id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 februari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.621 Rolnummer: A. 215974/XIV-36462 Zaak: Arrest 243621 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 07/02/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-02-15 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-25 05:08 Fiche Arrest nr 243.621 van 7 februari 2019 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : heropening debatten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 243.621 van 7 februari 2019 in de zaak A. 215.974/XIV-36.462 In zake : Carla CHRISTIAENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Crispyn kantoor houdend te 9030 Mariakerke Mazestraat 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGR/JUR/CTX gevestigd te 1050 Brussel Kroonlaan145A -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 26 mei 2015, strekt tot de nietigverklaring van “het besluit van hoofdcommissaris van politie O. [L.], directeur-generaal bij de federale politie, algemene directie van het middelenbeheer en de informatie dd. 27 maart 2015 waarbij aan verzoek[st]er de lichte tuchtstraf van de blaam is opgelegd.” II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 240.752 van 20 februari 2018 wordt de behandeling van het eerste middel geschorst totdat de meest gerede partij kennis geeft van de uitspraak over de valsheid, onverminderd de mogelijkheid voor de Raad van State om de zaak daartoe op te roepen wanneer hij dit gepast acht, wordt het debat in de zaak voor het overige heropend en wordt het door de auditeur-generaal XIV-36.462-1/23 aangewezen lid van het auditoraat gelast met het aanvullend onderzoek behoudens wat het eerste middel betreft. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een aanvullend verslag opgesteld. Verzoekster heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 10 oktober 2018. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Peter Crispyn, die verschijnt voor verzoekster, en adviseur Ruben Goosens, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. De feiten zijn uiteengezet in het tussenarrest nr. 240.752 van 20 februari 2018. Er wordt naar verwezen. 3.2. Met een arrest van 2 mei 2018 verklaart de kamer van inbeschuldigingstelling van het hof van beroep te Brussel het beroep ongegrond XIV-36.462-2/23 dat verzoekster had gericht tegen de beschikking van de raadkamer van 9 november 2017 waarbij O.L. buiten vervolging was gesteld voor feiten van valsheid in geschrifte en het gebruik ervan. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging A. Tweede “laatste memorie” 4. Verzoekster, die op regelmatige wijze een laatste memorie had ingediend, zendt met een aangetekende brief van 4 oktober 2018 aan de Raad van State een procedurestuk, door haar genoemd “laatste memorie met verzoek tot voortzetting van de rechtspleging.” 5. Dat procedurestuk is ingediend buiten de termijn bedoeld in artikel 14, tweede lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: de algemene procedureregeling). Indien het beschouwd wordt als aanvullend bij de laatste memorie, is het bijgevolg laattijdig en derhalve niet-ontvankelijk. Indien het beschouwd wordt als een nieuw procedurestuk, is het niet voorzien in de rechtspleging en dus evenmin ontvankelijk. De op 4 oktober 2018 ingediende “laatste memorie” wordt uit het debat geweerd. B. Pleitnota 6. Verzoekster heeft voorts op 9 oktober 2018 een pleitnota met aanvullende stukken aan de Raad van State bezorgd. 7. De algemene procedureregeling voorziet niet in de mogelijkheid om een pleitnota als een processtuk neer te leggen. Het is de partijen echter wel toegestaan om nieuwe feiten die een invloed kunnen hebben op de XIV-36.462-3/23 ontvankelijkheid en/of de gegrondheid van het beroep, aan de Raad van State ter kennis te brengen. In zoverre de door verzoekster neergelegde pleitnota op dergelijke feiten betrekking heeft, kan ze dan ook bij de zaak worden betrokken. In zoverre de pleitnota geen betrekking heeft op dergelijke feiten, maar de neerslag vormt van de uiteenzetting ter terechtzitting, wordt ze niet als een processtuk, maar als een loutere inlichting in aanmerking genomen. 