id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 januari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.528 Rolnummer: A. 225520/IX-9322 Zaak: Arrest 243528 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 28/01/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-02-01 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-25 03:45 Fiche Arrest nr 243.528 van 28 januari 2019 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 243.528 van 28 januari 2019 in de zaak A. 225.520/IX-9322 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Niki Leys kantoor houdend te 1082 Brussel Zelliksesteenweg 12 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Mobiliteit die woonplaats kiest bij de Juridische Dienst van de FOD Mobiliteit en Vervoer gevestigd te 1210 Brussel City Atrium Vooruitgangstraat 56 en bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Van Hyfte kantoor houdend te 1060 Brussel Gulden Vlieslaan 77 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 22 juni 2018, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van: “- de beslissing van 26 april 2018 van de Voorzitter van het directiecomité van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer tot vaststelling van een onverenigbaarheid tussen de functie van [XXXX] binnen de FOD Mobiliteit en Vervoer met de aanvraag tot het volgen van de opleiding type rating B737-400 bij TNT ATO als met een tewerkstelling als lijnpiloot bij TNT/ASL Airways en tot het verbieden van het uitoefenen van die activiteiten[…]; - de beslissing van 26 april 2018 [...], ter kennis gebracht aan verzoeker bij brief van 14 mei 2018, tot weigering van de aanvraag voor een verlof van af- wezigheid van lange duur om persoonlijke redenen wegens belangenconflict.” IX-9322-1/14 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. Auditeur Melissa Celis heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 oktober
- Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Niki Leys, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Séverine Vincke, die loco advocaat Bart Van Hyfte verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Melissa Celis heeft een met dit arrest eensluidend ad- vies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is statutair ambtenaar bij de federale overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer (hierna: de FOD Mobiliteit). Hij is tewerkgesteld bij het directoraat-generaal Luchtvaart (DGLV), directie vergunningen, dienst opleidin- gen. 3.2.
- Op 1 maart 2018 dient verzoeker een verlofaanvraag in voor afwezigheid van lange duur wegens persoonlijke redenen. IX-9322-2/14 In het kader daarvan dient hij ook een adviesaanvraag in over een eventuele belangenconflictsituatie in de toekomst, middels het formulier ‘Bijlage 3 van dienstnota 2013-05: adviesaanvraag over een eventuele belangen- conflictsituatie in de toekomst’. Onder rubriek ‘III. Inlichtingen over de situatie/ de activiteit die eventueel aanleiding kan geven tot een belangenconflict’ van dat formulier schrijft verzoeker: “Ik wens de FOD Mobiliteit te verlaten om als lijnpiloot aan de slag te gaan bij TNT/ASL Airways.” 3.2.
- Over deze aanvraag geven verzoekers hiërarchische meerderen het volgende advies: “Positief advies om de medewerker bij een Belgische operator te laten werken. Als de medewerker moest […] in dienst bij de FOD terugkomen, kan hij niet meer de ATO van ASL Belgium auditeren/inspecteren. Gezien betrokkene reeds een opmerking heeft gekregen i.v.m. een belan- genconflict (zie bijlage), kan ik niet akkoord gaan met het toestaan van een verlof zonder wedde. In dit geval is ontslag aangewezen.” 3.2.
- Op 20 april 2018 beslist de voorzitter a.i. van het directiecomité van de FOD Mobiliteit: “Het werken bij DGLV die de Belgische toezichthouder is op de aspecten van de burgerluchtvaart én het werken als lijnpiloot bij een maatschappij die van/naar België vliegt zijn onverenigbaar. Ik bevestig het negatief advies.” 3.3.
- Op 12 maart 2018 dient verzoeker nog een adviesaanvraag in over een eventuele belangenconflictsituatie in de toekomst. Onder rubriek ‘III. Inlichtingen over de situatie/ de activiteit die eventueel aanleiding kan geven tot een belangenconflict’ schrijft verzoeker dat hij een opleiding type rating B737-400 bij TNT ATO wil volgen, hetgeen volgens hem geen belangenconflict uitmaakt. 3.3.
