← België

Arrest 243621 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 07/02/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 februari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.621 Rolnummer: A. 215974/XIV-36462 Zaak: Arrest 243621 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 07/02/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-02-15 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-25 05:08 Fiche Arrest nr 243.621 van 7 februari 2019 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : heropening debatten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 243.621 van 7 februari 2019 in de zaak A. 215.974/XIV-36.462 In zake : Carla CHRISTIAENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te 9030 Mariakerke Mazestraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGR/JUR/CTX gevestigd te 1050 Brussel Kroonlaan145A -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 26 mei 2015, strekt tot de nietigverklaring van “het besluit van hoofdcommissaris van politie O. [L.], directeur-generaal bij de federale politie, algemene directie van het middelenbeheer en de informatie dd. 27 maart 2015 waarbij aan verzoek[st]er de lichte tuchtstraf van de blaam is opgelegd.” II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 240.752 van 20 februari 2018 wordt de behandeling van het eerste middel geschorst totdat de meest gerede partij kennis geeft van de uitspraak over de valsheid, onverminderd de mogelijkheid voor de Raad van State om de zaak daartoe op te roepen wanneer hij dit gepast acht, wordt het debat in de zaak voor het overige heropend en wordt het door de auditeur-generaal XIV-36.462-1/23 aangewezen lid van het auditoraat gelast met het aanvullend onderzoek behoudens wat het eerste middel betreft. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een aanvullend verslag opgesteld. Verzoekster heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2018. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Peter Crispyn, die verschijnt voor verzoekster, en adviseur Ruben Goosens, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De feiten zijn uiteengezet in het tussenarrest nr. 240.752 van 20 februari 2018. Er wordt naar verwezen. 3.2. Met een arrest van 2 mei 2018 verklaart de kamer van inbeschuldigingstelling van het hof van beroep te Brussel het beroep ongegrond XIV-36.462-2/23 dat verzoekster had gericht tegen de beschikking van de raadkamer van 9 november 2017 waarbij O.L. buiten vervolging was gesteld voor feiten van valsheid in geschrifte en het gebruik ervan. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging A. Tweede “laatste memorie” 4. Verzoekster, die op regelmatige wijze een laatste memorie had ingediend, zendt met een aangetekende brief van 4 oktober 2018 aan de Raad van State een procedurestuk, door haar genoemd “laatste memorie met verzoek tot voortzetting van de rechtspleging.” 5. Dat procedurestuk is ingediend buiten de termijn bedoeld in artikel 14, tweede lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: de algemene procedureregeling). Indien het beschouwd wordt als aanvullend bij de laatste memorie, is het bijgevolg laattijdig en derhalve niet-ontvankelijk. Indien het beschouwd wordt als een nieuw procedurestuk, is het niet voorzien in de rechtspleging en dus evenmin ontvankelijk. De op 4 oktober 2018 ingediende “laatste memorie” wordt uit het debat geweerd. B. Pleitnota 6. Verzoekster heeft voorts op 9 oktober 2018 een pleitnota met aanvullende stukken aan de Raad van State bezorgd. 7. De algemene procedureregeling voorziet niet in de mogelijkheid om een pleitnota als een processtuk neer te leggen. Het is de partijen echter wel toegestaan om nieuwe feiten die een invloed kunnen hebben op de XIV-36.462-3/23 ontvankelijkheid en/of de gegrondheid van het beroep, aan de Raad van State ter kennis te brengen. In zoverre de door verzoekster neergelegde pleitnota op dergelijke feiten betrekking heeft, kan ze dan ook bij de zaak worden betrokken. In zoverre de pleitnota geen betrekking heeft op dergelijke feiten, maar de neerslag vormt van de uiteenzetting ter terechtzitting, wordt ze niet als een processtuk, maar als een loutere inlichting in aanmerking genomen. 8. Te dezen strekt deze pleitnota ertoe “in het kader van welk- danige eventualiteit” verzoeksters uiteenzetting te hernemen met betrekking tot het eerste middel, met voeging van stukken. Het eerste middel maakt, gelet op de bij het tussenarrest nr. 240.752 van 20 februari 2018 bevolen schorsing van de behandeling ervan, geen deel uit van de voorliggende behandeling. De pleitnota heeft derhalve geen betrekking op nieuwe feiten die een invloed kunnen hebben op de ontvankelijkheid en/of de gegrondheid van het beroep, zodat de pleitnota niet wordt gezien als een processtuk, maar enkel als een loutere inlichting. V. Onderzoek van de middelen Vooraf 9. In het tussenarrest nr. 240.752 van 20 februari 2018 is de behandeling van het eerste middel geschorst totdat de meest gerede partij kennis geeft van de uitspraak over de valsheid, onverminderd de mogelijkheid van de Raad van State om de zaak daartoe op te roepen wanneer hij dit gepast acht. Het eerste middel wordt derhalve in dit arrest niet behandeld. XIV-36.462-4/23 A. