← België

Arrest 243614 - Politie (federale reglementen) - 07/02/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 februari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.614 Rolnummer: A. 222266/XIV-37427 Zaak: Arrest 243614 - Politie (federale reglementen) - 07/02/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-02-14 Raadplegingen: 77 - laatst gezien 2026-06-25 05:04 Fiche Arrest nr 243.614 van 7 februari 2019 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Politie (federale reglementen) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 243.614 van 7 februari 2019 in de zaak A. 222.266/XIV-37.427 In zake : Jan VANHOUTTE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Siegfried De Mulder kantoor houdend te 1730 Asse Stationsstraat 35/1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de POLITIEZONE 5339 BRUSSEL - HOOFDSTAD - ELSENE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Frédéric Van De Gejuchte kantoor houdend te 1030 Brussel de Jamblinne de Meuxplein 41 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 26 mei 2017, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het politiecollege van de lokale politiezone Brussel-Hoofdstad-Elsene van 27 maart 2017 waarbij aan verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 240.103 van 6 december 2017 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. Verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. XIV-37.427-1/19 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld. Verzoeker heeft een laatste memorie en een verzoek tot voortzetting van het geding ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 januari
  3. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Dieter Vanelverdinghe, die loco advocaat Siegfried De Mulder verschijnt voor verzoeker, en advocaat Emmanuel Jacubowitz, die loco advocaat Frédéric Van De Gejuchte verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. XIV-37.427-2/19 III. Feiten
  5. De feiten zijn uiteengezet in het tussenarrest nr. 240.103 van 6 december
  6. Er wordt naar verwezen. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  7. Verzoeker voert in het eerste middel het “onzorgvuldig handelen van de tuchtrechtelijke overheid” aan, alsook de schending van de formele- en de materiëlemotiveringsplicht. Hij voert aan dat de verwerende partij tal van essentiële elementen uit zijn verdediging volstrekt onbeantwoord heeft gelaten. Vooreerst voert hij aan dat er geen voorafgaand onderzoek werd gevoerd. Het was volgens hem niettemin noodzakelijk om, ten einde een volledig en objectief beeld van de feiten te krijgen, een onderzoek te bevelen naar verzoekers gezondheidstoestand op het ogenblik van de feiten, daar de overheid als werkgever de medische toestand van verzoeker kende hetgeen hij detailleert. Daarnaast wijst verzoeker ook op de aard van de feiten zelf, met name verschillende symptomen die verzoeker opsomt en die, naar hij stelt, een gekende manifestatie zijn van bipolaire manische opstoten. Hij betoogt dat van de overheid niet kan worden verwacht dat zij psychologische diagnoses stelt, maar wel dat zij, wanneer bepaalde handelingen worden gesteld door een personeelslid met een gekend en geweten ziektebeeld, zij de nodige zorgvuldigheid aan de dag legt met betrekking tot de beoordeling van de feiten. Hij besluit dat het door de overheid als werkgever gekende ziektebeeld van verzoeker, de aard van de feiten en de geïsoleerde “uitbarsting” van dergelijke handelingen begin 2016, voldoende ernstige aanwijzingen vormen om een voorafgaand medisch onderzoek te verantwoorden. Verzoeker voert voorts aan dat hij dat eveneens reeds opwierp in zijn verwerende memories en besluit dat de al dan niet verschoonbaarheid van de feiten moet worden onderzocht. XIV-37.427-3/19 In het middel voert verzoeker voorts aan dat de verwerende partij niet motiveert waarom of hoe zij uit de feiten meent af te leiden dat hij verantwoordelijk was voor zijn handelingen. De verwerende partij motiveert niet waarom de feiten al dan niet verschoonbaar zijn en over de verschoonbaarheid zelf wordt met geen woord gerept. Volgens hem blijkt uit geen enkel objectief element van het dossier dat hij voor zijn handelingen verantwoordelijk was op het ogenblik van de feiten. Volgens verzoeker waren er, in tegenstelling tot hetgeen het politiecollege stelt, wel “ernstige aanwijzingen” voorhanden opdat het politiecollege ertoe gehouden zou zijn de psychische toestand van verzoeker te onderzoeken. Daarenboven werd door verzoeker ook bij zijn memorie van 17 maart 2017 een duidelijke verklaring van zijn behandelende