← België

Arrest 243580 - Overheidsopdrachten - 31/01/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 januari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.580 Rolnummer: A. 227129/XII-8674 Zaak: Arrest 243580 - Overheidsopdrachten - 31/01/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-02-01 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-25 04:33 Fiche Arrest nr 243.580 van 31 januari 2019 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 243.580 van 31 januari 2019 in de zaak A. 227.129/XII-8674 In zake: de BVBA ERFGOED EN VISIE- EDITH VERMEIREN ARCHITECT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Kristof Uytterhoeven en Jochen Ooms kantoor houdend te 2600 Berchem Polvlietlaan 4 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de STAD BRUGGE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Neil Braeckevelt en Evelien Vanhauter kantoor houdend te 8000 Brugge Ezelstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 3 januari 2019, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van de stad Brugge gedateerd op 18 december 2018 […] om de overheidsopdracht „Aanstellen ontwerper voor restauratie van het volledig hallencomplex met toren en binnenkoer (interieur en exterieur), Belfort, Markt 7 te 8000 Brugge‟ niet te gunnen aan [de bvba Erfgoed en Visie-Edith Vermeiren Architect] maar wel aan inschrijver bvba Origin Architecture & Engineering”. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. XII-8674-1/25 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 januari 2019, om 10.00 uur. Kamervoorzitter Dierk Verbiest heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jochen Ooms, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaten Neil Braeckevelt en Evelien Vanhauter, die verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Inge Vos heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De stad Brugge schrijft een opdracht uit voor diensten voor de aanstelling van een “ontwerper voor restauratie van het volledige Hallencomplex met toren en binnenkoer (interieur en exterieur)”. Op 28 maart 2016 keurt de gemeenteraad het bestek en de wijze van gunnen goed. De opdracht wordt gegund met een open offerteaanvraag. 3.2. De opdracht wordt bekendgemaakt in het Bulletin der Aanbestedingen op 29 november 2016 en in het Supplement op het Publicatieblad van de Europese Unie op 3 december 2016. 3.3. In het bestek worden drie gunningscriteria bepaald, namelijk het ereloonpercentage (40 punten), de visie van de ontwerper (20 punten) en de aanpak van de opdracht (40 punten), waarbij het eerste gunningscriterium “ereloon- percentage” wordt onderverdeeld in vier subgunningscriteria namelijk “1.a. beheersplan” (6 punten), “1.b. Stabiliteitsonderzoek” (6 punten), “1.c. Masterplan/voorontwerp met specifieke restauratiefasen” (8 punten) en “1.d. XII-8674-2/25 ereloonpercentage (excl. btw) voor overige opdracht” (20 punten). Het derde gunningscriterium wordt onderverdeeld in drie subgunningscriteria namelijk “3.1 Aandachtspunten & voornemens van aanpak (20 punten), “3.2. Beschrijving van de planning van de voorgestelde aanpak in functie van de vooropgestelde timing” (5 punten) en “3.3. Vertrouwdheid met de aard van de opdracht” (15 punten). 3.4. Voor de opdracht worden acht offertes ingediend, waaronder een offerte door de verzoekende partij. 3.5. Op 15 maart 2018 wordt een verslag van nazicht opgesteld. Op grond van de kwalitatieve selectie van de inschrijvingen, het formeel en materieel nazicht van de offertes en de vergelijking van de offertes, wordt voorgesteld om de opdracht te gunnen aan de bvba Origin Architecture & Engineering. Op 14 mei 2018 beslist het college van burgemeester en schepenen van de stad Brugge om het verslag van nazicht goed te keuren en de opdracht aldus te gunnen aan de bvba Origin Architecture & Engineering. 3.6. Twee inschrijvers, waaronder de verzoekende partij, dienen tegen deze beslissing bij de Raad van State een vordering in tot schorsing van haar tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid. 3.7. Bij arrest nr. 242.003 van 28 juni 2018 beveelt de Raad van State de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de voormelde gunningsbeslissing van de stad Brugge van 14 mei 2018. 3.8. Op 2 juli 2018 beslist het college van burgemeester en schepenen van de stad Brugge om de gunningsbeslissing van 14 mei 2018, evenals het bijgaand verslag van nazicht van 15 maart 2018, in te trekken. 3.9. Op 13 december 2018 wordt een nieuw verslag van nazicht opgesteld. XII-8674-3/25 Bij het materieel nazicht van de offertes wordt als inleidende opmerking onder meer het volgende vermeld: “4.2.1.[…] Stad Brugge heeft de gunningsbeslissing ingetrokken en herneemt met dit gunningsverslag de gunningsprocedure vanaf het prijsonderzoek. Bij de beoordeling van de offertes werd vastgesteld dat er uiteenlopende prijzen per deelopdracht/subcriterium werden opgegeven. Bij het verder onderzoek van de offertes bleek dat het verschil in prijzen vaak te wijten was aan de eigen aanpak en werkmethodiek van elk ontwerpbureau in functie van de gevraagde plannen, studies en dienstverlening (verdeeld in deelopdrachten). De aard van de opdracht en de bestekomschrijving laten immers toe dat ieder bureau de opdracht op zijn manier aanpakt. Niettemin dient iedere inschrijver per deelopdracht de kerntaken zoals beschreven in het bestek binnen deze deelopdracht te begroten en uit te voeren, zodat de vergelijkbaarheid van de offertes gegarandeerd blijft en de mogelijkheid tot manipulatie van de beoordeling van de (sub)gunningscriteria maximaal wordt beperkt. In de verdere analyse is enerzijds de vrijheid gegeven voor de eigen werkmethodiek en het verschuiven van bepaalde overlappende diensten naar een bepaalde deelfase (gelet op de gelijktijdige uitvoering van de deelopdrachten), anderzijds zijn de offertes en prijzen per deelopdracht beoordeeld op de aanwezigheid van de in het bestek beschreven