id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 januari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.543 Rolnummer: A. 214248/X-16068 Zaak: Arrest 243543 - Federale reglementen (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 29/01/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-02-07 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-25 03:55 Fiche Arrest nr 243.543 van 29 januari 2019 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Federale reglementen (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 243.543 van 29 januari 2019 in de zaak A. 214.248/X-16.
- In zake : de STAD IEPER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steve Ronse en Meindert Gees kantoor houdend te 8500 KortrijK Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :
- de GOUVERNEUR VAN DE PROVINCIE WEST- VLAANDEREN
- de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse zaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten David D’Hooghe, Leopold Schellekens en Linde Bevernaege kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 14 november 2014, strekt tot de nietigverklaring van: “
- het besluit van de gouverneur [van de provincie West-Vlaanderen] houdende de berekening van de forfaitaire bijdragen in de kosten van de brandweer voor de jaren 2006, 2007, 2008, 2009 en 2010 van 6 augustus 2014 […];
- De stilzwijgende beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken […] houdende de goedkeuring van het besluit van de gouverneur houdende de berekening van de forfaitaire bijdragen in de kosten van de brandweer voor de jaren 2006, 2007, 2008, 2009 en 2010 van 6 augustus 2014 […].” X-16.068-1/4 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Iris Verheven heeft een verslag opgesteld. De verwerende partijen en de verzoekende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 september
- Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Advocaat Meindert Gees, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Linde Bevernaege, die verschijnt voor de verwerende partijen, zijn gehoord. Auditeur Iris Verheven heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Onderzoek van het beroep
- De bestreden beslissingen zijn reeds vernietigd geworden, op vordering van de steden Menen en Harelbeke en de gemeenten Kuurne, Zwevegem en Anzegem, bij arrest nr. 243.541 van 29 januari 2019 (zaak A. 214.215/X-16.067). X-16.068-2/4 Het beroep heeft bijgevolg geen voorwerp meer. 4.
- In voormeld arrest bevond de Raad van State het vierde middel van de verzoekende partijen gegrond. In het middel bekritiseerden de verzoekende partijen wezenlijk dat de fundamentele bezwaren die zij in het kader van de adviesprocedure hebben geformuleerd, niet inhoudelijk beantwoord worden en dat de gouverneur er zich in zijn besluit van 6 augustus 2014 mee vergenoegt de beantwoording van de bezwaren over te laten aan de appreciatie van de rechter. Geoordeeld werd dat dit niet strookt met de motiveringsplicht die op de gouverneur rust en die er mee toe strekt zijn beoordelingsbevoegdheid op grond van artikel 10 van de wet van 31 december 1963 ‘betreffende de civiele bescherming’, zoals gewijzigd door de wet van 14 januari 2013, binnen de perken van artikel 162, eerste lid en tweede lid, 3°, van de Grondwet te houden, zodat aan de betrokkenen een afdoende rechtsbescherming wordt geboden. 4.
- De verzoekende partijen voeren in de voorliggende zaak een vergelijkbaar middel aan, het tweede. De verwerende partijen voeren een identiek verweer als in de zaak A. 214.215/X-16.
- Het kan evenmin te dezen overtuigen. Integendeel valt de Raad van State de zienswijze in het auditoraatsverslag bij: “Met de verzoekende partij moet worden vastgesteld dat de eerste bestreden beslissing enkel het tweede voorstel [van de gouverneur, van mei 2014, tot definitieve afrekening van de forfaitaire bijdragen voor de brandweer] herneemt en zich beperkt tot het formeel verwijzen naar de adviezen van de verzoekende partij. Op geen enkele wijze biedt de eerste bestreden beslissing verheldering op de vragen van de verzoekende partij die nochtans verband houden met de berekening van de kosten. Evenmin wordt de verhouding tussen de gehanteerde criteria op transparante wijze uiteengezet. De eerste bestreden beslissing beantwoordt bijgevolg niet aan de motiveringsplicht. X-16.068-3/4 Het tweede middel is gegrond.”
- Het beroep is bij gebrek aan voorwerp onontvankelijk. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verwerende partijen worden, elk voor de helft, verwezen in de kosten van het geding, begroot op het rolrecht van 200 euro en een aan de verzoekende partij verschuldigde rechtsplegingsvergoeding van 700 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negenentwintig januari 2019, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust X-16.068-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.543 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div