← België

Arrest 243532 - Politie - 29/01/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 januari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.532 Rolnummer: A. 221380/XIV-37312 Zaak: Arrest 243532 - Politie - 29/01/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-02-05 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-25 03:59 Fiche Arrest nr 243.532 van 29 januari 2019 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Politie Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 243.532 van 29 januari 2019 in de zaak A. 221.380/XIV-37.312 In zake : Marina VAN DE VELDE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pascal Lahousse kantoor houdend te 2800 Mechelen Leopoldstraat 64 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de STAD DENDERMONDE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom De Sutter kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 1 februari 2017, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de burgemeester van de stad Dendermonde van 16 december 2016 waarbij aan verzoekster de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 238.516 van 14 juni 2017 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. Verzoekster heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. XIV-37.312-1/12 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld. Verzoekster heeft een laatste memorie en een verzoek tot voortzetting van het geding ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 december
  3. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Pascal Lahousse, die verschijnt voor verzoekster, en advocaat Dorien Geeroms, die loco advocaat Tom De Sutter verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten
  5. De feiten zijn uiteengezet in het tussenarrest nr. 238.516 van 14 juni
  6. Er wordt naar verwezen. XIV-37.312-2/12 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  7. Verzoekster voert in het verzoekschrift de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel bij de feitenvinding en de bewijsvoering tijdens het tuchtonderzoek en dat omwille van de volgende redenen. In de eerste plaats betoogt verzoekster dat het schuldbriefje niet op regelmatige wijze werd toegevoegd aan het tuchtdossier via de voeging ervan als bijlage bij de dienstnota nr. 3/2016 van 21 april 2016 opgemaakt door hoofdinspecteur V. Volgens verzoekster werd dat schuldbriefje vermoedelijk niet op wettige wijze in beslag genomen tijdens de huiszoeking met toestemming op 17 maart 2016 bij S.O., terwijl het toch werd toegevoegd aan het tuchtdossier lastens verzoekster, hetgeen zij omstandig detailleert. Daarenboven stelt verzoekster vast dat de mededelingen in de voormelde dienstnota nr. 3/2016 een schending van het beroepsgeheim uitmaken in hoofde van V. Volgens verzoekster gebeurt de mededeling van gegevens die behoren tot een strafdossier door een persoon in hoofde van wie de miskenning van het geheim karakter van het strafonderzoek een schending van het beroepsgeheim uitmaakt, op onwettige wijze. Aangezien de schending van het beroepsgeheim de openbare orde raakt, kan de bestuurshandeling die steunt op de door dat wanbedrijf verkregen feiten in principe gevitieerd zijn. Verzoekster wijst er op dat zij overigens op 23 juni 2016 een klacht met burgerlijkepartijstelling heeft ingesteld lastens hoofdinspecteur V. wegens diefstal van een document naar aanleiding van een huiszoeking en wegens schending van het beroepsgeheim. Ook legde zij klacht neer tegen onbekenden wegens schending van het beroepsgeheim want in een krant verscheen een bericht waarin melding is gemaakt van het lastens haar lopende tuchtonderzoek. Het openbaar maken van een nog niet afgerond tuchtonderzoek maakt een schending uit van het beroepsgeheim. Tot slot betoogt verzoekster dat er nergens enig spoor is in het dossier van een onderzoek naar elementen à décharge, terwijl het zorgvuldigheidsbeginsel een onderzoek à charge en à décharge vereist. De tuchtoverheid heeft op geen enkel ogenblik onderzoek XIV-37.312-3/12 gedaan naar de bewijswaarde van het aangebrachte schuldbriefje ook al had zij dat herhaaldelijk opgeworpen. In de memorie van wederantwoord herneemt verzoekster omzeggens woordelijk het middel, er aan toevoegende wat haar eerste argument betreft, dat de tuchtprocedure uitsluitend is gestart en is gegrond op het onwettig bevonden bewijs. Na weglating van het onwettig meegedeeld schuldbriefje, van de verklaringen van S.O. en van alles wat erop is gesteund, wordt de bestreden beslissing alleszins niet geschraagd door afdoende wettige motieven. Wat haar tweede argument betreft, vraagt verzoekster de zaak voor de Raad van State sine die uit te stellen in afwachting van het resultaat van de onderzoeken naar haar klacht met burgerlijkepartijstelling en haar klacht tegen onbekenden. Indien de tenlasteleggingen vaststaan ingevolge een beslissing van een bevoegd rechtscollege, dan is de bestreden beslissing die is gesteund op de door dit bewezen wanbedrijf verkregen feiten gevitieerd. Beoordeling
  8. In het tussenarrest nr. 238.516 van 14 juni 2017 dat over de vordering tot schorsing is gewezen, heeft de Raad van State over dit middel voorlopig als volgt geoordeeld: “
  9. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen. Indien zoals te dezen, een tuchtregeling geen bijzondere bewijswaardering voorschrijft, beoordeelt de tuchtoverheid op discretionaire wijze de bewijswaarde van de gegevens uit het tuchtdossier om tot een bepaalde overtuiging te komen.