- Over deze aanvraag van 12 maart 2018 geven verzoekers hiërar- chische meerderen het volgende advies: IX-9322-3/14 “Positief advies. Als XXXX terug in dienst komt, kan hij niet ASLB ATO opvolgen. Negatief advies: zie argumentatie aanvraag 01/03/2018 over hetzelfde onderwerp.” 3.3.
- Op 20 april 2018 beslist de voorzitter a.i. van het directiecomité: “Deze aanvraag kan niet los gezien worden van de cumulaanvraag om als lijnpiloot te werken bij TNT/ASL. Deze is geweigerd wegens belangenconflict. De vraag tot het volgen van een opleiding geeft dit aan. Als cumul kan dit niet worden ingewilligd.” 3.
- Op 26 april 2018 deelt de voorzitter a.i. van het directiecomité van de FOD Mobiliteit het volgende mee aan verzoeker: “Ik heb uw twee aanvragen rond een eventuele belangenconflictsituatie goed ontvangen. Na een analyse hiervan stel ik vast dat uw activiteit bij TNT u in een be- langenconflict plaatst. Uw functie die u binnen onze FOD uitoefent is onvere- nigbaar met zowel uw aanvraag tot het volgen van de opleiding type rating B737-400 bij TNT ATO als met een tewerkstelling als lijnpiloot bij TNT/ASL Airways. Het is daarom dat ik u niet kan toelaten deze activiteiten uit te oefenen. Zolang u tewerkgesteld bent bij de FOD Mobiliteit en Vervoer dient u de bovenvermelde activiteiten stop te zetten.” Dat is de eerste bestreden beslissing. 3.
- In een schrijven van 14 mei 2018 deelt de verwerende partij aan verzoeker het volgende mee: “De FOD Mobiliteit en Vervoer maakte u in het schrijven van 26/04/2018 duidelijk dat uw retroactieve aanvraag voor een verlof van afwezigheid van lange duur om persoonlijke redenen niet ingewilligd werd daar u zich in een positie van belangenconflict zou plaatsen. U heeft het werk niet hervat noch nam u contact met de FOD Mobiliteit en Vervoer na ontvangst van bovenge- noemd schrijven. U bevindt zich om die reden sinds dinsdag 3 april 2018 in een situatie van onwettige afwezigheid (non-activiteit). Wij verzoeken u daarom om uiterlijk op dinsdag 22 mei 2018 om 9u30 het werk te hervatten. IX-9322-4/14 Zo niet achten we uw afwezigheid op die datum als zonder geldige reden, zoals omschreven in het koninklijk besluit van 2 oktober 1937, Art. 112., § 3, 5°: ‘(…) die zonder geldige reden zijn post verlaat en meer dan tien werkdagen afwezig blijft en die behoorlijk en op voorhand verwittigd werd en om ophel- dering verzocht is’.” Dat is de tweede bestreden beslissing. 3.
- Met een brief van 18 mei 2018 brengt de raadsman van ver- zoeker de verwerende partij ervan op de hoogte dat verzoeker het niet eens is met de beslissing van 26 april 2018 en evenmin met het schrijven van 14 mei 2018, dat verzoeker middels een constructief gesprek tot een bevredigende oplossing wil komen en dat hij vraagt om de brieven van 14 mei 2018 en van 26 april 2018 te willen herzien. Tevens vraagt de raadsman van verzoeker dat de verwerende partij zou bevestigen dat verzoeker zich in afwachting van het verzoeningsgesprek voorlopig niet zou moeten aanmelden. Met een e-mail van 31 mei 2018 antwoordt de verwerende partij dat zij informeel kan bevestigen dat de FOD Mobiliteit zal ingaan op het verzoek tot verzoeningsgesprek en dat tot de datum van het gesprek verzoeker in non-activiteit blijft. 3.
