← België

Arrest 243627 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 07/02/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 februari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.627 Rolnummer: A. 226409/X-17350 Zaak: Arrest 243627 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 07/02/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-02-14 Raadplegingen: 80 - laatst gezien 2026-06-25 05:11 Fiche Arrest nr 243.627 van 7 februari 2019 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Bevolen bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE Xe KAMER nr. 243.627 van 7 februari 2019 in de zaak A. 226.409/X-17.

  1. In zake :
  2. Julien DEJAEGHERE
  3. Alain DESCHEPPER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jo Blockeel kantoor houdend te 9300 Aalst Leo de Béthunelaan 46 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de PROVINCIE WEST-VLAANDEREN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46/1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
  4. De vordering, ingesteld op 12 oktober 2018, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van 21 juni 2018 van de provincieraad van de provincie West-Vlaanderen, houdende de definitieve vaststelling van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan “afbakening kleinstedelijk gebied Waregem-herziening (Waregem, Anzegem, Wielsbeke)”, “wat meer bepaald het deelRUP Zuidelijk Regionaal Bedrijventerrein betreft”. II. Verloop van de rechtspleging
  5. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een verslag opgesteld. X-17.350-1/15 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 januari
  6. Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Jo Blockeel, die verschijnt voor verzoekers, en advocaat Samuel Mens, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  7. III. Feiten 3.
  8. Met een besluit van 28 juni 2012 stelt de provincieraad van de provincie West-Vlaanderen het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan voor de afbakening van het kleinstedelijk gebied Waregem vast. Op 16 oktober 2012 keurt de bevoegde Vlaamse minister het voormelde plan goed. Het omvat de vijf deelplannen Afbakeningslijn, Blauwpoort, Zuidelijk regionaal bedrijventerrein, Regenboogstadion en Europoint. Het deelplan Zuidelijk regionaal bedrijventerrein situeert zich ten zuiden van het stadscentrum van Waregem, aan de overzijde van de E17- autosnelweg. 3.
  9. Wat het deelplan Blauwpoort betreft, wordt het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan op vraag van een aantal omwonenden bij ‟s Raads arrest nr. 224.313 van 9 juli 2013 geschorst en bij ‟s Raads arrest nr. 230.151 van 10 februari 2015 vernietigd. X-17.350-2/15 3.
  10. Omdat het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan werd voorafgegaan door een planmilieueffectrapport (hierna: plan-MER) dat is opgemaakt overeenkomstig het ongrondwettig bevonden “integratiespoor”, beslist de provincie West-Vlaanderen om de procedure tot opmaak van een plan- MER te hernemen overeenkomstig het “generieke spoor”. 3.
  11. De publieke consultatie over het plan-MER levert geen bezwaren op en de dienst Milieueffectrapportage (hierna: de dienst Mer) van de Vlaamse overheid keurt het plan-MER op 21 december 2015 goed. 3.
  12. Op 23 februari 2017 vindt een eerste plenaire vergadering over het nieuwe voorontwerp van provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan voor de afbakening van het kleinstedelijk gebied Waregem plaats. Naar aanleiding daarvan wordt beslist om het deelplan Europoint niet langer te handhaven. 3.
  13. Op 25 januari 2018 stelt de provincieraad van de provincie West-Vlaanderen het ontwerp van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan voorlopig vast. 3.
  14. Gedurende het openbaar onderzoek over het ontwerpplan worden 113 bezwaarschriften ingediend. 3.
  15. De provinciale commissie voor ruimtelijke ordening van de provincie West-Vlaanderen (hierna: de Procoro) verleent op 17 mei 2018 een advies over het ontwerpplan. 3.
  16. Met een besluit van 21 juni 2018 stelt de provincieraad van de provincie West-Vlaanderen het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan “afbakening kleinstedelijk gebied Waregem-herziening (Waregem, Anzegem, Wielsbeke)” (hierna: het PRUP) definitief vast. X-17.350-3/15 Het PRUP omvat de volgende vier deelplannen: Afbakeningslijn, Zuidelijk regionaal bedrijventerrein, Blauwpoort en Regenboogstadion. 3.