8. Te dezen strekt deze pleitnota ertoe “in het kader van welk- danige eventualiteit” verzoeksters uiteenzetting te hernemen met betrekking tot het eerste middel, met voeging van stukken. Het eerste middel maakt, gelet op de bij het tussenarrest nr. 240.752 van 20 februari 2018 bevolen schorsing van de behandeling ervan, geen deel uit van de voorliggende behandeling. De pleitnota heeft derhalve geen betrekking op nieuwe feiten die een invloed kunnen hebben op de ontvankelijkheid en/of de gegrondheid van het beroep, zodat de pleitnota niet wordt gezien als een processtuk, maar enkel als een loutere inlichting. V. Onderzoek van de middelen Vooraf 9. In het tussenarrest nr. 240.752 van 20 februari 2018 is de behandeling van het eerste middel geschorst totdat de meest gerede partij kennis geeft van de uitspraak over de valsheid, onverminderd de mogelijkheid van de Raad van State om de zaak daartoe op te roepen wanneer hij dit gepast acht. Het eerste middel wordt derhalve in dit arrest niet behandeld. XIV-36.462-4/23 A. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 10. Verzoekster voert in het verzoekschrift de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel, de materiëlemotiveringsplicht, het redelijkheidsbeginsel, de wet van 4 augustus 1996 ‘betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk’ (hierna: de wet van 4 augustus 1996) en van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politie- diensten’ (hierna: de tuchtwet). Na te hebben gesteld dat er reeds jaren discussie was over de geplogenheden van het afstijgen te paard en het feit dat er reeds voorgaanden waren waarbij niet werd gestraft, wijst verzoekster erop dat een risicoanalyse het geëigende instrument is om tegemoet te komen aan de verplichtingen van artikel 5 van de wet van 4 augustus 1996. Verzoekster stelt vast dat in het verleden reeds een risicoanalyse werd uitgevoerd maar dat die geen deel uitmaakt van de tuchtbundel. Bij haar beoordeling heeft de tuchtoverheid volgens verzoekster geen oog gehad voor dit belangrijk gegeven: de risicoanalyse is niet toegevoegd aan de tuchtbundel en de tuchtoverheid heeft ze niet mee in acht genomen bij de beoordeling van de feiten. Nochtans heeft die analyse juist tot doel een evaluatie door te voeren omtrent de redenen die ten grondslag liggen van het niet afstijgen op de erekoer. Deze redenen hebben alle te maken met veiligheids- en welzijnsaspecten voor mens en dier en de overheid is verplicht om in toepassing van de wet van 4 augustus 1996 de nodige maatregelen te treffen. Verzoekster bemerkt dat de klachten inzake de veiligheid en het welzijn van het personeel en de paarden finaal ook gegrond zijn bevonden aangezien ze hebben geleid tot een wijziging van de procedure, namelijk dat er niet meer afgestapt moet worden op de erekoer. Zodoende meent verzoekster dat de tuchtoverheid op een onzorgvuldige wijze tot haar voorstelling en vaststelling van de feiten is gekomen en heeft zij verzuimd om kennis te nemen van de welzijnsaspecten die deel uitmaken van de gemaakte risicoanalyse, te meer dat die nadien pertinent zijn bevonden en de afstapprocedure XIV-36.462-5/23 werd gewijzigd. Zodoende zijn het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiële- motiveringsplicht geschonden. Door tuchtrechtelijk te bestraffen, schendt de tuchtoverheid ook artikel 5 van de wet van 4 augustus 1996. Na de feiten en naar aanleiding ervan heeft de werkgever de nodige maatregelen getroffen, meer bepaald dat er niet meer op de erekoer moet worden afgestapt. Zodoende kan het niet anders dan dat die maatregel nodig was voor het welzijn van het personeel. Op 21 juli 2014 heeft de tuchtoverheid dan ook verzuimd te handelen conform de wet van 4 augustus 1996. Verzoekster voegt er aan toe dat door haar tuchtrechtelijk te bestraffen voor gedrag dat noodzakelijk was voor het welzijn conform de wet van 4 augustus 1996, de materiëlemotiveringsplicht en het redelijkheidsbeginsel wordt geschonden. Het is volgens haar pertinent ondeugdelijk om tuchtrechtelijk te straffen voor een gedrag dat noodzakelijk was voor het welzijn. En indien verzoekster al zou zijn bestraft wegens de weigering een bevel op te volgen, dan moet worden vastgesteld dat dit bevel onwettig is want in strijd met de wet van 4 augustus 1996. Dergelijk gedrag van verzoekster kan dan ook onmogelijk de waardigheid van het ambt in het gedrang hebben gebracht. Het is bovendien verregaand onredelijk een gedrag tuchtrechtelijk te bestraffen wanneer dat gedrag voortvloeit uit een jarenlang aangeklaagde problematiek die finaal tot een wijziging van de procedure heeft geleid. 