arts inzake zijn geestestoestand op het ogenblik van de feiten gevoegd. Bipolaire stoornis en een periode van manie is geen dermate geïsoleerde toestand dat de overheid kan oordelen dat dat medisch attest geen relevantie heeft voor de feiten gepleegd op 7 juli 2016, te meer gelet op het gekende kader van de psychische problematiek bij verzoeker. Verzoeker concludeert dat de verwerende partij nalaat om een voorafgaand onderzoek te voeren naar de psychische toestand van verzoeker - schending van het zorgvuldigheidsbeginsel - noch motiveert zij waarom verzoeker volgens haar verantwoordelijk is voor zijn handelingen en er geen sprake is van verschoonbaarheid. In de memorie van wederantwoord herneemt verzoeker omzeggens woordelijk het middel, er aan toevoegende dat het door hem overgelegde medisch attest (van 7 november 2016) duidelijk stelt dat hij wel degelijk handelde onder invloed van zijn geestesstoornis op het ogenblik van de feiten, zodat hij wel voldoende bewijs leverde dat verder onderzoek noodzakelijk was. Voorts benadrukt hij dat het net “de feiten” zijn die te dezen onvoldoende waren gekend om een beslissing te nemen en dat een juiste inschatting van verzoekers verantwoordelijkheid voor zijn daden op het ogenblik van de tuchtfeiten een essentieel element is in het dossier. Het feit dat zijn ziektebeeld gekend was door de verwerende partij, dat de aard van de feiten past in het kader van zijn ziektebeeld, dat het om een geïsoleerd gebeuren gaat, dat hij voordien een XIV-37.427-4/19 vlekkeloze staat van dienst had, dat dit element werd voorgedragen voor de tuchtraad en dat een medisch attest werd bijgebracht, zijn volgens verzoeker feitelijke, verifieerbare en objectieve elementen, die ernstige aanwijzingen vormen dat de hem verweten tuchtfeiten zijn voortgekomen uit zijn ziektebeeld en dat hij niet verantwoordelijk was voor zijn daden. Verzoeker meent dan ook te hebben voldaan aan zijn aanvoeringslast. In deze is het noodzakelijke vooronderzoek naar zijn psychische toestand niet gevoerd en kon de verwerende partij derhalve niet oordelen op basis van een volledig onderzoek. Voorts voegt verzoeker een “expertiseverslag voor de disciplinaire commissie dd. 16/09/2017.” Beoordeling
  8. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen. De zorgvuldigheidsplicht houdt evenwel niet in dat van een tuchtoverheid moet worden verwacht dat zij een loutere suggestie of bewering die niet op een geloofwaardige wijze is ingeroepen, met de nodige zorgvuldigheid onderzoekt. Enkel wanneer de ingeroepen bewering niet is ontbloot van elk element van geloofwaardigheid, rust op de tuchtoverheid de hiervoor geschetste zorgvuldigheid bij het onderzoek van dit gegeven. Op een verzoeker die wenst dat de tuchtoverheid tijdens de voorbereiding van de beslissing met de nodige zorgvuldigheid onderzoekt of een schulduitsluitingsgrond zijn gedrag verschoont, rust derhalve een aanvoeringslast die inhoudt dat hij op een geloofwaardige wijze die grond inroept. XIV-37.427-5/19
  9. Verzoeker voert in de eerste plaats aan dat de zorgvuldigheidsplicht is geschonden doordat de hogere tuchtoverheid geen voorafgaand onderzoek heeft gevoerd naar zijn psychische toestand. Het voorafgaand onderzoek waarop verzoeker doelt, is dat wat is voorzien in artikel 38, eerste lid, van de wet van 13 mei 1999 „houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten‟ (hierna: de tuchtwet). Er is te dezen geen dergelijk vooronderzoek gebeurd. Zulks belet evenwel niet dat de hogere tuchtoverheid met kennis van zaken kon beslissen. Het voorafgaand onderzoek ligt buiten de eigenlijke tuchtprocedure en is niet verplicht. De bevoegdheid van de hogere tuchtoverheid om eventueel een voorafgaand onderzoek te bevelen, houdt voorts ook in dat de hogere tuchtoverheid dit onderzoek ook zelf kan voeren, dan wel dat de tuchtoverheid ook langs andere wegen zoals het door haar gevoerde onderzoek, informatie kan inwinnen om zicht te krijgen op de feiten en de eventuele tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid van een politieambtenaar. In die omstandigheden moet worden vastgesteld dat de zorgvuldigheidsplicht derhalve niet noodzakelijkerwijze met zich meebrengt dat de hogere tuchtoverheid te dezen een vooronderzoek moet uitvoeren nu zij ook via andere modaliteiten de gezondheidstoestand, desgevallend, mee kon betrekken bij haar voorbereiding van de tuchtbeslissing. In de mate dat verzoeker doet gelden dat het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden doordat er geen voorafgaand onderzoek is gebeurd naar zijn psychische toestand, faalt het middel.