  10. Zonder dat de Raad van State in deze stand van het geding moet onderzoeken of, zoals verzoekster in wezen betoogt, de mededelingen in de dienstnota 3/2016 en de toevoeging van het bij die nota gevoegde schuldbriefje aan het tuchtdossier, strafrechtelijk onrechtmatig of onwettig zouden zijn, bemerkt de Raad van State dat de hogere tuchtoverheid alleen dan geen rekening mocht houden met die, naar verzoekster betoogt, op onrechtmatige wijze verkregen inlichtingen en bewijzen indien ofwel zulks is gebeurd met miskenning van vormvoorwaarden XIV-37.312-4/12 voorgeschreven op straffe van nietigheid, ofwel wanneer de begane onrechtmatigheid de betrouwbaarheid van die bewijzen heeft aangetast, ofwel wanneer het gebruik van die bewijzen in strijd is met het recht van verdediging. Onregelmatigheden waardoor geen op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvoorwaarden wordt overtreden en die evenmin voldoen aan de overige voormelde voorwaarden, worden niet uit het debat geweerd, noch maken zij de gevoerde tuchtprocedure op zich onwettig. Te dezen voert verzoekster niet aan dat die mededelingen in de voornoemde dienstnota en/of het overleggen van het schuldbriefje, te dezen beantwoorden aan één van de voornoemde voorwaarden. De enkele omstandigheid dat die zouden zijn aangewend bij de feitenvinding en de bewijsvoering houdt op het eerste gezicht bijgevolg op zich niet het bewijs in van een onzorgvuldigheid in hoofde van de tuchtoverheid. Voorts ziet de Raad van State niet in op welke wijze het feit dat, naar verzoekster stelt, ‘onbekenden’ het beroepsgeheim schonden door het tuchtrechtelijk onderzoek openbaar te maken, zou inhouden dat de hogere tuchtoverheid hierdoor het zorgvuldigheidsbeginsel zou schenden.
  11. Verzoekster voert ook aan dat de hogere tuchtoverheid alleen een onderzoek ten laste heeft gevoerd en ‘op geen enkel moment onderzoek [heeft] gedaan naar de bewijswaarde van het schuldbriefje dat door HINP [V.] werd aangebracht, ook niet nadat dit herhaaldelijk door de verdediging van verzoekster werd opgeworpen.’ Uit het dossier blijkt evenwel dat de tuchtprocedure op een tegensprekelijke wijze werd gevoerd en dat verzoeksters standpunt inzake de ‘bewijswaarde’ van het schuldbriefje op het eerste gezicht door de overheid in overweging werd genomen. De omstandigheid dat de hogere tuchtoverheid haar standpunt niet bijtreedt, houdt geen schending in van de zorgvuldigheidsplicht.
