id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 januari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.567 Rolnummer: A. 227267/XIV-37929 Zaak: Arrest 243567 - Politie - 31/01/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-02-01 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-25 04:22 Fiche Arrest nr 243.567 van 31 januari 2019 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Politie Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 243.567 van 31 januari 2019 in de zaak A. 227.267/XIV-37.929 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Barbara Speleers kantoor houdend te 1080 Brussel Leopold II-laan 180 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken en Veiligheid die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGR/JUR/CTX gevestigd te 1050 Brussel Kroonlaan 145/A -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 23 januari 2019, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van de directeur DSU waarbij aan verzoeker geweigerd wordt vrijstelling te verlenen voor het drie weken durende volhardingskamp dat hij moet doorlopen in het kader van zijn opleiding tot inspecteur Interventie-DSU”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 29 januari 2019, om 11.00 uur. XIV-37.929-1/9 Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Barbara Speleers, die verschijnt voor verzoeker, en adviseur Kirsten Peeters, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is inspecteur van politie. Hij wordt toegelaten tot en volgt vanaf 1 september 2017 de functionele opleiding inspecteur Interventie DSU. Hij behaalt daar het getuigschrift “heeft met succes het 03 wekend durend volhardingskamp doorlopen” 2017-
- Tijdens zijn opleiding loopt verzoeker op 27 oktober 2017 een ernstig knieletsel op. Hij ondergaat hiervoor een medische ingreep en is van 27 oktober 2017 tot 15 augustus 2018 arbeidsongeschikt. 3.
- Bij een huiszoeking op 17 januari 2018 worden bepaalde verboden verdovende middelen gevonden bij verzoeker, evenals munitie en laders van zijn individueel wapen. Hiervoor wordt verzoeker op 15 oktober 2018 de zware tuchtstraf van inhouding van wedde ten belope van 10% gedurende twee maanden opgelegd, met de gunst om deze sanctie uit te voeren onder de vorm van 30 uur onbezoldigde prestaties. 3.
- Op 28 september neemt de directeur DSU een beslissing waarmee met onmiddellijke ingang een einde wordt gesteld aan verzoekers XIV-37.929-2/9 opleiding inspecteur Interventie DSU. Deze beslissing wordt op 5 oktober 2018 geformaliseerd doch zij wordt ingetrokken met een beslissing van de directeur DSU van 15 oktober
- Op 23 oktober 2018 beslist de directeur-generaal DGR “in naam van de CG” tot herplaatsing van verzoeker van de dienst DSU-Interventie naar de dienst CSD Leuven. Ook deze beslissing wordt ingetrokken met een beslissing van 6 november
- Verzoeker hervat derhalve zijn opleiding inspecteur interventie DSU. 3.
- Nadat verzoeker verneemt dat hij tijdens die opleiding het volhardingskamp een tweede keer, vanaf 21 januari 2019, zou moeten volgen, vraagt hij met een e-mail van 17 januari 2019 bevestiging of hij het kamp al dan niet moet overdoen en (in bevestigend geval) de motivering daarvoor. Dezelfde dag wordt met een e-mail van 17 januari 2019 aan verzoeker meegedeeld dat de directeur heeft beslist dat verzoeker maar een beperkt aantal maanden de opleiding heeft gevolgd en dat hij opnieuw op niveau zal moeten komen. Dit is de bestreden beslissing. 3.
- Eveneens op 17 januari 2019 vraagt verzoeker per e-mail aan de directeur DSU de bestreden beslissing te herzien omdat de in de eerdere e-mail van die dag gegeven argumenten “uiterst licht” zouden zijn en in geen geval zouden opwegen tegen het feit dat hij het betreffende brevet reeds het jaar voordien behaalde. In een e-mail van 18 januari 2019 bevestigt de directeur DSU de beslissing dat verzoeker geen vrijstelling krijgt voor het volhardingskamp. De directeur DSU merkt hierbij op dat de arbeidsgeneesheer verzoeker na een medisch onderzoek op 18 januari 2019 geschikt heeft verklaard. XIV-37.929-3/9 3.
