← België

Arrest 243535 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 29/01/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 januari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.535 Rolnummer: A. 223640/XIV-37553 Zaak: Arrest 243535 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 29/01/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-02-05 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-25 04:05 Fiche Arrest nr 243.535 van 29 januari 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : heropening debatten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 243.535 van 29 januari 2019 in de zaak A. 223.640/XIV-37.553 In zake : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie, thans de minister bevoegd voor Asiel en Migratie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Carmenta Decordier kantoor houdend te 9041 Oostakker Orchideestraat 61 A bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : XXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Vantieghem kantoor houdend te 9000 Gent Hulstboomstraat 30 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep

  1. Het cassatieberoep, ingesteld op 30 oktober 2017, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 192.731 van 28 september 2017 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking nr. 12.623 van 28 november
  3. De verzoekende partij heeft een toelichtende memorie ingediend. XIV-37.553-1/6 Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 september
  4. Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Brecht Heirman, die loco advocaat Carmenta Decordier verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Daan Lernout, die loco advocaat Bart Vantieghem verschijnt voor verweerder, zijn gehoord. Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten
  6. Verweerder dient op 19 september 2016 een aanvraag in voor het verkrijgen van een verblijfskaart als familielid van een burger van de Unie, met name als partner van een Belgische onderdaan. Op 15 maart 2017 neemt de staatssecretaris voor Asiel en Migratie in hoofde van verweerder een beslissing tot weigering van verblijf van meer dan drie maanden met bevel om het grondgebied te verlaten. Verweerder stelt op 19 april 2017 tegen deze beslissing een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. De XIV-37.553-2/6 Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vernietigt de voornoemde beslissing van 15 maart 2017 met een arrest van 28 september
  7. Dit is het bestreden arrest. IV. Onderzoek van de middelen Enig middel Uiteenzetting van het middel
  8. De verzoekende partij werpt in een enig middel, dat zij in de toelichtende memorie herhaalt, de schending op van artikel 40ter, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet), iuncto artikel 7, eerste lid, c), van richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 ‘inzake het recht op gezinshereniging’ (hierna: richtlijn 2003/86) en artikel 7, eerste lid, b), van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (hierna: richtlijn 2004/38) en van de draagwijdte van het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiëlemotiveringsplicht als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De verzoekende partij voert aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest oordeelt dat de staatssecretaris voor Asiel en Migratie niet enkel rekening moet houden met de inkomsten van de Belgische referentiepersoon maar ook met de inkomsten van diens ouders. Nochtans stelt artikel 40ter van de vreemdelingenwet dat de familieleden vermeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 1° tot 3°, van die wet moeten aantonen dat de Belg over stabiele, toereikende en regelmatige bestaansmiddelen “beschikt”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verbindt artikel 40ter, § 2, tweede lid, van de XIV-37.553-3/6 vreemdelingenwet aan artikel 40bis, § 4, tweede lid van die wet omdat in deze laatste bepaling ook het woord “beschikt” is opgenomen, omdat artikel 40ter verwijst naar artikel 40bis en omdat beide bepalingen in hetzelfde hoofdstuk zijn opgenomen. Artikel 40bis, § 4, van de vreemdelingenwet heeft echter betrekking op het familielid dat een verblijfsrecht vraagt in functie van een burger van de Unie die over voldoende bestaansmiddelen beschikt terwijl artikel 40ter, tweede lid, van die wet betrekking heeft op de in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 1° tot 3°, bedoelde familieleden die een verblijfsrecht vragen in functie van een Belgische onderdaan. Volgens de verzoekende partij moet bij de beoordeling van een aanvraag tot gezinshereniging dus een beoordeling gebeuren van de bestaansmiddelen van de Belgische referentiepersoon en niet met de inkomsten of bestaansmiddelen van de aanvrager zelf of diens ouders. De verzoekende partij vervolgt dat uit de verwijzing in artikel 40ter, tweede lid, van de vreemdelingenwet naar familieleden zoals bedoeld in artikel 40bis van de vreemdelingenwet, niet kan worden afgeleid dat het begrip “beschikken” in beide artikelen op dezelfde manier moet worden geïnterpreteerd. De formulering in die artikelen is ook totaal verschillend wat de voorwaarde betreft dat de vervoegde Unieburger moet beschikken over voldoende bestaansmiddelen. Het in artikel 40ter, tweede lid, geformuleerde begrip “beschikken over stabiele, toereikende en regelmatige bestaansmiddelen” is overigens terug te vinden in verschillende bepalingen van de vreemdelingenwet. De verzoekende partij ziet geen wettelijke grondslag voor de analoge toepassing van het begrip “beschikken” zoals omschreven in artikel 40bis, § 4, tweede lid, van de vreemdelingenwet. De verzoekende partij laat ook gelden dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen voor de interpretatie van artikel 40ter, tweede lid, van de vreemdelingenwet niet dienstig kan verwijzen naar de toepassing van richtlijn 2004/38 vermits de toepassing van het Unierecht een intracommunautair aspect vereist. Dit aspect ontbreekt te dezen vermits het gaat om een aanvraag tot XIV-37.553-4/6 gezinshereniging van een Rus met zijn Belgische partner. De lidstaten vermogen uiteraard niet het toepassingsgebied van het Unierecht te wijzigen. Beoordeling
  9. In de zaak met het nummer A.223.576/XI-21.852 heeft de Raad van State met het arrest nr. 241.915 van 26 juni 2018 een prejudiciële vraag gesteld aan het Grondwettelijk Hof met betrekking tot artikel 40ter, § 2, tweede lid, 1°, van de vreemdelingenwet. Het antwoord op deze vraag kan relevant zijn voor de oplossing van de voorliggende zaak. Bijgevolg past het het debat te heropenen in afwachting van het antwoord van het Grondwettelijk Hof op de voornoemde prejudiciële vraag. BESLISSING
  10. De Raad van State heropent het debat.
  11. De Raad van State gelast het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat met het verder onderzoek van de zaak na kennisneming van het arrest van het Grondwettelijk Hof betreffende de met ’s Raads arrest nr. 241.951 van 26 juni 2018 gestelde prejudiciële vraag. XIV-37.553-5/6 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negenentwintig januari tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-37.553-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.535 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.458 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.