  12. Het eerste middel is niet ernstig.”
  13. Verzoekster herneemt het eerste middel omzeggens woordelijk in de memorie van wederantwoord zonder in te gaan op de overwegingen in het schorsingsarrest. Zij benadrukt wel dat de tuchtprocedure uitsluitend is gestart en gegrond op het onwettig verkregen bewijs, maar zulks heeft in het licht van de in het schorsingsarrest uiteengezette “Antigoon-criteria”, die thans worden bijgevallen, niet steeds een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel tot gevolg, nu verzoekster op geen enkele wijze aanvoert dat het volgens haar onwettig overleggen van het schuldbriefje beantwoordt aan een van die criteria. Hetzelfde geldt wat de aangevoerde schending van het beroepsgeheim en van diefstal betreft, zodat er geen noodzaak is om het onderzoek uit te stellen. Verzoekster is voorts niet meer ingegaan op het auditoraatsverslag opgesteld in het raam van het annulatieberoep. XIV-37.312-5/12 In die omstandigheden mag het voor de Raad van State volstaan, na onderzoek van de memories en het dossier, zijn voorlopige beoordeling ook ten gronde te handhaven en het middel thans ongegrond te bevinden. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  14. Verzoekster voert in het verzoekschrift de schending aan van het evenredigheidsbeginsel als specifieke toepassing van het redelijkheidsbeginsel. Zij citeert uit de bestreden beslissing de feiten die haar worden verweten en de omschrijving ervan, haalt de omschrijving aan van de tuchtfeiten en de straftoemeting door de Tuchtraad en voert aan dat ondanks de opmerkingen van de inspecteur-generaal, het advies van de Tuchtraad en haar herhaalde ontkenning betreffende de omstandigheden waarin de lening zou zijn aangegaan, de hogere tuchtoverheid de tuchtfeiten niet heeft geherformuleerd in de zin dat het aangaan van een lening zelf geen tuchtinbreuk uitmaakt. De hogere tuchtoverheid heeft bij het bepalen van de strafmaat de aangevoerde verzachtende omstandigheden volledig naast zich neergelegd. Zij heeft gedurende de tuchtprocedure erop gewezen dat haar gezin gebukt ging onder financiële problemen, hetgeen zij detailleert. Voorts zijn haar evaluaties steeds bevredigend wat de uitvoering betreft van haar taken. Verzoekster stelt vast dat niettemin de hogere tuchtoverheid besluit tot de zware straf van het ontslag van ambtswege met terugwerkende kracht op 28 juni 2016 en wijst erop dat de impact van de opgelegde straf uitermate zwaar is: zo kan zij geen aanspraak maken op een werkloosheidsuitkering noch kan zij de andere sociale voordelen genieten die gelden voor uitkeringsgerechtigde werklozen. Zij concludeert dat hiermee is aangetoond dat de straftoemeting buiten elke redelijke verhouding staat tot de feiten. In de memorie van wederantwoord herneemt verzoekster omzeggens woordelijk het middel, aangevuld met een omstandige overname van XIV-37.312-6/12 hetgeen werd uiteengezet in het auditoraatsverslag opgesteld in het kader van de schorsingsprocedure. Beoordeling
  15. In het tussenarrest nr. 238.516 van 14 juni 2017 dat over de vordering tot schorsing is gewezen, heeft de Raad van State over dit middel voorlopig als volgt geoordeeld: “
  16. Het komt aan de tuchtoverheid toe te oordelen met welke tuchtsanctie een bepaald tuchtvergrijp moet worden gesanctioneerd. Het komt aan de Raad van State, binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht, niet toe om zelf een beoordeling te maken van de strafmaat. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid bij de keuze van de strafmaat, al dan niet het evenredigheidsbeginsel schendt. Een schending van dat algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, veronderstelt dat de tuchtoverheid bij het nemen van de beslissing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat zij haar beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt. Het proportionaliteits- of evenredigheidsbeginsel kan derhalve slechts geschonden zijn indien de tuchtoverheid een beslissing neemt die dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon, dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende tuchtoverheid in dezelfde omstandigheden tot deze besluitvorming zou komen. De Raad van State gaat bij de beoordeling van de evenredigheid van de bestreden beslissing uit van de feiten zoals ze blijken uit de bestreden beslissing en waarvan verzoeker de onwettigheid niet heeft aangetoond, getoetst aan de door verzoeker in het middel aangevoerde argumenten die volgens verzoeker doen blijken dat de bestreden beslissing het redelijkheids- of evenredigheidsbeginsel miskent.
