. XII-8666-2/15 De huidige vordering betreft enkel de gunning van het perceel 12: dit betreft multifunctionals, printers en plotters. Het voorwerp van dit perceel betreft het huren – zonder aankoopoptie – inclusief omnium onderhoudscontract – met inbegrip van toner en service – van multifunctionals, printers, plotters en toebehoren. Daarnaast omvat het tevens het leveren van een SLA (service-level agreement) inclusief de indienststelling van en opleiding bij deze toestellen. 3.
  5. Volgens het bestek wordt de opdracht gegund met een “mededingingsprocedure met onderhandeling”. 3.
  6. De opdracht is onderworpen aan een generiek bestek “ICT Aankoopcentrale – Stad Brugge en andere entiteiten voor drie jaar en driemaal met één jaar verlengbaar” en daarnaast is elk perceel onderworpen aan een afzonderlijke bijlage bij het bestek. Voor perceel 12 worden drie gunningscriteria bepaald: - Prijs 50 %, - Techniciteit 30 %, - Service en flexibiliteit 20 %. Met betrekking tot de beoordelingsmethode wordt in het bestek vermeld: “II.7 Gunningscriteria en beoordeling De gunningscriteria worden bepaald per perceel en zijn dan ook terug te vinden in het deel Technische Vereisten van dat perceel. Voor de kwantificeerbare criteria waaronder prijs (gedeelte winkelmandje) zal de beoordeling gebeuren volgens de regel van drie. Voor de niet kwantificeerbare criteria zullen de aanbieders onderling met elkaar vergeleken worden. Er zal een rangorde opgesteld worden waarbij het maximale aantal punten per item even groot is als het aantal deelnemers. Indien er vb. 4 inschrijvers zijn, zal de eerste een score van 4 krijgen, de tweede een score 3, de derde een score 2 en de laatste een score
  7. Indien de gevraagde gegevens niet beschikbaar zijn in de offerte, wordt voor dat item de laagste score toegekend. De aanbieders zullen per criterium onderling XII-8666-3/15 met elkaar vergeleken worden en in rangorde geplaatst worden, waarbij de aanbieder die het beste aanbod heeft, de hoogste score zal krijgen. Bij een gelijkwaardige score krijgt de eerstvolgende de score van de oorspronkelijke rangorde, vb. Kandidaat één krijgt score 4, kandidaat twee en drie zijn evenwaardig en krijgen score 3, kandidaat vier krijgt score
  8. De eindscore per perceel wordt herrekend naar een score op 100.” In het afzonderlijk bestek wordt nader bepaald dat voor de prijs (50 %) de aanbieder met de laagste prijs de hoogste score krijgt, die wordt berekend volgens de regel van drie ten opzichte van de laagste prijs (afgerond op 0,1), dat voor techniciteit (30 %) en service/flexibiliteit (20 %) de aanbieder die het best beoordeeld wordt de hoogste score krijgt en dat die wordt berekend op grond van een rangorde (afgerond op 0,1). 3.
  9. De opdracht wordt bekendgemaakt in het Bulletin der Aanbestedingen op 27 april 2018 en in het Supplement op het Publicatieblad van de Europese Unie op 28 april
  10. 3.
  11. Na selectie van vier inschrijvers, dienen twee inschrijvers een offerte in, te weten de nv Konica Minolta Business Solutions Belgium, dit is de verzoekende partij, en de nv Ricoh Belgium, dit is de tussenkomende partij. Beide inschrijvers dienen ook een BAFO in. 3.
  12. Na onderzoek van de BAFO‟s wordt een gunningsverslag opgesteld. In het gunningsverslag worden de beide offertes regelmatig bevonden en worden deze vervolgens beoordeeld aan de hand van de gunningscriteria vermeld in het bestek. Dit leidt tot de volgende eindevaluatie voor perceel 12: Konica Minolta Ricoh Prijs 50 49,8 50,00 Winkelmandje € 541.300,48 € 539.258,44 XII-8666-4/15 Techniciteit 30 30 30 Service/flexibilteit 20 10 20 Totaal 89,8 100,00 3.