kerntaken.” Met betrekking tot het prijsonderzoek wordt, wat de deelopdracht “stabiliteitsstudie” betreft, op algemene wijze opgemerkt: “4.2.2.2. […] a.1) Kerntaken / resultaatsverbintenis De kerntaken van het stabiliteitsonderzoek cfr. punt 2 van het lastenboek zijn: -Het onderzoeken van de algemene stabiliteit van de hallen -Het onderzoeken van de algemene stabiliteit van de toren -Het verder onderzoek naar de scheefstand van de toren Bij eerste analyse van de prijzen voor de stabiliteitsstudie blijkt dat verschillende inschrijvers een aantal (vrije) opties hebben voorgesteld die door stad Brugge niet zullen worden besteld. Tijdens de gunningprocedure werden er diverse vragen gesteld waarna er een Q&A werd verstuurd naar alle inschrijvers. In dit Q&A staat het volgende met betrekking tot het stabiliteitsonderzoek : „Omdat er tijdens de rondgangen diverse vragen werden gesteld in verband met de inhoud van het stabiliteitsonderzoek zullen we dit hieronder wat verduidelijken: XII-8674-4/25 Wij verwijzen hierbij naar de opsomming onder punt 2 van het programma van eisen „het onderzoek naar de algemene stabiliteit van het gebouwencomplex en de algemene stabiliteit en scheefstand van de toren‟ Wij beschouwen dit als een resultaatsverbintenis met als doel alle infor- matie qua structuur, funderingen, verankeringen, bestaande vervormingen, scheuren, afbrokkelingen, spanningen, ...van zowel het interieur als het exterieur in te winnen en in kaart te brengen. Vervolgens om de oorzaak(

  1. en)hiervan te weten te komen alsook de eventuele te nemen maatregelen te kennen om de stabiliteit van de gebouwen in de toekomst te kunnen blijven garanderen. Daarnaast wensen we te weten: -welke impact bepaalde omgevingsfactoren zullen hebben op de stabiliteit van de gebouwen bv. Een aardbeving (waarde 5 op de schaal van Richter), bouwwerken / grondwerken (grondverlaging, trillingen,...) in de nabije omgeving van de gebouwen,... -welke belastingen kunnen bepaalde vloeren dragen met betrekking tot toelaten van diverse evenementen,... In het bestek wordt er melding gemaakt van bepaalde meetmethodes welke zijn overgenomen uit de studie van Prof. Ampe (welke ter beschikking zal worden gesteld, cfr. punt 4). Het is vrij van de inschrijver om alternatieve methode(
  2. s)te hanteren en uit te maken vanuit zijn expertise welke stabiliteitsonderzoeken, berekeningsmethodes,.... nodig zijn om de gewenste resultaten zoals omschreven in het bestek (en hierboven), te kunnen realiseren. Het is dan de inschrijver gehouden om dit grondig toe te lichten en te omschrijven in de methodologie zoals gevraagd in de gunningscriteria. Het is aldus toegelaten aan de inschrijvers om een alternatieve werkmethode voor te stellen om aan de opgelegde resultaatsverbintenis te komen en aldus om aan de kerntaken van dit gunningscriterium, zoals hierboven vermeld, te voldoen.” Specifiek aangaande de door inschrijver Origin Architecture & Engineering geboden prijs voor de stabiliteitsstudie wordt het volgende vermeld: “Uit nazicht van de prijzen blijkt dat vijf inschrijvers in hun team beroep hebben gedaan op eenzelfde studiebureau met dezelfde offerte, namelijk Triconsult. De kleine verschillen in de offertes met betrekking tot stabiliteit tussen deze verschillende inschrijvers heeft te maken met het bijrekenen van extra coördinatiekosten of dergelijke (extra kosten overleg, een extra algemeen percentage als kosten, opslag voor onderaanneming, …). Inschrijver 8 heeft een ander studiebureau binnen zijn team. Dit komt erop neer dat er eigenlijk slechts 2 voorstellen/onderaannemers voor de uitvoering van de stabiliteitsstudie zijn, (
  3. i)nl. Triconsult voor een prijs van […] voor inschrijvers 1, 2, 3, 4, 5, 6 en (
  4. ii)Ney & Partners met Prof & Ir. van Origin voor een prijs van […] voor inschrijver 8. De prijs van Inschrijver 8: Origin Architecture & Engineering is de laagste prijs, maar heeft geen schijnbaar abnormaal laag karakter die verdere verantwoording behoeft omwille van volgende overwegingen: XII-8674-5/25 Vooreerst zijn er slechts 2 werkelijke dienstverleners/onderaannemers voor de stabiliteitsstudie waardoor er geen algemeen gemiddelde is en dus geen lage of hoge prijs kan worden afgewogen (zie vaststelling hierboven). De nota van het stabiliteitsbureau zoals vermeld in de oorspronkelijke offerte van inschrijver 8 vermeldt volgende methodologie voor de restauratie in 4 hoofdstappen: -Stap 1: Evaluatie van het bouwwerk, zijn omgeving en aftakeling waaronder een visuele inspectie ter plaatse, het in kaart brengen van de voorgaande studies om niet alleen licht te werpen op de geschiedenis doch om onnodige opmetingen en proeven voor een 2de keer uit te voeren, met betrekking tot de scheefstand van de toren het onderzoek van de ondergrond door diepsonderingen en grondboringen. -Stap 2: het stellen van een diagnose op basis van stap 1 waarin volgende elementen bekeken worden: * de algemene stabiliteit van de hallen (diagnose van het draagvermogen van de bestaande vloeren, diagnose van de brandweerstand van de bestaande structurele elementen) * de algemene stabiliteit en scheefstand van de toren met o.a. diagnose van de verankering van galerijen, torentjes, houtstructuren,....e.d., diagnose van de spanningen en vervormingen (speling) gevelankers, diagnose van de scheuren in de draagmuren (spanningsanalyse), diagnose draagvermogen van bestaande tussenvloeren, diagnose draag- vermogen en zettingen bestaande funderingen, … Verder wordt de specifieke studie toegelicht hoe de diagnose van de scheuren in muren zal worden bepaald alsook hoe het funderingssysteem van de toren op een niet destructieve manier in kaart zal worden gebracht opdat garantie kan worden gegeven dat de risico‟s voldoende beperkt zijn. - Stap 3 vermeldt de mogelijke restauratieopties, de technisch en economische haalbaarheid van de verschillende mogelijk oplossingen. - Stap 4: het toepassen van de weerhouden opties in nauw