  10. In de mate dat verzoeker ook doet gelden dat de hogere tuchtoverheid heeft nagelaten zijn “gekend en geweten ziektebeeld” bij haar onderzoek te betrekken, bemerkt de Raad van State dat, op grond van de hiervoor nader bepaalde aanvoeringslast, de zorgvuldigheidsplicht niet noodzakelijkerwijze XIV-37.427-6/19 met zich meebrengt dat de hogere tuchtoverheid wanneer zij verzoekers ziektebeeld kent of moest kennen, stelselmatig en ongeacht de bijzondere omstandigheden van het concrete geval, die gezondheidstoestand op het ogenblik van de feiten moet onderzoeken alsmede de verschoonbaarheid van de gepleegde tuchtvergrijpen op grond daarvan. Zoals hiervoor is uiteengezet, is dergelijk onderzoek van dit gegeven alleen vereist indien de ingeroepen bewering niet is ontbloot van elk element van geloofwaardigheid. Te dezen blijkt uit het tuchtdossier dat verzoeker, nadat de hogere tuchtoverheid hem haar voorstel van zware tuchtstraf van 6 oktober 2016 ter kennis had gebracht, in het kader van zijn verzoek tot heroverweging bij de Tuchtraad voor het eerst een medisch attest van 11 november 2016 heeft bijgebracht. Uit het advies van de Tuchtraad blijkt dat die dat attest heeft beoordeeld en oordeelde dat de tuchtoverheid de feiten terecht heeft toegerekend aan verzoeker en het niet opportuun achtte een verder onderzoek naar de geestestoestand van verzoeker uit te voeren. Ook blijkt uit de bestreden beslissing (zie het tussenarrest nr. 240.103 van 6 december 2017 punt 3.6.) dat de verwerende partij, in het kader van haar beoordeling omtrent de aard en de zwaarte van de tuchtstraf, dat medisch attest heeft beoordeeld. In die omstandigheden moet aldus worden vastgesteld dat de hogere tuchtoverheid wel degelijk verzoekers beweringen inzake zijn gezondheidstoestand met de nodige zorgvuldigheid heeft onderzocht, maar dat zij oordeelde dat er te dezen geen bijkomend onderzoek is vereist noch dat verzoeker omwille van een schulduitsluitingsgrond niet verantwoordelijk zou kunnen zijn voor zijn daden. De hogere tuchtoverheid heeft aldus verzoekers gezondheidstoestand op het ogenblik van het plegen van de tuchtfeiten, in de loop van de procedure, met de nodige zorgvuldigheid onderzocht. De omstandigheid dat verzoeker het anders ziet, maakt op zich het middel niet gegrond. XIV-37.427-7/19 In de mate dat verzoeker stelt dat in de loop van de procedure zijn gezondheidstoestand op het ogenblik van het plegen van de tuchtfeiten niet met de nodige zorgvuldigheid werd onderzocht, is het middel ongegrond.
  11. Het middel is ongegrond in de mate dat het de schending van de zorgvuldigheidsplicht aanvoert. Betreffende de schending van de materiëlemotiveringsplicht
  12. Verzoeker voert in het middel ook de schending aan van de materiëlemotiveringsplicht. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. De tuchtoverheid heeft bij de uitoefening van haar tuchtbevoegdheid een discretionaire beoordelingsbevoegdheid, zowel op het stuk van de bewezenverklaring als op het vlak van de tuchtrechtelijke kwalificatie van de ten laste gelegde feiten. Opdat de gezondheidstoestand van de politieambtenaar een verschoningsgrond zou kunnen uitmaken, moet voorts blijken dat de feiten te verschonen zijn door de gezondheidstoestand van de politieambtenaar op het ogenblik van het plegen van de tuchtrechtelijke feiten. De vraag of de gezondheidstoestand van de politieambtenaar derhalve een verschoningsgrond uitmaakt, behoort aldus tot de discretionaire beoordelingsbevoegdheid van de tuchtoverheid. Het komt aan de Raad van State binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht niet toe om zelf een beoordeling te maken of de gezondheidstoestand van de politieambtenaar op het ogenblik van de feiten de ten laste gelegde feiten verschoont zodat er geen tuchtvergrijp is. De Raad van State is XIV-37.427-8/19 enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen.
