id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 januari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.533 Rolnummer: A. 219171/XIV-37024 Zaak: Arrest 243533 - Penitentiair recht - 29/01/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-02-05 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-25 04:03 Fiche Arrest nr 243.533 van 29 januari 2019 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 243.533 van 29 januari 2019 in de zaak A. 219.171/XIV-37.024 In zake : Stijn GRYP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Mathieu Langerock kantoor houdend te 8000 Brugge Koolkerkse Steenweg 154 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie kantoor houdend te 1000 Brussel Waterloolaan 115 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 4 mei 2016, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de directeur van het Penitentiair Complex te Brugge van 18 april 2016 waarbij aan verzoeker de tuchtsanctie van afzondering in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte voor tien dagen is opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Inge Vos heeft een verslag opgesteld. XIV-37.024-1/9 De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 november
- Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Auditeur Melissa Celis heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is op het ogenblik van de bestreden beslissing opgesloten in de gevangenis te Brugge. 3.
- Op 16 april 2016 wordt aan verzoeker een “mededeling aan de gedetineerde inzake de tuchtprocedure” betekend. Er wordt in meegedeeld dat tegen hem een tuchtprocedure wordt opgestart, dat hij daartoe op 18 april 2016 zal worden gehoord en dat hij de mogelijkheid heeft, zo hij dat wenst, om bijgestaan te worden door een advocaat. In diezelfde mededeling geeft verzoeker expliciet aan dat hij een beroep wenst te doen op zijn (huidige) advocaat. XIV-37.024-2/9 3.
- Met een fax van 16 april 2016 wordt door de dienst Tuchtzaken het volgende meegedeeld aan de raadsman van verzoeker: “Verwijzende naar titel VII van de Basiswet omtrent het tuchtregime (artikelen 122-146), werd een tuchtprocedure opgestart tegen uw cliënt. Hij/Zij zal hiervoor gehoord worden op woensdag 18/04/2016 om 09.30 u stipt. Hij/Zij wenst hiervoor in deze zaak door u bijgestaan te worden. Indien u uw cliënt vooraf nog wenst te spreken, gelieve dan 30 min op voorhand in de inrichting aanwezig te willen zijn.” 3.
- Op 18 april 2016 vindt de tuchtrechtelijke hoorzitting plaats. In het verslag ervan wordt in verband met verzoekers raadsman het volgende vermeld: “Langerock, niet aanwezig, doch rechtmatig uitgenodigd”. 3.
- De directeur beslist op 18 april 2016 de tuchtsanctie van afzondering in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte voor 10 dagen (van 15 april 2016 om 13 u tot en met 25 april 2016 om 13 u, voorlopige maatregel inbegrepen) op te leggen wegens de opzettelijke aantasting van de orde. Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van het eerste middel Standpunt van de partijen
- Verzoeker voert in het eerste middel de schending aan van het recht van verdediging. Volgens hem kwam de bestreden beslissing tot stand met schending van dat recht omdat hij werd onderworpen aan een tuchtverhoor zonder bijstand van zijn raadsman, terwijl hij uitdrukkelijk om bijstand van zijn raadsman had verzocht. Voorts blijkt niet uit het verslag over de tuchtrechtelijke hoorzitting dat hij heeft verzaakt aan zijn recht. De raadsman van verzoeker blijkt wel te zijn opgeroepen voor de tuchtzitting, doch voor een verkeerde dag: de datum klopte in se wel, maar werd voorafgegaan door een verkeerde dag. De raadsman merkte bijgevolg pas laattijdig op dat er wellicht een vergissing had plaatsgevonden op het tuchtsecretariaat. Hij kon vervolgens geen bijstand meer verlenen, aangezien de XIV-37.024-3/9 tuchtzitting al voorbij was op het ogenblik dat hij zich nader informeerde bij het tuchtsecretariaat. Op dat ogenblik was de tuchtmaatregel reeds lopende. Verzoeker concludeert dat hem het basisrecht op bijstand van zijn raadsman tijdens de tuchtzitting was ontzegd ingevolge een aan zijn raadsman gerichte foutieve oproeping.
