id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 februari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.625 Rolnummer: A. 213486/IX-8456 Zaak: Arrest 243625 - Wegverkeer van goederen - 07/02/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-02-14 Raadplegingen: 77 - laatst gezien 2026-06-25 05:10 Fiche Arrest nr 243.625 van 7 februari 2019 Economische zaken - Wegverkeer van goederen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 243.625 van 7 februari 2019 in de zaak A. 213.486/IX-8456 In zake : de BVBA VADITRANS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Frederik Vanden Bogaerde kantoor houdend te 8800 Roeselare Kolenkaai 4 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Mobiliteit bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bart Van Hyfte en Laurent Delmotte kantoor houdend te 1060 Brussel Gulden Vlieslaan 77 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 8 augustus 2014, strekt tot de nietigverklaring van het koninklijk besluit van 19 april 2014 ‘tot wijziging van het koninklijk besluit van 19 juli 2000 betreffende de inning en de consignatie van een som bij het vaststellen van sommige inbreuken inzake het vervoer over de weg’ (BS 11 juni 2014). II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. é.732 van 4 februari 2016 is het beroep verworpen in zoverre het strekt tot de nietigverklaring van artikel 1 van het voormelde koninklijk besluit. Het debat is voor het overige heropend en aan het Hof van Justitie van de Europese Unie zijn drie prejudiciële vragen gesteld. IX-8456-1/19 Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft deze prejudiciële vragen beantwoord in een arrest van 20 december 2017 in de zaak C-102/16. Eerste auditeur Inge Vos heeft een aanvullend verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 december 2018. Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Frederik Vanden Bogaerde, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Bart Van Hyfte, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Inge Vos heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Regelgevend kader 3. Het koninklijk besluit van 19 april 2014 ‘tot wijziging van het koninklijk besluit van 19 juli 2000 betreffende de inning en de consignatie van een som bij het vaststellen van sommige inbreuken inzake het vervoer over de weg’ (hierna: het bestreden besluit) voorziet eensdeels in een verhoging van de boete bij inbreuk op de verplichting om een voor de zending opgemaakte vrachtbrief in het IX-8456-2/19 voertuig te hebben en anderdeels in een boete bij inbreuk op het verbod om de normale wekelijkse rusttijd aan boord van het voertuig te nemen. Het bestreden besluit past in een actieplan dat de Ministerraad op 28 november 2013 heeft aangenomen tegen de frauduleuze detachering van EU-werknemers in ons land, de zogenaamde sociale dumping (verslag aan de koning). Artikel 1 van het bestreden besluit luidt als volgt: “In bijlage 1 bij het koninklijk besluit van 19 juli 2000 betreffende de inning en de consignatie van een som bij het vaststellen van sommige inbreuken inzake het vervoer over de weg, vervangen bij het koninklijk besluit van 19 juli 2013, wordt in
(2005)0301 definitief) heeft gesteld, in de twintig jaar voorafgaand aan haar advies sterk verbeterd en is het cabineontwerp de afgelopen jaren zeker nog verder ontwikkeld, dit niet wegneemt dat een vrachtwagencabine geen geschikte plaats blijkt te vormen voor langere rusttijden dan de dagelijkse rusttijden en de verkorte wekelijkse rusttijden. Bestuurders moeten de mogelijkheid hebben om hun normale wekelijkse rusttijden door te brengen op een plaats met passende en geschikte accommodatie. 