id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 februari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.612 Rolnummer: A. 226422/VII-40406 Zaak: Arrest 243612 - Milieuvergunningen - 07/02/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-02-18 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-25 05:03 Fiche Arrest nr 243.612 van 7 februari 2019 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 243.612 van 7 februari 2019 in de zaak A. 226.422/VII-40.
- In zake :
- Lucien CUVELIER
- Noël VLIEGHE
- Johny DE BEUF bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Isabelle Larmuseau kantoor houdend te 9000 Gent Kasteellaan 141 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Bronders kantoor houdend te 8400 Oostende Archimedesstraat 7 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de NV AGRISTO bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Flamey kantoor houdend te 2018 Antwerpen Jan Van Rijswijcklaan 16 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 21 november 2018, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 5 oktober 2018 waarbij de beroepen ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 28 januari 2016, houdende het verlenen van een VII-40.406-1/8 milieuvergunning aan de NV Agristo/NV Aspiravi voor het exploiteren van een aardappelverwerkend bedrijf met biogasvalorisatie, gelegen aan de Waterstraat 40 te Harelbeke, gedeeltelijk gegrond worden verklaard en de beroepen beslissing wordt gewijzigd. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 242.737 van 23 oktober 2018 wordt het verzoek tot tussenkomst van de NV Agristo ingewilligd en wordt de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de bestreden beslissing verworpen. De verzoekers hebben een vordering tot schorsing ingediend. De verwerende en de tussenkomende partij hebben een nota ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 31 januari
- Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Karlien Vernieuwe, die loco advocaat Isabelle Larmuseau verschijnt voor de verzoekers, advocaat Clive Rommelaere, die loco advocaat Bart Bronders verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Evi Mees, die loco advocaat Peter Flamey verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. VII-40.406-2/8 Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). III. Feiten 3.
- De bestreden beslissing is een nieuwe beslissing na het vernietigingsarrest nr. 241.569 van 24 mei
- Voor de feiten kan dan ook grotendeels naar dat arrest worden verwezen. 3.
- Na het vernietigingsarrest wordt de procedure bestuurlijk beroep hernomen. Er worden gunstige adviezen verleend door: - de dienst Waterlopen van de provincie West-Vlaanderen (voorwaardelijk); - de afdeling GOP (Ruimte) van het departement Omgeving; - de afdeling Operationeel Waterbeheer van de Vlaamse Milieumaatschappij (hierna: VMM); en ongunstige adviezen door: - de afdeling Gebiedsontwikkeling, omgevingsplanning en -projecten (GOP) (Milieu) van het departement Omgeving; - de afdeling Ecologisch Toezicht van de VMM; - de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie. 3.
- Parallel aan deze hernomen procedure loopt er ook een nieuwe vergunningsprocedure: op 27 april 2018 heeft de exploitant een omgevingsvergunningsaanvraag ingediend, die na verduidelijking ontvankelijk en volledig wordt verklaard op 28 mei
- Deze aanvraag leidt er toe dat de deputatie op 20 september 2018 een omgevingsvergunning verleent. Overeenkomstig artikel 35 van het decreet betreffende de omgevingsvergunning VII-40.406-3/8 kan voor de onderdelen van de inrichting die voorheen niet vergund waren voorlopig geen gebruik worden gemaakt van deze vergunning. 3.