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 10. Verzoekster voert in het verzoekschrift de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel, de materiëlemotiveringsplicht, het redelijkheidsbeginsel, de wet van 4 augustus 1996 ‘betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk’ (hierna: de wet van 4 augustus 1996) en van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politie- diensten’ (hierna: de tuchtwet). Na te hebben gesteld dat er reeds jaren discussie was over de geplogenheden van het afstijgen te paard en het feit dat er reeds voorgaanden waren waarbij niet werd gestraft, wijst verzoekster erop dat een risicoanalyse het geëigende instrument is om tegemoet te komen aan de verplichtingen van artikel 5 van de wet van 4 augustus 1996. Verzoekster stelt vast dat in het verleden reeds een risicoanalyse werd uitgevoerd maar dat die geen deel uitmaakt van de tuchtbundel. Bij haar beoordeling heeft de tuchtoverheid volgens verzoekster geen oog gehad voor dit belangrijk gegeven: de risicoanalyse is niet toegevoegd aan de tuchtbundel en de tuchtoverheid heeft ze niet mee in acht genomen bij de beoordeling van de feiten. Nochtans heeft die analyse juist tot doel een evaluatie door te voeren omtrent de redenen die ten grondslag liggen van het niet afstijgen op de erekoer. Deze redenen hebben alle te maken met veiligheids- en welzijnsaspecten voor mens en dier en de overheid is verplicht om in toepassing van de wet van 4 augustus 1996 de nodige maatregelen te treffen. Verzoekster bemerkt dat de klachten inzake de veiligheid en het welzijn van het personeel en de paarden finaal ook gegrond zijn bevonden aangezien ze hebben geleid tot een wijziging van de procedure, namelijk dat er niet meer afgestapt moet worden op de erekoer. Zodoende meent verzoekster dat de tuchtoverheid op een onzorgvuldige wijze tot haar voorstelling en vaststelling van de feiten is gekomen en heeft zij verzuimd om kennis te nemen van de welzijnsaspecten die deel uitmaken van de gemaakte risicoanalyse, te meer dat die nadien pertinent zijn bevonden en de afstapprocedure XIV-36.462-5/23 werd gewijzigd. Zodoende zijn het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiële- motiveringsplicht geschonden. Door tuchtrechtelijk te bestraffen, schendt de tuchtoverheid ook artikel 5 van de wet van 4 augustus 1996. Na de feiten en naar aanleiding ervan heeft de werkgever de nodige maatregelen getroffen, meer bepaald dat er niet meer op de erekoer moet worden afgestapt. Zodoende kan het niet anders dan dat die maatregel nodig was voor het welzijn van het personeel. Op 21 juli 2014 heeft de tuchtoverheid dan ook verzuimd te handelen conform de wet van 4 augustus 1996. Verzoekster voegt er aan toe dat door haar tuchtrechtelijk te bestraffen voor gedrag dat noodzakelijk was voor het welzijn conform de wet van 4 augustus 1996, de materiëlemotiveringsplicht en het redelijkheidsbeginsel wordt geschonden. Het is volgens haar pertinent ondeugdelijk om tuchtrechtelijk te straffen voor een gedrag dat noodzakelijk was voor het welzijn. En indien verzoekster al zou zijn bestraft wegens de weigering een bevel op te volgen, dan moet worden vastgesteld dat dit bevel onwettig is want in strijd met de wet van 4 augustus 1996. Dergelijk gedrag van verzoekster kan dan ook onmogelijk de waardigheid van het ambt in het gedrang hebben gebracht. Het is bovendien verregaand onredelijk een gedrag tuchtrechtelijk te bestraffen wanneer dat gedrag voortvloeit uit een jarenlang aangeklaagde problematiek die finaal tot een wijziging van de procedure heeft geleid. 11. In de memorie van wederantwoord benadrukt verzoekster dat het een vergissing is te stellen dat zij niet het recht zou hebben om naar eigen goeddunken af te stijgen aan de stallen, “gelet op de richtlijnen die gegeven werden op 21-07-14”, en dat om reden dat de feitelijke situatie niet helemaal eenduidig was. In het verleden is gebleken dat zonder uitleg naar het personeel toe, “indien er zich op het moment zelf een persoonlijke problematiek voordeed, er niets op tegen was dat er aan de stallen werd afgestapt”. De realiteit was derhalve minder rigide dan hoe de verwerende partij hem voorstelt. Dat is voorts in de dienst algemeen geweten en blijkt ook uit het verslag van het voorafgaand onderzoek. Voorts benadrukt verzoekster dat, indien de tuchtoverheid de uitgevoerde risicoanalyse bij haar oordeelsvorming had betrokken, dan kon het niet worden uitgesloten dat zij meer begrip had gehad voor de feiten en tot een ander oordeel was gekomen. Mede XIV-36.462-6/23 gelet op deze welzijnsproblematiek is het “Befehl ist Befehl” een visie die te kort door de bocht is. Zij benadrukt tot slot dat artikel 5 van de wet van 4 augustus 1996 is geschonden doordat de tuchtstraf impliceert dat verzoekster volgens de tuchtoverheid verplicht was te handelen in strijd met de verplichtingen die de werkgever heeft in toepassing van die bepaling. Het artikel 5 van de wet van 4 augustus 1996 is strafrechtelijk sanctioneerbaar en de strekking van die bepaling is van openbare orde. Tuchtrechtelijk straffen en zodoende een gedrag in strijd met artikel 5 van de voornoemde wet onder dwang verplichten, kan evident niet. In de laatste memorie betoogt verzoekster dat er geen sprake was van een provocatief gedrag en dat op het ogenblik van de feiten verzoekster “ook zo iemand [was] die louter op dat moment verhinderd was om op de erekoer af te stijgen, [z]ij voelde zich daar niet toe in staat.” Zij heeft niets “genegeerd”, maar