  17. De eerste verzoeker is eigenaar van een woning, gelegen aan de Schaagstraat 94 te Anzegem. De tweede verzoeker is eigenaar en bewoner van een woning, gelegen aan de Schaagstraat 90 te Anzegem. Deze percelen situeren zich volgens het bij koninklijk besluit van 4 november 1977 vastgestelde gewestplan Kortrijk in een strook woongebied met landelijk karakter, dat achteraan aan agrarisch gebied grenst. Dit laatste gebied paalt verder aan een industriegebied, ter plaatse bekend als de bedrijvenzone “Vijverdam”. 3.
  18. Het deelplan Zuidelijk regionaal bedrijventerrein van het PRUP (hierna: het bestreden deel-PRUP) wijzigt de gewestplanbestemming industriegebied grotendeels in de bestemming gemengd regionaal bedrijventerrein. Het voorziet ook in de uitbreiding van het bedrijventerrein, waarbij het achter verzoekers‟ percelen gelegen agrarisch gebied in gemengd regionaal bedrijventerrein wordt gewijzigd. Ingevolge het bestreden deel-PRUP grenzen de beide percelen meer bepaald aan een 25 meter brede strook voor groenbuffer met daarachter gemengd regionaal bedrijventerrein, dat voorheen agrarisch gebied was. 3.
  19. Verzoekers maken er nog melding van dat de nv TAVAS, eigenaar van het grootste deel van de gronden achter hun percelen, op 15 maart 2018 van de deputatie van de provincieraad van de provincie West-Vlaanderen een omgevingsvergunning verkreeg om de loop van de Mannebeek te verleggen tot vlak achter de woonpercelen van verzoekers‟ percelen en om een aantal bomen te rooien ten behoeve van het bouwen van kantoorgebouwen en een magazijn. Nadat verzoekers tegen deze vergunning een bestuurlijk beroep bij de bevoegde Vlaamse minister hebben ingediend, heeft de nv TAVAS afstand van de vergunning gedaan en heeft de bevoegde Vlaamse minister op 5 september 2018 het bestuurlijk beroep zonder voorwerp verklaard en de vergunning opgeheven. X-17.350-4/15 3.
  20. Met een schrijven van 29 november 2018 informeren de verzoekers de Raad van State er bijkomend over dat de nv TAVAS bij de deputatie van de provincieraad van de provincie West-Vlaanderen een nieuwe omgevingsvergunningsaanvraag heeft ingediend, ditmaal niet enkel om de Mannebeek te verleggen en bomen te rooien, maar ook om op de percelen kantoorgebouwen en een werkplaats/magazijn op te richten en de Brabantstraat te verbreden. Verzoekers maken er ook melding van dat de nv TAVAS eind augustus/begin september 2018 op de gronden achter hun percelen zonder vergunning grondverzetwerken heeft uitgevoerd, die op hun klacht door de politiediensten werden stilgelegd. IV. Rechtspleging
  21. Op vraag van het auditoraat werden de stad Waregem, de gemeente Anzegem en de nv TAVAS door de griffie van de Raad van State aangeschreven om eventueel in het geding tussen te komen. Geen van hen diende evenwel een verzoekschrift tot tussenkomst in. V. Schorsingsvoorwaarden
  22. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. VI. Ernst van het eerste en tweede onderdeel van het eerste middel Standpunt van de partijen 6.
  23. De verzoekers voeren in een eerste middel de schending aan van de artikelen 3, 8, §§ 1, 2, tweede lid, en 4, van het decreet van 18 juli 2003 X-17.350-5/15 „betreffende het integraal waterbeleid‟ (hierna: het DIWB), van de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheids-, rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel en “de verplichting tot zorgvuldige feitenvinding”. 6.1.