  13. Bij beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Brugge wordt het perceel 12 van de voormelde opdracht gegund aan de nv Ricoh Belgium. Dit is de bestreden beslissing. Bij e-mailbericht en aangetekend verstuurde zending van 11 december 2018 wordt het gunningsverslag meegedeeld aan de verzoekende partij en de tussenkomende partij. Bij e-mailbericht en aangetekend verstuurde zending van 3 januari 2019 wordt de integrale gunningsbeslissing meegedeeld aan de verzoekende partij, offerte prijzen van beide inschrijvers inbegrepen. IV. Tussenkomst
  14. De nv Ricoh Belgium blijkt voordeel te halen uit de bestreden beslissing en heeft er belang bij dat de vordering wordt afgewezen. Bijgevolg moet haar verzoek tot tussenkomst worden ingewilligd. V. Ontvankelijkheid van de vordering
  15. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de tussenkomende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die excepties zou alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. XII-8666-5/15 VI. Schorsingsvoorwaarden 6.
  16. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. 6.
  17. Te dezen is evenwel ook de wet van 17 juni 2013 „betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies‟ van toepassing. Krachtens artikel 15, eerste lid, van die wet kan de uitvoering worden geschorst van de thans bestreden beslissing in aanwezigheid van een ernstig middel of een klaarblijkelijke onwettigheid. Overeenkomstig artikel 15, tweede lid, echter wordt de vordering tot schorsing voor de Raad van State uitsluitend ingesteld volgens een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Er dient te dezen dan ook enkel nog te worden onderzocht of minstens één ernstig middel wordt aangevoerd, dan wel een klaarblijkelijke onwettigheid aanwezig is, die de nietigverklaring van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden. VII. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel
  18. Ter terechtzitting deelt de verzoekende partij mee dat zij afstand doet van het eerste middel. XII-8666-6/15 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  19. De verzoekende partij voert in een tweede middel de schending aan van de formelemotiveringsplicht vervat in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 „betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen‟ (eerste onderdeel) , het materiëlemotiveringsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en artikel 4 van de wet van 17 juni 2016 „inzake overheidsopdrachten‟ (tweede onderdeel). Zij acht deze bepalingen en beginselen geschonden: “Doordat [eerste onderdeel] Verwerende Partij heeft nagelaten aan verzoekende partij de totaalprijzen mee te delen die werden gehanteerd voor de beoordeling van het prijscriterium (met inbegrip van de totaalprijs van de eigen offerte van Verzoekende Partij); en Doordat kennis van die totaalprijzen noodzakelijk is om de quotering en dus motivering van de punten voor het gunningscriterium te begrijpen en te oordelen of Verzoekende Partij zich tegen deze beoordeling dient te verzetten in rechte; Terwijl de formele motiveringsplicht er toe strekt de inschrijvers toe te laten [d]e gunningsbeslissing te begrijpen en te oordelen of zij deze moeten betwisten. […] Doordat [tweede onderdeel] de beoordeling van het gunningscriterium prijs is gebaseerd op de prijzen van het zogenaamde winkelmandje, en de elektronische inventaris die door Verwerende Partij is ter beschikking gesteld voor de invulling van de prijzen met een onzorgvuldigheid is behept die de weergave van de winkelmandprijs substantieel beïnvloedt; Doordat een onzorgvuldig onderzoek en lezing van de inventarissen Verwerende Partij dan ook een verkeerd beeld zal geven van de door de inschrijvers opgegeven offerteprijzen, in het bijzonder het gegeven of de prijzen van de verplichte opties al dan niet in rekening zijn gebracht in de winkelmandprijs; Doordat deze prijzen in ieder geval bij Verzoekende Partij zijn vertegenwoordigd in de winkelmandprijs, maar er dus geen zekerheid is dat dit het geval is voor de offerte van Belanghebbende Partij; waardoor Verwerende Partij dus 2 offerteprijzen zou hebben vergeleken die niet hetzelfde aanbod inhouden; Terwijl Verwerende Partij gehouden is tot een zorgvuldig onderzoeken van de offertes, en een beoordeling die berust op in feite en in rechte juist XII-8666-7/15 vastgestelde motieven, en de Bestreden Beslissing moet berusten op een vergelijking van beide inschrijvers op gelijke wijze.” Bij het eerste onderdeel van dit middel verduidelijkt de verzoekende partij dat de formelemotiveringsplicht werd geschonden doordat de