  13. Verzoeker bekritiseert het motief van de tuchtoverheid dat zij niet is gehouden de psychische toestand van verzoeker te onderzoeken nu er volgens haar geen “ernstige aanwijzingen” in die zin zijn. Uit de formele motivering van de bestreden beslissing blijkt dat de hogere tuchtoverheid zich inzake het niet noodzakelijk achten van het onderzoek van de psychische toestand van verzoeker, aansloot bij het advies van de Tuchtraad. Voorts blijkt ook uit die formele motivering dat de hogere tuchtoverheid oordeelt dat het door verzoeker bij zijn memorie van 17 maart 2017 gevoegde medische attest van zijn behandelende arts niet doet blijken dat verzoekers opneming in een psychiatrisch centrum verband houdt met de ten laste gelegde tuchtfeiten, alsook dat het attest niet de omvang van verzoekers geestesstoornis op het ogenblik van de feiten preciseert, noch dat uit het attest blijkt dat de arts van oordeel is dat een werkhervatting met succes kan worden opgestart. Met haar beoordeling van de noodzaak om de psychische toestand van verzoeker te onderzoeken en van de verklaring van de behandelende arts blijft de hogere tuchtoverheid binnen haar beoordelingsbevoegdheid. Verzoeker geeft in de memorie van antwoord blijk van een eigen feitelijke beoordeling van de inhoud van het voornoemde attest, maar hij maakt niet aannemelijk dat de hogere tuchtoverheid in verband met haar beoordeling van de inhoud van dat attest, de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid ter zake heeft overschreden. Het voorgaande gaat ook op voor de beoordeling door de hogere tuchtoverheid dat verzoekers geestesgesteldheid niet verhindert dat de sanctie van ontslag van ambtswege kan worden opgelegd, al is dat volgens verzoeker verwerpelijk. De omstandigheid dat de hogere tuchtoverheid het persoonlijk standpunt van verzoeker ter zake niet bijtreedt, maakt op zich de motieven van de bestreden beslissing niet onwettig. Verzoeker geeft weliswaar blijk van een eigen XIV-37.427-9/19 feitelijke beoordeling van zijn persoonlijke geestestoestand en de relevantie ervan, maar dat maakt op zich niet aannemelijk dat de hogere tuchtoverheid in verband met de beoordeling ervan, tot een conclusie is gekomen waaruit de schending van de materiëlemotiveringsplicht zou moeten blijken. Wat voorts het door verzoeker aangehaald falend preventiebeleid van de verwerende partij betreft, maakt verzoeker niet aannemelijk dat er te dezen een oorzakelijk verband zou zijn met de hem tenlastegelegde tuchtfeiten, noch dat zulks een verschoningsgrond zou uitmaken. In de mate dat verzoeker tot adstructie van deze grief ook verwijst naar het bij de memorie van wederantwoord gevoegd “expertiseverslag voor de disciplinaire commissie dd 16/09/2017” blijkt dat stuk te dateren van bijna een jaar na de feiten en hoe dan ook van ruim na de bestreden beslissing. De verwerende partij heeft dus op geen enkele wijze rekening kunnen houden met dat stuk, zodat daaruit geen schending van de zorgvuldigheidsplicht kan blijken. Het overgelegde stuk mag derhalve niet tot andere bevindingen leiden als die welke hiervoor zijn gesteld. Evenmin kan rekening worden gehouden met de voor het eerst in de memorie van wederantwoord uiteengezette feitelijke argumenten die volgens verzoeker ernstige aanwijzingen vormen dat de tuchtfeiten voortkomen uit zijn ziektebeeld en dat hij niet verantwoordelijk is voor zijn daden. Niet blijkt dat hij die niet eerder in de procedure had kunnen aanvoeren zodat er thans geen rekening mee mag worden gehouden.
  14. Het middel is in die mate ongegrond. Betreffende de schending van de formelemotiveringsplicht
  15. Verzoeker voert ook de schending aan van de formelemotiveringsplicht vervat in de “wet van 29 juli 2009.” XIV-37.427-10/19 De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 „betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen‟ verplichten de administratieve overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze. Het afdoend karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. Hoewel de formelemotiveringsplicht de (hogere) tuchtoverheid er niet toe verplicht uitdrukkelijk te antwoorden op alle door de politieambtenaar tijdens de tuchtprocedure opgeworpen argumenten of - te dezen - verzachtende of schulduitsluitende omstandigheden, moet uit haar beslissing wel kunnen worden opgemaakt dat het verweer van de politieambtenaar daadwerkelijk in de besluitvorming is betrokken. Hieruit volgt dat de tuchtoverheid niet uitvoerig moet antwoorden op elk van deze argumenten of omstandigheden. Wel moet impliciet of expliciet blijken dat de argumentatie van de betrokkene in de besluitvorming werd betrokken en moet hieruit minstens impliciet kunnen worden afgeleid waarom de argumenten in het algemeen niet werden aanvaard.