overleg. Bij de ploeg wordt aangehaald dat binnen het architectenbureau er een team met een prof. Ir. ULB de stabiliteit mee zal bekijken. Inschrijver acht het raadzaam om naast het studiebureau stabiliteit, welke de eigenlijke stabiliteitsstudies onder hun hoede zullen nemen, een intern team, met een Prof. aan de ULB als teamleider en een ir. master in conservation als verantwoordelijke ingenieur, te laten reflecteren over de problematiek omdat deze nogal bijzonder en belangrijk is voor de opdrachtgever. De prof zal ook zorgen voor de contacten met de academische wereld, hetgeen bij deze specifieke opdracht van belang zal zijn omdat op zoek gegaan zal moeten worden naar internationale vergelijkings -en ijkingspunten. Alle kerntaken van deze deelopdracht zijn derhalve voorzien binnen (het budget van) dit subcriterium. De inschrijvingsprijs werd overigens vergeleken met een eerder uitgevoerd, gelijkaardig project door de stad Brugge, nl. de stabiliteitsstudie van de OLV-toren. Binnen dit project waren er ook sterk fluctuerende prijzen waarvan de uitvoering van de laagste een geslaagd project werd. Conclusie prijsonderzoek XII-8674-6/25 De laagste inschrijvingsprijs met betrekking tot dit gunningscriterium wordt niet abnormaal laag geacht en behoeft dus geen verdere verantwoording omwille van hoger vermelde redenen, die als volgt kunnen worden samengevat: - Uit de nota van het stabiliteitsbureau uit het team van inschrijver 8 is duidelijk dat deze beantwoordt aan de kerntaken van het lastenboek & Q&A. - Dat er een ir. Stabiliteit aanwezig is binnen het architectenbureau zou de kosten en zo ook de inschrijvingsprijs van de inschrijver positief kunnen beïnvloeden. Omdat er intern in hun team een ir. aanwezig is spaart dit extra coördinatiekosten e.d. uit ten opzichte van een team die met een (externe) stabiliteitsingenieur in onderaanneming dient te werken. - Overigens is de prijszetting vergelijkbaar met een eerder gerealiseerd project, namelijk de stabiliteitsstudie van de OLV-kerk.” 3.10. De regelmatige offertes van de inschrijvers Erfgoed & Visie, Rothuizen Architecten Stedenbouwkundigen, bvba Architectenbureau LMS Vermeersch en Origin Architecture & Engineering, na hun toetsing aan de gunningscriteria, worden als volgt finaal gerangschikt in het verslag van nazicht: “ .” Voorgesteld wordt aldus om de opdracht te gunnen aan Origin Architecture & Engineering. 3.11. Op 18 december 2018 beslist het college van burgemeester en schepenen van de stad Brugge om de opdracht overeenkomstig het voormelde verslag te gunnen aan Origin Architecture & Engineering. XII-8674-7/25 3.12. Met een e-mailbericht van 19 december 2018 en een aangetekend schrijven gedateerd 20 december 2018 wordt aan de verzoekende partij meegedeeld dat de opdracht aan een andere inschrijver werd gegund. IV. Schorsingsvoorwaarden 4.1. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. 4.2. Te dezen is evenwel ook de wet van 17 juni 2013 „betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies‟ van toepassing. Krachtens artikel 15, eerste lid, van die wet kan de uitvoering worden geschorst van de thans bestreden beslissing in aanwezigheid van een ernstig middel of een klaarblijkelijke onwettigheid. Overeenkomstig artikel 15, tweede lid, echter wordt de vordering tot schorsing voor de Raad van State uitsluitend ingesteld volgens een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Er dient te dezen dan ook enkel nog te worden onderzocht of minstens één ernstig middel wordt aangevoerd, dan wel een klaarblijkelijke onwettigheid aanwezig is, die de nietigverklaring van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden. XII-8674-8/25 V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 5. In een eerste middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 25 van de wet van 15 juni 2006 „overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten‟ (hierna: wet overheidsopdrachten 2006), van de artikelen 21, §§ 1 en 3, en 95, §§3 en 4, van het koninklijk besluit van 15 juli 2011 „plaatsing overheidsopdrachten klassieke sectoren‟ (hierna: koninklijk besluit plaatsing 2011), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 „betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen‟, van het materiëlemotiveringsbeginsel, van het gelijkheidsbeginsel en van het zorgvuldigheidsbeginsel. Dit eerste middel heeft betrekking op het prijzenonderzoek inzake post 1.b “stabiliteitsstudie”, waarbij de Stad Brugge de eenheidsprijs van de gekozen inschrijver als normaal beschouwt en geen melding maakt van het uitvoeren van enige facultatieve prijsbevraging conform artikel 21, § 3, van het koninklijk besluit plaatsing 2011. In wat als een eerste middelonderdeel kan worden beschouwd, betoogt de verzoekende partij dat de verwerende partij niet mag terugkomen op het feit dat zij de eenheidsprijs van deze inschrijver reeds in de eerste gunningsbeslissing en het bijgevoegde gunningsverslag als schijnbaar abnormaal aanmerkte door een facultatieve prijsbevraging te richten aan deze inschrijver. Volgens de verzoekende partij ontstaat er een vermoeden van een abnormale eenheidsprijs wanneer de aanbestedende overheid om een prijsverantwoording vraagt. Aangezien er tijdens de plaatsingsprocedure effectief een facultatief prijsonderzoek heeft plaatsgevonden, dient de stad Brugge volgens haar ook een inhoudelijk standpunt in te nemen over de ontvangen prijsverantwoordingen: ofwel volstaat de ontvangen prijsverantwoording en dient de stad Brugge in het kader van de formelemotiveringsplicht te verduidelijken XII-8674-9/25 waarom de prijsverantwoording zou voldoen, ofwel volstaat de ontvangen prijsverantwoording niet en dient de stad Brugge de inschrijver te weren of opnieuw te bevragen. Zij kan volgens de verzoekende partij echter niet doen gelden dat de facultatieve prijsbevraging nooit heeft plaatsgevonden. Het intrekken van de eerste gunningsbeslissing van 14 mei 2018 doet volgens de verzoekende