gehandeld zoals door de omstandigheden was genoodzaakt. Voorts blijft zij er bij dat het relevant is te wijzen op de wijzigingen in de afstapprocedure, omdat zulks aantoont dat de toen geldende afstapprocedure niet conform de beginselen van de wet van 4 augustus 1996 was. Tot slot is het correct dat niet de optie werd genomen de weigering van een bevel in acht te nemen, maar zulks belet niet dat dit inhoudt dat er een schending is van het redelijkheidsbeginsel en dat er geen sprake is van een tuchtvergrijp in de zin van artikel 3 van de tuchtwet. Beoordeling De schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en van de materiëlemotiverings- plicht 12. Verzoekster voert in het verzoekschrift aan dat het zorgvuldig- heidsbeginsel en de materiëlemotiveringsplicht zijn geschonden doordat de tuchtoverheid heeft verzuimd kennis te nemen van de welzijnsaspecten die deel uitmaken van de gemaakte risicoanalyse, te meer dat die nadien pertinent zijn bevonden en de afstijgprocedure werd gewijzigd. Het middel wordt vooreerst vanuit deze grief onderzocht. XIV-36.462-7/23 13. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administra- tieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. De tuchtoverheid heeft bij de uitoefening van haar tuchtbe- voegdheid een discretionaire beoordelingsbevoegdheid, zowel op het stuk van de bewezenverklaring als op het vlak van de tuchtrechtelijke kwalificatie van de ten laste gelegde feiten. De tuchtoverheid die zich over het opleggen van een tuchtstraf wegens een bepaald feit moet uitspreken, vermag daarbij niet alleen te steunen op bekentenissen of vaststaande bewijzen, maar ook op getuigenissen, vermoedens, enz. Indien zoals te dezen, een tuchtregeling geen bijzondere bewijswaardering voorschrijft, beoordeelt de tuchtoverheid op discretionaire wijze de bewijswaarde van de gegevens uit het tuchtdossier om tot een bepaalde overtuiging te komen. Het komt aan de Raad van State binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht, niet toe om zelf een beoordeling te maken van het bewezen zijn van de ten laste gelegde feiten of van de kwalificatie ervan als tuchtvergrijpen. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen. 14. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen. XIV-36.462-8/23 De zorgvuldigheidsplicht houdt evenwel niet in dat van een tuchtoverheid moet worden verwacht dat zij een loutere suggestie of bewering die niet op een geloofwaardige wijze is ingeroepen, met de nodige zorgvuldigheid onderzoekt. Enkel wanneer de ingeroepen bewering niet is ontbloot van elk element van geloofwaardigheid, rust op de tuchtoverheid de hiervoor geschetste zorgvuldigheid bij het onderzoek van dit gegeven. 15. Luidens de bestreden beslissing worden aan verzoekster de volgende feiten ten laste gelegd, bewezen en toegerekend: “4. Uiteenzetting van de feiten Na analyse van het tuchtdossier ben ik van oordeel, dat de hierna vermelde feiten een tuchtinbreuk uitmaken en u, [verzoekster], moeten ten laste gelegd worden: Op 21 juli 2014 bij het beëindigen van de feestelijkheden van de nationale feestdag begaf de Koninklijke Escorte zich naar de kazerne de Witte de Haelen. De richtlijnen die gegeven waren bij aanvang waren dat, bij het einde van de dienst in de kazerne, de ruiters de lansen zouden teruggeven en zouden afstijgen op de binnenplaats om vervolgens te voet naar de stallen te gaan. Dit is een procedure die al jaren wordt toegepast. HCP [XXX] volgde de manoeuvres vanuit blok C en stelde vast dat na het bevel tot afstijgen, gegeven bij middel van trompetgeschal, een aantal ruiters niet afstegen en dat er door sommige geroepen werd. De manoeuvres werden ook gevolgd door enkele burgers die in de kazerne als toeschouwer aanwezig waren. CP [XXX] die op dat ogenblik Esk Comm. ERKE was stelde HCP [XXX] in kennis dat het vijf personeelsleden waren die niet afgestegen waren, waaronder u [verzoekster]. U bleef op uw paard zitten en keerde te paard terug naar de stallen. Uit het onderzoek bleek dat de procedure van afstijgen al langer ter discussie stond en dat op 10 november 2014 het probleem besproken werd en dat de werkwijze daadwerkelijk werd aangepast. Het was geen gecoördineerde actie. 4 Ten laste gelegde feiten U bracht uw ambt in opspraak doordat u op 21 juli als lid van de Koninklijke Escorte, bij het einde van uw dienst, de gegeven richtlijnen bij het afstijgen van de paarden niet correct uitvoerde. 5 Bewijs en toerekening van de feiten 5.1 Bewijs van de feiten. U gaf toe dat u niet afgestegen bent. Hierdoor acht ik het feit bewezen. 5.2 Toerekening van de feiten. Gelet op het feit dat u kennis had van de voorziene procedures en de bijhorende bevelen; Gelet op de elementen vervat in punt 5.1, bewijs van de feiten waarin de gedane vaststellingen, ben ik van oordeel dat deze u kunnen toegerekend worden.” Voorts stelt de tuchtoverheid in de bestreden beslissing dat “het document van de risicoanalyse [niet] relevant [is] in dit dossier. Het is niet de XIV-36.462-9/23 betwisting van de problemen in verband met het afstijgen dat hier beoordeeld werd doch enkel het feit van het niet correct naleven van de richtlijnen op 21 juli 2014.” 