- Op 13 juni 2018 wordt door de directeur P&O van de FOD Mobiliteit aan de raadsman van verzoeker een brief gericht met de uitnodiging voor een gesprek op 26 juni
- Er wordt in deze brief bevestigd dat verzoeker zich sinds 3 april 2018 in een administratieve stand van non-activiteit bevindt en dit tot op de datum van het gesprek. Daar de raadsman van verzoeker op de voorgestelde datum van 26 juni 2018 niet aanwezig kan zijn, wordt het gesprek uiteindelijk vastgesteld op 5 juli
- IX-9322-5/14 IV. Ontvankelijkheid
- Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de ontvankelijk- heid van de vordering uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over de ontvankelijkheid zouden alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. V. Schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. VI. Spoedeisendheid Uiteenzetting door verzoeker
- Verzoeker motiveert de spoedeisendheid van de vordering in zijn verzoekschrift als volgt: “
- Verzoeker is vandaag werkzaam als lijnpiloot bij ASL Airlines Bel- gium. Verzoeker vertrouwde erop dat zijn verlof voor afwezigheid van lange duur niet retroactief zou worden geweigerd op grond van een beweerde on- verenigbaarheid nu verzoeker in het verleden reeds een cumulmachtiging had verkregen voor de activiteit van piloot bij een commerciële onderneming. Bo- vendien weet verzoeker dat die cumulatie voor collega-ambtenaren wel werd toegestaan […]. De eerste bestreden beslissing was voor verzoeker een verrassing nu hij enkel een advies had aangevraagd. Ongevraagd besloot verweerster om ver- zoeker te verbieden om zijn activiteit als lijnpiloot uit te voeren. Hierdoor werd verzoeker voor een volstrekt voldongen feit geplaatst. De verrassing nam nog verder toe toen verweerster op 14 mei 2018 aan verzoeker laat weten dat het gevraagd verlof voor langdurige afwezigheid IX-9322-6/14 eveneens werd geweigerd. Hoewel de brief van 26 april 2018 dit niet vermeldt en beperkt is tot het vaststellen van een onverenigbaarheid en het opleggen van het verbod om de activiteiten uit te oefenen, stelt verweerster in haar schrijven van 14 mei 2018 dat de aanvraag van verlof voor langdurige afwezigheid werd geweigerd op 26 april
- Ingevolge die weigering bevindt verzoeker, die vanzelfsprekend niet meer kwam werken bij verweerster omwille van het langdurig verlof dat verweerster minstens tot dan had toegestaan, zich in de situatie waarin hij, wil hij zich niet blootstellen aan tuchtrechtelijke sancties of zelfs ontslag, zijn dienstbetrekking bij ASL Airlines Belgium onmiddellijk dient te beëindigen. Hierdoor zal verzoeker inkomstenverlies lijden en zal hij evenmin niet meer de minimale vliegervaring opdoen om zijn bevoegdheden van lijnpiloot te kunnen behouden. Als lijnpiloot dient verzoeker immers in elke periode van 90 dagen minstens drie landingen en drie opstijgingen uit te voeren (zie punt FCL.060 en punt FCL.305 van Bijlage I aan de Verordening 1178/2011 van de Commissie van 3 november 2011 tot vaststelling van technische eisen en ad- ministratieve procedures met betrekking tot de bemanning van burgerlucht- vaartuigen, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad (Pb. 2011 L. 311).
- Anderzijds, indien verzoeker de bestreden beslissingen niet naleeft, wordt verzoeker geconfronteerd met een ongewettigde afwezigheid. Op grond van artikel 112 §3, 5° van het Koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel (B.S. 8 oktober 1937, zoals gewijzigd). Na een afwezigheid van 10 dagen verliest verzoekende partij ambtshalve en zonder vooropzeg de hoedanigheid van ambtenaar. Dit is een ernstig nadeel. Doordat verwerende partij de ongewettigde afwezigheid van verzoeker af- leidt uit enerzijds het cumulatieverbod van de eerste bestreden beslissing en anderzijds uit de weigering tot het toekennen van het verlof voor afwezigheid van lange duur, zal de schorsing van die twee beslissingen maken dat er geen gegronde ongewettigde afwezigheid is.