- De verwerende partij antwoordt in de memorie van antwoord dat op het tuchtsecretariaat het nodige werd gedaan om de door verzoeker aangewezen advocaat uit te nodigen. Diezelfde dag, op 16 april 2016 om 16.02 uur, werd aan verzoekers raadsman per fax een uitnodiging voor de hoorzitting verstuurd. In de uitnodiging wordt als tijdstip voor de hoorzitting vermeld “woensdag 18/04/2016 om 09.30 uur stipt”. Gezien verzoeker op vrijdag 15 april 2016 om 13.00 uur overeenkomstig artikel 145 van de 12 januari 2005 ‘betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden’ (hierna: de basiswet) onder een voorlopige maatregel werd geplaatst, golden er volgens de verwerende partij verkorte termijnen voor de tuchtprocedure. Verzoeker diende bijgevolg te worden gehoord binnen de tweeënzeventig uur nadat de voorlopige maatregel in werking was getreden. Aangezien de termijn voor het horen van verzoeker in casu ten einde liep op maandag 18 april 2016 om 13.00 uur, werd de tuchtrechtelijke hoorzitting vastgesteld op maandag 18 april 2016 om 09.30 uur. Volgens de verwerende partij bevat de uitnodiging aan de advocaat een materiële vergissing, in die zin dat de hoorzitting was gepland op maandag 18 april 2016, en niet woensdag 18 april 2016, zoals verkeerdelijk in de uitnodiging vermeld. Deze materiële fout valt volgens haar ten zeerste te betreuren, gelet op het feit dat dit voor gevolg heeft gehad dat de advocaat van verzoeker de tuchtrechtelijke hoorzitting niet heeft kunnen bijwonen. Zij benadrukt echter dat zij bij aanvang van de tuchtrechtelijke hoorzitting op maandag 18 april 2016 te goeder trouw was, in de zin dat er aan verzoeker werd meegedeeld dat zijn advocaat, die rechtmatig was opgeroepen, niet aanwezig was op de zitting. Uit het verslag van de tuchtrechtelijke hoorzitting blijkt volgens haar niet dat verzoeker zich heeft verzet tegen het horen zonder bijstand van zijn advocaat, of dat hij om uitstel van de zitting heeft gevraagd. Integendeel blijkt duidelijk dat verzoeker zijn standpunt ten aanzien van de feiten XIV-37.024-4/9 heeft kunnen doen gelden en over de tenlastelegging daadwerkelijk tegenspraak heeft kunnen voeren. Zij stelt voorts vast dat verzoekers advocaat maandagmiddag opmerkte dat er bij het opmaken van de uitnodiging wellicht een fout was begaan door het tuchtsecretariaat, waarop de advocaat besloot om navraag te doen bij het tuchtsecretariaat. Er werd aan de advocaat meegedeeld dat de tuchtrechtelijke hoorzitting die maandagvoormiddag reeds had plaats gevonden. Naar aanleiding van deze mededeling werd door de advocaat echter geen verzoek tot heropening van het debat of tot heronderzoek van het dossier ingediend, wat volgens de verwerende partij nochtans tot de mogelijkheden behoort. Verzoeker zelf heeft nadien evenmin een dergelijk verzoek ingediend, wat volgens de verwerende partij toch vreemd voorkomt gelet op de beweerde miskenning van zijn recht van verdediging, en meer zelfs het verwijt aan de verwerende partij dat zij het recht op bijstand aan de verzoeker zou hebben ontzegd, minstens onmogelijk zou hebben gemaakt. Ten slotte merkt de verwerende partij nog op dat niettegenstaande de materiële vergissing in de uitnodiging die volledig aan de verwerende partij te wijten is, van de advocaat enige oplettendheid mag worden verwacht bij het controleren van het tijdstip waarop hij op de tuchtrechtelijke hoorzitting wordt verwacht. Gelet op het feit dat verzoeker onder een voorlopige maatregel werd geplaatst op vrijdag 15 april 2016 om 13.00 uur, zou het organiseren van de hoorzitting op de eerstvolgende woensdag de termijn ruim miskennen. Er kan volgens de verwerende partij aldus niet in redelijkheid worden aangenomen dat de verwerende partij het recht van verzoeker op bijstand van een advocaat tijdens de tuchtrechtelijke hoorzitting heeft onmogelijk gemaakt of ontzegd. In haar laatste memorie benadrukt de verwerende partij haar in de memorie van antwoord aangegeven argumenten. Voorts wijst zij er op dat artikel 143, § 5, van de basiswet steeds in de mogelijkheid voorziet een in uitvoering zijnde tuchtsanctie om te zetten in een tuchtsanctie met uitstel of een uitvoering zijnde tuchtsanctie voortijdig te beëindigen. XIV-37.024-5/9 Beoordeling
- Verzoeker voert de schending aan van het recht van verdediging. Het algemeen rechtsbeginsel houdende eerbiediging van het recht van verdediging houdt te dezen in dat de tuchtrechtelijk vervolgde persoon het recht heeft om zich te laten bijstaan door een raadsman. Dit geldt des te meer nu artikel 144, § 4 van de basiswet bepaalt dat de gedetineerde het recht heeft zich tijdens de tuchtprocedure te laten bijstaan door een advocaat.