16. Het wordt niet betwist dat verzoekster bij de terugkeer van het Koninklijk Escorte in de kazerne de Witte de Haelen, niet is afgestegen op de binnenplaats om vervolgens te voet naar de stallen te gaan, maar dat zij te paard terugkeerde naar de stallen om daar af te stappen. Voorts blijkt uit de uiteenzetting van de feiten dat op het ogenblik van de aan verzoekster ten laste gelegde feiten, de richtlijnen die gegeven waren bij aanvang, inhielden dat de ruiters zoals verzoekster, bij het einde van de dienst in de kazerne, zouden afstijgen op de binnenplaats om vervolgens te voet naar de stallen te gaan. In de bestreden beslissing wordt gesteld dat zulks een procedure was die al jaren wordt toegepast. Om te beoordelen of de gepleegde feiten een tuchtvergrijp uitmaken, volstaat het voorts voor de tuchtoverheid dat zij daartoe overeenkomstig artikel 3 van de tuchtwet, de bewezen bevonden feiten toetst aan de overtreden beroepsplicht of aan het in gedrang brengen van de waardigheid van het ambt. In de mate dat verzoekster doet gelden dat er discussie bestond over de geplogen- heden van het afstijgen en dat er daartoe volgens haar pertinente redenen waren, heeft deze kritiek geen betrekking op het bestaan van de geschonden bevonden beroepsplicht, noch op de strafwaardigheid van de niet-naleving ervan. Ze betreft enkel de door verzoekster beleefde opportuniteit of wenselijkheid van de naleving van de opgelegde richtlijnen. Het niet bijvallen of mede betrekken bij de besluitvorming van dat, overigens door de tuchtoverheid niet-betwiste gegeven dat de vigerende richtlijnen in het verleden werden bekritiseerd, maakt derhalve op zich die besluitvorming niet onzorgvuldig. De enkele omstandigheid dat verzoekster de opportuniteit van de, luidens de bestreden beslissing, bij de aanvang gegeven richtlijnen inzake het afstijgen betwist of dat die, al dan niet met pertinente redenen, algemeen worden betwist, houdt op zich niet in dat, als de tuchtoverheid thans de overtreding ervan wel kwalificeert als een tekortkoming XIV-36.462-10/23 aan de beroepsplichten, zij de op haar rustende zorgvuldigheid bij de feiten- kwalificatie miskent. Evenmin blijkt hieruit dat de tuchtoverheid bij de kwalificatie van de feiten als een tuchtvergrijp, tot een appreciatie is gekomen die de perken van haar beoordelingsbevoegdheid van de kwalificatie van de feiten te buiten gaat, waardoor zij de materiëlemotiveringsplicht zou miskennen. De Raad van State komt tot dezelfde vaststelling wat het niet-betrekken bij de besluitvorming betreft van de risicoanalyse en de erin vervatte welzijnsaspecten. Het gegeven dat bepaalde risico’s betreffende het afstijgen op de erekoer uit die analyse zouden blijken, betreft eveneens de opportuniteit of de wenselijkheid van de op het ogenblik van de feiten geldende richtlijnen ter zake. Evenmin maakt het enkele feit van het niet bijvallen of mede betrekken ervan de besluitvorming onzorgvuldig, noch houdt de kwalificatie van de feiten als tuchtvergrijp zonder met die analyse en de erin vervatte welzijnsaspecten rekening te houden, een appreciatie in die onredelijk is waardoor ze de materiëlemotiveringsplicht zou miskennen. De bemerking in de memorie van wederantwoord dat, indien de tuchtoverheid de risicoanalyse bij haar oordeelsvorming had betrokken, het niet was uitgesloten dat zij meer begrip zou hebben gehad voor de feiten en tot een ander oordeel zou zijn gekomen inzake de miskenning van de waardigheid van het ambt, is een eigen appreciatie. Die nodigt in wezen de Raad van State uit tot het maken van een beoordeling van de opportuniteit om die risicoanalyse al dan niet bij de feitenbeoordeling en de kwalificatie ervan als tuchtvergrijp te betrekken. Niet alleen valt zulks buiten de bevoegdheid van de Raad van State, optredend als annulatierechter. Bovendien maakt dat argument niet aannemelijk dat het niet-betrekken van die analyse, de bestreden beslissing op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen noch dat ze hierdoor de materiëlemotiveringsplicht schendt. De bemerking dat het door verzoekster vertoonde gedrag nadien in overeenstemming blijkt te zijn met de na de feiten gedane navolgende aanpassingen aan het afstijgprotocol, betekent niet dat de tuchtoverheid onzorgvuldig is geweest, noch doet zulks blijken dat de tuchtoverheid op het XIV-36.462-11/23 ogenblik van de bestraffing niet op wettige wijze kon oordelen dat verzoekster door de schending van de toen geldende richtlijnen inzake het afstijgen van de paarden, een tuchtvergrijp pleegt. 17. Door zich op de op de dag zelf gegeven richtlijnen te steunen en op grond ervan te besluiten dat de aan verzoekster ten laste gelegde gedraging haar kunnen worden toegerekend en een tuchtvergrijp uitmaken, is de tuchtoverheid niet onzorgvuldig geweest in de feitenvinding en de toerekening van de feiten aan verzoekster, noch miskent zij de materiëlemotiveringsplicht. 18. Het middel is in zoverre niet gegrond. De schending van de wet van 4 augustus 1996, de materiëlemotiverings- verplichting en artikel 3 van de tuchtwet. 19. Artikel 5 van de wet van 4 augustus 1996 luidt: “Art. 5. § 1. De werkgever treft de nodige maatregelen ter bevordering van het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk. Daartoe past hij de volgende algemene preventiebeginselen toe :

  1. a)risico’s voorkomen;
  2. b)de evaluatie van risico’s die niet kunnen worden voorkomen;
  3. c)de bestrijding van de risico’s bij de bron;
  4. d)de vervanging van wat gevaarlijk is door dat wat niet gevaarlijk of minder gevaarlijk is;