11. In de memorie van wederantwoord benadrukt verzoekster dat het een vergissing is te stellen dat zij niet het recht zou hebben om naar eigen goeddunken af te stijgen aan de stallen, “gelet op de richtlijnen die gegeven werden op 21-07-14”, en dat om reden dat de feitelijke situatie niet helemaal eenduidig was. In het verleden is gebleken dat zonder uitleg naar het personeel toe, “indien er zich op het moment zelf een persoonlijke problematiek voordeed, er niets op tegen was dat er aan de stallen werd afgestapt”. De realiteit was derhalve minder rigide dan hoe de verwerende partij hem voorstelt. Dat is voorts in de dienst algemeen geweten en blijkt ook uit het verslag van het voorafgaand onderzoek. Voorts benadrukt verzoekster dat, indien de tuchtoverheid de uitgevoerde risicoanalyse bij haar oordeelsvorming had betrokken, dan kon het niet worden uitgesloten dat zij meer begrip had gehad voor de feiten en tot een ander oordeel was gekomen. Mede XIV-36.462-6/23 gelet op deze welzijnsproblematiek is het “Befehl ist Befehl” een visie die te kort door de bocht is. Zij benadrukt tot slot dat artikel 5 van de wet van 4 augustus 1996 is geschonden doordat de tuchtstraf impliceert dat verzoekster volgens de tuchtoverheid verplicht was te handelen in strijd met de verplichtingen die de werkgever heeft in toepassing van die bepaling. Het artikel 5 van de wet van 4 augustus 1996 is strafrechtelijk sanctioneerbaar en de strekking van die bepaling is van openbare orde. Tuchtrechtelijk straffen en zodoende een gedrag in strijd met artikel 5 van de voornoemde wet onder dwang verplichten, kan evident niet. In de laatste memorie betoogt verzoekster dat er geen sprake was van een provocatief gedrag en dat op het ogenblik van de feiten verzoekster “ook zo iemand [was] die louter op dat moment verhinderd was om op de erekoer af te stijgen, [z]ij voelde zich daar niet toe in staat.” Zij heeft niets “genegeerd”, maar gehandeld zoals door de omstandigheden was genoodzaakt. Voorts blijft zij er bij dat het relevant is te wijzen op de wijzigingen in de afstapprocedure, omdat zulks aantoont dat de toen geldende afstapprocedure niet conform de beginselen van de wet van 4 augustus 1996 was. Tot slot is het correct dat niet de optie werd genomen de weigering van een bevel in acht te nemen, maar zulks belet niet dat dit inhoudt dat er een schending is van het redelijkheidsbeginsel en dat er geen sprake is van een tuchtvergrijp in de zin van artikel 3 van de tuchtwet. Beoordeling De schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en van de materiëlemotiverings- plicht 12. Verzoekster voert in het verzoekschrift aan dat het zorgvuldig- heidsbeginsel en de materiëlemotiveringsplicht zijn geschonden doordat de tuchtoverheid heeft verzuimd kennis te nemen van de welzijnsaspecten die deel uitmaken van de gemaakte risicoanalyse, te meer dat die nadien pertinent zijn bevonden en de afstijgprocedure werd gewijzigd. Het middel wordt vooreerst vanuit deze grief onderzocht. XIV-36.462-7/23 13. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administra- tieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. De tuchtoverheid heeft bij de uitoefening van haar tuchtbe- voegdheid een discretionaire beoordelingsbevoegdheid, zowel op het stuk van de bewezenverklaring als op het vlak van de tuchtrechtelijke kwalificatie van de ten laste gelegde feiten. De tuchtoverheid die zich over het opleggen van een tuchtstraf wegens een bepaald feit moet uitspreken, vermag daarbij niet alleen te steunen op bekentenissen of vaststaande bewijzen, maar ook op getuigenissen, vermoedens, enz. Indien zoals te dezen, een tuchtregeling geen bijzondere bewijswaardering voorschrijft, beoordeelt de tuchtoverheid op discretionaire wijze de bewijswaarde van de gegevens uit het tuchtdossier om tot een bepaalde overtuiging te komen. Het komt aan de Raad van State binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht, niet toe om zelf een beoordeling te maken van het bewezen zijn van de ten laste gelegde feiten of van de kwalificatie ervan als tuchtvergrijpen. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen. 14. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen. XIV-36.462-8/23 De zorgvuldigheidsplicht houdt evenwel niet in dat van een tuchtoverheid moet worden verwacht dat zij een loutere suggestie of bewering die niet op een geloofwaardige wijze is ingeroepen, met de nodige zorgvuldigheid onderzoekt. Enkel wanneer de ingeroepen bewering niet is ontbloot van elk element van geloofwaardigheid, rust op de tuchtoverheid de hiervoor geschetste zorgvuldigheid bij het onderzoek van dit gegeven. 15. Luidens de bestreden beslissing worden aan verzoekster de volgende feiten ten laste gelegd, bewezen en toegerekend: “4. Uiteenzetting van de feiten Na analyse van het tuchtdossier ben ik van oordeel, dat de hierna vermelde feiten een tuchtinbreuk uitmaken en u, [verzoekster], moeten ten laste gelegd worden: Op 21 juli 2014 bij het beëindigen van de feestelijkheden van de nationale feestdag begaf de Koninklijke Escorte zich naar de kazerne de Witte de Haelen. De richtlijnen die gegeven waren bij aanvang waren dat, bij het einde van de dienst in de kazerne, de ruiters de lansen zouden teruggeven en zouden afstijgen op de binnenplaats om vervolgens te voet naar de stallen te gaan. Dit is een procedure die al jaren wordt toegepast. HCP [XXX] volgde de manoeuvres vanuit blok C en stelde vast dat na het bevel tot afstijgen, gegeven bij middel van trompetgeschal, een aantal ruiters niet afstegen en dat er door sommige geroepen werd. De manoeuvres werden ook gevolgd door enkele burgers die in de kazerne als toeschouwer aanwezig waren. CP [XXX] die op dat ogenblik Esk Comm. ERKE was stelde HCP [XXX] in kennis dat het vijf personeelsleden waren die niet afgestegen waren, waaronder u [verzoekster]. U bleef op uw paard zitten en keerde te paard terug naar de stallen. Uit het onderzoek bleek dat de procedure van afstijgen al langer ter discussie stond en dat op 10 november 2014 het probleem besproken werd en dat de werkwijze daadwerkelijk werd aangepast. Het was geen gecoördineerde actie. 4 Ten laste gelegde feiten U bracht uw ambt in opspraak doordat u op 21 juli als lid van de Koninklijke Escorte, bij het einde van uw dienst, de gegeven richtlijnen bij het afstijgen van de paarden niet correct uitvoerde. 5 Bewijs en toerekening van de feiten 5.1 Bewijs van de feiten. U gaf toe dat u niet afgestegen bent. Hierdoor acht ik het feit bewezen. 5.2 Toerekening van de feiten. Gelet op het feit dat u kennis had van de voorziene procedures en de bijhorende bevelen; Gelet op de elementen vervat in punt 5.1, bewijs van de feiten waarin de gedane vaststellingen, ben ik van oordeel dat deze u kunnen toegerekend worden.” Voorts stelt de tuchtoverheid in de bestreden beslissing dat “het document van de risicoanalyse [niet] relevant [is] in dit dossier. Het is niet de XIV-36.462-9/23 betwisting van de problemen in verband met het afstijgen dat hier beoordeeld werd doch enkel het feit van het niet correct naleven van de richtlijnen op 21 juli 2014.” 16. Het wordt niet betwist dat verzoekster bij de terugkeer van het Koninklijk Escorte in de kazerne de Witte de Haelen, niet is afgestegen op de binnenplaats om vervolgens te voet naar de stallen te gaan, maar dat zij te paard terugkeerde naar de stallen om daar af te stappen. Voorts blijkt uit de uiteenzetting van de feiten dat op het ogenblik van de aan verzoekster ten laste gelegde feiten, de richtlijnen die gegeven waren bij aanvang, inhielden dat de ruiters zoals verzoekster, bij het einde van de dienst in de kazerne, zouden afstijgen op de binnenplaats om vervolgens te voet naar de stallen te gaan. In de bestreden beslissing wordt gesteld dat zulks een procedure was die al jaren wordt toegepast. Om te beoordelen of de gepleegde feiten een tuchtvergrijp uitmaken, volstaat het voorts voor de tuchtoverheid dat zij daartoe overeenkomstig artikel 3 van de tuchtwet, de bewezen bevonden feiten toetst aan de overtreden beroepsplicht of aan het in gedrang brengen van de waardigheid van het ambt. In de mate dat verzoekster doet gelden dat er discussie bestond over de geplogen- heden van het afstijgen en