partij het gevoerde facultatieve prijsonderzoek niet teniet. In wat als een tweede middelonderdeel kan worden beschouwd, voert de verzoekende partij aan dat, zelfs indien geoordeeld zou worden dat de verwerende partij nog mag terugkomen op haar beslissing om een facultatieve prijsbevraging te richten aan de gekozen inschrijver voor de post 1.b “stabiliteitsstudie” en aldus te oordelen dat deze prijs geen schijnbare abnormaliteit vertoont zonder hierbij haar beoordelingsruimte te buiten te gaan, er dan nog onvoldoende draagkrachtige motieven zijn om de betrokken eenheidsprijs alsnog als normaal te beschouwen. Zij wijst erop dat de eenheidsprijs van de gekozen offerte slechts 60 % bedraagt van de gemiddelde eenheidsprijs voor deze post en dat er onder de eenheidsprijzen die de overige inschrijvers boden geen prijsverschillen waren die een dermate hoge afwijking kunnen verantwoorden. Dat er volgens het verslag van nazicht slechts twee prijszettingen zouden zijn in de plaats van zeven, zodat er dus geen lage of hoge prijs kan worden bepaald, is volgens de verzoekende partij een drogreden. De verwerende partij gaat volgens haar voorbij aan het feit dat zes van de zeven inschrijvers kozen voor dezelfde onderaannemer om een zo laag mogelijke prijs te kunnen bieden voor een besteksconforme uitvoering. De loutere bevestiging van een uitvoering conform het bestek vormt volgens haar ook geen voldoende verantwoording. Het motief, dat de aanwezigheid van een ingenieur stabiliteit bij de gekozen inschrijver de coördinatiekosten zou drukken, is volgens haar geen verantwoording maar louter een hypothese, waarbij bovendien ook de feitelijke XII-8674-10/25 logica achter deze stelling twijfelachtig zou zijn, omdat ook de gekozen inschrijver werkt met een extern studiebureau stabiliteit. Voorts wordt in het verslag van nazicht verwezen naar een gelijkaardig project waarbij ook sterk fluctuerende prijzen werden geboden en de uitvoering door de inschrijver met de laagste prijs een geslaagd project werd. Het is echter volkomen onduidelijk of de studie überhaupt vergelijkbaar was en welke fluctuaties daar aanwezig waren, terwijl te dezen er slechts één afwijkende prijs is. De overkoepeling van de binnenkoer die de gekozen inschrijver aanbiedt, is volgens haar een bijkomende stabiliteitstechnische uitdaging. In het licht van dit bijkomend voorstel is de opmerkelijk lage eenheidsprijs van de gekozen inschrijver volgens de verzoekende partij nog opvallender. Door, enerzijds, twee inschrijvers te weren wegens een zeer lage prijszetting, doch anderzijds niet na te gaan of de prijszetting van de gekozen inschrijver voor artikel 1.b “stabiliteitsstudie” wel haalbaar is ondanks de sterke afwijking van de gemiddelde eenheidsprijs, schendt de verwerende partij volgens de verzoekende partij ook het gelijkheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel. Beoordeling 6. Gelet op de datum van bekendmaking van de huidige opdracht is deze nog onderworpen aan de toepassing van de wet overheidsopdrachten 2006 en aan het koninklijk besluit plaatsing 2011. Met betrekking tot het prijsonderzoek bepaalt artikel 21 van het voormelde koninklijk besluit onder meer: “§ 1. De aanbestedende overheid onderwerpt de ingediende offertes aan een prijsonderzoek. Op haar verzoek verstrekken de inschrijvers tijdens de procedure alle nodige inlichtingen om dit onderzoek mogelijk te maken. § 2.[…] § 3.[…] Als de aanbestedende overheid bij het prijsonderzoek vaststelt dat in een offerte een prijs wordt geboden die abnormaal laag of abnormaal hoog lijkt in verhouding tot de uit te voeren prestaties en alvorens die offerte om die XII-8674-11/25 reden te weren, verzoekt ze de inschrijver in kwestie per aangetekende brief om de nodige schriftelijke verantwoording over de samenstelling van de prijs in kwestie te verstrekken binnen een termijn van twaalf kalenderdagen, tenzij de uitnodiging een langere termijn bepaalt. De inschrijver draagt de bewijslast van de verzending van de verantwoording. De verantwoording houdt met name verband met : […] De aanbestedende overheid onderzoekt de ontvangen verantwoording en herbevraagt indien nodig de inschrijver. […].” Krachtens artikel 95, §§ 3 en 4, van hetzelfde besluit is een offerte substantieel onregelmatig bij een abnormale prijs en is ze nietig. De bestreden beslissing moet, teneinde te voldoen aan de formelemotiveringsplicht, die de verzoekende partij afleidt uit de voormelde wet van 29 juli 1991, de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. De motivering moet afdoende zijn teneinde de belanghebbende in staat te stellen terdege te oordelen of het zin heeft zich tegen de beslissing te verweren met de middelen die het recht hem ter beschikking stelt. 7. Te dezen heeft het college van burgemeester en schepenen van de stad Brugge op 2 juli 2018 beslist om de gunningsbeslissing van 14 mei 2018, evenals het bijgaand gunningsverslag van 15 maart 2018, in te trekken. In het nieuwe verslag van nazicht, opgesteld op 13 december 2018, wordt opgemerkt dat met dit verslag de gunningsprocedure vanaf het prijsonderzoek werd hernomen. Daarbij wordt geoordeeld dat de prijs van inschrijver Origin Architecture & Engineering voor post 1b “Stabiliteitsonderzoeken” geen schijnbaar abnormaal karakter vertoont. De in het verslag van nazicht opgenomen relevante motieven inzake het prijsonderzoek werden hiervoor geciteerd onder het feitenrelaas sub randnummer 3.9. XII-8674-12/25 8. In zoverre de verzoekende partij in het eerste middelonderdeel aanvoert dat niet kan worden teruggekomen op het in het kader van de gunningsbeslissing van 14 mei 2018 gevoerde prijsonderzoek, lijkt zij eraan voorbij te gaan dat deze gunningsbeslissing werd ingetrokken. De intrekking van de eerste gunningsbeslissing heeft immers tot gevolg dat ze geacht wordt nooit te hebben bestaan en de aanbestedende overheid is in principe ook niet meer gebonden door de motieven waarop deze beslissing