verwerende partij de totaalprijzen die werden vergeleken voor de beoordeling van het prijscriterium niet heeft meegedeeld aan de verzoekende partij. De verzoekende partij mocht immers geen kopie ontvangen van de eigenlijke gunningsbeslissing van het college van burgemeester en schepenen. Nochtans zou de mededeling van de totaalprijzen noodzakelijk zijn om de quotering en dus de motivering van de punten voor het gunningscriterium “prijs” te begrijpen. Noch het gunningsverslag, noch de initiële en later gecorrigeerde kennisgevingen, noch de bijkomende toelichtingen vermelden de totaalprijs die werd gehanteerd en vergeleken met de offerte van de gekozen inschrijver en die aan de grondslag ligt van de puntentoekenning voor het gunningscriterium “prijs”. Voor zover de vertrouwelijkheid van bedrijfsgevoelige informatie zich ook zou uitstrekken tot de totaalprijzen, dan vormt dit zeker geen rechtvaardiging om aan de verzoekende partij de kennisname te ontzeggen van de totaalprijs die voor haar eigen offerte in aanmerking is genomen. Bij het tweede onderdeel van dit middel licht de verzoekende partij toe dat de elektronische inventaris met een excel sheet waarin de prijzen dienden te worden ingevuld minstens een onzorgvuldigheid bevat waardoor de weergave van de winkelmandprijs, op grond waarvan het gunningscriterium “prijs” wordt beoordeeld, substantieel wordt beïnvloed. Zij stelt meer bepaald dat er geen zekerheid is over de vraag of de prijs van de verplichte opties in de winkelmandprijs in rekening werd gebracht. Zelf heeft zij vastgesteld dat wanneer er “bepaalde minimumvereisten (zoals verplichte opties)” door de inschrijver op het in te vullen blad niet werden inbegrepen in de jaarlijkse huurprijs van elk toestel, dat deze prijs voor de opties dan niet automatisch werd opgenomen in de jaarlijkse huurprijs vermeld in het winkelmandje. Daarom heeft zij zelf deze prijs voor de verplichte opties mee inbegrepen in de jaarlijkse huurprijs voor elk toestel die ze vermeld heeft op het in te vullen tabblad voor elk type toestel. Zij heeft echter geen zekerheid over de vraag of de gekozen inschrijver dat ook heeft gedaan. Indien de gekozen inschrijver de prijs voor de verplichte opties niet XII-8666-8/15 inbegrepen heeft in de jaarlijkse huurprijs per toestel vermeld op regel 1 van elk tabblad met het invuldocument per type toestel, en indien de aanbestedende overheid zich beperkt heeft tot het vergelijken van de prijsweergaves in het winkelmandje, zonder de onderliggende prijsgegevens ingevuld op de tabbladen te vergelijken, dan werd bij deze vergelijking de gelijkheid onder de inschrijvers geschonden. In reactie op de weerlegging door de verwerende partij en de tussenkomende partij, die zich daarbij concentreren op de “opties”, betoogt ter terechtzitting de verzoekende partij echter dat haar kritiek geen betrekking heeft op de vermelding van de prijzen voor de “verplichte opties” in de inventaris bij de offerte en BAFO van de gekozen inschrijver, maar op de vermelding van eventueel afzonderlijke prijzen voor de “minimale technische eisen” die ook vermeld werden op de invultabellen. Zij stelt zich de vraag of de gekozen inschrijver bij het opgeven van de maandelijkse huurprijs voor de toestellen op de eerste regel van elke invultabel van de inventaris wel rekening heeft gehouden met alle minimale technische vereisten waaraan de toestellen dienden te voldoen, dan wel of de gekozen inschrijver nog afzonderlijke prijzen heeft opgegeven op de volgende regels van de invultabel voor elk van de daar vermelde minimale vereisten. Beoordeling Eerste onderdeel
  20. De formele motivering van de bestreden beslissing moet de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen; die motivering moet afdoende zijn teneinde de belanghebbende in staat te stellen terdege te oordelen of het zin heeft zich tegen de beslissing te verweren met de middelen die het recht hem ter beschikking stelt. Voorts beschikt de aanbestedende overheid bij de inhoudelijke beoordeling van de offertes en hun toetsing aan de gunningscriteria over een grote beoordelingsvrijheid en de Raad van State mag zich niet in de plaats van het bestuur stellen en de rangschikking wijzigen. Zulks houdt echter niet in dat het oordeel van de aanbestedende overheid zou zijn onttrokken aan het XII-8666-9/15 wettigheidstoezicht van de Raad van State. Aldus kan de Raad desgevraagd onder meer nagaan of de beoordeling met de vereiste zorgvuldigheid is gebeurd en berust op voldoende veruitwendigde en draagkrachtige motieven. Hij kan daarbij ook nagaan of de inschrijvers gelijk werden behandeld.