  5. e)voorrang aan maatregelen inzake collectieve bescherming boven maatregelen inzake individuele bescherming;
  6. f)de aanpassing van het werk aan de mens, met name wat betreft de inrichting van de werkposten, en de keuze van de werkuitrusting en de werk- en produktie- methoden, met name om monotone arbeid en tempogebonden arbeid draaglijker te maken en de gevolgen daarvan voor de gezondheid te beperken;
  7. g)zo veel mogelijk de risico’s inperken, rekening houdend met de ontwikkelingen van de techniek;
  8. h)de risico’s op een ernstig letsel inperken door het nemen van materiële maatregelen met voorrang op iedere andere maatregel;
  9. i)de planning van de preventie en de uitvoering van het beleid met betrekking tot het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk met het oog op een systeembenadering waarin onder andere volgende elementen worden geïntegreerd: techniek, organisatie van het werk, arbeidsomstandigheden, sociale betrekkingen en omgevingsfactoren op het werk;
  10. j)de werknemer voorlichten over de aard van zijn werkzaamheden, de daaraan verbonden overblijvende risico’s en de maatregelen die erop gericht zijn deze XIV-36.462-12/23 gevaren te voorkomen of te beperken : 1° bij zijn indiensttreding; 2° telkens wanneer dit in verband met de bescherming van het welzijn noodzakelijk is;
  11. k)het verschaffen van passende instructies aan de werknemers en het vaststellen van begeleidingsmaatregelen voor een redelijke garantie op de naleving van deze instructies;
  12. l)het voorzien in of het zich vergewissen van het bestaan van de gepaste veiligheids- en gezondheidssignalering op het werk, wanneer risico’s niet kunnen worden voorkomen of niet voldoende kunnen worden beperkt door de collectieve technische beschermingsmiddelen of door maatregelen, methoden of handelswijzen in de sfeer van de werkorganisatie. § 2. De werkgever bepaalt :
  13. a)de middelen waarmee en de wijze waarop het in § 1 bedoelde beleid inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk kan worden gevoerd;
  14. b)de bevoegdheid en verantwoordelijkheid van de personen belast met het toepassen van het beleid inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk. De werkgever past zijn welzijnsbeleid aan in het licht van de opgedane ervaring, de ontwikkeling van de werkmethoden of de arbeidsomstandigheden. § 3. De Koning kan de in § 1 bedoelde algemene preventiebeginselen nader omschrijven en nader uitwerken met toepassing van of ter voorkoming van specifieke risicosituaties.” Op grond van paragraaf 1 van die bepaling treft de werkgever de nodige maatregelen ter bevordering van het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, waarbij hij de in die bepaling opgesomde algemene preventiebeginselen toepast. Voorts bepaalt de werkgever op grond van paragraaf 2 de middelen en de wijze waarop het beleid inzake het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van het werk, kan worden aangevoerd en rust op hem de plicht zijn welzijnsbeleid aan te passen in het licht van de opgedane ervaring, de ontwikkeling van de werkmethoden of de arbeidsomstandigheden. 20. Deze bepaling stelt op zich geen verbod in tot het opleggen van een tuchtsanctie die is gesteund op de miskenning van richtlijnen inzake het afstijgen van paarden. De omstandigheid dat inbreuken op het geciteerde artikel 5 strafbaar zijn overeenkomstig het sociaal strafwetboek en dat die van openbare orde is, leidt niet tot een andere conclusie. 21. Het welzijnsbeleid en de aan de werkgever opgelegde verplich- tingen tot het nemen van de nodige maatregelen ter bevordering van het welzijn, XIV-36.462-13/23 beletten voorts niet dat de werkgever in het licht van de opgedane ervaring, de ontwikkeling van de werkmethoden of de arbeidsomstandigheden, zijn welzijns- beleid aanpast en derhalve de eerdere geldende maatregelen bijstuurt, bijvoorbeeld op grond van de resultaten van een risicoanalyse. Het enkele gegeven dat het welzijnsbeleid van de werkgever wordt aangepast maakt derhalve op zich niet de voor die aanpassing geldende maatregelen - of zoals te dezen richtlijnen - onwettig, noch blijkt daaruit op zich dat de overheid heeft verzuimd te handelen overeenkomstig het aangehaalde artikel 5. Procedures of richtlijnen die het voorwerp uitmaken van het veranderingsproces, kunnen derhalve nog steeds op wettige wijze worden toegepast totdat het welzijnsbeleid is aangepast. Uit wat voorafgaat volgt dat het doen-naleven van richtlijnen tot ze worden aangepast en de inbreuken erop desgevallend tuchtrechtelijk te bestraffen, niet in strijd is met de verplichtingen voor de werkgever die volgen uit artikel 5 van de wet van 4 augustus 1996. 22. De omstandigheid dat het door verzoekster vertoonde gedrag nadien blijkt in overeenstemming te zijn met de navolgende aanpassingen vanuit het welzijnsbeleid van de werkgever, doet derhalve niet blijken dat de tuchtover- heid op het ogenblik van de bestraffing niet wettig kon oordelen dat verzoekster door de schending van de toen geldende richtlijnen, een tuchtvergrijp pleegt. Een schending van de materiëlemotiveringsplicht ligt derhalve evenmin voor, noch van artikel 3 van de tuchtwet. 23. Het middel is in zoverre ongegrond. XIV-36.462-14/23 De schending van het redelijkheidsbeginsel 24. Verzoekster voert ook de schending aan van het redelijkheids- beginsel. Dat beginsel kan derhalve enkel de strafmaat betreffen. Het wordt derhalve vanuit dat oogpunt onderzocht. 