  16. In tegenstelling tot hoe verzoeker het ziet, moet bij het onderzoek naar het afdoende karakter van de formelemotiveringsplicht rekening worden gehouden met het geheel van de formele motivering en niet met een of meerdere - door verzoeker geciteerde en bekritiseerde - onderdelen van de motivering op zich. De motivering in haar geheel moet immers afdoende zijn. XIV-37.427-11/19 De formele motivering van de bestreden beslissing is weergegeven in het tussenarrest nr. 240.103 van 6 december 2017 (punt 3.6). Anders dan hoe verzoeker het ziet, verschaft die aan verzoeker voldoende duidelijkheid waarom de hogere tuchtoverheid van mening is dat de feiten aan verzoeker toerekenbaar zijn. Ook blijkt er minstens impliciet uit dat zijn verweer, gesteund op zijn psychische gezondheidstoestand als grond tot schulduitsluiting, daadwerkelijk in de besluitvorming werd betrokken, zodat verzoeker minstens impliciet uit de formele motivering moet kunnen afleiden waarom zijn argumenten in het algemeen niet werden aanvaard. Dat volstaat in het licht van de door verzoeker geschonden geachte formelemotiveringsplicht. Voorts gaat de formelemotiveringsplicht te dezen niet zover dat ze de hogere tuchtoverheid ertoe zou verplichten de uitgedrukte motieven nog nader te expliciteren. De algemene bezwaren die verzoeker in het middel aanvoert leiden niet tot een andere conclusie, noch de enkele omstandigheid dat verzoeker een ander standpunt heeft en zich niet kan vinden in de gegeven formele motivering.
  17. Het eerste middel is in die mate ongegrond. Conclusie
  18. Het eerste middel is ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  19. Verzoeker voert in het verzoekschrift aan, hetgeen hij woordelijk herneemt in de memorie van wederantwoord, dat het “onduidelijk [is] of de taalwet in bestuurszaken (KB 1966 inzake gebruik van talen in bestuurszaken) in samenlezing met de artikelen 25 e.v. op de Wet inzake de Geïntegreerde Politie correct werd toegepast.” Hij formuleert ter zake een voorbehoud. Hij voert aan vast te stellen dat uit de hem gekende stukken van het XIV-37.427-12/19 dossier, enkel een vertaling voorligt van een aantal stukken dewelke hij opsomt (de informatieverslagen van 7 juli 2016 en 11 juli 2016, zijn e-mail van 8 juli 2016, het blad der tuchtstraffen, het inleidend verslag van de korpschef, de notulen van het politiecollege van 11 juli 2016 en het inleidend verslag van het politiecollege). Volgens verzoeker is het van de overige processtukken geenszins duidelijk of een vertaling werd voorzien: de memories neergelegd door verzoeker, het deskundigenverslag, het advies van de Tuchtraad, de door verzoeker neergelegde attesten, …. Verzoeker concludeert dat aldus blijkt dat “niet alle stukken van het dossier” werden vertaald zoals is vereist door de taalwet in bestuurszaken, hetgeen ook een schending uitmaakt van het recht op verdediging. Beoordeling
  20. In het tussenarrest nr. 240.103 van 6 december 2017 dat over de vordering tot schorsing is gewezen, heeft de Raad van State over dit middel voorlopig als volgt geoordeeld: “
  21. Verzoeker voerde deze grief reeds aan voor de Tuchtraad die hem onderzocht en verwierp. Uit de bestreden beslissing blijkt voorts dat ook de hogere tuchtoverheid is ingegaan op het(zelfde) door verzoeker opgeworpen taalmiddel. In de bestreden beslissing wordt te dezen besloten „dat alle procedurestukken die van na de beslissing van 06/10/2016 dateren naar de Franse taal vertaald werden.‟ Uit het door de verwerende partij neergelegde administratief dossier blijkt dat minstens voor alle stukken die verzoeker in zijn middel opsomt, een vertaling naar de Franse taal voorligt. Verzoeker voert voorts niet in concreto aan welke andere (relevante) stukken uit het tuchtdossier niet voorafgaand aan de bestreden beslissing zijn vertaald naar de Franse taal. In deze stand van het geding faalt het middel in feite.