- Indien verzoeker gedwongen wordt om de uitkomst van de procedure tot nietigverklaring af te wachten, zal hij ofwel zijn dienstbetrekking als lijnpiloot verliezen, inclusief zijn bevoegdheden als lijnpiloot, ofwel zijn hoedanigheid van ambtenaar. Dit zijn onmiskenbaar ernstige nadelen die door een schorsing kunnen worden verhinderd. Het is daarbij van belang voor Uw Raad om te weten dat verzoeker nooit enig toezicht heeft uitgeoefend ten aanzien van luchtvaartmaatschappijen. Verzoeker brengt u in herinnering dat hij functies uitoefende binnen de dienst opleiding van de Directie Vergunningen en zich hoofdzakelijk bezighield met het toezicht op vliegscholen. Er kan dus in elk geval niet ingezien worden welke onvere- nigbaarheid er zou kunnen bestaan tussen zijn functie als ambtenaar en het uitoefenen van [het] beroep van lijnpiloot tijdens de gevraagde afwezigheid van lange duur voor persoonlijke redenen.” IX-9322-7/14 Beoordeling
- Zoals sub 5 hiervóór in herinnering is gebracht, kan krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen indien, onder meer, “de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring”. In de parlementaire voorbereiding van de voormelde wettelijke bepaling is te lezen dat “[d]e spoedeisendheid zal worden vastgesteld wanneer de verzoeker het resultaat van [de] procedure [ten gronde] niet kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onher- roepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl.St. Senaat 2012-13, nr. 5-2277/1, 13).
- Naar eis van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter onder- steuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in arti- kel 8, eerste lid, 4°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’. Dit houdt in dat het aan een verzoekende partij toevalt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een (voortdurende) tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing.
- Uit wat voorafgaat volgt dat een verzoekende partij die de schorsing van de tenuitvoerlegging van een bestreden beslissing wenst te verkrij- gen, ertoe gehouden is om in haar verzoekschrift een uiteenzetting op te nemen die betrekking heeft op de voorwaarde van de spoedeisendheid waarin zij aan de hand van concrete, precieze en dienstige gegevens uitlegt in welke mate volgens haar onherroepelijke schade zou ontstaan wanneer het resultaat van een beroep tot nietigverklaring zou worden afgewacht. IX-9322-8/14
- Het gedrag of de houding van de verzoekende partij zelf is één van de elementen waarmee rekening kan worden gehouden bij de beoordeling van de beweerde spoedeisendheid. Van een verzoekende partij mag worden verwacht dat zij zich inspant om de gevreesde schade te vermijden of minimaal te houden.
- Voor zover verzoeker de onherroepelijke schade situeert in de omstandigheid dat hij zijn dienstbetrekking als lijnpiloot onmiddellijk zal moeten beëindigen, moet worden opgemerkt hetgeen volgt. Uit zijn uiteenzetting over de beweerde spoedeisendheid van de vordering blijkt dat verzoeker thans reeds werkzaam is als lijnpiloot en dat hij erop vertrouwde dat de verwerende partij zijn verlof voor afwezigheid van lange duur niet retroactief zou weigeren. In zijn uit- eenzetting van de feiten stelt hij daaromtrent dat hij na een eerder verkregen cu- mulmachtiging op 23 oktober 2017 van mening was dat de functie van lijnpiloot geen onverenigbaarheid zou opleveren, dat hij is gaan solliciteren bij diverse luchtvaartmaatschappijen om de functie van lijnpiloot uit te oefenen en om een typebevoegdverklaring te verkrijgen, en dat hem vervolgens een tewerkstelling als lijnpiloot is aangeboden. Verzoeker blijkt met andere woorden te hebben gesolli- citeerd voor de bewuste dienstbetrekking als lijnpiloot en die betrekking ook te hebben verkregen nog voordat hij een aanvraag had ingediend voor het verkrijgen van een verlof voor afwezigheid van lange duur wegens persoonlijke redenen en nog voordat hij in het kader daarvan een adviesaanvraag over een eventuele be- langenconflictsituatie had ingediend en over een positieve beslissing terzake be- schikte. Verzoeker heeft die aanvraag retroactief ingediend, er daarbij van uit- gaande dat hij een positieve beslissing zou verkrijgen. De omstandigheid dat verzoeker thans zijn dienstbetrekking als lijnpiloot onmiddellijk zou moeten be- eindigen is derhalve het gevolg van zijn eigen handelen doordat hij heeft geanti- cipeerd op een positieve beslissing van de verwerende partij. Verzoeker had die schade kunnen vermijden door eerst een aanvraag in te dienen voor het verkrijgen van verlof voor afwezigheid van lange duur wegens persoonlijke redenen, in het kader daarvan een adviesaanvraag in te dienen over een eventuele belangencon- flictsituatie, en de beslissing daaromtrent af te wachten, alvorens een dienstbe- trekking als lijnpiloot te aanvaarden. Verzoeker heeft zich dan ook niet inge- IX-9322-9/14 spannen om de gevreesde schade van het verlies van zijn dienstbetrekking als lijnpiloot te vermijden. Door zijn handelwijze heeft hij die schade zelf veroorzaakt. In dit geval kan van spoedeisendheid geen sprake zijn.