dat er daartoe volgens haar pertinente redenen waren, heeft deze kritiek geen betrekking op het bestaan van de geschonden bevonden beroepsplicht, noch op de strafwaardigheid van de niet-naleving ervan. Ze betreft enkel de door verzoekster beleefde opportuniteit of wenselijkheid van de naleving van de opgelegde richtlijnen. Het niet bijvallen of mede betrekken bij de besluitvorming van dat, overigens door de tuchtoverheid niet-betwiste gegeven dat de vigerende richtlijnen in het verleden werden bekritiseerd, maakt derhalve op zich die besluitvorming niet onzorgvuldig. De enkele omstandigheid dat verzoekster de opportuniteit van de, luidens de bestreden beslissing, bij de aanvang gegeven richtlijnen inzake het afstijgen betwist of dat die, al dan niet met pertinente redenen, algemeen worden betwist, houdt op zich niet in dat, als de tuchtoverheid thans de overtreding ervan wel kwalificeert als een tekortkoming XIV-36.462-10/23 aan de beroepsplichten, zij de op haar rustende zorgvuldigheid bij de feiten- kwalificatie miskent. Evenmin blijkt hieruit dat de tuchtoverheid bij de kwalificatie van de feiten als een tuchtvergrijp, tot een appreciatie is gekomen die de perken van haar beoordelingsbevoegdheid van de kwalificatie van de feiten te buiten gaat, waardoor zij de materiëlemotiveringsplicht zou miskennen. De Raad van State komt tot dezelfde vaststelling wat het niet-betrekken bij de besluitvorming betreft van de risicoanalyse en de erin vervatte welzijnsaspecten. Het gegeven dat bepaalde risico’s betreffende het afstijgen op de erekoer uit die analyse zouden blijken, betreft eveneens de opportuniteit of de wenselijkheid van de op het ogenblik van de feiten geldende richtlijnen ter zake. Evenmin maakt het enkele feit van het niet bijvallen of mede betrekken ervan de besluitvorming onzorgvuldig, noch houdt de kwalificatie van de feiten als tuchtvergrijp zonder met die analyse en de erin vervatte welzijnsaspecten rekening te houden, een appreciatie in die onredelijk is waardoor ze de materiëlemotiveringsplicht zou miskennen. De bemerking in de memorie van wederantwoord dat, indien de tuchtoverheid de risicoanalyse bij haar oordeelsvorming had betrokken, het niet was uitgesloten dat zij meer begrip zou hebben gehad voor de feiten en tot een ander oordeel zou zijn gekomen inzake de miskenning van de waardigheid van het ambt, is een eigen appreciatie. Die nodigt in wezen de Raad van State uit tot het maken van een beoordeling van de opportuniteit om die risicoanalyse al dan niet bij de feitenbeoordeling en de kwalificatie ervan als tuchtvergrijp te betrekken. Niet alleen valt zulks buiten de bevoegdheid van de Raad van State, optredend als annulatierechter. Bovendien maakt dat argument niet aannemelijk dat het niet-betrekken van die analyse, de bestreden beslissing op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen noch dat ze hierdoor de materiëlemotiveringsplicht schendt. De bemerking dat het door verzoekster vertoonde gedrag nadien in overeenstemming blijkt te zijn met de na de feiten gedane navolgende aanpassingen aan het afstijgprotocol, betekent niet dat de tuchtoverheid onzorgvuldig is geweest, noch doet zulks blijken dat de tuchtoverheid op het XIV-36.462-11/23 ogenblik van de bestraffing niet op wettige wijze kon oordelen dat verzoekster door de schending van de toen geldende richtlijnen inzake het afstijgen van de paarden, een tuchtvergrijp pleegt. 17. Door zich op de op de dag zelf gegeven richtlijnen te steunen en op grond ervan te besluiten dat de aan verzoekster ten laste gelegde gedraging haar kunnen worden toegerekend en een tuchtvergrijp uitmaken, is de tuchtoverheid niet onzorgvuldig geweest in de feitenvinding en de toerekening van de feiten aan verzoekster, noch miskent zij de materiëlemotiveringsplicht. 18. Het middel is in zoverre niet gegrond. De schending van de wet van 4 augustus 1996, de materiëlemotiverings- verplichting en artikel 3 van de tuchtwet. 19. Artikel 5 van de wet van 4 augustus 1996 luidt: “Art. 5. § 1. De werkgever treft de nodige maatregelen ter bevordering van het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk. Daartoe past hij de volgende algemene preventiebeginselen toe :
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.