  22. Het tweede middel is niet ernstig.”
  23. Verzoeker herneemt het tweede middel woordelijk in de memorie van wederantwoord zonder in te gaan op de overwegingen in het schorsingsarrest. Verzoeker is voorts evenmin ingegaan op het auditoraatsverslag opgesteld in het raam van het annulatieberoep. XIV-37.427-13/19 In die omstandigheden mag het voor de Raad van State volstaan, na onderzoek van de memories en het dossier, zijn voorlopige beoordeling ook ten gronde te handhaven en het middel thans ongegrond te bevinden. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  24. In het derde middel voert verzoeker het gebrek aan proportionaliteit en evenredigheid aan. Hij zet in wezen uiteen dat de tuchtsanctie niet in verhouding staat tot de vastgestelde feiten, omdat volgens hem uit het tuchtdossier blijkt dat de tuchtfeiten van 7 juli 2016 een “geïsoleerd gebeuren” vormen, te wijten aan zijn geestesstoornis en dat hij werd gehospitaliseerd en verder behandeld voor zijn bipolaire stoornis. Verzoeker wijst erop dat zijn behandelende arts stelt dat zijn toestand inmiddels gestabiliseerd en genormaliseerd is en dat het toegenomen inzicht in het ziektebeeld goede perspectieven biedt en dat ook de Tuchtraad die mening is toegedaan. Verzoeker meent dat de hogere tuchtoverheid op kennelijk onredelijke wijze oordeelt door zijn “geestestoestand […] op het ogenblik van de feiten, zijn verdere behandeling en goede trouw t.a.v. het gebeuren op geen enkele wijze te onderzoeken, noch in aanmerking te nemen, noch als verschoningsgrond, noch als verzachtende omstandigheid.” In de memorie van wederantwoord herneemt verzoeker omzeggens woordelijk het middel, aangevuld met een omstandige uiteenzetting waarom, naar verzoeker thans oordeelt, dat de eerder aan hem opgelegde tuchtsancties door het politiecollege niet in aanmerking mochten worden genomen ter verantwoording dat de thans opgelegde tuchtstraf niet onredelijk is. XIV-37.427-14/19 Beoordeling
  25. In het tussenarrest nr. 240.103 van 6 december 2017 dat over de vordering tot schorsing is gewezen, heeft de Raad van State over dit middel voorlopig als volgt geoordeeld: “
  26. Het komt aan de tuchtoverheid toe te oordelen met welke tuchtsanctie een bepaald tuchtvergrijp moet worden gesanctioneerd. Het komt aan de Raad van State binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht, niet toe om zelf een beoordeling te maken van de strafmaat. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid bij de keuze van de strafmaat, al dan niet het evenredigheidsbeginsel schendt. Een schending van dit algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, veronderstelt dat de tuchtoverheid bij het nemen van de beslissing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat zij haar beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt. Het proportionaliteits- of evenredigheidsbeginsel kan derhalve slechts geschonden zijn indien de tuchtoverheid een beslissing neemt die dermate afwijkt van het normale beslissingspatroon, dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende tuchtoverheid in dezelfde omstandigheden tot deze besluitvorming zou komen. De Raad van State gaat bij de beoordeling van de evenredigheid van de bestreden beslissing uit van de feiten zoals ze blijken uit de bestreden beslissing en waarvan verzoeker de onwettigheid niet heeft aangetoond, getoetst aan de door verzoeker in het middel aangevoerde argumenten die volgens verzoeker doen blijken dat de bestreden beslissing het redelijkheids- of evenredigheidsbeginsel miskent.