45 In dit verband moet eveneens worden vastgesteld dat indien artikel 8 van verordening nr. 561/2006 aldus moest worden uitgelegd dat de bestuurder zijn normale wekelijkse rusttijden in zijn voertuig zou kunnen doorbrengen, hij al zijn rusttijden in de cabine van zijn voertuig zou kunnen doorbrengen. In een dergelijk geval zouden de rusttijden van de bestuurder dus worden doorgebracht op een plaats die geen passende accommodatie biedt. Een dergelijke uitlegging van artikel 8 van verordening nr. 561/2006 kan niet bijdragen tot de met deze verordening nagestreefde doelstelling om de werkomstandigheden van bestuurders te verbeteren. 46 Vaditrans en de Estse regering stellen dat een dergelijke uitlegging eventueel kan leiden tot een verslechtering van de omstandigheden waarin de bestuurders hun wekelijkse rusttijden kunnen doorbrengen. Bovendien kan het moeilijk zijn om te bewijzen dat deze verplichting is nageleefd, omdat de administratieve lasten van de bestuurders van voertuigen zo aanzienlijk zouden toenemen. 47 In dit verband moet worden vastgesteld dat verordening nr. 561/2006 inderdaad geen bepaling bevat waarin uitdrukkelijk is geregeld hoe de bestuurder van een voertuig de normale wekelijkse rusttijden moet doorbrengen. Zoals de advocaat-generaal in punt 62 van zijn conclusie heeft weergegeven, kunnen overwegingen zoals Vaditrans en de Estse regering die hebben aangevoerd, echter niet rechtvaardigen dat de voorschriften van deze verordening met betrekking tot de rusttijden van bestuurders niet worden nageleefd. 48 Gelet op deze overwegingen, moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 8, leden 6 en 8, van verordening nr. 561/2006 aldus moet worden uitgelegd dat bestuurders hun normale wekelijkse rusttijden bedoeld in dit artikel 8, lid 6, niet in het voertuig mogen doorbrengen. Tweede vraag 49 De tweede vraag dient volgens Vaditrans en de Spaanse regering bevestigend te worden beantwoord, waartoe zij aanvoeren dat een uitlegging van verordening nr. 561/2006 volgens welke een bestuurder de normale wekelijkse rusttijden niet in het voertuig mag doorbrengen, bij gebreke van IX-8456-11/19 uitdrukkelijke regels dienaangaande neerkomt op een a-contrario-uitlegging, die volgens het legaliteitsbeginsel verboden is. 50 In dit verband moet eraan worden herinnerd dat op grond van het legaliteitsbeginsel ter zake van strafbare feiten en straffen (nullum crimen, nulla poena sine lege) waaraan met name artikel 49, lid 1, eerste volzin, van het Handvest is gewijd en dat een bijzondere uitdrukking van het algemene rechtszekerheidsbeginsel is, niemand mag worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde dat het handelen of nalaten geschiedde. 51 Dit beginsel vereist volgens de rechtspraak van het Hof dat Unieregelgeving een duidelijke omschrijving biedt van de strafbare feiten en de daarop gestelde straffen. Aan deze voorwaarde is voldaan wanneer de justitiabele uit de bewoordingen van de relevante bepaling, zo nodig met behulp van de uitlegging die de rechterlijke instanties daarvan hebben gegeven, kan opmaken voor welk handelen of nalaten hij strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld (zie in het bijzonder arresten van 3 juni 2008, Intertanko e.a., C - 308/06, EU:C:2008:312, punt 71, en 22 oktober 2015, AC-Treuhand/Commissie, C‑194/14 P, EU:C:2015:717, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak). 52 Het legaliteitsbeginsel ter zake van strafbare feiten en straffen kan dus niet aldus worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat de regels van strafrechtelijke aansprakelijkheid geleidelijk aan door rechterlijke uitlegging in concrete zaken worden verduidelijkt, op voorwaarde dat het resultaat redelijkerwijs kon worden voorzien toen de inbreuk werd gepleegd, met name gelet op de wijze waarop de betrokken bepaling toentertijd door de rechtspraak over de betreffende wettelijke bepaling werd uitgelegd (arrest van 22 oktober 2015, AC-Treuhand/Commissie, C ‑ 194/14 P, EU:C:2015:717, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak). 