  21. In het gunningsverslag, zoals dat bij e-mailbericht van 11 december 2018 en aangetekende brief van dezelfde dag aan de verzoekende partij werd bezorgd en dat werd overgenomen in de bestreden beslissing, wordt met betrekking tot de beoordeling van het prijscriterium het volgende vermeld: “Het winkelmandje bestaat uit enerzijds de totale kostprijs van de huur van de hardware (printers-multifunctionals en plotters) en anderzijds de prijs van de services (Printregels-SLA-Scan to Ocr en printbadgesysteem). Conclusie: wat betreft het gunningscriterium heeft Ricoh het meest gunstige aanbod. Zij krijgen hierdoor (conform de regel van drie) de beste score voor dit item. Konica Minolta Ricoh 50 Prijs 49.8 50 Winkelmandje €xxxxxxxxxx €xxxxxxxxxx .”
  22. Bijzonder in deze zaak is dat de beoordeling van het prijscriterium gebeurde aan de hand van een “winkelmandje” opgenomen in de inventaris bij het bestek. Dit “winkelmandje” betreft een optelsom van prijselementen die werd samengesteld vanuit de verschillende prijzen die door de inschrijvers in de invuldocumenten, die eveneens deel uitmaken van de inventaris, werden ingevuld. Niet alleen werd in het bestek uitdrukkelijk vermeld uit welke prijselementen het winkelmandje werd opgebouwd en dus welke prijselementen in aanmerking zouden worden genomen bij de beoordeling van de prijs van de offertes. Het lijkt ook op het eerste gezicht dat de inschrijvers bij het indienen van hun offerte konden verifiëren welke prijzen uiteindelijk werden weergegeven in het winkelmandje van hun offerte of BAFO. Getuige hiervan de argumentatie van de verzoekende partij dat zij bij het invullen van de prijselementen voor elk type toestel in de invuldocumenten van de inventaris de prijs voor de verplichte opties – waarmee zij naar haar bewering ter terechtzitting echter de minimale vereisten van de toestellen zou hebben bedoeld – mee had verrekend in de jaarlijkse huurprijs voor haar toestellen omdat zij had vastgesteld dat in het winkelmandje de prijs van XII-8666-10/15 de verplichte opties niet werd meegeteld wanneer deze niet werd inbegrepen in de jaarlijkse huurprijs van het toestel. Er kan dus worden aangenomen dat de verzoekende partij er mocht van uitgaan dat de aanbestedende overheid zou rekening houden met de prijzen vermeld in de winkelmandjes bij haar BAFO voor de printers en multifunctionals en voor de plotter. Volgens het onderzoek van de auditeur, weergegeven in het advies ter terechtzitting, lijkt men inderdaad het totaalbedrag te verkrijgen waarmee de aanbestedende overheid ook effectief heeft rekening gehouden bij de beoordeling van de offertes, indien alle prijzen, vermeld in die winkelmandjes worden opgeteld. Gelet hierop toont de verzoekende partij niet met voldoende aannemelijkheid aan dat zij geen inzicht had in de totaalprijs die de aanbestedende overheid in aanmerking nam voor de beoordeling van haar offerte. De verzoekende partij lijkt voorts woord en wederwoord te hebben kunnen voeren, meer bepaald dan omtrent een mogelijke materiële vergissing bij het hanteren van de methodiek inzake prijsvergelijking. Dat de verzoekende partij de gehanteerde totaalprijs voor haar offerte ter terechtzitting nog in vraag stelt, lijkt in elk geval een gevolg van een verkeerde berekening in hoofde van de verzoekende partij zelf. De verzoekende partij lijkt immers tot een ander bedrag te komen doordat zij voor de plotter vergat het bedrag van de tonerkits mee te tellen dat ook duidelijk vermeld staat op de tabel voor het winkelmandje. Deze vergissing kwam ter terechtzitting ter sprake maar de verzoekende partij weerlegde deze niet, noch deed daartoe een poging.