- Op 5 oktober 2018 wordt de hier bestreden beslissing genomen: er wordt opnieuw een milieuvergunning verleend, overwegende: “[...] dat arrest 241.569 van de Raad van State van 24 mei 2018, houdende vernietiging van het ministerieel besluit van 25 juli 2016, voornamelijk is gebaseerd op het gegeven dat het MER niets wezenlijks zegt over welke maatregelen concreet zouden moeten worden genomen, terwijl deze nochtans noodzakelijk worden geacht om tegemoet te komen aan de vastgestelde geur- en geluidshinder, dat deze maatregelen, aldus het MER, moeten worden bepaald in later op te stellen saneringsplannen, dat deze saneringsplannen finaal hebben geleid tot een aantal milderende maatregelen die als bijzondere voorwaarden zijn opgelegd, dat dit in strijd is met de artikelen 4.1.4 en 4.1.7 van het DABM en dat het feit dat het MER is goedgekeurd door de dienst MER, daar niets aan af doet; [...] dat er op 25 juni 2015 een MER (nr. PR2057) werd goedgekeurd door de dienst Mer; dat het niet aan een orgaan van actief bestuur toe komt om hierover een ander standpunt in te nemen; dat bijgevolg het standpunt van de Raad van State niet kan worden bijgetreden”. De daarop volgende motivering aangaande de geur- en geluidshinder en aangaande de ter zake noodzakelijk geachte milderende maatregelen stemt nagenoeg overeen met deze in de eerder vernietigde beslissing, en is wat de essentie betreft identiek. Hetzelfde is het geval voor de opgelegde bijzondere vergunningsvoorwaarden. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Op grond van artikel 17, § 1, van de RvS-wet kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat prima facie de vernietiging van de aangevochten akte of het reglement kan verantwoorden en dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring. VII-40.406-4/8 V. Spoedeisendheid
- De verzoekers zetten het volgende uiteen: “De tragische realiteit wijst reeds jàren uit dat door nv AGRISTO géén maatregelen kunnen worden genomen om de aanzienlijk negatieve effecten op het vlak van geur en geluid in hoofde van de verzoekende partijen ooit te milderen. De inhoud van de illegale vergunningsvoorwaarden voor geur en geluid, opgelegd in de illegale en door de verzoekende partijen bestreden omgevingsvergunning van 20 september 2018 […] herbevestigen dit voor de zoveelste keer […]. Aansluitend op het door de nv AGRISTO niet nageleefde vernietigingsarrest nr. 241.569 van 24 mei 2018 van Uw Raad, heeft de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, zetelend in strafzaken, op 8 oktober 2018 de door de verzoekende partijen ingestelde vordering tot stopzetting van de illegale exploitatie van de nv AGRISTO in beraad genomen […]. Het vonnis van de strafrechter, houdende de veroordeling van de nv AGRISTO voor de illegale exploitatie, is tussengekomen op 5 november 2018 […]. Door de beperking van de incriminatieperiode lastens de nv AGRISTO tot 7 juni 2018, datum waarop de nv AGRISTO rechtstreeks werd gedagvaard door de verzoekende partijen, spreekt de strafrechter zich nog niet uit over de vraag of het ministerieel milieuvergunningsbesluit van 5 oktober 2018 overeenkomstig artikel 159 Grondwet buiten toepassing moet worden gelaten […]. De nv AGRISTO zal nu rechtstreeks worden gedagvaard voor de incriminatieperiode van 7 juni 2018 tot op vandaag, met de uitdrukkelijke vraag aan de strafrechter om het ministerieel milieuvergunningsbesluit van 5 oktober 2018 overeenkomstig artikel 159 Grondwet buiten toepassing te laten. De verzoekende partijen vragen aan Uw Raad om het manifest onwettig overheidsbesluit van 5 oktober 2018, dat zo flagrant het gezag van gewijsde schendt van het vernietigingsarrest nr. 241.569 van 24 mei 2018 van Uw Raad, te schorsen, gelet op het onaanvaardbaar voortduren van de aanzienlijk negatieve effecten voor geur en geluid in hoofde van de verzoekende partijen - een aangelegenheid die betrekking heeft op het grondwettelijk gewaarborgde recht op gezondheid (artikel 23, lid 3, 4° Grondwet). Het is een rechtstaat onwaardig dat de verzoekende partijen, die telkens opnieuw hun gelijk halen voor de administratieve en strafrechter, na 33 jaar nog steeds in de kou staan. Het voorliggend manifest illegaal overheidsbesluit is de zoveelste illustratie dat de verwerende partij, in plaats van uitvoering te geven aan de rechterlijke uitspraken die in deze zaak tussenkomen, er ronduit àlles aan doet om als overheid te interfereren in al wat door de rechterlijke macht zo klaar en duidelijk wordt beslist. Dat een arrest van Uw Raad door de verwerende partij zelfs terminologisch wordt gedegradeerd tot niets meer dan een „standpunt‟, dat het niet eens haalt op het eigen standpunt van de verwerende partij, slaat met verstomming (zie VII-40.406-5/8 stuk 1.1., p. 7: „Overwegende dat er op 25 juni 2015 een MER (nr. PR2057) werd goedgekeurd door de dienst Mer; dat het niet aan een orgaan van actief bestuur toe komt om hierover een ander standpunt in te nemen; dat bijgevolg het standpunt van de Raad van State niet kan worden bijgetreden‟). Waarom moeten de verzoekende partijen, die inmiddels de pensioenleeftijd hebben bereikt, opnieuw maanden en jaren wachten op een uitspraak over de manifeste onwettigheid van dit overheidshandelen?”.