53 Er moet worden vastgesteld dat artikel 8, leden 6 en 8, van verordening nr. 561/2006 blijkens het antwoord op de eerste vraag een verbod bevat om de normale wekelijkse rusttijden in het voertuig door te brengen zonder dat deze bepaling zelf enigerlei sanctie bevat. In artikel 19 van deze verordening is ook geen sanctie vastgesteld, maar worden de lidstaten daarentegen wel verplicht om te voorzien in sancties voor inbreuken op deze verordening en om alle maatregelen te nemen die nodig zijn opdat deze sancties worden toegepast. 54 Zoals overigens eveneens uit overweging 26 van verordening nr. 561/2006 volgt, moeten deze sancties doeltreffend, evenredig, afschrikkend en niet-discriminerend van aard zijn. Hoewel de lidstaten volgens artikel 19 van deze verordening moeten voldoen aan aanvullende voorwaarden omtrent de sanctieregels die zij moeten vaststellen ter bestraffing van inbreuken op deze verordening, hebben deze voorwaarden evenwel geen invloed op de aard van de sancties. Dat wordt bevestigd in overweging 27 van dezelfde verordening, waarin is bepaald dat lidstaten in geval van inbreuken op deze verordening strafrechtelijke, civielrechtelijke of bestuursrechtelijke sancties kunnen opleggen. 55 Dienaangaande volgt uit vaste rechtspraak dat wanneer een Unieregeling geen specifieke sanctie stelt op een inbreuk op deze verordening IX-8456-12/19 of daarvoor verwijst naar nationale wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen, de lidstaten ingevolge artikel 4, lid 3, van het VEU gehouden zijn, alle passende maatregelen te nemen om de doeltreffende toepassing van het Unierecht te verzekeren. Daartoe zijn zij weliswaar vrij in de keuze van de sancties, maar moeten zij erop toezien dat de materiële en formele voorwaarden waaronder overtredingen van het Unierecht worden bestraft, overeenstemmen met die waaronder vergelijkbare en even ernstige overtredingen van het nationale recht worden bestraft, en moeten zij er hoe dan ook voor zorgen dat de sanctie doeltreffend, evenredig en afschrikkend is (zie in het bijzonder arresten van 10 juli 1990, Hansen, C‑326/88, EU:C:1990:291, punt 17, en 27 maart 2014, LCL Le Crédit Lyonnais, C ‑ 565/12, EU:C:2014:190, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak). 56 In deze context moet worden opgemerkt dat het Hof herhaaldelijk handelingen van afgeleid recht heeft uitgelegd die de lidstaten verplichten te voorzien in sancties, teneinde te verzekeren dat deze handelingen in het licht van het legaliteitsbeginsel ter zake van strafbare feiten en straffen effectief worden uitgevoerd. Volgens deze rechtspraak heeft een richtlijn niet uit zichzelf en onafhankelijk van een door een lidstaat ter uitvoering daarvan vastgestelde nationale wet tot gevolg dat de strafrechtelijke aansprakelijkheid van degenen die inbreuk op de bepalingen van deze richtlijn maken, wordt vastgesteld of verzwaard (zie met name arrest van 7 januari 2004, X, C‑60/02, EU:C:2004:10, punt 61). 57 Uit deze rechtspraak volgt eveneens dat de redenering die het Hof inzake richtlijnen heeft gevolgd, ook toepasbaar is op verordeningen, dus op normen waarvoor naar hun aard geen nationale omzettingsmaatregelen nodig zijn, indien deze verordeningen lidstaten de bevoegdheid geven om sancties vast te stellen voor inbreuken op door hen verboden gedragingen (zie in die zin arrest van 7 januari 2004, X, C‑60/02, EU:C:2004:10, punt 62). 58 Aangezien de lidstaten overeenkomstig verordening nr. 561/2006 zelf de sancties voor inbreuken op deze verordening dienen vast te stellen, beschikken zij dus over een beoordelingsmarge ter zake van de aard van de toepasselijke sancties (zie in die zin arrest van 9 juni 2016, Eurospeed, C - 287/14, EU:C:2016:420, punt 34). 