  23. Het eerste onderdeel is niet ernstig. Tweede onderdeel
  24. Wat het tweede onderdeel van het tweede middel betreft, moet worden vastgesteld dat de verzoekende partij ter terechtzitting dit onderdeel op een andere wijze uiteenzet en nader toelicht dan in de uiteenzetting in haar verzoek- schrift. Een dergelijke nadere uiteenzetting van een middel ter terechtzitting, die XII-8666-11/15 niet gegrond is op de kennisname van nieuwe gegevens uit het administratief dossier, kan in beginsel echter slechts op ontvankelijke wijze gebeuren voor zover deze nadere uiteenzetting beperkt is tot een verduidelijking van een argumentatie die geacht mag worden reeds begrepen geweest te zijn in het middel zoals het werd uiteengezet in het verzoekschrift. De verzoekende partij doet aldus ter terechtzitting gelden dat de gekozen inschrijver in de invultabellen opgenomen in de inventaris van de offerte en BAFO ten onrechte afzonderlijke prijzen zou kunnen hebben vermeld op de regels die betrekking hebben op de “minimale vereisten” van de te leveren toestellen in plaats van alle prijselementen die betrekking hebben op de huur van het toestel dat voldoet aan de minimale vereisten, op te nemen in de maandelijkse huurprijs van het toestel die vermeld wordt op regel 1 van de tabel. Aangezien mogelijke prijzen die op die andere regels werden vermeld niet hernomen werden in het winkelmandje zou er volgens de verzoekende partij bij de beoordeling van het prijscriterium voor de offerte van de gekozen inschrijver mogelijks met een te lage prijs rekening zijn gehouden wat tot een ongelijke behandeling van de inschrijvers leidt. Nog ongeacht de vraag of de voormelde ter terechtzitting aangebrachte andere optiek van het middelonderdeel – van kritiek in hoofdzaak op de prijsinvulling van de “verplichte opties” naar kritiek op de invulling van de “minimale vereisten” – ontvankelijk is, lijkt het middelonderdeel in zijn nieuwste invulling in elk geval op een verkeerde premisse te steunen. De gekozen inschrijver blijkt immers, net als de verzoekende partij zelf, enkel een volledige maandelijkse huurprijs te hebben vermeld voor de toestellen op de eerste regel van de tabel en geen afzonderlijke prijzen op de regels die betrekking hebben op de minimale vereisten waaraan de toestellen dienden te voldoen. Bijgevolg is het middel, in die zin opgevat, niet ernstig.