steunde, noch lijken deze motieven impliciet uit de nieuwe beslissing te kunnen worden afgeleid. Prima facie mocht de aanbestedende overheid, ook in het licht van de in het voormelde arrest nr. 242.003 van 28 juni 2018 vastgestelde onregelmatigheden, na de intrekking van de gunningsbeslissing van 14 mei 2018 een nieuw prijsonderzoek verrichten. In het verslag van nazicht wordt uitdrukkelijk vermeld dat het prijsonderzoek voor deze post opnieuw wordt uitgevoerd en dat dus wordt teruggekeerd naar het moment daarvoor. Bijgevolg kan de verzoekende partij niet meer nuttig verwijzen naar de mogelijke motieven die ten grondslag lagen aan de ingetrokken gunningsbeslissing van 14 mei 2018 en naar de bevindingen in het daaraan verbonden prijsonderzoek die niet meer worden herhaald in het tweede prijsonderzoek. In tegenstelling tot hetgeen zich voordeed in de eerste plaatsingsprocedure wordt door de verwerende partij in het kader van het prijsonderzoek, wat de deelopdracht “stabiliteitsstudie” betreft, nu nergens vastgesteld dat de prijs die de gekozen inschrijver in zijn offerte opnam met betrekking tot de op te stellen stabiliteitsstudie een schijnbaar abnormaal karakter vertoonde en vraagt zij in het kader van het nieuwe prijsonderzoek ook geen prijsverantwoording. Er kan voorts nergens uit de hier bestreden gunnings- beslissing en het bijgevoegde verslag van nazicht worden afgeleid dat de prijsverantwoording die werd gevraagd in de procedure die aanleiding heeft gegeven tot de ingetrokken gunningsbeslissing, nog werd betrokken in het opnieuw uitgevoerde prijsonderzoek. Daarentegen heeft de aanbestedende overheid thans geoordeeld dat de voor de “stabiliteitsstudie” opgegeven prijs door de gekozen inschrijver geen schijnbaar abnormaal karakter vertoont die tot nadere verantwoording noodzaakt en draagt zij in een aantal overwegingen zelf motieven aan die de betrokken prijs volgens haar kunnen verantwoorden. XII-8674-13/25 Het eerste onderdeel van het eerste middel is dan ook niet ernstig. 9. Wat het tweede middelonderdeel betreft, inzake de motieven zelf, beschikt de aanbestedende overheid, uitgezonderd bij toepassing van artikel 99, § 2, van het koninklijk besluit plaatsing 2011, inzake totaalprijzen, over een grote beoordelingsruimte om in het kader van een prijsonderzoek bepaalde prijzen al dan niet vermoedelijk abnormaal te bevinden en een prijsverantwoording te vragen. Deze beoordelingsruimte lijkt ruimer wanneer het, zoals bij de in het geding zijnde opdracht, gaat om “intellectuele diensten” die voor een inschrijver een ruime marge bij de prijszetting lijken te bieden. De Raad van State mag, gesteld voor de toetsing van de beoordeling van de motieven van een aanbestedende overheid om prijzen al dan niet als abnormaal te beschouwen en om al dan niet een prijsverantwoording te vragen, zijn eigen beoordeling niet in de plaats stellen van het bestuur. Het komt de Raad van State enkel toe om desgevraagd na te gaan of de betrokken motieven van dat onderzoek naar behoren zijn bewezen en of de beoordeling van het bestuur de perken van de redelijkheid en de zorgvuldigheid niet te buiten is gegaan. 10. Uit de bestreden beslissing en het bijgevoegde verslag van nazicht blijkt dat de verwerende partij wel degelijk een prijsonderzoek heeft verricht. In het verslag van nazicht, waar de betreden gunningsbeslissing naar verwijst, lijken voorts een aantal motieven te worden vermeld om te verantwoorden waarom de voor de post 1b “stabiliteitsonderzoek” opgegeven prijs door de gekozen inschrijver volgens de verwerende partij geen schijnbaar abnormaal karakter vertoont. 10.1. In de eerste plaats wordt in het verslag uiteengezet waarom er volgens de verwerende partij slechts twee werkelijke onderaannemers zijn voor de stabiliteitsstudie waardoor er geen algemeen gemiddelde is en dus geen lage of hoge prijs kan worden bepaald. Hiermee lijkt de argumentatie van de verzoekende partij, dat er te dezen sprake zou zijn van een afwijking van bijna 40 % ten opzichte van de gemiddelde eenheidsprijs en dat er onder de eenheidsprijzen die de overige inschrijvers voor dit artikel hebben geboden geen prijsverschillen zijn die een XII-8674-14/25 dermate hoge afwijking verantwoorden, op het eerste gezicht reeds afdoende te zijn weerlegd. Dat er in werkelijkheid aldus slechts twee prijzen voor stabiliteitsstudies kunnen worden afgewogen, lijkt wel degelijk een element te zijn dat te dezen het representatief karakter van een gemiddelde eenheidsprijs ondermijnt. Het voorgaande lijkt het uitgangspunt waarop het gehele middelonderdeel is gesteund, en waarin telkens sprake is van een afwijking van 40 % van die zogenaamde “gemiddelde eenheidsprijs” die niet zou worden verantwoord, dan ook reeds te nuanceren. Dat vijf inschrijvers een beroep blijken te hebben gedaan op eenzelfde studiebureau als onderaannemer met dezelfde offerte, lijkt eveneens de beperkte prijsverschillen tussen de andere inschrijvers dan de gekozen inschrijver te verklaren, die volgens het verslag van nazicht enkel nog te maken hebben met “het bijrekenen van extra coördinatiekosten of dergelijke (extra kosten overleg, een extra algemeen percentage als kosten, opslag voor onderaanneming, …)”. 10.2. In de mate dat de verzoekende partij voorts kritiek uit op het motief waarbij gesteld wordt dat uit de nota van het stabiliteitsbureau uit het team van de gekozen inschrijver blijkt dat deze beantwoordt aan de kerntaken van het bestek, verwijst zij niet dienstig naar het arrest nr. 213.205 van 12 mei 2011 van de Raad, waarin werd geoordeeld dat de enkele bevestiging van de verzoekende partij in het besluit van haar prijsverantwoording dat zij de werken zal uitvoeren “volgens de regels der kunst” en “volgens de bepalingen van het typebestek 250”, evenmin een afdoende prijsverantwoording uitmaakt. Te dezen lijkt immers de verwerende partij zich niet te hebben vergenoegd met alleen maar een verklaring van besteksconformiteit, maar heeft zij ook andere motieven aangedragen voor de prijsverantwoording. Op het eerste gezicht lijkt het betrokken motief overigens ook te moeten worden samen gelezen met de onder punt 4.2.1 in het verslag van nazicht opgenomen inleidende opmerking, evenals de onder punt 4.2.2.2 van het verslag opgenomen algemene opmerking inzake de kerntaken, beide hiervoor aangehaald. Aldus blijkt dit motief op het eerste gezicht geenszins te kunnen worden gelijkgesteld met een in het kader van een prijsverantwoording aangevoerde XII-8674-15/25 loutere bevestiging dat de werken conform het bestek zullen worden uitgevoerd en die in de rechtspraak van de Raad van State in dat verband waar de verzoekende partij naar verwijst, niet wordt aanvaard. 