25. Het komt aan de Raad van State binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht niet toe om zelf een beoordeling te maken van de strafmaat. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid bij de keuze van de strafmaat, al dan niet het redelijkheidsbeginsel schendt. Een schending van dit algemeen beginsel van behoorlijk bestuur veronderstelt dat de tuchtoverheid bij het nemen van de beslissing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat zij haar beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt. Het redelijkheidsbeginsel kan derhalve slechts geschonden zijn indien de tucht- overheid een beslissing neemt die dermate afwijkt van het normale beslissings- patroon, dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende tucht- overheid in dezelfde omstandigheden tot deze besluitvorming zou komen. De Raad van State gaat bij de beoordeling van de redelijkheid van de bestreden beslissing uit van de feiten zoals ze blijken uit de bestreden beslissing en waarvan verzoekster de onwettigheid niet heeft aangetoond, getoetst aan de door verzoekster in het middel aangevoerde argumenten die volgens verzoekster doen blijken dat de bestreden beslissing het redelijkheidsbeginsel miskent. 26. Verzoekster is een politieambtenaar en heeft aldus een voor- beeldfunctie. Dit betekent dat kan worden aangenomen dat de tuchtoverheid principieel een strenge houding aanneemt ten aanzien van tuchtvergrijpen. Aan verzoekster werd een lichte tuchtstraf opgelegd. Uit de bestreden beslissing blijkt duidelijk dat de tuchtoverheid, hoewel de feiten konden XIV-36.462-15/23 worden gekwalificeerd als een weigering van bevel, zij de feiten heeft gekwalificeerd als het in opspraak brengen van het ambt door de gegeven richtlijnen bij het afstijgen van de paarden niet correct uit te voeren. Voorts blijkt dat de tuchtoverheid bij die kwalificatie rekening heeft gehouden met het gegeven dat de problematiek van het afstijgen op de erekoer al vaak ter discussie was gekomen en dat er in november 2014 een oplossing werd gevonden met een aanpassing van de procedure tot gevolg. Ook hield zij rekening met verzoeksters voorbeeldfunctie als hoofdinspecteur van politie, haar blanco tuchtverleden en haar wijze van dienen. Door aldus in concreto te oordelen dat voor dit tuchtvergrijp de lichte straf van de blaam wordt opgelegd, is de verwerende partij de grenzen van een redelijke uitoefening van haar beoordelingsvrijheid inzake de keuze van de strafmaat niet te buiten gegaan. Verzoekster is te dezen in haar verzoekschrift inzake de strafmaat een andere mening toegedaan. Zij meent dat het verregaand onredelijk is om haar te bestraffen voor een gedrag dat voortvloeit uit een jarenlang aange- klaagde doch genegeerde problematiek, die kort na de feiten werd aangepast in die zin dat de te volgen procedure neerkomt op het gedrag waarvoor zij is gestraft. Die eigen feitelijke appreciatie van de strafmaat maakt op grond van wat voorafgaat, op zich niet aannemelijk dat de tuchtoverheid in verband met de beoordeling van de strafmaat tot een onredelijke conclusie is gekomen waaruit de schending van het redelijkheidsbeginsel moet blijken. 27. Het middel is in zoverre ongegrond. Conclusie 28. Het tweede middel is ongegrond. XIV-36.462-16/23 B. Derde middel Uiteenzetting van het middel 29. Verzoekster voert in het verzoekschrift de schending aan van de punten 6, 7, 9 en 11 van de deontologische code die is vastgesteld volgens de bij het koninklijk besluit van 10 mei 2006 ‘houdende vaststelling van de deontolo- gische code van de politiediensten’ gevoegde tekst (hierna: de deontologische code van de politiediensten), van het redelijkheidsbeginsel en van artikel 3 van de tuchtwet. Zij acht de aangevoerde punten van die code geschonden omdat, samengevat, de chef(
  15. s)jarenlang geen oor hadden voor de terechte welzijns- verzuchtingen van de personeelsleden, ze niet waakten over hun rechten en voorzeker geen voorbeeldfunctie vervulden (punt 6 van de voornoemde code), zij geen rekening hielden met de specifieke omstandigheden van het afstijgen (punt 7 van de deontologische code van de politiediensten), er willekeur heerste zonder duidelijkheid ter zake (punt 9) en de chef(
  16. s)volkomen in gebreke bleven op het vlak van het preventie- en beschermingsbeleid van de politieorganisatie (punt 11 van de deontologische code van de politiediensten). Aangezien verzoekster vaststelt dat “de leiding” volkomen in gebreke is gebleven om tegemoet te komen aan haar wettelijke en deontologische verplichtingen ten opzichte van een “ondergeschikte” zoals verzoekster, kan verzoekster onmogelijk worden verweten zich te hebben gedragen op een wijze die volgens verzoekster “pertinent in overeenstemming is met de noodzakelijkheden voortvloeiende uit het welzijn van het personeel.” Doordat de tuchtoverheid, die bovenaan de hiërarchische lijn staat en dus ook chef is, aldus zelf is tekortgeschoten - hetzij rechtstreeks, hetzij via “doorwerking” - kan zij onmogelijk aan verzoekster verwijten de waardigheid van het ambt in het gedrang te hebben gebracht door te hebben gehandeld zoals uit welzijnsoogpunt nuttig, nodig en noodzakelijk was. Verzoekster besluit dat op zijn minst dit pertinent onredelijk is en dus strijdt met het redelijkheidsbeginsel. In de memorie van wederantwoord, die verzoekster letterlijk herneemt