  27. Uit de bestreden beslissing blijkt dat aan verzoeker drie tuchtfeiten ten laste worden gelegd. Samengevat, betreft het eerste feit het zich ongepast uitlaten over een verdachte op 7 juli 2016 en het beledigen van zijn overste. Het tweede feit betreft het zich op ongepaste wijze uiten van zijn mening op 6 juli
  28. Het derde feit betreft de vaststelling op 11 juli 2016 dat verzoeker berichten met agressieve ondertoon publiceert op zijn publiek raadpleegbare Facebookpagina onder de naam Jean Dubois gericht tegen personen van de politiezone. Op zich ontkent verzoeker geen van de hem ten laste gelegde feiten, maar meent hij dat de feiten van 7 juli 2016 - 11 juli 2016 een geïsoleerd gebeuren vormden voortkomende uit zijn ziektebeeld. Omtrent het feit van 6 juli 2016 stelt hij dat niet, noch stelt hij inzake het publiceren van berichten op Facebook dat die berichten die doorheen de jaren er op werden geplaatst, allen werden geplaatst op momenten voortkomende uit zijn ziektebeeld. Voorts blijkt uit het tuchtdossier dat er tuchtantecedenten zijn, waarbij een ervan, op het eerste gezicht, betrekking heeft op ongepast en agressief gedrag tegenover collegae en derhalve op het eerste gezicht in de lijn ligt van de thans tenlastegelegde feiten. De verantwoording van de strafmaat in de bestreden beslissing is hiervoor uiteengezet (supra, punt 3.6.). Er wordt naar verwezen. Hieruit blijkt inzonderheid dat de hogere tuchtoverheid rekening heeft gehouden met de door verzoeker aangebrachte verzachtende omstandigheden, maar dat zij oordeelde dat het noodzakelijke vertrouwen om de persoonlijke relatie met verzoeker verder te zetten niet langer aanwezig was. Verzoeker is voorts een politieambtenaar en heeft aldus een voorbeeldfunctie. Dit betekent dat kan worden aangenomen dat de hogere tuchtoverheid principieel XIV-37.427-15/19 een strenge houding aanneemt ten aanzien van de aan verzoeker tenlastegelegde tuchtvergrijpen. Uit wat voorafgaat volgt dat de argumenten die verzoeker aanreikt op het eerste gezicht niet leiden tot de conclusie dat de hogere tuchtoverheid, door op grond van de aangehaalde overwegingen te besluiten tot de zware straf van het ontslag van ambtswege voor de feiten het evenredigheidsbeginsel schendt. Het enkele gegeven dat de hogere tuchtoverheid bij haar keuze van de straf het standpunt van de Tuchtraad en van de behandelende arts inzake de strafmaat niet heeft gevolgd, maakt op het eerste gezicht op zich de keuze van de straf niet onredelijk. Verzoekers appreciatie in het middel dat de opgelegde straf het evenredigheidsbeginsel schendt, doet weliswaar blijken dat verzoeker een andere mening is toegedaan dan die van de hogere tuchtoverheid inzake de zwaarwichtigheid van de feiten en van de weerslag van verzoekers geestestoestand op de strafmaat, maar dat maakt in deze stand van het geding op zich niet aannemelijk dat de hogere tuchtoverheid in verband met de beoordeling van de strafmaat tot een onredelijke conclusie is gekomen waaruit de schending van het evenredigheidsbeginsel moet blijken.
  29. Het derde middel is niet ernstig.”
  30. Verzoeker herneemt het derde middel omzeggens woordelijk in de memorie van wederantwoord zonder in te gaan op de overwegingen in het schorsingsarrest. Hij voert wel op omstandige wijze een nieuw argument aan dat inhoudt dat de hogere tuchtoverheid geen rekening mocht houden met zijn eerdere tuchtantecedenten. Niet blijkt dat hij dat argument niet eerder kon aanvoeren, zodat het om die reden niet ontvankelijk is. Verzoeker is voorts niet meer ingegaan op het auditoraatsverslag opgesteld in het raam van het annulatieberoep. In die omstandigheden mag het voor de Raad van State volstaan, na onderzoek van de memories en het dossier, zijn voorlopige beoordeling ook ten gronde te handhaven en het middel thans ongegrond te bevinden. XIV-37.427-16/19 D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
  31. Verzoeker voert in het vierde middel de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en van artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: het EVRM) omdat de bestreden beslissing een ziek personeelslid discrimineert. Hij voert daarnaast aan dat er ook een evenwicht moet zijn tussen de inspanningen die de overheid levert ten aanzien van een personeelslid waarvan de ziekte is gekend en de feiten die zich op een bepaald ogenblik voordoen ingevolge die ziekte. Verzoeker meent dat te dezen de inspanningen van de overheid niet worden aangetoond, noch dat die alle nodige, functionerende structuren heeft voorzien rond de bescherming van haar werknemers, onder meer aangaande discriminatie. Verzoeker heeft de indruk dat hij de laan wordt uitgestuurd omdat de overheid weigert hem actief te ondersteunen of hem in moeilijkere momenten aangepast werk te bieden, daar waar juist zijn werk aan de basis ligt van de ontwikkeling van zijn ziekte. Volgens verzoeker is er bijgevolg sprake van discriminatie van een ziek personeelslid. In de memorie van wederantwoord herneemt verzoeker omzeggens woordelijk het middel, aangevuld met een omstandige uiteenzetting waarom, naar verzoeker thans oordeelt, het gelijkheidsbeginsel is geschonden. Beoordeling
  32. In het tussenarrest nr. 240.103 van 6 december 2017 dat over de vordering tot schorsing is gewezen, heeft de Raad van State over dit middel voorlopig als volgt geoordeeld: “
  33. De grondwettelijke regels met betrekking tot gelijkheid en non-discriminatie vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, sluiten niet uit dat er een verschil in behandeling kan optreden tussen categorieën van personen, in XIV-37.427-17/19 zoverre dat verschil berust op een objectief criterium en het redelijkerwijze gerechtvaardigd is. Dezelfde regels staan er overigens aan in de weg dat categorieën van personen die zich in situaties bevinden die in het licht van de beschouwde maatregel wezenlijk verschillend zijn, op eenzelfde manier worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke rechtvaardiging bestaat. Het bestaan van een dergelijke rechtvaardiging dient te worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de kwestieuze maatregel, alsook met de aard van de in het geding zijnde beginsels. Het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vast komt te staan dat er geen redelijk evenredigheidsverband bestaat tussen de gebruikte middelen en het beoogde doel (RvS, Alg. V., 26 januari 2016, nr. é.609, Ordre des Barreaux francophones et germanophone de Belgique). De verzoekende partij die de schending van het gelijkheidsbeginsel opwerpt, moet dit met concrete en precieze gegevens in haar verzoekschrift aantonen.