10.3. Voorts lijkt het de grenzen van een redelijke beoordeling niet te buiten te gaan dat de verwerende partij ervan uitgaat dat het feit dat de gekozen inschrijver zelf in zijn team beschikt over een ingenieur stabiliteit met academische referenties van aard kan zijn om het budget waarin voor de externe onderaannemer wordt voorzien te drukken doordat onder meer extra coördinatiekosten kunnen worden vermeden. In de mate dat de verzoekende partij voorts opmerkt dat het motief geen verantwoording doch een loutere hypothese uitmaakt, lijkt zij uit het oog te verliezen dat deze aanname te dezen slechts een van de verklaringen is voor het feit dat er volgens de verwerende partij geen sprake is van een schijnbaar abnormale prijs voor de litigieuze post. Voorts lijkt de betrokken aanwezigheid van die ingenieur in elk geval een onbetwist feitelijk gegeven en geen hypothese. 10.4. Eveneens lijkt te mogen worden aangenomen dat de vergelijking met prijzen van een eerdere, vergelijkbare opdracht, een pertinent criterium kan zijn om het al dan niet schijnbaar abnormaal karakter van een bepaalde prijs in te schatten. In haar nota licht de verwerende partij nog toe dat het evident is dat het wel degelijk een opdracht met een vergelijkbaar voorwerp betreft nu het om stabiliteitsonderzoeken van twee gelijkaardige torens in dezelfde stad gaat met vergelijkbare hoogte en ouderdom. Op het eerste gezicht lijkt het niet vereist dat de verwerende partij in de motieven van de bestreden beslissing nog eens op gedetailleerde wijze had dienen uiteen te zetten waarom er sprake zou zijn van een vergelijkbaar project, noch de fluctuaties in de prijzen van die andere opdracht had moeten weergeven. Wat de omvang van de formelemotiveringsverplichting betreft, lijkt de verzoekende partij hierbij overigens het onderscheid uit het oog te verliezen tussen enerzijds de fase van het algemeen prijzenonderzoek en anderzijds de fase van het – hier niet doorgevoerd – bijzonder onderzoek naar abnormale prijzen, met eventuele vraag tot prijsverantwoording. XII-8674-16/25 11. Bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een schijnbaar abnormale prijs, lijkt voorts ook rekening te mogen worden gehouden met de specificiteit van de opdracht. In dit verband wijst de verwerende partij er in haar nota op het eerste gezicht terecht op dat het te dezen een opdracht betreft voor intellectuele dienstverlening – waarbij aanzienlijke prijsverschillen sowieso al vaak voorkomen. 12. De verzoekende partij betoogt nog dat de lage eenheidsprijs van de gekozen inschrijver nog des te meer opvallend is, gelet op de overkoepeling van de binnenkoer die de gekozen inschrijver zou aanbieden. De verwerende partij repliceert hier dat deze inschrijver de studiekosten voor dit bijkomend voorstel niet in de opgegeven prijs heeft opgenomen en dat ook uit de ereloonberekening van de gekozen inschrijver heel duidelijk blijkt dat de erelonen voor een eventuele uitwerking van de overkapping van de binnenkoer niet in het basisvoorstel zitten. Dit laatste vindt prima facie bevestiging in het verslag van nazicht waarin vastgesteld wordt dat “verschillende inschrijvers een aantal (vrije) opties hebben voorgesteld die door de stad Brugge niet zullen worden besteld”, zodat dit bijkomend argument van de verzoekende partij feitelijke grondslag lijkt te missen. 13. Uit het voorgaande volgt dan ook dat de verzoekende partij op het eerste gezicht niet aantoont dat de verwerende partij bij haar beoordeling dat de voor de “stabiliteitsstudie” opgegeven prijs door de gekozen inschrijver geen schijnbaar abnormaal karakter vertoont, de perken van de redelijkheid en de zorgvuldigheid is te buiten gegaan. 14. Ten slotte voert de verzoekende partij nog een schending van het gelijkheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel aan, doordat, enerzijds, twee inschrijvers worden geweerd wegens een zeer lage prijszetting, doch, anderzijds, niet zou zijn nagegaan of de prijszetting van de gekozen inschrijver voor artikel 1.b “stabiliteitsonderzoek” wel haalbaar is ondanks de sterke afwijking van de gemiddelde eenheidsprijs. Uit het verslag van nazicht blijkt echter dat volgens de verwerende partij bij de offerte van de gekozen inschrijver, met betrekking tot de opgegeven prijs voor de stabiliteitsstudie werd vastgesteld dat uit de offerte is XII-8674-17/25 gebleken dat met de voorgestelde prijs aan de kerntaken van deze deelopdracht kon worden voldaan. Zulks was niet het geval voor de voormelde twee inschrijvers. In het licht van de voorgaande vaststellingen toont de verzoekende partij – voor zover zij al belang zou hebben bij deze laatste grief – prima facie dan ook niet aan dat deze inschrijvers ongelijk zouden zijn behandeld in vergelijking met de gekozen inschrijver noch dat hieruit eveneens een onzorgvuldig prijsonderzoek zou blijken. 15. Uit hetgeen voorafgaat, volgt dat met het besproken middel niet is aangetoond dat de opdracht niet zou zijn gegund aan de inschrijver die de regelmatige offerte heeft ingediend die de economisch voordeligste is zoals vereist door artikel 25 van de wet overheidsopdrachten 2006. Het eerste middel is niet ernstig. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 16. In een tweede middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 25 van de wet overheidsopdrachten 2006 en van artikel 101, § 2, van het koninklijk besluit plaatsing 2011, van het beginsel patere legem quam ipse fecisti, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 „betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen‟, van het materiële- motiveringsbeginsel, van het zorgvuldigheidsbeginsel en van het gelijkheidsbeginsel. Dit tweede middel heeft betrekking op de beoordeling van het subgunningscriterium 3.2 “Planning”. De gekozen inschrijver krijgt daar de maximumscore van 5 punten wegens de grootste inkorting van de planning, namelijk een inkorting van de deeltermijnen met 40 werkdagen. De verzoekende partij krijgt echter slechts 3 op 5 punten, terwijl zij in werkelijkheid de grootste inkorting biedt, namelijk 85 werkdagen. XII-8674-18/25 Volgens de verzoekende partij had zij dan ook de maximumscore dienen te krijgen voor dit subgunningscriterium en de gekozen inschrijver slechts 3 op 5 punten. Beoordeling 17. De verwerende partij werpt in haar nota een exceptie van gebrek aan belang op bij dit middel. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen exceptie uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die exceptie zou alleen nodig zijn indien het middel ernstig zou worden bevonden, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. 18. Het derde gunningscriterium “Aanpak van de opdracht (methodologie)” omvat als tweede subgunningscriterium “Beschrijving van de planning van de voorgestelde aanpak in functie van de vooropgestelde timing”. Voor de gunningscriteria 2 en 3 bepaalt het bestek de volgende wijze van beoordeling: “Per gunningscriterium of subcriterium worden de inschrijvingen beoordeeld adhv + en -, én op die manier in een rangorde geplaatst waarbij de beste beoordeling op de eerste plaats komt. Op deze wijze komt er een rangschikking van alle inschrijvingen tot stand […]. Gunningscriteria 3: TOTAAL 40 […] - Planning: totaal 5 • OK, haalbaar & heel goed: 5 • OK, haalbaar & goed: 3 • Niet OK, niet haalbaar: 0 […].” Eveneens uit het verslag van nazicht blijkt prima facie dat, specifiek wat het subgunningscriterium “Planning” betreft, de inschrijver met een verkorte planning de hoogste score (5/5) verkrijgt en dat inschrijvers die voldoen aan de vooropgestelde timing reeds een score van 3/5 behalen voor zover deze planning afdoende wordt beschreven in de offerte. XII-8674-19/25 19. De bestreden beslissing moet, teneinde te voldoen aan de formelemotiveringsplicht, die de verzoekende partij afleidt uit de voormelde wet van 29 juli 1991, de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. De motivering moet afdoende zijn teneinde de belanghebbende in staat te stellen terdege te oordelen of het zin heeft zich tegen de beslissing te verweren met de middelen die het recht hem ter beschikking stelt. De Raad van State mag zich voorts inzake de inhoudelijke beoordeling van de offertes en hun toetsing aan de gunningscriteria, niet in de plaats stellen van de aanbestedende overheid. In de uitoefening van het hem opgedragen rechtmatigheidstoezicht vermag hij wel desgevraagd na te gaan of deze beoordeling berust op voldoende veruitwendigde en draagkrachtige motieven en of het bestuur daarbij de grenzen van de redelijkheid niet te buiten is gegaan. De verwerende partij is er op grond van het beginsel patere legem quam ipse fecisti voorts toe gehouden om de regels die zij in haar eigen bestek heeft opgelegd te eerbiedigen 20. Het op de in het geding zijnde opdracht toepasselijke bijzonder bestek bepaalt onder punt „13. Duur van de opdracht en termijnen‟ van de contractuele bepalingen het volgende: “• De duur van de opdracht loopt tot bij de definitieve oplevering, zijnde 12 maanden na de voorlopige oplevering van de uitgevoerde restauratiewerken (per fase). De termijn voor de uitvoering van de opdracht staat vermeld onder „Timing‟, aangevuld met hetgeen hierna volgt: • Beheersplan & stabiliteitsonderzoek (DEEL 1.A/B): -De termijn voor de opmaak en het indienen van het beheersplan bedraagt maximaal 115 werkdagen na officiële aanstelling van de ontwerper, uitgesplitst in 85 dagen tot aan de opmaak pré-advies en 30 dagen na ontvangst opmerkingen pré-advies van het Agentschap onroerend erfgoed. -De termijn voor de opmaak en het indienen van het stabiliteitsonderzoek bedraagt maximaal 85 werkdagen na officiële aanstelling van de ontwerper. -De bescheiden moeten ingediend worden binnen de termijnen opgegeven in de offerte, bij bevolen herwerking binnen de 30 kalenderdagen. Bij afwijking hiervan kan een andere termijn afgesproken worden. XII-8674-20/25 -De opmaak van het beheersplan en het stabiliteitsonderzoek lopen gelijktijdig. En niet achtereenvolgend. (zie „Timing‟) • Voorontwerpfase / masterplan (DEEL 2): De termijn voor de opmaak en indienen van het voorontwerp bedraagt maximaal 85 werkdagen na officiële aanstelling van de ontwerper; De bescheiden moeten ingediend worden binnen de termijnen opgegeven in de offerte, bij bevolen herwerking binnen de 30 kalenderdagen. Bij afwijking hiervan kan een andere termijn afgesproken worden. Indien lange tijd dient gewacht te worden op een afspraak of advies van de betrokken (stads)diensten, dan kan voor deze termijn schorsing toegekend worden. De schorsing zal enkel na overleg met de dienst Patrimoniumbeheer van de Stad kunnen toegekend worden en wanneer daadwerkelijk wordt geacht dat de gevraagde schorsing als terecht kan worden aanzien. • Ontwerpfase (DEEL 3.A): De termijn voor de opmaak en indienen van het betreffende restauratiedossier, bedraagt maximaal 85 werkdagen na goedkeuring door het Stadsbestuur van het ingediende voorontwerp. De bescheiden moeten ingediend worden binnen de termijnen opgegeven in de offerte, bij bevolen herwerking binnen de 30 kalenderdagen. Bij afwijking hiervan kan een andere termijn afgesproken worden. […].” Het bestek vermeldt