in haar laatste memorie, benadrukt verzoekster dat zij de XIV-36.462-17/23 deontologische tekortkomingen van de chefs in relatie brengt tot zowel het redelijkheidsbeginsel, als tot artikel 3 van de tuchtwet. Voorts verwijst zij en herneemt zij argumenten reeds vervat in het verzoekschrift. Beoordeling 30. Los van de vraag of de beweringen van verzoekster op zich volstaan om de Raad van State te doen besluiten dat verzoeksters hiërarchische chefs de door verzoekster geschonden geachte deontologische plichten in het verleden hebben miskend, en zonder dat de Raad van State moet onderzoeken of de tuchtoverheid te dezen zulks ook heeft gedaan, leiden eventuele deontologische tekortkomingen in hoofde van die chefs niet tot de vaststelling dat de tuchtoverheid niet op wettige wijze kon oordelen dat de aan verzoekster tenlastegelegde bewezen feiten de waardigheid van het ambt in het gedrang brengt zodat ze een tuchtvergrijp uitmaken in de zin van artikel 3 van de tuchtwet. In de mate dat het middel voorts kritiek uit op de wettigheid van de bestreden beslissing en de redelijkheid ervan, valt die kritiek samen met die van het eerste middel, minstens doet zij geen afbreuk aan de bij de behandeling van het tweede middel gedane vaststellingen. 31. Het derde middel is ongegrond. C. Vierde middel Uiteenzetting van het middel 32. Verzoekster voert in het verzoekschrift de schending aan van het gelijkheidsbeginsel zoals dat is uitgedrukt in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Zij stelt vast dat nog vier andere collega’s een tuchtstraf werd opgelegd voor wat volgens haar in wezen hetzelfde feit betreft gepleegd in identieke omstandigheden. Zij zet uiteen dat alle betrokkenen gelijkelijk zijn betrokken inzake de tuchtvervolging voor identieke feiten op hetzelfde ogenblik, in identieke omstandigheden, en dat zij doen blijken van een identieke gelijke (professionele) XIV-36.462-18/23 voorgeschiedenis. Aan één van hen, J.D., werd de lichtere tuchtstraf van de waarschuwing opgelegd. Verzoekster wijst erop dat de tuchtbeslissing inzake J.D. in identieke bewoordingen is opgesteld en dat zij gestraft is voor een identiek gekwalificeerde inbreuk en dat er nergens een element te ontwaren valt waarom die collega een lichtere tuchtstraf werd opgelegd dan verzoekster. Zij besluit dat alle beoordelingselementen dezelfde zijn en dat er geen enkele deugdelijke verantwoording is waarom verzoekster zwaarder is gestraft dan J.D. In de memorie van wederantwoord wijst verzoekster erop dat zij, als hoofdinspecteur van politie, op het ogenblik van de feiten geen gezagsfunctie uitoefende over de inspecteurs van politie. Voorts betoogt zij dat nergens is gemotiveerd dat de hogere graad in relatie tot de feiten een grotere voorbeeld- functie met zich meebrengt en dat zulks aanleiding geeft tot een strengere straf. Het onderscheid naar graad verantwoordt het onderscheid niet want zijzelf behoort tot het middenkader dat in het kader van de feiten geen gezag uitoefende over de lagere graad. Daarenboven kan volgens verzoekster ter beoordeling van het gemaakte onderscheid, alleen rekening worden gehouden met de motieven uitgedrukt in de bestreden beslissing. En te dezen is in de bestreden beslissing “met geen woord gerept over deze strengere beoordeling om reden van de graad.” In de laatste memorie benadrukt verzoekster dat nergens in de bestreden beslissing is gesteld dat haar functie een “verzwaarde voorbeeldfunctie” is ten opzichte van een inspecteur van politie en dat zulks een beoordelingselement was waarmee de tuchtoverheid rekening hield. Bespreking 33. De grondwettelijke regels van de gelijkheid en de niet-discriminatie, zoals vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, vereisen dat allen die zich in eenzelfde toestand bevinden op gelijke wijze worden behandeld. Het gelijkheidsbeginsel belet dat er een willekeurig onderscheid wordt gemaakt tussen burgers. XIV-36.462-19/23 De grondwettelijke regels van de gelijkheid en de niet-discriminatie sluiten niet uit dat een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Dezelfde regels verzetten er zich overigens tegen dat categorieën van personen, die zich ten aanzien van de aangevochten maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke verant- woording bestaat. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdende met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen. Het gelijkheids- beginsel is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van even- redigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. Het gelijkheidsbeginsel wordt in tuchtzaken aldus geschonden wanneer de tuchtoverheid twee personeelsleden die zich in eenzelfde toestand bevinden, verschillend bestraft tenzij voor dat verschil in behandeling een redelijke verantwoording bestaat. De verzoekende partij die de schending van het gelijkheidsbeginsel opwerpt, moet dit met concrete en precieze gegevens in haar verzoekschrift aantonen. 34. Anders dan verzoekster het ziet, houdt het gelijkheidsbeginsel zoals vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet geen bijzondere motiveringsverplichting in. De Raad van State vermag derhalve als annulatie- rechter desgevraagd te onderzoeken of het gelijkheidsbeginsel is geschonden bij het nemen van de bestreden beslissing, dit aan de hand van de door de partijen verstrekte gegevens en de gegevens van het administratief dossier. Hij dient zich daarbij niet te beperken tot de eventuele uitdrukkelijke motieven dienaangaande in de bij hem bestreden beslissing. XIV-36.462-20/23 In de mate dat verzoekster uitgaat van een andere rechtsop- vatting, faalt die in rechte. 