← België

Arrest 243596 - Penitentiair recht - 05/02/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 februari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.596 Rolnummer: A. 226352/IX-9408 Zaak: Arrest 243596 - Penitentiair recht - 05/02/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-02-07 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-25 04:53 Fiche Arrest nr 243.596 van 5 februari 2019 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 243.596 van 5 februari 2019 in de zaak A. 226.352 /IX-9408 In zake: Julia VANWINCKEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Toon Brawers kantoor houdend te 2018 Antwerpen Justitiestraat 27 bus 12 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stefaan Verbouwe en Rutger Robijns kantoor houdend te 1150 Brussel Tervurenlaan 270 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 5 oktober 2018, strekt tot de schor- sing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de voorzitter van het directie- comité van de FOD Justitie van 8 augustus 2018 waarbij Julia Vanwinckel als stagedoend penitentiair bewakingsassistent wordt ontslagen wegens beroepson- geschiktheid. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. IX-9408-1/8 Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 januari
  3. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Willem Swinnen, die loco advocaat Toon Brawers verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Rutger Robijns, die tevens loco advocaat Stefaan Verbouwe verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten
  5. Op 1 oktober 2016 start verzoekster haar stage als penitentiair bewakingsassistent bij de buitendiensten van het directoraat-generaal Penitentiaire Inrichtingen, met toewijzing aan de gevangenis te Antwerpen. Op 18 december 2017 beslist de Interdepartementale Beroeps- commissie om de stage van verzoekster met vier maanden te verlengen. Op 8 augustus 2018 wordt het thans bestreden besluit genomen; verzoekster wordt ontslagen wegens beroepsongeschiktheid met een opzegtermijn van drie maanden. IX-9408-2/8 IV. Ontvankelijkheid van het beroep
  6. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de ver- werende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexceptie uitspraak te doen. Een on- derzoek van en een uitspraak over die exceptie zouden alleen nodig zijn indien de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. V. Schorsingsvoorwaarden
  7. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. VI. Spoedeisendheid
  8. Het komt er voor een verzoekende partij die beweert dat de zaak te spoedeisend is om de uitkomst van het annulatieberoep te kunnen afwachten, op aan om van die urgentie te overtuigen aan de hand van de concrete feiten die zij in haar vordering aanvoert. Dit houdt in dat het aan deze partij toevalt om op de omstandigheden van haar zaak betrokken, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen waarom de nadelige gevolgen die een tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voor haar persoonlijk veroorzaakt, niet gedragen kunnen worden gedurende de gewone doorlooptijd van de annulatieprocedure en waarom de afloop van deze procedure bijgevolg niet afgewacht kan worden. Die gegevens moeten door de verzoekende partij worden on- derbouwd op een wijze die de rechter toelaat om ze te verifiëren, zodat hij kan aftoetsen of ze de beweerde spoedeisendheid inderdaad hardmaken. De spoedei- IX-9408-3/8 sendheid van de zaak wordt niet vermoed, welke ook de aard van de bestreden beslissing is. 7.
  9. Naar eis van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift tot schorsing “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoor- den die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, eerste lid, 4°, van het procedurereglement kort geding van 5 december
  10. 7.
  11. Een dergelijke, op de verantwoording van de spoedeisendheid toegeschreven uiteenzetting van de feiten ontbreekt in het verzoekschrift. Wat verzoekster wel doet, is een door haar gevreesd “moeilijk te herstellen ernstig nadeel” beschrijven. Verzoekster en haar raadsman verliezen uit het oog dat de voorwaarde van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel als schor- singsvoorwaarde verlaten is sinds de hervorming van de procedure bij wet van 20 januari 2014 die in werking is getreden op 1 maart 2014 – net geen vijf jaar geleden. Thans staat ter beoordeling van de Raad van State een volkomen andere wettelijke voorwaarde – de spoedeisendheid – waarvan de wettelijke draagwijdte niet gelijk is aan die van de vereiste van „moeilijk te herstellen ernstig nadeel‟.