  24. In een eerste middelonderdeel wijzen verzoekers erop dat de watertoets de verwerende partij ertoe verplichtte “de waterproblematiek te onderzoeken op basis van alle informatie waarover zij op het tijdstip voorafgaand aan de definitieve beslissing beschikte”. Zij betogen dat de verwerende partij erover werd ingelicht dat er een belangrijke waterproblematiek in het gebied ter hoogte van de Mannebeek bestaat, met onder meer een overstroming op 11 maart 2018 die precedenten kende in 1999, 2000, 2004 en
  25. Verzoekers menen dat “een aanvulling/update van het plan-MER” zich opdrong om te voldoen aan de watertoetsverplichting van artikel 8 DIWB. Verzoekers verwijzen in dit verband naar een advies dat de provinciale dienst Waterlopen van 19 april 2018 waarin onder verwijzing naar de recente overstromingsproblemen onder meer wordt gesteld dat “het ontwikkelen van bedrijven op huidige maaiveldpeilen [...] een risico op effectieve problemen van wateroverlast” inhoudt en waarbij de vraag wordt gesteld of het niet mogelijk is om “opwaarts de Brabantstraat een zone bestemd voor de realisatie van een Gecontroleerd Overstromingsgebied” aan te duiden. Daarop heeft de verwerende partij geantwoord dat een uitbreiding van de contouren van het PRUP niet meer mogelijk is, dat oplossingen voor de waterproblematiek niet noodzakelijk collectief moeten zijn, dat de nieuwe informatie aan de watertoets zal worden toegevoegd, dat ophogingen gecompenseerd moeten worden en dat er “mogelijkheden [bestaan] om overstromingsvrij te bouwen zoals bouwen op palen”. Verzoekers menen dat de waterproblematiek aldus naar de vergunningverlenende overheid wordt doorgeschoven. Zij merken op dat de stedenbouwkundige voorschriften van het PRUP er weliswaar in voorzien dat de opvang van hemelwater “zoveel mogelijk collectief [moet] aangelegd worden”, maar dat dit slechts wordt “toegelaten”, wat geen enkele garantie biedt. X-17.350-6/15 Verder verwijzen verzoekers naar het advies van de Procoro, waarin met eenparigheid wordt gesteld “dat er een planologische oplossing nodig is om deze waterproblematiek collectief aan te pakken en om verdere randvoorwaarden op te nemen in het RUP”. Dit advies had de verwerende partij er volgens verzoekers moeten toe brengen zich de vraag te stellen of de uitbreiding van de bedrijvenzone op de gegeven locatie “überhaupt wel aanvaardbaar was en zoja, op welke wijze zij op rechtszekere wijze de schadelijke effecten van het voorgenomen plan had kunnen inperken”. Verzoekers wijzen erop dat de ministeriële omzendbrief LNE/2015/2 van 19 mei 2015 aangeeft dat “in effectief overstromingsgevoelig gebied moet vermeden worden dat nieuwe harde bestemmingen vastgelegd worden in ruimtelijke uitvoeringsplannen”. Ook stellen zij dat de overstromingsgevoeligheid van het gebied inmiddels werd bevestigd op de meest recente “VLAGG-kaarten” die “ter beschikking staan van de bevoegde overheden”. 6.1.
  26. In een tweede middelonderdeel voeren verzoekers aan dat de verwerende partij in het licht van de nieuwe gegevens inzake de watergevoeligheid van het gebied tot “een volledige heroverweging” van het planinitiatief had moeten overgaan. Minstens diende voorzien te worden in “een rechtszekere oplossing” voor de “onderkende problematiek”. Het louter voorzien in de “mogelijkheid” van een collectieve oplossing biedt geen adequaat antwoord. Verzoekers achten het in strijd met de vereiste rechtszekerheid om de oplossing naar “de fase van de vergunningverlening” door te schuiven. 6.2.
