id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 januari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.566 Rolnummer: A. 226197/IX-9397 Zaak: Arrest 243566 - Examens (onderwijs) - 31/01/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-02-07 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-25 04:22 Fiche Arrest nr 243.566 van 31 januari 2019 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Opheffing Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 243.566 van 31 januari 2019 in de zaak A. 226.197/IX-9397 In zake: Pauline GEERTS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Myriam Van den Abeele kantoor houdend te 1700 Dilbeek Kaudenaardestraat 13 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VZW KATHOLIEK BASIS- EN SECUNDAIR ONDER- WIJS TERNAT -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 20 september 2018, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beroepscommissie van de vzw Katholiek Basis- en Secundair Onderwijs Ternat van 10 september 2018 waarbij het aan Pauline Geerts toege- kende oriënteringsattest B met clausulering voor Grieks-Latijn, Latijn, moderne wetenschappen, Rudolf Steinerpedagogie en Yeshiva wordt gehandhaafd. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 242.490 van 1 oktober 2018 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de bestreden beslissing ingewilligd. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 januari
- IX-9397-1/5 Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Myriam Van den Abeele, die verschijnt voor de ver- zoekende partij en secretaris Luc Roeges, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Jurgen Neuts heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Opheffing van de schorsing
- Verzoekster heeft na het instellen van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid geen verzoekschrift ingediend om de nie- tigverklaring van de bestreden beslissing te vorderen. De Raad van State is er in dat geval overeenkomstig artikel 17, § 4, derde lid, van zijn gecoördineerde wetten toe gehouden de uitgesproken schorsing op te heffen. IV. Kosten Standpunt van de partijen
- Verzoekster vraagt ter terechtzitting om de kosten van het ge- ding, met inbegrip van de gevraagde rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 700 euro, ten laste te leggen van de verwerende partij.
- De verwerende partij antwoordt daarop dat zij zich tijdens de ganse procedure zo proceseconomisch mogelijk heeft opgesteld, met het belang van verzoekster voor ogen. Zij argumenteert in dit verband dat zij, na de eerste IX-9397-2/5 beslissing van de beroepscommissie, verzoekster als vrije leerling in het tweede leerjaar van de eerste graad in de studierichting moderne wetenschappen heeft ingeschreven, ook al was zij daartoe niet verplicht. Ter gelegenheid van de pro- cedure tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid voor de Raad van State heeft zij meteen gemeld dat de oproeping voor de terechtzitting verkeerdelijk was gericht aan de scholengemeenschap Dilbeek/Ternat, zodat de datum van de te- rechtzitting kon worden gehandhaafd. Na het schorsingsarrest is de beroepscom- missie zo snel als mogelijk samengekomen en heeft zij niet getracht aanvullend te motiveren waarom zij de slaagkansen van verzoekster klein had geschat, ook al kan voldoende worden aangetoond dat verzoekster een ernstige taalachterstand heeft die op haar studieresultaten weegt. De beroepscommissie heeft integendeel geoordeeld dat het niet in het belang van de leerling was om de procedure te laten aanslepen en zij heeft dan ook haar beslissing vervangen door een A-attest. De verwerende partij vraagt aan de Raad van State om met deze opstelling van het schoolbestuur, alsook met haar “beperkte financiële middelen” rekening te houden bij het bepalen van de rechtsplegingsvergoeding. Beoordeling
- Na en ingevolge het schorsingsarrest heeft de verwerende partij op 8 oktober 2018 een nieuwe beslissing genomen, die de geschorste beslissing vervangt. Dit verantwoordt dat zij de gedingkosten draagt.
- Luidens artikel 30/1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de afdeling Bestuursrechtspraak een rechtsplegingsvergoeding toekennen, die een forfaitaire tegemoetkoming is in de kosten en honoraria van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij. Bij een met bijzondere redenen om- klede beslissing kan de afdeling Bestuursrechtspraak de vergoeding desgevallend verlagen, zonder daarbij het door de Koning bepaalde minimumbedrag te over- schrijden. In haar beoordeling houdt zij rekening met: 1° de financiële draagkracht IX-9397-3/5 van de in het ongelijk gestelde partij, 2° de complexiteit van de zaak, 3° de ken- nelijk onredelijke aard van de situatie. De zogenaamde proceseconomische houding waarop de ver- werende partij zich beroept, is niet van aard dat ze beantwoordt aan één van de voormelde, limitatief bepaalde gronden die een verlaging van het toe te kennen bedrag van de rechtsplegingsvergoeding zouden kunnen rechtvaardigen. Voor zover de verwerende partij voorts gewag maakt van “haar beperkte financiële middelen” brengt zij geen enkel concreet gegeven aan dat aantoont dat de tenlastelegging van een rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van het door verzoekster gevorderde basisbedrag van 700 euro, haar financiële draagkracht zou overstijgen of onredelijk zou belasten.
- Er blijkt dan ook geen reden om het aan verzoekster toe te kennen bedrag van de rechtsplegingsvergoeding te verlagen ten opzichte van het bedrag dat zij heeft gevorderd. BESLISSING
- De schorsing bevolen bij arrest nr. 242.490 van 1 oktober 2018 wordt op- geheven.
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. IX-9397-4/5 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 31 januari 2019, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bert Thys, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Bert Thys IX-9397-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.566 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.490 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.