  12. Als stagiair in overheidsdienst bevindt verzoekster zich daar- enboven onvermijdelijk in een precaire situatie, aangezien zij steeds het resultaat van haar stage dient af te wachten en zij rekening dient te houden met de moge- lijkheid dat haar stage met een ongunstig resultaat wordt beëindigd en dat zij geen vaste benoeming verkrijgt, maar dat zij wordt ontslagen. IX-9408-4/8 Het is dan ook niet vanzelfsprekend dat het personeelslid dat te maken krijgt met een dergelijke beëindiging van haar tewerkstelling als stagiair, zich erop vermag te beroepen dat haar zaak “te spoedeisend is voor een behande- ling ervan in een beroep tot nietigverklaring”. Het ligt integendeel op de weg van verzoekster om te overtuigen van bijzondere omstandigheden. 9.
  13. Wat dan, in de op zich niet ter zake doende uiteenzetting van het „moeilijk te herstellen ernstig nadeel‟, met goede wil begrepen zou kunnen worden als een argument om de uitkomst van de procedure ten gronde niet af te wachten – en dus te betrekken op de spoedeisendheid – refereert aan de leeftijd van ver- zoekster. Zij stelt 63 jaar te zijn. Indien de bestreden beslissing niet wordt ge- schorst, aldus verzoekster, “dan zal er naar alle waarschijnlijkheid nog geruime tijd overheen gaan alvorens uw Raad zich zal hebben kunnen uitspreken over de in- gestelde annulatievordering” en de kans “is bovendien groot dat er pas uitspraak zal zijn nadat verzoekster de pensioengerechtigde leeftijd (65 jaar) heeft bereikt”. Zij zal “na de beslissing onmogelijk haar functie als penitentiair bewakingsassis- tent kunnen uitvoeren”. 9.
  14. Om de spoedeisendheid aan te tonen, volstaat het niet te stellen dat er “nog geruime tijd overheen [zal] gaan alvorens uw Raad zich zal hebben kunnen uitspreken over de ingestelde annulatievordering” – met andere woorden dat de doorlooptijd van een annulatieprocedure te lang duurt of dat het resultaat van een annulatieprocedure niet kan worden afgewacht. Het moeten afwachten van het normale procedureverloop in het kader van een beroep tot nietigverklaring maakt het onvermijdelijke lot uit van elke beroepindiener en het staat aan de verzoekende partij om aan te tonen dat zij het resultaat van de procedure tot nietigverklaring niet kan afwachten op straffe van zich in een toestand te bevinden met ernstige schadelijke gevolgen. IX-9408-5/8 9.
  15. Overigens moet die verzoekende partij zich er rekenschap van geven dat een vordering tot schorsing luidens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, mag worden ingesteld “op elk mo- ment” – weze het luidens artikel 17, § 2, derde lid, van diezelfde wetten enkel op grond van nieuwe elementen, indien een eerdere schorsing verworpen is wegens gebrek aan spoedeisendheid. De bewering dat een beslissing te laat zou komen om verzoek- ster nog in staat te stellen haar functie uit te oefenen, gaat ervan uit dat de Raad niet in staat zou zijn om binnen achttien à twintig maanden een eindarrest uit te spre- ken. Die vrees is misschien niet geheel zonder grond, maar gelet op de huidige doorlooptijden toch nog voorbarig. Niets belet verzoekster het auditoraatsverslag over haar beroep af te wachten en dan, zo nodig, met toepassing van artikel 17, § 1, derde lid, RvS-Wet een met redenen omkleed verzoek aan de Raad te richten om met spoed een terechtzitting te bepalen. Indien de neerlegging van het audito- raatsverslag in het licht van haar naderende pensioengerechtigde leeftijd te lang uitblijft, dan kan zij nog steeds aan de hand van dit nieuwe feitelijke element – eventueel aangevuld met nog andere gegevens die ondertussen zouden opdui- ken – de schorsing vorderen. 9.