  27. De verwerende partij repliceert in haar nota, wat het eerste middelonderdeel betreft, dat de bijkomende informatie inzake de overstromingsgevoeligheid van de terreinen wel degelijk is opgenomen in de toelichtende nota bij het PRUP. Zij acht het “manifest incorrect” te stellen dat aan deze bijkomende informatie “geen consequenties zouden zijn verleend”. Het gaat volgens haar ook niet om een nieuwe “harde” bestemming aangezien de grond ook door het vorige PRUP tot regionaal bedrijventerrein was bestemd. Zij meent dat het “de waarheid oneer [zou] aandoen” te stellen dat de adviezen met betrekking tot de overstromingsgevoeligheid van het gebied zijn genegeerd, en X-17.350-7/15 meent dat de stedenbouwkundige voorschriften “zeker na bijsturing” “voldoende garanties bieden om geen bijkomende negatieve effecten op de waterhuishouding te veroorzaken”. Verweerster stelt verder dat zij “net alles in het werk [heeft] gesteld om, in overleg en in samenwerking met relevante partners, hier nog in tussen te komen en extra voorwaarden op te leggen” en dat “de watertoets [werd] bijgewerkt met het voortschrijdend inzicht en net vanuit het advies van de Dienst Waterlopen”. De stedenbouwkundige voorschriften van het PRUP bieden volgens de verwerende partij “voldoende en rechtszekere garanties” “om de eventuele waterproblematiek afdoende in te dijken”. De watertoets met de aanvullende maatregelen heeft “haar functie als belangrijk preventief instrument vervuld”. 6.2.
  28. Inzake het tweede middelonderdeel meent de verwerende partij dat rekening moet gehouden worden met de omstandigheid “dat het onbebouwde gedeelte van de zone Vijverdam voornamelijk in private eigendom van één speler […] is wat een collectieve aanpak van de eventuele waterproblematiek niet evident maakt” en dat daarom in de voorschriften werd ingeschreven dat ook individuele initiatieven qua waterbeheersing mogelijk zijn. Zij meent dat “in de mate waarin de Dienst Waterlopen een Gecontroleerd Overstromingsgebied buiten het plan vroeg [...] een uitbreiding van de contouren van het plan niet meer aan de orde” was en “ruimtelijk niet wenselijk [werd] geacht”. De verwerende partij stelt dat het “inherent aan het getrapte ruimtelijke ordeningssysteem” is om eerst een plan op te maken “waarmee de algemene lijnen worden uitgetekend waarna vervolgens op projectniveau door middel van de toekenning van vergunningen de concrete inrichting nadere uitwerking krijgt”. De bedrijven moeten krachtens de voorschriften van het PRUP “hoe dan ook instaan voor hun eigen watercaptatie” en moeten ophogingen compenseren met afgravingen om het waterbergend vermogen van het terrein te behouden. Beoordeling 7.
  29. Het toentertijd geldende artikel 8, § 1, DIWB luidt: “De overheid die moet beslissen over een vergunning, plan of programma als vermeld in § 5), draagt er zorg voor, door het weigeren van X-17.350-8/15 de vergunning of door goedkeuring te weigeren aan het plan of programma dan wel door het opleggen van gepaste voorwaarden of aanpassingen aan het plan of programma, dat geen schadelijk effect ontstaat of zoveel mogelijk wordt beperkt en, indien dit niet mogelijk is, dat het schadelijk effect wordt hersteld of, in de gevallen van de vermindering van de infiltratie van hemelwater of de vermindering van ruimte voor het watersysteem, gecompenseerd. Wanneer een vergunningsplichtige activiteit, een plan of programma, afzonderlijk of in combinatie met een of meerdere bestaande vergunde activiteiten, plannen of programma‟s, een schadelijk effect veroorzaakt op de kwantitatieve toestand van het grondwater dat niet door het opleggen van gepaste voorwaarden of aanpassingen aan het plan of programma kan worden voorkomen, kan die vergunning slechts worden gegeven of kan dat plan of programma slechts worden goedgekeurd omwille van dwingende redenen van groot maatschappelijk belang. In dat geval legt de overheid gepaste voorwaarden op om het schadelijke effect zoveel mogelijk te beperken, of indien dit niet mogelijk is, te herstellen of te compenseren. [...].” 7.