- Uit de gegevens van de zaak blijkt dat verzoeker uitdrukkelijk had aangegeven dat hij voor het tuchtverhoor een beroep wenste te doen op een door hem aangewezen advocaat en dat de tuchtoverheid die raadsman daartoe had uitgenodigd en hem had meegedeeld dat de hoorzitting zou plaatsvinden “op woensdag 18/04/2016 om 09.30 u stipt”. Voorts blijkt uit het verslag van de hoorzitting dat het verhoor doorging op maandag 18 april 2016 om 10u39 in afwezigheid van verzoekers raadsman, “doch rechtmatig uitgenodigd.” Vastgesteld wordt dat de aangegeven dag en datum in de uitnodiging niet overeenstemmen, noch wordt betwist dat door de weergave van een verkeerde dag de raadsman van verzoeker blijkt te zijn misleid. De verwerende partij erkent overigens in de memorie van antwoord dat die materiële fout in de uitnodiging aan de advocaat ten zeerste valt te betreuren, “gelet op het feit dat dat dit voor gevolg heeft gehad dat de advocaat van verzoeker de tuchtrechtelijke hoorzitting niet heeft kunnen bijwonen.” Verzoeker heeft aldus buiten zijn toedoen om geen bijstand gekregen van zijn advocaat, hoewel hij hier uitdrukkelijk om heeft verzocht. Dat volstaat opdat zijn recht van verdediging is geschonden.
- De argumenten van de verwerende partij leiden niet tot een andere conclusie. XIV-37.024-6/9 Vooreerst is het niet relevant of de verwerende partij al van bij de aanvang van de tuchtrechtelijke hoorzitting op maandag 18 april 2016 te goeder trouw was, omdat de vaststelling van een schending van het recht van verdediging in tuchtzaken geen kwaad opzet in hoofde van de tuchtoverheid vereist. Er kan ook tot een schending van het recht van verdediging van verzoeker worden besloten ingevolge het onzorgvuldig handelen van de verwerende partij. Het feit dat verzoeker zich op de tuchtrechtelijke zitting niet heeft verzet tegen het horen zonder bijstand van zijn advocaat, noch het feit dat hij niet om uitstel van die zitting heeft gevraagd, doet te dezen blijken dat verzoeker heeft verzaakt aan zijn recht waarop hij zich uitdrukkelijk had beroepen. Niet blijkt immers dat verzoeker bij de aanvang van het tuchtverhoor op de hoogte was van het feit dat zijn raadsman niet rechtmatig was opgeroepen. In die context kan het aan verzoeker niet worden toegerekend dat hij zich niet verzette of uitstel vroeg, noch vermeldde dat zijn recht van verdediging was geschonden. Evenmin kan de stelling van de verwerende partij worden aangenomen dat verzoeker op de hoorzitting - die luidens het verslag ervan één minuut heeft geduurd - zijn standpunt ten aanzien van de feiten heeft kunnen doen gelden en over de tenlastelegging daadwerkelijk tegenspraak heeft kunnen voeren. De verwerende partij maakt immers niet aannemelijk dat de bijstand van een advocaat voor verzoeker geen voordeel zou hebben kunnen opleveren. Op een tuchtrechtelijk vervolgde gedetineerde rust voorts niet de plicht een willig verzoek tot heropening van het debat of tot heronderzoek van het dossier in te dienen indien, zoals te dezen, de regelgeving zulks niet oplegt of organiseert. De mogelijkheid voor de directeur, zoals de verwerende partij opmerkt in haar laatste memorie, om op grond van artikel 143, § 5, van de basiswet een in uitvoering zijnde tuchtsanctie om te zetten in een tuchtsanctie met uitstel en de in uitvoering zijnde sanctie voortijdig te beëindigen wanneer hij van oordeel is dat het doel van de sanctie is bereikt vooraleer de uitvoeringstermijn verstreken is, leidt niet tot een andere conclusie, te meer daar de toepassing ervan de opgelegde XIV-37.024-7/9 tuchtstraf niet uit het rechtsverkeer doet verdwijnen. Het gegeven dat verzoeker te dezen geen van de voornoemde willige verzoeken of handelingen heeft gesteld, kan hem derhalve niet worden toegerekend noch het gegrond bevinden van het middel beletten. Het argument tot slot dat van de betrokken raadsman enige oplettendheid mag worden verwacht bij het controleren van het tijdstip waarop hij op de tuchtrechtelijke hoorzitting wordt verwacht, belet evenmin het gegrond bevinden van het middel. Ter zake volstaat vast te stellen dat niet blijkt dat de raadsman van verzoeker op het ogenblik van de ontvangst van de uitnodiging voor het tuchtverhoor reeds op de hoogte was van het feit dat verzoeker onder een voorlopige maatregel was geplaatst. In de uitnodiging gericht aan de raadsman van verzoeker wordt immers enkel op algemene wijze vermeld dat een tuchtprocedure werd opgestart tegen zijn cliënt en dat hij hiervoor zal worden gehoord. Nergens blijkt er enig verband te zijn gelegd met een reeds aan verzoeker opgelegde voorlopige maatregel. Aldus diende de raadsman van verzoeker om die reden alleen al zich niet te bevragen of er geen toepassing werd gemaakt van de verkorte termijnen voor de hoorzitting.
- Het eerste middel is in de aangegeven mate gegrond. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt de beslissing van de directeur van het Penitentiair Complex te Brugge van 18 april 2016 waarbij aan verzoeker de tuchtsanctie van afzondering in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte voor tien dagen is opgelegd.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro. XIV-37.024-8/9 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negenentwintig januari tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-37.024-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.533 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div