  25. Gelet op die nieuwe invulling lijkt de verzoekende partij afstand te hebben gedaan van de argumentatie zoals deze was verwoord in het verzoekschrift. De verzoekende partij liet immers in haar verzoekschrift gelden dat zij de prijs van de “verplichte opties” voor de verschillende toestellen verrekend XII-8666-12/15 had in de jaarlijkse huurprijs voor de toestellen, terwijl de gekozen inschrijver dit mogelijks ten onrechte niet had gedaan. Ter terechtzitting betoogt zij nu dat het gebruik van de term “verplichte opties” in haar middel niet zozeer vanuit juridisch oogpunt te verstaan was maar wel vanuit een commercieel gebruik, meer bepaald een technische eigenschap die gold als een minimumvereiste waarmee de machine moet zijn uitgerust. Dan stelt zij de regelmatigheid van de offerte van de tussenkomende partij in vraag, betogend dat zij betwijfelt of de betrokken “vereiste minimumeisen” vervat zaten in het basisaanbod van de tussenkomende partij, waardoor zij het hier nu niet meer over de opties heeft. Het tweede onderdeel van het tweede middel is bijgevolg in zijn geheel niet ernstig. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  26. De verzoekende partij voert in een derde middel aan : “Schending van artikel 4 van de Wet van 17 juni 2013; schending van het beginsel patere legem quam ipse fecisti; schending van het materieel motiveringsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel; […] Doordat Verwerende Partij bij de beoordeling van het derde gunningscriterium Service en flexibiliteit de beoordelingsmethodiek zoals aangekondigd in het Bestek en de Technische Vereisten, niet, minstens verkeerdelijk toepast; Doordat die verkeerde toepassing resulteert in een puntentoekenning voor de offerte van Verzoekende Partij die slechts de helft bedraagt van de offerte van Belanghebbende Partij, terwijl de inhoudelijke evaluatie door Verwerende Partij aangeeft dat de offertes voor meer dan 70% gelijkwaardig zijn; en Doordat deze beoordeling de mededinging vertekent, en in het bijzonder de impact van het gunningscriterium Service en flexibiliteit, dat slechts werd gewogen op 20%, doch doorslaggevend wordt in het licht van de toegekende puntenverschillen; Terwijl een aanbestedende overheid gehouden is de door haar aangekondigde besteksbepalingen na te leven en toe te passen; XII-8666-13/15 Terwijl de gunningsbeslissing moet berusten op een zorgvuldige en juiste feitenvinding, wat ook impliceert een correcte toepassing van de aangekondigde beoordelingsmethodiek.” Beoordeling
  27. Met de verwerende partij en de tussenkomende partij moet worden vastgesteld dat de verzoekende partij niet lijkt te beschikken over het vereiste belang bij het derde middel. Gelet op het niet ernstig bevinden van het tweede middel, zou het ernstig bevinden van het derde middel er hoogstens toe kunnen leiden dat de puntenscore voor de verzoekende partij voor het derde gunningscriterium zou moeten worden gemaximaliseerd naar 20/
  28. Dit zou ertoe leiden dat de verzoekende partij dan een totale score behaalt van 99,8/100 in plaats van 89,8/
  29. De score die de tussenkomende partij behaalde voor de kwalitatieve gunningscriteria wordt door de verzoekende partij immers niet betwist, zodat deze de totaalscore 100/100 behoudt. Dit brengt dan ook mee dat de verzoekende partij, zelfs met een in die zin aangepaste score nog altijd als tweede gerangschikt blijft na de tussenkomende partij, de nv Ricoh Belgium, met haar totaalscore van 100/
  30. Overigens geeft de verzoekende partij toe dat zij op het betrokken criterium minder presteerde dan de gekozen inschrijver: zij maakt ervan gewag dat haar offerte voor 70 % gelijkwaardig is, maar geeft dus toe dat zulks voor 30 % niet het geval is, waardoor die maximalisatie zelfs geen reële hypothese lijkt want nog teveel in het voordeel van de verzoekende partij werkt. Bijgevolg heeft het ernstig bevinden van het derde middel geen invloed op de rangschikking van de offertes zodat de verzoekende partij niet doet blijken van het vereiste belang bij haar derde middel. Het middel is niet ontvankelijk. VIII. Besluit
  31. Geen van de middelen is ernstig gebleken. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid dient dan ook te worden verworpen. XII-8666-14/15 BESLISSING
  32. Het verzoek van de nv Ricoh Belgium tot tussenkomst wordt ingewilligd.
  33. De Raad van State verwerpt de vordering.
  34. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro, en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op een rolrecht van 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 24 januari 2019, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Dierk Verbiest XII-8666-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.497 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.