  30. Uit de geciteerde bepaling volgt dat de overheid, in het kader van de watertoets, behoort te onderzoeken of (onder meer) een voorgenomen ruimtelijk uitvoeringsplan een “schadelijk effect” veroorzaakt, daaronder verstaan zijnde – gelet op het toenmalige artikel 3, § 2, 17°, DIWB – “ieder betekenisvol nadelig effect op het milieu dat voortvloeit uit een verandering van de toestand van watersystemen of bestanddelen ervan die wordt teweeggebracht door een menselijke activiteit; die effecten omvatten mede effecten op de gezondheid van de mens en de veiligheid van de vergunde of vergund geachte gebouwen en infrastructuur, gelegen buiten afgebakende overstromingsgebieden, op het duurzaam gebruik van water door de mens, op de fauna, de flora, de bodem, de lucht, het water, het klimaat, het landschap en het onroerend erfgoed, alsmede de samenhang tussen een of meer van deze elementen”. Dit onderzoek moet de overheid in staat stellen om met kennis van zaken een beslissing te nemen over de vaststelling of goedkeuring van het ruimtelijk uitvoeringsplan en om er daarbij voor te zorgen dat door de beoogde ordening geen schadelijk effect ontstaat, minstens dat dit schadelijk effect zoveel mogelijk wordt beperkt, hersteld of gecompenseerd. X-17.350-9/15 In dat verband blijft de Raad van State van oordeel dat, zoals hij onder meer in het arrest Van Bogaert en anderen, nr. 229.438 van 2 december 2014, aannam, de betrokken watertoets als een belangrijk preventief instrument fungeert. De plannende overheid mag er dan ook niet mee volstaan haar verantwoordelijkheid ter zake door te schuiven naar de vergunningverlenende overheid. 7.
  31. Wat de watergevoeligheid van het deelgebied achter verzoekers‟ percelen betreft, dient vastgesteld dat het plan-MER aan dit deelgebied (“Vijverdam”) in de kolom “Overstromingsgevoeligheid” de kwalificatie “Niet” geeft. Verder in het plan-MER wordt gesteld dat de onderzochte deelgebieden “niet gelegen [zijn] in een effectief of mogelijk overstromingsgevoelig gebied, behalve zoekzone D‟Hooie [...]” waar “vanwege de belangrijke bufferfunctie [...] wordt voorgesteld om deze zoekzone niet in te vullen met bedrijvigheid”. 7.
  32. Tijdens het openbaar onderzoek over het ontwerp-PRUP verstrekt de gemeenteraad van Anzegem op 29 maart 2018 een ongunstig advies, blijkens het verslag van de Procoro onder meer omwille van “[d]e recente bevestiging van de overstromingsgevoeligheid van de percelen rond de Manebeek”. Aansluitend wijst de dienst Waterlopen van de provincie West- Vlaanderen blijkens datzelfde verslag in haar advies van 9 april 2018 op de overstroming op 11 maart
  33. Zij stelt vast dat het ontwerp-PRUP in een bestemming “als gemengd regionaal bedrijventerrein” voorziet en derhalve in “een toename aan verharde oppervlakken en een inname van het waterbergend vermogen van de betrokken valleigebieden”, en vraagt om rekening houdende met het gebeurde op 11 maart 2018 in het bestreden deel-PRUP “alsnog opwaarts de Brabantstraat een zone bestemd voor de realisatie van een gecontroleerd overstromingsgebied aan te duiden”. Zij voegt eraan toe dat “[h]et ontwikkelen van bedrijven op huidige maaiveldpeilen [...] immers een risico op effectieve problemen van wateroverlast in[houdt]” en dat “bijkomend” “de opdracht [om] X-17.350-10/15 overstromingsvrij te bouwen niet [kan] volbracht worden zonder dat elke ophoging van het terrein wordt gecompenseerd, met minstens een evenredig volume, en dit op eigen terrein”. In antwoord op de voormelde adviezen stelt de Procoro “dat er een planologische oplossing nodig is om deze waterproblematiek collectief aan te pakken en om verdere randvoorwaarden op te nemen in het RUP”. 7.
  34. Met verzoekers moet prima facie worden vastgesteld dat de door de provinciale dienst Waterlopen geopperde “planologische oplossing” om “opwaarts de Brabantstraat een zone bestemd voor de realisatie van een Gecontroleerd Overstromingsgebied” te voorzien omdat “het ontwikkelen van bedrijven op huidige maaiveldpeilen [...] immers een risico op effectieve problemen van wateroverlast in[houdt]”, geen doorvertaling heeft gekregen in de stedenbouwkundige voorschriften van het PRUP, ofschoon ook de Procoro een planologische oplossing voor de waterproblematiek voorstond. 7.