59 Hieruit volgt dat uit het onderzoek van de tweede gestelde vraag geen enkel punt naar voren is gekomen op grond waarvan de geldigheid van verordening nr. 561/2006 uit het oogpunt van het strafrechtelijk legaliteitsbeginsel zoals verwoord in artikel 49, lid 1, van het Handvest, wordt aangetast. Derde vraag 60 Gelet op het antwoord op de eerste vraag behoeft de derde vraag niet te worden beantwoord.” Het Hof van Justitie verklaart vervolgens voor recht: “1) Artikel 8, leden 6 en 8, van verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot harmonisatie van IX-8456-13/19 bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, tot wijziging van verordeningen (EEG) nr. 3821/85 en (EG) nr. 2135/98 van de Raad en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad, moet aldus worden uitgelegd dat een bestuurder de normale wekelijkse rusttijden bedoeld in artikel 8, lid 6, niet in zijn voertuig mag doorbrengen. 2) Uit het onderzoek van de tweede vraag is geen enkel punt naar voren gekomen op grond waarvan de geldigheid van verordening nr. 561/2006 uit het oogpunt van het strafrechtelijk legaliteitsbeginsel zoals verwoord in artikel 49, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, wordt aangetast.”
- In haar laatste memorie na het aanvullend auditoraatsverslag laat de verzoekende partij gelden dat door het arrest van het Hof van Justitie aan de discussie over de juiste interpretatie van artikel 8, leden 6 en 8, van verordening (EG) nr. 561/2006 een einde komt. Wat de schending van het legaliteitsbeginsel betreft, merkt de verzoekende partij op dat het Hof van Justitie louter stelt dat er bij gebrek aan sanctionering in verordening (EG) nr. 561/2006 – artikel 19 van verordening (EG) nr. 561/2006 laat het immers aan de lidstaten over om een sanctieregime vast te stellen dat penaal, administratiefrechtelijk of zelfs burgerrechtelijk van aard kan zijn – per definitie geen strijdigheid kan bestaan met het Europese legaliteitsbeginsel zoals verwoord in artikel 49 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest). De verzoekende partij is van oordeel dat niet louter kan worden verwezen naar het arrest van het Hof van Justitie om te stellen dat er in casu geen schending van het legaliteitsbeginsel in strafzaken zou zijn. De Belgische Staat heeft ervoor geopteerd om inbreuken op artikel 8, lid 8, van verordening (EG) nr. 561/2006 te bestraffen met strafrechtelijke sancties en dit maakt, aldus de verzoekende partij, dat nog steeds moet – en kan – worden nagegaan of de interpretatie die het Hof van Justitie in zijn arrest maakt niet in strijd is met het Belgische legaliteitsbeginsel in strafzaken. Volgens de verzoekende partij is dit wel het geval. Zij verwijst dienaangaande naar overweging 31 van het arrest en stelt dat door uit de niet-strafbaarheid van het nemen van de dagelijkse en verkorte wekelijkse rusttijden in het voertuig, de strafbaarheid van het nemen van de normale wekelijkse rusttijden in het voertuig af IX-8456-14/19 te leiden, middels een verboden a contrario redenering het toepassingsgebied van de strafwet wordt uitgebreid. Beoordeling
- In het arrest van 20 december 2017 in de zaak C-102/16 heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat artikel 8, leden 6 en 8, van verordening (EG) nr. 561/2006, aldus moet worden uitgelegd dat een bestuurder de normale wekelijkse rusttijden bedoeld in artikel 8, lid 6, niet in zijn voertuig mag doorbrengen. Het Hof steunt deze interpretatie op de bewoordingen ervan, evenals op de ontstaansgeschiedenis en de context van artikel 8, lid 8, van verordening (EG) nr. 561/
- Daarnaast is het Hof van oordeel dat ook het doel van de betrokken bepaling deze uitlegging bevestigt. Er moet dan ook worden aangenomen dat ook het bestreden besluit gesteund is op een correcte interpretatie van voornoemde verordeningsbepalingen. Het uitgangspunt waarop het eerste onderdeel van het derde middel is gesteund en waarbij de verzoekende partij aanneemt dat artikel 8, leden 6 en 8, van verordening (EG) nr. 561/2006 niet in een verbod voorziet om de normale wekelijkse rusttijden in het voertuig door te brengen, faalt dan ook in rechte. 10.