35. De verwerende partij wijst erop dat verzoekster hoofdinspecteur van politie is, terwijl de collega waarmee zij wil vergeleken worden, inspecteur van politie is. Er is aldus volgens haar te dezen geen sprake van een gelijke situatie. De voorbeeldfunctie in hoofde van een persoon met een hogere graad weegt voorts zwaarder door en rechtvaardigt daarom waarom aan verzoekster een zwaardere, lichte tuchtstraf werd opgelegd. Het argument van de verwerende partij gesteund op het onderscheidend verschil in graad - én te dezen ook kader - is een objectief verschil. Het vindt steun in artikel 117, eerste lid, van de wet van 7 december 1998 ‘tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus’ (hierna: de wet van 7 december 1998) dat de politieambtenaren opdeelt in drie kaders. Verzoekster behoort tot het middenkader terwijl de politieambtenaar waarmee verzoekster zich vergelijkt, tot het basiskader behoort. Voorts is in een politiekorps zoals de Federale politie, op grond van artikel 120 van de wet van 7 december 1998, de volgorde strikt geregeld waarop successief het gezag van een personeelslid van de geïntegreerde politie over een ander personeelslid wordt uitgeoefend. De beklede graad vormt hierbij een van die successieve criteria. Er kan in die context worden aangenomen dat een politieambtenaar met een hogere graad dan die waarmee wordt vergeleken, een grotere voorbeeldfunctie heeft bij de loyale en correcte toepassing van richtlijnen die werden gegeven inzake het afstijgen van de paarden, waardoor zich ten aanzien van hem een zwaardere tuchtsanctie opdringt dan ten aanzien van de politieambtenaar behorende tot het basiskader. Uit wat voorafgaat volgt dat de argumenten van de verwerende partij kunnen worden bijgevallen en dat ze op zich volstaan om het onderscheid in tuchtrechtelijke bestraffing te verantwoorden. Het argument van verzoekster in latere processtukken dat zij, naar zij betoogt, als lid van het middenkader, op het ogenblik van en in het kader XIV-36.462-21/23 van de feiten geen gezagsfunctie uitoefende over de inspecteurs van politie, leidt niet tot een andere conclusie. Niet alleen blijkt uit het reeds vernoemde artikel 120, eerste lid, 3°, van de wet van 7 december 1998 dat, wanneer een personeelslid op grond van het ambt, noch op grond van de hem toevertrouwde taak, het gezag over een ander personeelslid uitoefent, dat gezag wordt uitgeoefend “op basis van de graad of, bij gelijke graad, van anciënniteit, dat wil zeggen op alle personeelsleden van het politiekorps, maar zonder zich te mengen in de uitoefening van het ambt of in de uitvoering van de taak.” Verzoekster zet niet uiteen dat die wettelijke regel te dezen niet op haar van toepassing was. In ieder geval vermag verzoekster niet voorbij te gaan aan het gegeven dat zij, zelfs al zou zij op het ogenblik van de feiten ten aanzien van de leden van het basiskader geen enkele daadwerkelijke gezags- relatie hebben uitgeoefend op de leden van het basiskader, zij in elk geval een hogere graad bekleedt die op zich verantwoordt dat zij een grotere voorbeeld- functie heeft. 36. Het vierde middel is ongegrond. VI. Heropening van het debat - Aanvullend onderzoek 37. Het voorliggende onderzoek van het tweede tot het vierde middel leidt niet tot een definitieve oplossing van het geschil. 38. De beoordeling van het eerste middel maakt niet het voorwerp uit van het voorliggende debat. Zoals reeds is aangehaald, heeft de Raad van State bij tussenarrest nr. 240.752 van 20 februari 2018 de behandeling ervan geschorst totdat de meest gerede partij kennis geeft van de uitspraak over de valsheid, onverminderd de mogelijkheid van de Raad van State om de zaak daartoe op te roepen wanneer hij dit gepast acht. Luidens artikel 51, vijfde lid van de algemene procedureregeling is deze behandeling geschorst tot het bevoegd rechtscollege over de valsheid uitspraak heeft gedaan. XIV-36.462-22/23 De verwerende partij heeft, als meest gerede partij, samen met haar laatste memorie, het in punt 3.2. nader bepaald arrest van 2 mei 2018 overgelegd van de kamer van inbeschuldigingstelling van het hof van beroep te Brussel. De vraag of met dat arrest op definitieve wijze het ontstane prejudicieel valsheidsgeschil is beslecht noch de vraag of het onderzoek van de zaak voortgang mag vinden, was het voorwerp van het voorliggende debat dat immers was beperkt tot het aanvullend onderzoek bevolen bij het voornoemde tussenarrest nr. 240.752 van 20 februari 2018. Er is dan ook reden om het auditoraat te gelasten met een aanvullend verslag over de zaak. BESLISSING 1. De Raad van State heropent het debat. 2. De Raad van State gelast het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat met het aanvullend onderzoek. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeven februari tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-36.462-23/23 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.621 Gerelateerde publicatie(
  17. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.752 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.331 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.