  35. Die oplossing is op het eerste gezicht niet te vinden in de door de verwerende partij aangehaalde artikelen 0.2 en 0.4 van de stedenbouwkundige voorschriften van het bestreden deel-PRUP. De definitieve versie van artikel 0.2 van het deel-PRUP lijkt ter zake prima facie niets toe te voegen. In de definitieve versie van artikel 0.4 wordt alleen toegevoegd dat de “structuurkwaliteiten van de Maalbeek en Mannebeek moeten versterkt worden”, wat “niet [impliceert] dat deze waterlopen niet kunnen verlegd worden”, alsook dat “[d]e oevers dienen ecologisch ingericht te worden”. Artikel 1.13 van de stedenbouwkundige voorschriften van het bestreden deel-RUP bepaalt voor de bestemmingszone gemengd regionaal bedrijventerrein dan weer dat “[d]e opvang van het hemelwater [...] zoveel mogelijk collectief [dient] aangelegd [te] worden”, en gaat op het eerste gezicht evenmin in op de in de adviezen van de dienst Waterlopen en de Procoro gevraagde planologische oplossing. X-17.350-11/15 7.
  36. De verwerende partij vermocht op het eerste gezicht niet aan de vraag van de provinciale dienst Waterlopen en de Procoro naar een planologische oplossing voor de watergevoeligheid van het kwestieuze deelgebied – problematiek waarop eerder ook de gemeente Anzegem in haar ongunstig advies had gewezen – voorbij te gaan. Door dit toch te doen, schendt zij prima facie het zorgvuldigheidsbeginsel en artikel 8 DIWB. 7.
  37. Dat “een uitbreiding van de contouren van het plan niet meer aan de orde” was, en zelfs “ruimtelijk niet wenselijk [werd] geacht”, zoals de verwerende partij aanvoert, vormt prima facie geen toereikend motief om aan de voormelde adviezen voorbij te gaan. Hetzelfde geldt op het eerste gezicht voor de door de verwerende partij in haar nota opgeworpen omstandigheid “dat het onbebouwde gedeelte van de zone Vijverdam voornamelijk in private eigendom van één speler […] is wat een collectieve aanpak van de eventuele waterproblematiek niet evident maakt”. 7.
  38. Gelet op wat voorafgaat, is het prima facie-besluit dat het eerste en het tweede middelonderdeel in hun samenhang gelezen ernstig zijn, in zoverre de schending van artikel 8 DIWB en van het zorgvuldigheidsbeginsel wordt aangevoerd. VII. Spoedeisendheid Standpunt van de partijen 8.1.
  39. De verzoekers doen, wat de spoedeisendheid van hun vordering betreft, gelden dat de eigenaar/gebruiker van de kwestieuze terreinen de spoedige ontwikkeling ervan nastreeft. Dit blijkt volgens hen uit een eerdere aanvraag en vergunning om de loop van de Mannebeek te verleggen en bomen te rooien. Zij betogen dat aldus het agrarisch gebied zal worden omgevormd tot een gemengd regionaal bedrijventerrein en dat de loop van de Mannebeek zal worden verlegd tot “in de groenbuffer die paalt aan [hun] terreinen”. Verzoekers stellen dat “hun woonkavels momenteel uitkijken op een relatief open agrarisch gebied”, dat zij X-17.350-12/15 dit zicht zullen verliezen en dat zij dreigen te worden geconfronteerd “met een zeer belangrijk risico op [...] overstroming [...] én met een sterk aangetaste groenbuffer”. 8.1.
  40. Verzoekers wijzen de Raad van State er in een schrijven van 29 november 2018 (zie randnummer 4.14) bijkomend op dat de nv TAVAS inmiddels bij de deputatie van de provincie West-Vlaanderen een nieuwe omgevingsvergunningsaanvraag heeft ingediend, ditmaal niet enkel om de Mannebeek te verleggen en bomen te rooien, maar ook om op de percelen kantoorgebouwen en een werkplaats/magazijn op te richten en de Brabantstraat te verbreden. 8.