  17. De strafmaat wordt in de bestreden beslissing verantwoord. Er wordt naar verwezen. (supra, punt 3.8). Hieruit blijkt dat de verwerende partij onder punt 10 van de bestreden beslissing de straftoemeting specifiek heeft gesteund op verzoeksters staat van dienst en haar evaluaties ter zake, de gestrengheid ten aanzien van politieambtenaren, de gestrengheid wegens de weerslag op de dienst, de ernst van de feiten en het schuldinzicht. Voorts blijkt uit het in de bestreden beslissing onder punt 12 opgenomen ‘voornemen om af te wijken van het advies van de Tuchtraad’ dat het herhaald karakter van de feiten een doorslaggevend argument is voor de hogere tuchtoverheid waarbij zij verzoekster uitdrukkelijk heeft gewaarschuwd dat eenzelfde grote mildheid niet meer aan de dag zou worden gelegd bij een herhaling van de feiten en zij definitief uit de dienst zou worden verwijderd. Zij wijst in dat voornemen er ook op dat de relativering in het advies van de Tuchtraad dat de ten laste gelegde feiten niet kunnen worden gerelateerd aan verzoeksters concrete taak op geen enkele wijze afbreuk doet aan de uitgebreide verantwoording van het strafvoorstel, alsook dat zij afdoende rekening hield met de persoonlijke gevolgen van de tuchtstraf en dat de lange periode van dienen en verzoeksters leeftijd niet van dien aard is om afbreuk te doen aan de redelijkheid van het ontslag. Zij wijst erop dat de Tuchtraad zich daarbij beperkt tot een algemene beoordeling en niet overgaat tot een concrete beoordeling, dat de lange staat van XIV-37.312-7/12 dienst van verzoekster ‘allesbehalve onberispelijk van aard’ is, en dat de leeftijd van verzoekster geenszins betekent dat de hogere tuchtoverheid er nogmaals zou toe gehouden zijn de grootste mildheid aan de dag te leggen: zij moet in de eerste plaats rekening houden met het belang van de dienst. Voorts wijst zij er op dat verzoekster meer dan voldoende kansen heeft gekregen om haar tewerkstelling te behouden, dat verzoekster afdoende hulp aangeboden gekregen die zij heeft geweigerd en dat verzoekster ruimschoots laattijdig het initiatief heeft genomen om alsnog schuldbemiddeling aan te gaan en dat het gegeven dat zij alsnog een initiatief heeft genomen op dat vlak nadat de hogere tuchtoverheid heeft vastgehouden aan de voorgestelde tuchtstraf, de hogere tuchtoverheid niet belemmert over te gaan tot een definitieve verwijdering uit de dienst. Tot slot wijst de hogere tuchtoverheid er op dat manifest laattijdig schuldinzicht, bewust zijn van de gevolgen van het eigen recidivisme en de leeftijd geen omstandigheden zijn om haar ertoe te verplichten af te zien van een definitieve verbreking van het dienstverband. Uit de bestreden beslissing blijkt derhalve dat op het eerste gezicht de hogere tuchtoverheid een afweging heeft gemaakt van alle gegevens en betrokken belangen die volgens haar relevant zijn voor de bepaling van de strafmaat.