- Wat het legaliteitsbeginsel betreft, benadrukt het Hof van Justitie in voormeld arrest voorts dat op grond van het legaliteitsbeginsel ter zake van strafbare feiten en straffen (nullum crimen, nulla poena sine lege) zoals verwoord in artikel 49, lid 1, eerste volzin, van het Handvest en dat een bijzondere uitdrukking is van het algemene rechtszekerheidsbeginsel, niemand mag worden IX-8456-15/19 veroordeeld wegens een handelen of nalaten dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde van het handelen of nalaten. Dat beginsel vereist volgens de rechtspraak van het Hof dat Unieregelgeving een duidelijke omschrijving biedt van de strafbare feiten en de daarop gestelde straffen. Aan deze voorwaarde is volgens het Hof van Justitie voldaan wanneer de justitiabele uit de bewoordingen van de relevante bepaling, zo nodig met behulp van de uitlegging die de rechterlijke instanties daarvan hebben gegeven, kan opmaken voor welk handelen of nalaten hij strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld. Het legaliteitsbeginsel ter zake van strafbare feiten en straffen kan volgens het Hof niet aldus worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat de regels van strafrechtelijke aansprakelijkheid geleidelijk aan door rechterlijke uitlegging in concrete zaken worden verduidelijkt, op voorwaarde dat het resultaat redelijkerwijs kon worden voorzien toen de inbreuk werd gepleegd, gelet op de wijze waarop de betrokken bepaling toentertijd door de rechtspraak over de betreffende wettelijke bepaling werd uitgelegd. 10.
- De tweede gestelde prejudiciële vraag heeft betrekking op de verenigbaarheid van artikel 8, leden 6 en 8, van verordening (EG) nr. 561/2006, gelezen in samenhang met artikel 19 van dezelfde verordening, met het strafrechtelijk legaliteitsbeginsel zoals verwoord in artikel 49 van het Handvest. Het Hof van Justitie oordeelt dienaangaande in zijn arrest van 20 december 2017 dat uit het onderzoek van de tweede gestelde vraag geen enkel punt naar voren is gekomen op grond waarvan de geldigheid van verordening (EG) nr. 561/2006 uit het oogpunt van het strafrechtelijk legaliteitsbeginsel zoals verwoord in artikel 49, lid 1, van het Handvest, wordt aangetast. Het Hof stelt vast dat noch in artikel 8, leden 6 en 8, van verordening (EG) nr. 561/2006, noch in artikel 19 van deze verordening een IX-8456-16/19 sanctie wordt bepaald. Het vaststellen van sancties wordt immers overgelaten aan de lidstaten. Volgens het Hof van Justitie kan in casu niet tot een onverenigbaarheid van artikel 8, leden 6 en 8, en artikel 19 van verordening (EG) nr. 561/2006 met het strafrechtelijk legaliteitsbeginsel zoals verwoord in artikel 49 van het Handvest worden besloten, nu de lidstaten alsnog over een beoordelingsmarge beschikken ter zake van de aard van de toepasselijke sancties. 10.
- Wanneer een lidstaat, zoals in casu, ervoor heeft geopteerd om verordening (EG) nr. 561/2006 uit te voeren door strafrechtelijke sancties vast te stellen, is hij verplicht om te voldoen aan het in artikel 49 van het Handvest neergelegde legaliteitsbeginsel ter zake van strafbare feiten en straffen. 10.