  41. De verwerende partij repliceert in haar nota dat de beweerde urgentie “in tegenspraak [is] met wat eerst nog allemaal moet gebeuren, voor zover het al zou gebeuren”. Zij stelt dat er nog geen aanvragen of vergunningen zijn om het bestreden PRUP op het terrein uit te voeren en dat ook de vergunningen aangevochten kunnen worden. De verwerende partij betoogt dat aan het bestreden PRUP een in 2012 goedgekeurd PRUP voorafgaat dat de door verzoekers gevreesde werken eveneens toelaat. In dit verband blijft het haar “bevreemden dat de verzoekende partijen menen te mogen blijven terugvallen op het Gewestplan en de beweerde agrarische bestemming”. Zij meent dat “niet kan worden ingezien wat thans onder de gelding van het nieuwe PRUP spoedeisender zou zijn dan voorheen” en stelt dat het moeten afwachten van het resultaat van een vernietigingsprocedure “het onvermijdelijke lot van elke beroepsindiener” is. Verweerster wijst er ook op dat de verzoekers voor het indienen van het schorsingsverzoek “quasi de ganse beroepstermijn” hebben benut. Beoordeling 9.
  42. Het komt er voor een verzoeker die beweert dat de zaak te spoedeisend is om de uitkomst van het annulatieberoep te kunnen afwachten op aan om van die urgentie te overtuigen aan de hand van de concrete feiten die hij in zijn verzoekschrift aanvoert. Dit houdt in dat het aan verzoeker toekomt aan de X-17.350-13/15 zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de nadelige gevolgen die een tenuitvoerlegging van het bestreden besluit voor hem persoonlijk veroorzaken. 9.
  43. Verzoekers maken aannemelijk dat de eigenaar/gebruiker van de terreinen achter hun percelen, de nv TAVAS, het gebied op korte termijn wenst in te richten en te bebouwen. De nv TAVAS heeft daartoe een omgevingsvergunning aangevraagd om de Mannebeek te verleggen en bomen te rooien, om in het kwestieuze gebied kantoorgebouwen en een werkplaats/magazijn op te richten en de Brabantstraat te verbreden. Volgens de aanvraag zou er in totaal 27.591 m² worden bebouwd, met onder meer een hoogstapelmagazijn van 19,34 meter hoog. Voorts worden verzoekers niet tegengesproken wanneer zij doen gelden dat de nv TAVAS in augustus/begin september 2018 in het kwestieuze gebied zonder vergunning grondverzetwerken hebben uitgevoerd, die op verzoekers‟ klacht door de politiediensten werden stilgelegd (zie randnummer 3.13). 9.
  44. Alvast de tweede verzoeker doet van de vereiste spoedeisendheid bij de schorsingsvordering blijken, nu hij het risico loopt in de onmiddellijke toekomst vanuit zijn woning rechtstreeks op een bijna 20 meter hoog hoogstapelmagazijn te zullen moeten uitkijken. 9.
  45. Prima facie biedt wel degelijk het bestreden deel-PRUP en niet het in 2012 goedgekeurde PRUP voor deze laatste ontwikkeling de vereiste rechtmatige grondslag. Zoals in de toelichtende nota (pg. 9) bij het bestreden PRUP wordt aangegeven, werd immers beslist om de procedures tot opmaak van het plan-MER en het PRUP “te hernemen volgens het generieke spoor” omdat het in 2012 goedgekeurde PRUP op een plan-MER steunde dat op het door het Grondwettelijk Hof onwettig bevonden “integratiespoor” was gebaseerd. X-17.350-14/15 VIII. Besluit
  46. Uit wat voorafgaat volgt dat voldaan is aan de twee cumulatieve voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State om de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit te bevelen. BESLISSING
  47. De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van 21 juni 2018 van de provincieraad van de provincie West- Vlaanderen, houdende de definitieve vaststelling van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan “afbakening kleinstedelijk gebied Waregem- herziening (Waregem, Anzegem, Wielsbeke)”, in zoverre dit het deelplan zuidelijk regionaal bedrijventerrein betreft.
  48. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het geschorste besluit. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeven februari 2019, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Stephan De Taeye, wnd. kamervoorzitter, staatsraad bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Stephan De Taeye X-17.350-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.627 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.170 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.