id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 januari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.510 Rolnummer: A. 226480/X-17361 Zaak: Arrest 243510 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 25/01/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-02-01 Raadplegingen: 103 - laatst gezien 2026-06-29 04:57 Fiche Arrest nr 243.510 van 25 januari 2019 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE Xe KAMER nr. 243.510 van 25 januari 2019 in de zaak A. 226.480/X-17.
- In zake :
- de NV PATRILAM
- de NV LADEVAN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Lise Vandenhende en Michiel Deweirdt kantoor houdend te 9000 Gent Kouter 7/A/1 bij wie woonplaats wordt gekozen en eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stijn Verbist kantoor houdend te 2000 Antwerpen Graaf van Hoornestraat 51 tegen :
- de GEMEENTE KUURNE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Deborah Smets en Steve Ronse kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen
- de PROVINCIE WEST-VLAANDEREN -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 19 oktober 2018, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van: “
- Het besluit van de gemeenteraad van Kuurne van 21 juni 2018 houdende definitieve goedkeuring van het Gemeentelijk Ruimtelijk Uitvoeringsplan ‘WUG Sint-Pieter’
- Het besluit van de deputatie van de provincieraad West-Vlaanderen van 16 augustus 2018 om de definitieve vaststelling van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan WUG Sint-Pieter (gemeente Kuurne) niet te schorsen.” X-17.361-1/8 II. Verloop van de rechtspleging
- De eerste verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 januari
- Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaten Michiel Deweirdt en Stijn Verbist, die verschijnen voor de verzoekende partijen, en advocaat Deborah Smets, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De tweede verzoekende partij is sedert 1980 eigenaar van vier percelen grond, gelegen aan de Stokerijhoek ten noord-noordwesten van het centrum van Kuurne. Het betreft meer bepaald de percelen gelegen te Kuurne, Stokerijhoek, kadastraal gekend als sectie A, nr. 270, sectie B, nrs. 143/a, 144/a en 146/c. De eerste verzoekende partij stelt deze percelen samen met de tweede verzoekende partij te willen ontwikkelen, “en desgevallend aan te kopen”. X-17.361-2/8 3.
- De voormelde percelen zijn volgens het bij koninklijk besluit van 4 november 1977 vastgestelde gewestplan Kortrijk in woonuitbreidingsgebied gelegen, met uitzondering van een hoek van het perceel nr. 143/a dat in agrarisch gebied ligt. 3.
- Met een besluit van 19 oktober 2017 stelt de gemeenteraad van de gemeente Kuurne het ontwerp van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “WUG Sint-Pieter” (hierna: het GRUP) voorlopig vast. Het plangebied valt voor een groot deel samen met het woonuitbreidingsgebied van het gewestplan en omvat verzoekers’ voormelde percelen, met uitzondering van het hoekdeel van het perceel nr. 143/a. In de ontworpen stedenbouwkundige voorschriften wordt onder meer bepaald dat de bestemming en de stedenbouwkundige voorschriften van het gewestplan “onverminderd van kracht [blijven]”, evenwel met een “bijkomend voorschrift” dat een “bouwverbod tot 2040” oplegt. 3.
- Tijdens het openbaar onderzoek over het ontwerp-GRUP dienen onder meer de verzoekende partijen een bezwaarschrift in. De deputatie van de provincieraad van de provincie West-Vlaanderen en de afdeling Gebiedsontwikkeling, Omgevingsplanning en -projecten van de Vlaamse overheid brengen een gunstig advies over het ontwerp-GRUP uit. 3.
- De gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening van de gemeente Kuurne verleent op 9 maart 2018 een gunstig advies over het ontwerp- GRUP en stelt voor om de bezwaren ongegrond te bevinden. 3.
- Op 14 maart 2018 dienen de verzoekende partijen bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kuurne vijf omgevingsvergunningsaanvragen in tot het verkavelen van de meer vermelde percelen. X-17.361-3/8 Op 13 april 2018 verklaart het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kuurne de voormelde aanvragen onontvankelijk om reden dat “[h]et RUP WUG Sint-Pieter […] voorlopig [is] vastgesteld”. De verzoekende partijen hebben tegen deze beslissingen een vernietigingsberoep bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen ingediend. Op 10 oktober 2018 hebben zij bij het college van burgemeester en schepenen voor twee van de aanvragen gecorrigeerde plannen ingediend. 3.