- Wat de verenigbaarheid van artikel 2 van het bestreden besluit met het legaliteitsbeginsel betreft, valt op te merken dat het bestreden koninklijk besluit voor wat de strafbaarstelling betreft, terecht verwijst naar artikel 8, leden 6 en 8, van verordening (EG) nr. 561/2006, juncto de bepalingen van de wet van 18 februari 1969 ‘betreffende de maatregelen ter uitvoering van de internationale verdragen en akten inzake vervoer over zee, over de weg, de spoorweg of de waterweg’ (hierna: de wet van 18 februari 1969). De wet van 18 februari 1969 machtigt de Koning immers om alle vereiste maatregelen te nemen ter uitvoering van de verplichtingen die voortvloeien uit de internationale verdragen en uit de krachtens deze genomen internationale akten (artikel 1) en stelt de overtreding van de op grond daarvan genomen besluiten strafbaar (artikel 2). Daarnaast voorziet de wet ook in de mogelijkheid van onmiddellijke inning van een som, waardoor de strafvordering in beginsel vervalt (artikel 2bis). Tevens dient te worden gewezen op artikel 46 van het koninklijk besluit van 17 oktober 2016 ‘inzake de tachograaf en de rij- en rusttijden’, dat IX-8456-17/19 onder meer genomen is op grond van de wet van 18 februari 1969 en voorziet in de strafbaarstelling van inbreuken op verordening (EG) nr. 561/
- 10.
- Bij het beantwoorden van de tweede prejudiciële vraag heeft het Hof van Justitie eraan herinnerd dat het legaliteitsbeginsel volgens de rechtspraak van het Hof vereist dat Unieregelgeving een duidelijke omschrijving biedt van de strafbare feiten en de daarop gestelde straffen. Aan deze voorwaarde is voldaan wanneer de justitiabele uit de bewoordingen van de relevante bepaling, zo nodig met behulp van de uitlegging die de rechterlijke instanties daarvan hebben gegeven, kan opmaken voor welk handelen of nalaten hij strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld. In zijn arrest heeft het Hof van Justitie vastgesteld dat artikel 8, leden 6 en 8, van verordening nr. 561/2006 wel degelijk een verbod bevat om de normale wekelijkse rusttijden in het voertuig door te brengen. Voorts heeft het Grondwettelijk Hof onder meer in arrest nr. 37/2010 van 22 april 2010 waarnaar de verwerende partij verwijst, reeds overwogen dat, doordat een Europese verordening rechtstreeks toepasselijk is in de Belgische rechtsorde, ze eveneens krachtens artikel 34 van de Grondwet de op grond van het legaliteitsbeginsel vereiste elementen kan bevatten. Dit blijkt in casu het geval te zijn wat artikel 8, leden 6 en 8, van verordening (EG) nr. 561/2006 betreft. 10.
- In voormeld arrest oordeelde het Grondwettelijk Hof overigens ook reeds dat de artikelen 1 en 2 van de wet van 18 februari 1969, de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet niet schenden. Deze zaak had – net zoals de voorliggende zaak – betrekking op inbreuken op een verordening waarbij een koninklijk besluit bepaalde dat inbreuken op die verordening en dat koninklijk besluit werden bestraft overeenkomstig artikel 2 van de wet van 18 februari
- Ook in die zaak liet de verordening het over aan de lidstaten om de sancties te bepalen die bij overtreding kunnen worden toegepast. IX-8456-18/19 10.
- Aldus blijkt niet dat artikel 2 van het bestreden besluit het legaliteitsbeginsel schendt op de wijze zoals aangevoerd in het middelonderdeel.
- Het eerste onderdeel van het derde middel is dan ook niet gegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 7 februari 2019, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-8456-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.625 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.233.732 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div