← België

Arrest 243616 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 07/02/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 februari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.616 Rolnummer: A. 223078/XIV-37510 Zaak: Arrest 243616 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 07/02/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-02-15 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-25 05:05 Fiche Arrest nr 243.616 van 7 februari 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 243.616 van 7 februari 2019 in de zaak A. 223.078/XIV-37.510 In zake : XXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pieter Staes kantoor houdend 2018 Antwerpen Broederminstraat 38 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep

  1. Het cassatieberoep, ingesteld op 7 september 2017, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 189.799 van 18 juli 2017 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking nr. 12.569 van 3 oktober
  3. Verzoekster heeft een toelichtende memorie ingediend. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. XIV-37.510-1/5 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 december
  4. Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jan Van Laer, die loco advocaat Pieter Staes verschijnt voor verzoekster, is gehoord. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten
  6. Verzoekster heeft op 18 november 2016 een asielaanvraag ingediend. De commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen neemt op 22 maart 2017 een beslissing tot weigering van inoverwegingname van die asielaanvraag. Op 7 april 2017 tekent verzoekster tegen de voornoemde weigeringsbeslissing beroep aan bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Met een beschikking van 26 juni 2017, genomen met toepassing van artikel 39/73, § 1 en § 2, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet), wordt aan de partijen meegedeeld dat het niet vereist is dat zij nog mondelinge opmerkingen voordragen, dat het beroep door middel van een louter schriftelijke procedure op de in de beschikking aangegeven grond kan worden verworpen en dat de kamer zonder terechtzitting XIV-37.510-2/5 uitspraak zal doen tenzij één van de partijen binnen een termijn van vijftien dagen na het versturen van de beschikking vraagt om te worden gehoord. Met een arrest van 18 juli 2017 verwerpt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het beroep omdat geen van de partijen tijdig heeft gevraagd om te worden gehoord en de partijen derhalve worden geacht in te stemmen met de in de beschikking opgenomen grond. Dit is het bestreden arrest. IV. Onderzoek van de middelen Enig middel Uiteenzetting van het middel
  7. Verzoekster werpt in een enig middel de schending op van artikel 39/73 van de vreemdelingenwet. Zij voert aan dat de met toepassing van artikel 39/73 van die wet genomen beschikking van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van 27 juni 2017 haar met een ter post aangetekende brief van 28 juni 2017 ter kennis werd gebracht en dat zij met een ter post aangetekende brief van 13 juli 2017 een verzoek om te worden gehoord naar de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft gestuurd. Derhalve had verzoekster overeenkomstig artikel 39/73, § 4, van de vreemdelingenwet moeten worden opgeroepen voor een mondelinge behandeling van het beroep. Het bestreden arrest is in strijd met de voornoemde bepaling. Beoordeling
  8. Artikel 39/73, § 2 tot en met § 4, van de vreemdelingenwet luidt: “§
  9. Bij beschikking stelt de kamervoorzitter of de door hem aangewezen rechter de partijen in kennis dat de kamer zonder een terechtzitting uitspraak zal doen tenzij één van de partijen, binnen een termijn van vijftien dagen na het versturen van de beschikking, vraagt om gehoord te worden. In de beschikking wordt de grond meegedeeld waarop de kamervoorzitter of de door hem aangewezen rechter zich steunt om te oordelen dat het beroep door middel van een louter XIV-37.510-3/5 schriftelijke procedure kan ingewilligd of verworpen worden. Indien een nota met opmerkingen is ingediend, wordt deze samen met de beschikking medegedeeld. §
  10. Indien geen der partijen vraagt om te worden gehoord dan worden deze geacht in te stemmen met de in de beschikking opgenomen grond en wordt naargelang het geval de afstand van het geding of de gegrondheid van het beroep vastgesteld. §
  11. Indien één der partijen tijdig heeft gevraagd om gehoord te worden, dan bepaalt de Kamervoorzitter of de door hem aangewezen rechter onverwijld bij beschikking de dag en het uur van de terechtzitting.” Uit het rechtsplegingsdossier van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen blijkt dat de in de voornoemde bepaling bedoelde beschikking van 26 juni 2017 met een ter post aangetekende brief van 27 juni 2017 naar verzoekster werd gestuurd en dat verzoekster op 13 juli 2017, dit is binnen de 15 dagen na het versturen van de beschikking van 26 juni 2017, met een ter post aangetekende brief van haar raadsman een verzoek om te worden gehoord heeft ingediend. Op deze brief heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen 17 juli 2017 vermeld als ontvangstdatum. Door geen rekening te houden met de brief van verzoeksters raadsman van 13 juli 2017, is het bestreden arrest genomen met miskenning van artikel 39/73 van de vreemdelingenwet. Het enige middel is gegrond. BESLISSING
  12. De Raad van State vernietigt het arrest nr. 189.799 van 18 juli 2017 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
  13. Dit arrest zal in de registers van voormelde Raad worden overgeschreven, en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.
  14. De zaak wordt verwezen naar een anders samengestelde kamer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
  15. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. XIV-37.510-4/5 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeven februari tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-37.510-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.616 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.