- Verzoeker dient vervolgens een medisch attest in van 21 januari 2019 waarin zijn behandelende geneesheer hem ongeschikt bevindt om van 18 januari tot en met 10 maart 2019 “zware fysieke inspanningen” te presteren. De preventieadviseur-arbeidsgeneesheer bevindt verzoeker dezelfde dag “medisch ongeschikt om aan het kamp deel te nemen” en voorziet een herevaluatie na twee maanden. IV. De schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting van de uiterst dringende noodzakelijkheid
- Verzoeker voert aan dat de weigering van de vrijstelling voor het opleidingsonderdeel “het drie weken durende volhardingskamp” hem andermaal de mogelijkheid ontneemt zijn opleiding binnen de dienst DSU verder te zetten en ze succesvol te voltooien. De bestreden beslissing heeft een enorme impact op verzoekers carrière bij de dienst DSU. Indien hij niet wordt vrijgesteld van het volhardingskamp, kan hij de opleiding onmogelijk nog met succes voltooien en is elke verdere professionele toekomst binnen deze dienst uitgesloten. Een gewoon schorsingsarrest zal te laat komen omdat verzoeker dan niet meer kan steunen op zijn tot heden geboekte vooruitgang en hij de lopende opleiding evenmin met succes zal kunnen beëindigen. Een vernietigingsarrest zal te laat komen omdat XIV-37.929-4/9 verzoeker dan te oud zal zijn om de intensieve opleiding met zware fysieke proeven nog succesvol te kunnen voltooien. Verzoeker stelt verder dat de bestreden beslissing hem onmiddellijk en onherstelbaar raakt doordat hij het voorwerp uitmaakt van een manifest onwettige beslissing tot weigering van de vrijstelling voor het volhardingskamp, die een nieuwe (verdoken) tuchtsanctie lastens hemzelf vormt. Tot slot is verzoeker van oordeel dat hij diligent heeft gehandeld door op 17 en 18 januari 2019 meermaals te hebben aangedrongen op herziening van de bestreden beslissing en vervolgens binnen zeer korte termijn de huidige vordering in te stellen. Beoordeling
- De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij. De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak meteen voor iedereen zonder meer duidelijk is, of door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. XIV-37.929-5/9 Dit impliceert dat een verzoekende partij aan de hand van precieze en concrete gegevens aannemelijk maakt dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien ze pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekende partij veilig te stellen. De uiterst dringende noodzakelijkheid kan daarenboven niet voortkomen uit de enkele omstandigheid dat ingevolge de doorlooptijd van de zaak een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure of een uitspraak ten gronde zou tussenkomen in een min of meer verre toekomst, waardoor de gewone schorsings- of annulatieprocedure verzoeker niet toelaat een arrest te verkrijgen voordat de bestreden handeling zijn volledige uitwerking heeft gehad. Opdat aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid voldaan is, moet deze vaststelling ten minste gepaard gaan met andere feitelijke gegevens die eigen zijn aan de voorliggende zaak en die aantonen dat de uiterst dringende noodzakelijkheid eraan inherent is. Niet minder dan het geval is in de gewone schorsingsprocedure, is daartoe vereist dat de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om haar beslissing te verkrijgen, “op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl.St. Senaat 2012-2013, 5-2277/1, 13).
- Het komt verzoeker toe aan te tonen dat in zijn geval bijzondere omstandigheden ertoe nopen te oordelen dat hij de met de bestreden beslissing bevolen weigering tot vrijstelling van het doorlopen van het volhardingskamp onmogelijk kan ondergaan in afwachting van de uitspraak ten gronde of via de gewone schorsingsprocedure, omdat de schadelijke gevolgen of nadelen die hij daardoor dreigt te ondergaan, van dien aard zijn dat verzoeker het resultaat van de procedure hierdoor niet kan afwachten. XIV-37.929-6/9 Anders dan verzoeker voorhoudt, heeft de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing niet tot gevolg dat zijn opleiding wordt beëindigd, noch dat het hem onmogelijk wordt gemaakt die opleiding te voltooien. De bestreden beslissing houdt enkel in dat verzoeker geen vrijstelling krijgt van deelname aan het volhardingskamp. Uit de door verzoeker bijgebrachte fiche “functionele opleiding gespecialiseerde interventie” blijkt dat de beoordeling van de kandidaten gebeurt door een opleidingsjury en een eindjury, die uiteindelijk beslist over het al dan niet geslaagd zijn van de kandidaten. Het is ook de eindjury die de opleiding op elk ogenblik kan stopzetten met een gemotiveerde beslissing, waartegen verzoeker in voorkomend geval gebruik kan maken van de voorhanden zijnde rechtsmiddelen. Bovendien heeft verzoeker inmiddels zelf een medisch attest van 21 januari 2019 ingediend waarin hij tot en met 10 maart 2019 ongeschikt wordt bevonden om “zware fysieke inspanningen” te leveren. Het valt dan ook niet in te zien hoe hij thans, zelfs met een schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, in de mogelijkheid zou zijn de opleiding DSU, waarvan niet wordt betwist dat ze zware fysieke inspanningen vergt, meteen verder te volgen. Tot slot kan verzoeker op grond van artikel 7 van het koninklijk besluit van 3 december 2005 ‘betreffende de functionele opleidingen van de personeelsleden van de politiediensten’ “om gezondheidsredenen […] om uitstel verzoeken van het geheel of een gedeelte van de functionele opleiding”. Uit dit alles blijkt dat de schade die verzoeker voorhoudt te lijden ingevolge de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing zich thans niet voordoet en dat een eventuele schorsing van die beslissing hem thans ook geen voordeel kan opleveren. In de mate dat verzoeker voorhoudt dat de bestreden beslissing een verdoken tuchtsanctie zou inhouden, betreft dit de grond van de zaak en niet de afzonderlijke voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid Bovendien ontwikkelt verzoeker in het verzoekschrift geen middel dat betrekking heeft op de voorgehouden kwalificatie van de bestreden beslissing als een tuchtsanctie. XIV-37.929-7/9 Het blijkt niet dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing zonder een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid onherroepelijke schadelijke gevolgen zou veroorzaken. Hieraan wordt geen afbreuk gedaan door het feit dat verzoeker diligent heeft gehandeld door onmiddellijk een herziening te vragen van de bestreden beslissing en vervolgens binnen korte termijn de huidige vordering in te stellen.
- De uiterst dringende noodzakelijkheid is derhalve niet aangetoond. VI. Conclusie
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. XIV-37.929-8/9 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van eenendertig januari tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Carlo Adams XIV-37.929-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.567 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.713 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div