- De verwerende partij wijst erop dat deze uiteenzetting aangaande de spoedeisendheid nagenoeg overeenstemt met de naar aanleiding van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid aangevoerde uiterst dringende noodzakelijkheid. De Raad van State heeft geoordeeld dat aan die voorwaarde niet was voldaan. Bovendien, nadat een vordering tot schorsing werd verworpen bij gebrek aan spoedeisendheid, moet een nieuwe vordering steunen op nieuwe elementen die de spoedeisendheid ervan rechtvaardigen (artikel 17, § 2, derde lid, van de RvS-wet). Er worden echter geen nieuwe elementen aangebracht.
- De tussenkomende partij argumenteert uitvoerig over de voorwaarde van de spoedeisendheid, en ook zij wijst er daarbij op dat de uiterst dringende noodzakelijkheid van de vorige vordering door de Raad van State werd verworpen, en dat in huidige vordering geen nieuwe elementen worden aangebracht die de spoedeisendheid wel zouden kunnen aantonen. Aangezien artikel 17, § 2, derde lid, van de RvS-wet geen onderscheid maakt tussen opeenvolgende reguliere schorsingsvorderingen en een reguliere schorsingsvordering gevolgd op een schorsingsvordering bij uiterst dringende noodzakelijkheid, en aangezien de uiterst dringende noodzaak een specifieke vorm is van zeer bijzondere, acute spoedeisendheid, moet deze bepaling samen gelezen worden met artikel 17, § 4, RvS-wet, teneinde op coherente wijze te vermijden dat opeenvolgende schorsingsverzoeken worden ingediend, die geen rekening houden met wat de Raad reeds beslist en/of overwogen heeft met betrekking tot de ontvankelijkheidsvoorwaarden inzake schorsing. VII-40.406-6/8 Beoordeling
- De uiteenzetting van de spoedeisendheid bevat inderdaad geen wezenlijke elementen die niet reeds werden aangebracht in de eerdere uiteenzetting van de uiterst dringende noodzakelijkheid en die niet door de Raad van State werden aanvaard om het spoedeisend karakter van de vordering te staven. De verzoekers hebben in het huidige verzoekschrift opnieuw nagelaten op heldere en overtuigende wijze de feiten en omstandigheden uiteen te zetten, aannemelijk te maken en in de tijd te situeren, die zouden kunnen aantonen dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling in een beroep tot nietigverklaring. Aangezien de verzoekers geen nieuwe elementen aanbrengen, kan met betrekking tot de spoedeisendheid, worden verwezen naar wat werd geoordeeld in arrest nr. 242.737 van 23 oktober 2018, dat uitspraak deed over de vordering tot schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid: “[…] Dit laatste impliceert dat de verzoekende partij aan de hand van precieze en concrete gegevens aantoont dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien zij pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen. De verzoekende partij moet op heldere en overtuigende wijze de feiten en omstandigheden, die aantonen dat de zaak niet verenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing, uiteenzetten, ze aannemelijk maken en ze in de tijd situeren. Er kan van uiterst dringende noodzakelijkheid slechts sprake zijn wanneer wordt aangetoond dat er een „dreigend gevaar‟ bestaat voor de afwending waarvan de gewone schorsingsprocedure te laat zou komen. De voorwaarde van het spoedeisend karakter is een schorsingsvoorwaarde die afzonderlijk onderzocht moet worden. De onwettigheden die tegen het bestreden besluit worden aangevoerd kunnen op zich geen reden zijn om het bestaan van spoedeisendheid te aanvaarden”. VII-40.406-7/8 De spoedeisendheid, een van twee grondvoorwaarden voor de schorsing van de tenuitvoerlegging, wordt in het kader van de huidige procedure, evenmin aannemelijk gemaakt. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeven februari tweeduizend negentien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.406-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.612 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.737 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.113 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div