- Verzoeker voert ook aan dat hij inkomensverlies zal lijden in- dien hij zijn dienstbetrekking als lijnpiloot zal moeten beëindigen. Nog daargelaten het feit dat verzoeker zelf aan de basis ligt van het feit dat hij zijn dienstbetrekking als lijnpiloot zal moeten beëindigen indien hij in dienst wenst te blijven bij de FOD Mobiliteit, moet worden opgemerkt dat verzoeker daarmee verwijst naar een fi- nancieel nadeel. Het volstaat op zich niet een financieel nadeel in te roepen, om de behandeling bij spoedeisendheid te verantwoorden. Dit is uitzonderlijk anders, indien bijzondere redenen worden aangevoerd waaruit blijkt dat de omvang van dit financiële nadeel op de situatie van de verzoekende partij een zodanige impact heeft dat zij dit niet kan lijden tot de uitspraak ten gronde. In dat verband moet met de verwerende partij worden vastgesteld dat verzoeker nalaat ook maar enig con- creet gegeven naar voren te brengen aangaande dit inkomensverlies.
- In de mate dat verzoeker in het kader van de beweerde spoed- eisendheid van de vordering aanvoert dat een soortgelijke cumulatiemachtiging voor collega-ambtenaren wel werd toegestaan, verwijst hij naar een gebeurlijke onwettigheid waarmee de bestreden beslissing is behept. Een aangevoerde on- wettigheid op zich kan evenwel niet volstaan om ervan te overtuigen dat de vor- dering spoedeisend is. De schorsingsvoorwaarde van het spoedeisend karakter van de vordering is immers een op zich staande voorwaarde, die moet worden onder- zocht los van de andere schorsingsvoorwaarde, namelijk dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van het besluit prima facie kan verantwoorden. Met zijn verwijzing naar een onwettigheid op zich toont verzoeker derhalve nog niet aan dat hij de procedure ten gronde niet kan afwachten om een beslissing te verkrijgen, op straffe van zich in een toestand te bevinden met on- herroepelijke schadelijke gevolgen. IX-9322-10/14
- Voor zover verzoeker de onherroepelijke schade situeert in het verlies van zijn hoedanigheid van ambtenaar van de FOD Mobiliteit naar aanlei- ding van een ongewettigde afwezigheid, moet worden opgemerkt dat dergelijke schade kon worden vermeden indien verzoeker gevolg had gegeven aan de vraag in de brief van 14 mei 2018 om op 22 mei 2018 het werk te hervatten. Verzoeker had ook deze schade kunnen vermijden, wat hij in casu evenmin heeft gedaan. Ook met dit argument vermag verzoeker derhalve niet de spoedeisendheid van de vordering te staven. 15.