- Met het eerste bestreden besluit van 21 juni 2018 stelt de gemeenteraad van de gemeente Kuurne het GRUP definitief vast. 3.
- Met het tweede bestreden besluit van 16 augustus 2018 beslist de deputatie van de provincieraad van de provincie West-Vlaanderen om het voormelde GRUP niet te schorsen. IV. Schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. V. Spoedeisendheid Uiteenzetting van de spoedeisendheid 5.
- De verzoekende partijen voeren in hun verzoekschrift aan dat het GRUP, door een bouwverbod op te leggen, hun plannen “doorkruist” om de terreinen “te ontwikkelen”. Zij verwijzen naar de omgevingsvergunningsaanvragen voor verkaveling die zij in maart 2018 hebben X-17.361-4/8 ingediend en die onontvankelijk werden bevonden ten gevolge van de voorlopige vaststelling van het GRUP. Om die vergunningsprocedures alsnog “een normaal verloop te kunnen geven” menen de verzoekende partijen dat de tenuitvoerlegging van het GRUP dient te worden geschorst. De verzoekende partijen verwijzen ook naar de zogenaamde “betonstop” die de Vlaamse overheid voorbereidt en “het voorontwerp wijzigingsdecreet dat de ontwikkelingsmogelijkheden voor woonreservegebieden bepaalt”, een wijzigingsdecreet dat “de ontwikkelingsmogelijkheden van woonuitbreidingsgebieden […] aanzienlijk [zal] verminderen zoniet afschaffen”. De verzoekende partijen vrezen dat een annulatiearrest voor hen te laat zal komen en kwalificeren het bestreden GRUP als “een bestemmingsbevriezing, welke met een quasi-onteigening moet worden gelijkgesteld”. Het tijdelijke bouwverbod dat het bestreden GRUP instelt zal volgens de verzoekende partijen “zonder twijfel een definitief bouwverbod [...] worden”, waardoor zij “tussen hamer en aanbeeld” dreigen terecht te komen en “definitief en onomkeerbaar [hun] ontwikkelingsmogelijkheden zullen verliezen”. Een “zuivere nietigverklaring” verzekert hun niet van een snelle en vergelijkbare kans om een omgevingsvergunning te verkrijgen en hun bouwplannen te realiseren. 5.
- De verzoekende partijen noemen “[e]en bouwverbod van 22 jaar [...] een te lange inbreuk op het recht op het ongestoord genot van [hun] eigendom”. Zij zien daar een schending in van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en verwijzen in dit verband naar rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. De verzoekers menen dat de inbreuk op hun fundamentele rechten “zonder meer in[houdt] dat men een ernstige schade lijdt”. Zij stellen “dat zij concrete verkavelings- en bouwplannen hebben” en besluiten dat “de nadelen van de uitvoering van het RUP [...] imminent [zijn] en […] niet voorkomen [kunnen] worden door enkel een verzoek tot nietigverklaring”. X-17.361-5/8 Beoordeling 6.
- Het komt er voor een verzoekende partij die beweert dat de zaak te spoedeisend is om de uitkomst van het annulatieberoep te kunnen afwachten, op aan om van die urgentie te overtuigen aan de hand van de concrete feiten die zij in haar vordering aanvoert. Dit houdt in dat het aan de verzoekende partij toekomt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de nadelige gevolgen die een tenuitvoerlegging van het bestreden besluit voor haar persoonlijk veroorzaken. In beginsel kan alleen rekening worden gehouden met hetgeen over de spoedeisendheid in het verzoekschrift of de daarbij gevoegde stukken wordt uiteengezet en gestaafd. 6.