  34. Verzoeker verduidelijkt niet expliciet welke categorieën van personen hij met elkaar vergelijkt. In de mate dat verzoeker een verschil in behandeling zou zien tussen zieke en niet-zieke personeelsleden - in het opschrift van het middel stelt hij immers dat „de bestreden beslissing discrimineert een ziek personeelslid‟ - beperkt hij zich in het middel tot algemeenheden, zonder in concreto nader toe te lichten of die categorieën van personen tussen welke een verschil in behandeling zou bestaan, wel voldoende vergelijkbaar zijn en, zo ja, of er daadwerkelijk sprake is van een ongelijke behandeling van beide categorieën wat de bestraffing betreft van de aan verzoeker tenlastegelegde tuchtfeiten. Voorts maakt verzoeker op het eerste gezicht evenmin duidelijk waarom, als een dergelijk verschil in behandeling zou moeten worden aangenomen, het niet op een objectief en redelijk criterium kan rusten.
  35. Verzoeker voert in het middel ook de schending aan van artikel 14 van het EVRM. Het is vaststaande rechtspraak van het Europees Hof van de Rechten van de Mens (zie bv. EHRM (GK) 5 september 2017, nr. 78117/13, Fabian/Hongarije, pt. 112; EHRM (GK) 24 januari 2017, nrs. 60367/08 en 961/11, Khamtokhu en Aksenchik/Rusland, pt. 53; EHRM (GK) 26 april 2016, nr. 62649/10, Izzettin Dogan e.a./Turkije, pt. 155; EHRM (GK) 6 April 2000, nr. 34369/97, Thlimmenos/ Griekenland, pt. 40) dat die bepaling geen onafhankelijk bestaan heeft aangezien ze de gelijkheid waarborgt in „het genot van de rechten en vrijheden‟ gewaarborgd in het EVRM en zijn protocollen. Verzoeker voert niet aan dat de feiten binnen de reikwijdte van een andere bepaling van het EVRM vallen. Uit wat voorafgaat volgt dat alleen al het accessoire karakter van artikel 14 van het EVRM er aan in de weg staat om zich te dezen op die bepaling te beroepen.
  36. Het vierde middel is niet ernstig.”
  37. Verzoeker herneemt het vierde middel omzeggens woordelijk in de memorie van wederantwoord zonder in te gaan op de overwegingen in het schorsingsarrest. Hij voert wel voor het eerst op omstandige wijze aan waarom hij het gelijkheidsbeginsel geschonden acht. Niet blijkt dat hij die gronden niet eerder in de procedure voor de Raad van State kon aanvoeren, zodat die om die reden niet ontvankelijk zijn. XIV-37.427-18/19 Verzoeker is voorts niet meer ingegaan op het auditoraatsverslag opgesteld in het raam van het annulatieberoep. In die omstandigheden mag het voor de Raad van State volstaan, na onderzoek van de memories en het dossier, zijn voorlopige beoordeling ook ten gronde te handhaven en het middel thans ongegrond te bevinden. BESLISSING
  38. De Raad van State verwerpt het beroep.
  39. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 en een rechtsplegingsvergoeding van 840 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeven februari tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-37.427-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.614 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.240.103 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.