- Ten slotte kan nog worden gewezen op hetgeen volgt. In het kader van de gewone schorsingsvordering geldt er in beginsel geen dwingende voorwaarde om diligent en voortvarend op te treden, zoals bij een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid. De regelgeving laat toe dat de schorsing “op elk moment” wordt gevorderd (artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State). Dit betekent echter niet dat het talmen van een verzoekende partij om in rechte te treden, als proceshouding steeds zonder invloed blijft op de beoordeling van de spoedeisendheid. Een schorsing heeft immers enkel voor de toekomst uitwerking. Met het instellen van een vordering tot schorsing streeft een verzoekende partij voorts na zich te behoeden voor schadelijke gevolgen van een bepaalde omvang, waarvoor een later arrest ten gronde niet nuttig meer tussenkomt. Vereist is dan ook, dat op het ogenblik van de uit te spreken schorsing het onherroepelijke schadelijke gevolg, nog zinvol kan worden geweerd. Mede om die reden moet een verzoekende partij die de Raad van State ertoe wil brengen om haar zaak bij voorrang op andere zaken te onderzoeken en om een schorsing te bevelen, bij het benaarstigen ervan zelf ook de nodige zorgvuldigheid en ijver aan de dag leggen om dit schadelijke gevolg nog te kunnen IX-9322-11/14 weren. Dit betekent onder meer dat zij in functie van de omstandigheden, de zaak toch zo spoedig mogelijk bij de Raad van State aanhangig maakt. 15.
- Te dezen heeft verzoeker gewacht tot 22 juni 2018 om de voor- liggende vordering tot schorsing in te dienen, ondanks dat hem reeds bij brief van 26 april 2018 de weigering werd meegedeeld om de activiteiten van lijnpiloot en het volgen van de betreffende opleiding uit te oefenen wegens het bestaan van een belangenconflict. Deze weigeringsbeslissing werd genomen met toepassing van artikel 115 van het koninklijk besluit van 19 november 1998 ‘betreffende de ver- loven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen’, dat luidt: “Tijdens de afwezigheid bedoeld in artikel 113, bevindt de ambtenaar zich in de administratieve stand non-activiteit. Hij mag tijdens dit verlof een bezol- digde activiteit uitoefenen op voorwaarde dat deze activiteit verenigbaar is met zijn functies. Hij is verplicht zijn dienst op de hoogte te brengen van de aard van die activiteit.” Uit de mededeling van de weigering in de brief van 26 april 2018 kan dan ook impliciet worden afgeleid dat daarmee ook het verlof van lange duur wegens persoonlijke aangelegenheden werd geweigerd, hetgeen wordt bevestigd in de brief van 14 mei
- Reeds op basis van die brief van 26 april 2018 wist verzoeker dus – of behoorde hij althans te weten – dat zijn activiteit als lijnpiloot en de daarbijhorende opleiding door de verwerende partij niet verenigbaar werd ge- acht met zijn functie van ambtenaar bij de FOD Mobiliteit en dat het door hem aangevraagde verlof niet werd toegestaan. Dat hij dan nog bijna twee maanden wacht met het instellen van een vordering tot schorsing en hij gedurende die ganse periode de door hem ingeroepen onherroepelijke schadelijke gevolgen – het verlies van zijn betrekking als lijnpiloot ofwel het verlies van zijn hoedanigheid van ambtenaar van de FOD Mobiliteit – ondergaat, lijkt alleszins de negatie in te houden van de beweerde spoedeisendheid. Daaraan wordt geen enkele afbreuk gedaan door het feit dat verzoeker en zijn raadsman na de brief van 14 mei 2018 de verwerende partij nog hebben verzocht om een “verzoeningsgesprek”. IX-9322-12/14
- Wat voorafgaat, leidt tot het besluit dat verzoeker niet aantoont dat zijn zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nie- tigverklaring.
- Aldus is niet voldaan aan alvast één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, die cumu- latief vervuld moeten zijn, wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. VII. Anonimisering
- Met toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 7 juli 1997 ‘betreffende de publicatie van de arresten en de beschikkingen van niet-toelaatbaarheid van de Raad van State’ vraagt de verzoekende partij dat bij de publicatie van het arrest haar identiteit niet wordt opgenomen. Dit verzoek wordt ingewilligd. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. IX-9322-13/14 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 28 januari 2019, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bruno Seutin, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Bruno Seutin IX-9322-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.528 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.215 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div