- De grondvoorwaarde van de spoedeisendheid is te onderscheiden van deze van het voorhanden zijn van een ernstig middel. Aan de eerstgenoemde grondvoorwaarde moet afzonderlijk zijn voldaan. Met hun kritiek op de wettigheid van de bestreden besluiten tonen de verzoekende partijen de spoedeisendheid van hun vordering dan ook niet aan. 6.
- De verzoekende partijen maken in hun verzoekschrift niet in het minst duidelijk welke de mogelijke financiële of commerciële gevolgen voor hen zijn indien in de periode voorafgaand aan de uitspraak over hun annulatieberoep de kwestieuze gronden niet kunnen worden verkocht of ontwikkeld. Zij verschaffen daarin geen enkel inzicht in hun boekhoudkundige situatie en hun activiteiten. Die onduidelijkheid klemt des te meer nu de tweede verzoekende partij reeds sinds 1980 eigenaar is van de kwestieuze percelen en het al die tijd niet nodig blijkt te hebben gevonden om de percelen te verkopen of te ontwikkelen. X-17.361-6/8 6.
- De dag voor de terechtzitting bezorgen de verzoekende partijen de Raad van State een vonnis van 3 januari 2019 van de Ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Kortrijk. Het betreft een vordering die de eerste verzoekende partij na het indienen van het beroep bij de Raad van State tegen de tweede verzoekende partij heeft ingesteld “tot betaling van 273.489,50 EUR, meer de rente en de kosten van het geding, rechtsplegingsvergoeding inbegrepen”. In het vonnis wordt vastgesteld dat de tweede verzoekende partij geen enkele betwisting voert nopens het gevorderde. Gevraagd naar de aard van die schuld ter terechtzitting van de Raad van State, beperkt de tweede verzoekende partij zich ertoe te stellen dat ze de “rekening courant” betreft. 6.
- De afwezigheid van elk verweer tegen de vordering en de minimale uitleg die er ter terechtzitting maar over verstrekt kan worden, geven te denken. Verzoekers’ betoog inzake de spoedeisendheid is nog minder geloofwaardig gelet op het belang dat “schuldenaar en schuldeiser” delen en dat erin bestaat de gronden van tweede verzoekster te ontwikkelen, waartoe zij samen vijf omgevingsvergunningsaanvragen en de huidige schorsingsvordering en een vernietigingsberoep tegen de bestreden besluiten bij de Raad van State hebben ingediend. De veroordeling tot het betalen van de voormelde schuld kan er de Raad van State in die specifieke omstandigheden niet van overtuigen dat de tweede verzoekster ingevolge haar financiële situatie de uitkomst van de procedure ten gronde niet zou kunnen afwachten. In dit licht overtuigt evenmin de daags voor de terechtzitting aan de Raad van State bezorgde “[v]oorlopige jaarrekening” van 2018 van de tweede verzoekende partij van de vereiste spoedeisendheid, nu die op de meer vermelde schuld ten aanzien van de eerste verzoekende partij blijkt te steunen. 6.
- De verzoekende partijen maken derhalve niet aannemelijk dat hun financiële situatie verhindert dat de uitkomst van de procedure ten gronde wordt afgewacht. Gelet daarop vermag het enkele feit dat zij onontvankelijk bevonden omgevingsvergunningsaanvragen voor het verkavelen van de kwestieuze gronden hebben ingediend de spoedeisendheid van hun X-17.361-7/8 schorsingsvordering niet aan te tonen. Hetzelfde geldt voor hun al te algemene verwijzingen naar een toekomstige “betonstop” en een voorontwerp van “wijzigingsdecreet” dat “de ontwikkelingsmogelijkheden van woonuitbreidingsgebieden” aanzienlijk zou verminderen of afschaffen.
- Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het spoedeisend karakter van de schorsingsvordering niet is aangetoond. Daaruit volgt dat niet voldaan is aan ten minste één van de twee cumulatieve voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State om de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit te bevelen. Die vaststelling volstaat om de schorsingsvordering af te wijzen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijfentwintig januari 2019, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Stephan De Taeye, wnd. kamervoorzitter, staatsraad bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Stephan De Taeye X-17.361-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.510 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.728 ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.251.488 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div