  16. Het specifieke argument van haar leeftijd, gerelateerd aan de duur van de annulatieprocedure en haar naderende pensioenleeftijd, lijkt er voorts aan voorbij te gaan dat een eventuele nietigverklaring verzoekster en het bestuur weer zouden plaatsen in de status quo ante – de rechtstoestand waarin zij zich bevonden aan de vooravond van de bestreden beslissing. Dit betekent dat verzoekster dan geacht moet worden, door de retroactieve nietigverklaring van haar ontslag, steeds stagedoend penitentiair ambtenaar te zijn gebleven. De verwerende partij van haar kant zou zich in dat geval weer geplaatst zien tegenover een stagedoend ambtenaar waarvan de sta- geperiode verstreken is en over wier rechtstoestand zij een beslissing moet laten volgen. IX-9408-6/8 Om van de spoed te overtuigen, staat het aan verzoekster uiteen te zetten waarom de nietigverklaring voor haar te laat zou komen voor het beoogde rechtsherstel. Zo rijst de vraag of de aangevoerde vernietigingsgronden een rechtsplicht inhouden om verzoekster met terugwerkende kracht te benoemen. Dat verzoekster ondertussen voorbij de pensioengerechtigde leeftijd is, is dan niet ter zake. Indien uit de vernietigingsgrond daarentegen voor het bestuur geen rechtsplicht tot benoemen volgt, dan gaat het om een in beginsel herstelbare on- regelmatigheid – bijvoorbeeld de hoorplicht (derde middel). Welnu, in dat geval rijst de vraag tot welk rechtsherstel de overheid is gehouden, indien het arrest pas zou volgen nadat verzoekster de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt. Het staat niet aan de Raad die vragen thans zelf op te lossen. Het lag op de weg van verzoekster, indien zij de spoedeisendheid wil koppelen aan haar leeftijd, hierin standpunt te nemen. Verzoekster beweert niet dat na een eventueel vernietigingsar- rest een succesvolle afronding van haar stage en een retroactieve reconstructie van haar loopbaan niet meer mogelijk zouden zijn. Minstens verzuimt zij om het effect van een eventuele nietigverklaring in een betoog over de spoedeisendheid te be- trekken. 9.
  17. Verzoekster heeft de functie van penitentiair bewakingsassistent iets meer dan twee jaar als stage uitgeoefend. Haar betoog volstaat niet – mede in het licht van wat hiervóór is overwogen – om te overtuigen dat de vrees om haar functie nooit meer in de feiten te kunnen uitoefenen haar zodanig morele averij doet oplopen die de spoedeisendheid zou verantwoorden.
  18. In haar uiteenzetting over het „moeilijk te herstellen ernstig nadeel‟ vermeldt verzoekster nog, “[b]ijkomend], “de zware financiële gevolgen van het bestreden besluit”. Dat het aan verzoekster gegeven ontslag financiële gevolgen heeft, laat zich verstaan. Om de rechter evenwel ervan te overtuigen dat de impact IX-9408-7/8 van die financiële gevolgen redelijkerwijze niet gedragen kunnen worden tot een uitspraak volgt over het beroep – een aspect waarin de schorsingsvoorwaarde van „spoedeisendheid‟ nu net verschilt van het „moeilijk te herstellen ernstig nadeel‟ – mag van verzoekster wel een minimale inspanning worden gevraagd om die im- pact toe te lichten en op haar individuele situatie te betrekken. Het verzoekschrift bevat evenwel geen enkele becijfering van verzoeksters inkomsten en uitgaven of een toelichting van haar gezinssituatie. Verzoekster beweert dat zij niet in aan- merking komt voor een werkeloosheidsuitkering, maar brengt daarvan geen bewijs voor. Integendeel, zij legt zelfs geen enkel stuk voor omtrent haar bestaansmid- delen dat de rechter in staat zou stellen om haar beweringen te toetsen.
  19. Besluit van wat voorafgaat is, dat verzoekster nalaat de nood- zakelijke specifieke gegevens aan te brengen die in concreto aantonen dat de zaak voor haar spoedeisend is. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 5 februari 2019, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-9408-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.596 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.054 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.