tevens de volgende timing voor de uitvoering van de opdracht: “III.1.4 Timing: • Februari 2017 Gunning opdracht ontwerper • Februari 2017 Aanvraag onderzoekspremie voor Beheersplan door het Stadsbestuur • Mei 2017 Deel 1.A: start Opmaken beheersplan – 85 werk- dagen tot indienen pré-advies Deel 1.B: start stabiliteitsonderzoeken – 85 werkdagen • Mei 2017 Deel 2: start voorontwerp / masterplan – 85 werkdagen • Oktober 2017 Einde opdracht deel 1.B: stabiliteitsonderzoek • Oktober 2017 Indienen masterplan bij Stadsbestuur = einde opdracht deel 2 • Oktober 2017 Indienen pré-advies beheersplan bij Agentschap Onroerend Erfgoed • Jan./april 2018 Afwerken beheersplan en definitief indienen bij Agentschap Onroerend Erfgoed = einde opdracht deel 1.A: beheersplan. • Oktober 2017 Deel 3: start opmaak ontwerp restauratiedossier 1 – voor gedeelte met toren – 85 werkdagen XII-8674-21/25 • Maart/april 2018 Indienen ontwerp restauratiedossier 1 bij Stadsbestuur en na goedkeuring bij het Agentschap Onroerend Erfgoed Restauratiedossier 1 wordt na indienen bij het Agentschap Onroerend Erfgoed op de wachtlijst geplaatst voor bekomen Erfgoedpremie. Het verdere verloop van de timing zal besproken worden in functie van het goedgekeurde masterplan.” 21. Uit het verslag van nazicht blijkt dat de offerte van de verzoekende partij voor het subgunningscriterium “Planning” een score van 3 op 5 punten krijgt op grond van de volgende motivering: “=> Planning: Inschrijver maakt de opmerking dat de eindresultaten van de onderzoeken stabiliteit dienen verwerkt te worden in het masterplan en dat de eindresultaten van het masterplan / voorontwerp best verwerkt worden in het beheersplan. Doch deze 3 deelopdrachten hebben een zelfde startdatum en uitvoeringstermijn. Inschrijver stelt voor om tijd te winnen door op een efficiënte manier om te gaan met de onderzoekspremies van het Agentschap Onroerend Erfgoed. Inschrijver voegt een overzicht van voorziene timing in het lastenboek in vergelijking met hun timing toe. Hij meldt dat de opgelegde timing gehandhaafd blijft. Beoordeling: => Inschrijver meldt dat de opgelegde timing gehandhaafd blijft. De toegevoegde planning wordt aanvaard. De inschrijver met een verkorte planning krijgt de hoogste score. Gezien de inschrijver met een verkorte planning de hoogste score krijgt, krijgt deze inschrijver voor dit gunningscriterium de score lager, nl. „haalbaar en goed‟.” De gekozen inschrijver behaalt voor dit subgunningscriterium een score van 5 op 5 punten op grond van de volgende motivering: “=> Inschrijver voegt een duidelijke planning toe welke aantoont dat hij de opdracht kan realiseren binnen de vooropgestelde termijn. Voor zowel de deeltaken beheersplan als masterplan wordt de termijn met telkens 15 werkdagen ingekort, voor de deeltaken stabiliteitsstudie als ontwerpfase wordt de vooropgestelde termijn met telkens 5 werkdagen ingekort. De planning wordt in totaal met 40 werkdagen ingekort. Beoordeling: => Door het inkorten van de planning toont inschrijver dat hij zijn aanpak optimaliseert en onderscheidt hij zich voor dit gunningscriterium van de andere inschrijvers.” XII-8674-22/25 Wegens de hogervermelde reden krijgt deze inschrijver de score “haalbaar en heel goed” en 5 op 5 punten. 22. De verzoekende partij maakt op het eerste gezicht niet aannemelijk dat de aan haar offerte toegekende puntenscore te laag zou zijn. Op het eerste gezicht lijkt immers nergens uit haar offerte te kunnen worden afgeleid dat zij, naast een planning conform de bepalingen van het bestek, nog een andere planning zou hebben aangeboden met inkorting van bepaalde (deel)termijnen ten belope van 85 werkdagen. Er blijkt prima facie enkel dat zij de in het bestek vooropgestelde planning in haar offerte in een tweede kolom lijkt te actualiseren in het licht van het tijdstip van de opening van de offertes. Alle in het bestek vermelde data blijken hierin systematisch vier maanden later te worden geplaatst, zodat hierin prima facie geen inkorting van termijnen kan worden gelezen. Ook de voorgestelde opsplitsing van deel 1.b “stabiliteitsonderzoek” lijkt op het eerste gezicht geen “inkorting” van de termijn in te houden, laat staan dat hieruit duidelijk een inkorting van 85 werkdagen zou blijken. Dit alles lijkt ook te worden bevestigd in de offerte door de vermelding onderaan de tabel: “Uit het overzicht blijkt dat de vooropgestelde timing gehandhaafd blijft”. Daarnaast lijken ook de vaststellingen volgens het auditoraatsadvies in het verslag van nazicht inzake de offerte van de gekozen inschrijver prima facie te stroken met hetgeen door deze inschrijver aangeboden wordt in de offerte. 23. Nu prima facie uit de offerte van de verzoekende partij niet blijkt dat zij twee planningen zou hebben voorgesteld, valt evenmin in te zien hoe artikel 101, § 2, van het koninklijk besluit plaatsing 2011 – dat specifiek betrekking heeft XII-8674-23/25 op de rangschikking in geval van indiening van basisoffertes en varianten – zou zijn geschonden. Uit hetgeen voorafgaat, volgt evenzeer dat met het besproken middel niet is aangetoond dat de opdracht niet zou zijn gegund aan de inschrijver die de regelmatige offerte heeft ingediend die de economisch voordeligste is zoals vereist door artikel 25 van de wet overheidsopdrachten 2006. 24. Het tweede middel is bijgevolg evenmin ernstig. VII. Besluit 25. Geen van beide middelen is ernstig gebleken. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid dient dan ook te worden verworpen. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt de vordering. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro, en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. XII-8674-24/25 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 31 januari 2019, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Dierk Verbiest XII-8674-25/25 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.580 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.