  18. Aangezien het aan de Raad van State niet toekomt ambtshalve te beoordelen of de opgelegde tuchtstraf in een redelijke verhouding van evenredigheid staat tot de tuchtfeiten, toetst de Raad van State de vraag of de bestreden beslissing te kort komt aan de eis van evenredigheid enkel aan de door verzoekster in het middel aangevoerde argumenten, die volgens haar doen blijken dat de bestreden beslissing het redelijkheids- of evenredigheidsbeginsel miskent. Op verzoekster rust aldus de bewijslast om aannemelijk te maken dat het door haar aangevoerde beginsel van behoorlijk bestuur is geschonden door de hogere tuchtoverheid. Verzoekster verwijst vooreerst naar de mildere zienswijze van de inspecteur-generaal en van de Tuchtraad inzake de keuze van de straf en de formulering van de feiten, hetgeen zij ook citeert. De enkele vaststelling dat de hogere tuchtoverheid de tuchtfeiten niet herformuleerde en dat die adviesinstantie(s) een mildere straf adviseerden - en het derhalve anders zagen dan de hogere tuchtoverheid - volstaat op het eerste gezicht evenwel op zich niet om te concluderen dat de keuze van de straf onredelijk is. In de concrete omstandigheden van de zaak klemt zulks des te meer daar uit zowel de stukken van het dossier als uit de bestreden beslissing blijkt dat de hogere tuchtoverheid bij de concrete straftoemeting zowel de wezenlijke argumenten van de Tuchtraad voor een mildere tuchtstraf, als verzoeksters repliek, omstandig heeft beoordeeld, afgewogen en weerlegd. De Raad van State stelt vast dat verzoekster in het middel die tegenargumentatie van en weerlegging door de tuchtoverheid van het advies van de Tuchtraad op geen enkele wijze betrekt noch betwist in haar ontwikkeling van het middel maar zich, zoals reeds is gesteld, enkel beperkt tot het citeren van het advies van de Tuchtraad betreffende de strafmaat. Ook verzoeksters tweede argument ter adstructie van haar standpunt, namelijk dat de hogere tuchtoverheid de door verzoekster aangevoerde verzachtende omstandigheden - waarvan zij aangeeft dat het haar financiële toestand betreft - volledig naast zich heeft neergelegd, overtuigt niet om te besluiten tot het onredelijk karakter van de opgelegde straf. Uit wat voorafgaat blijkt dat de verwerende partij wel degelijk verzoeksters financiële problemen mee heeft betrokken bij haar afweging. Het niet-bijtreden door de hogere tuchtoverheid van die verzachtende omstandigheden en het niet geven van hetzelfde gewicht eraan wat de strafmaat betreft, als verzoekster zelf doet, maakt op zich de tuchtstraf niet onredelijk. Verzoekster stelt voorts dat haar evaluaties steeds bevredigend zijn wat de uitvoering van haar taken betreft, doch zij gaat hierbij voorbij aan het door de hogere tuchtoverheid eveneens in overweging genomen gegeven dat zij in die evaluatie, op de - op het eerste gezicht relevante - eerbiediging XIV-37.312-8/12 van de waarden, ‘onvoldoende’ scoort en dat de hogere tuchtoverheid te dezen wel relevant acht bij de beoordeling van de strafmaat. Maakt evenmin op zich de keuze voor de straf onredelijk, de omstandigheid dat volgens verzoekster de impact van de tuchtstraf uitermate zwaar is, inzonderheid wat de weerslag ervan betreft op het gerechtigd zijn op werkloosheidsuitkeringen en andere sociale voordelen. Verzoekster behoort tot het operationeel kader van de politiediensten en heeft aldus een voorbeeldfunctie. Dat betekent dat op het eerste gezicht kan worden aangenomen dat de tuchtoverheid hoge integriteitseisen mag stellen en principieel een strenge houding mag aannemen ten aanzien van tuchtvergrijpen gepleegd door een personeelslid van het operationeel kader en waarvan voorts blijkt dat het betrokken personeelslid kort voorheen reeds voor gelijkaardige feiten bestraft werd met een (niet-uitgewiste) zware straf. De enkele omstandigheid dat zij nooit geen deel meer kan uitmaken van het operationeel kader en dat zij, naar zij beweert, geen aanspraak zal kunnen maken op werkloosheidsuitkering en andere sociale voordelen, maken daarom op zich de bestreden beslissing niet onredelijk. De omstandigheid dat verzoekster een andere mening is toegedaan, maakt op zich niet aannemelijk dat de hogere tuchtoverheid in verband met de beoordeling van de strafmaat tot een onredelijke conclusie is gekomen waaruit de schending van het evenredigheidsbeginsel moet blijken. Uit wat voorafgaat volgt dat de argumenten die verzoekster heeft aangevoerd, in de concrete omstandigheden van de zaak niet aannemelijk maken dat de bestreden beslissing tekortkomt aan de eis van evenredigheid.
  19. Het tweede middel is niet ernstig.”
  20. Verzoekster herneemt het tweede middel omzeggens woordelijk in de memorie van wederantwoord zonder in te gaan op de overwegingen in het schorsingsarrest. Zij voegt er wel een omstandige, bijna woordelijke overname aan toe van het verslag van het auditoraat dat werd opgesteld in het kader van de schorsingsprocedure. Het auditoraat bevindt evenwel in het verslag opgesteld in het raam van het voorliggende annulatieberoep dat, doordat de Raad van State in het schorsingsarrest juist heeft geoordeeld dat het standpunt van de auditeur niet kon worden gevolgd, de loutere verwijzing naar het standpunt van het auditoraat in de voorafgaande schorsingsprocedure, niet volstaat ter weerlegging. Verzoekster is voorts niet meer ingegaan op het auditoraatsverslag opgesteld in het raam van het annulatieberoep. In die omstandigheden mag het voor de Raad van State volstaan, na onderzoek van de memories en het dossier, zijn voorlopige beoordeling ook ten gronde te handhaven en het middel thans ongegrond te bevinden. XIV-37.312-9/12 C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  21. Verzoekster werpt in het verzoekschrift, dat zij woordelijk herhaalt in de memorie van wederantwoord, de schending op van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: wet van 29 juli 1991). Zij zet uiteen dat de verwerende partij in de motivering niet concreet aangeeft hoe en in hoeverre de feiten die verzoekster ten laste worden gelegd, de waardigheid van het ambt en de goede werking van de dienst in het gedrang hebben gebracht of hebben aangetast. Te meer omdat de feiten zich grotendeels in de privésfeer hebben afgespeeld, moet de tuchtoverheid concreet kunnen aantonen dat er een ernstige negatieve impact is op de waardigheid van het ambt of op de werking van de dienst. Bovendien legt de hogere tuchtoverheid een zeer zware tuchtstraf op tegen het advies van de Tuchtraad in. Nergens wordt concreet en precies aangegeven waarom de feiten deze zware straf rechtvaardigen. Beoordeling
  22. In het tussenarrest nr. 238.516 van 14 juni 2017 dat over de vordering tot schorsing is gewezen, heeft de Raad van State over dit middel voorlopig als volgt geoordeeld: “
  23. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 verplichten de administratieve overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op ‘afdoende’ wijze. Het afdoend karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden.
  24. De formele motivering van de bestreden beslissing is hiervoor weergegeven XIV-37.312-10/12 (supra, punt 3.8.). Er wordt naar verwezen. Aangenomen wordt in deze stand van zaken dat verzoekster op grond van de lezing ervan, de redenen kent waarom de bestreden beslissing werd opgelegd en dat zij er zich desgevallend, inhoudelijk heeft kunnen tegen verweren. Anders dan hoe verzoekster het ziet, verschaft de formele motivering voorts op het eerste gezicht aan verzoekster voldoende duidelijkheid over de determinerende motieven waarom de verwerende partij oordeelde dat de aan verzoekster ten laste gelegde feiten de waardigheid van het ambt en de goede werking van de dienst in het gedrang hebben gebracht of hebben aangetast, alsook waarom die de zware straf rechtvaardigen. Ook blijkt uit de bestreden beslissing waarom ze ingaat tegen het advies van de Tuchtraad wat de strafmaat betreft. De algemene bezwaren die verzoekster in het middel aanvoert leiden niet tot een andere conclusie, noch de enkele omstandigheid dat verzoekster zich niet kan vinden in de gegeven formele motivering.
  25. Het derde middel is niet ernstig.”
  26. Verzoekster herneemt het derde middel woordelijk in de memorie van wederantwoord zonder in te gaan op de overwegingen in het schorsingsarrest. Verzoekster is voorts evenmin ingegaan op het auditoraatsverslag opgesteld in het raam van het annulatieberoep. In die omstandigheden mag het voor de Raad van State volstaan, na onderzoek van de memories en het dossier, zijn voorlopige beoordeling ook ten gronde te handhaven en het middel thans ongegrond te bevinden. BESLISSING
  27. De Raad van State verwerpt het beroep.
  28. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 840 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. XIV-37.312-11/12 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negenentwintig januari tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-37.312-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.532 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.238.516 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.