← België

Arrest 243678 - Kerkfabrieken - 12/02/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 februari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.678 Rolnummer: A. 224327/X-17126 Zaak: Arrest 243678 - Kerkfabrieken - 12/02/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-02-14 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-25 05:39 Fiche Arrest nr 243.678 van 12 februari 2019 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Kerkfabrieken Beslissing : Afstand Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE Xe KAMER nr. 243.678 van 12 februari 2019 in de zaak A. 224.327 /X-17.

  1. In zake:
  2. Jacques MATTHYS
  3. Marc HUYS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dominique Matthys kantoor houdend te 9000 Gent Congreslaan 6 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de KERKFABRIEK HEILIG KRUIS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Philippe Leroy kantoor houdend te 9000 Gent Coupure 5 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  4. Het beroep, ingesteld op 24 januari 2018, strekt tot de nietigverklaring van : “a. de beslissing van de Kerkfabriek Heilig Kruis te Sint-Amandsberg van 20 november 2017 waarbij zij toestemming heeft verleend aan de Bisschop van Gent tot onttrekking van de Heilig Kruiskerk te 9040 Gent, Sint-Amandsberg, aan de eredienst b. de beslissing waarbij voornoemde Kerkfabriek op dezelfde datum van 20 november 2017 […] het verkoopreglement d.d. 14 november 2017 heeft goedgekeurd, dat voorziet in de openbare verkoop van het kerkgebouw. c. […] alle handelingen die het gevolg zijn van wat wordt vermeld onder de punten a en b.” X-17.126- 1/8 II. Verloop van de rechtspleging
  5. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekers hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Bij arrest nr. 242.215 van 13 augustus 2018 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de bestreden beslissingen verworpen. Het genoemde arrest is op 22 augustus 2018 aan verzoekers ter kennis gebracht. Op 15 oktober 2018 heeft de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, aan verzoekers de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 11/3, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Verzoekers hebben gevraagd om te worden gehoord. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 30 november 2018, zitting waarop de zaak is uitgesteld naar de zitting die heeft plaatsgevonden op 7 november
  6. Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Advocaat Dominique Matthys, die verschijnt voor verzoekers, en advocaten Christiaan Beyaert en Jonas Devolder, die loco advocaat Philippe Leroy verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. X-17.126- 2/8 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  7. III. Relevante voorgaanden
  8. Samen met hun beroep tot nietigverklaring stelden verzoekers tegen de bestreden beslissingen een (eerste) vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid (UDN) in. Die vordering werd bij arrest nr. 240.677 van 6 februari 2018 verworpen, bij gebrek aan het voorhanden zijn van een uiterst dringende noodzakelijkheid. Onder meer werd in aanmerking genomen dat het decreet van de bisschop van Gent van 1 december 2017 om de altaren van de Heilig Kruiskerk met toepassing van het wetboek van canoniek recht aan de eredienst te ontrekken, op 30 januari 2018 door de bisschop werd opgeschort tot de Congregatie voor de Clerus uitspraak deed over het hiërarchisch beroep van verzoekers. Verzoekers dienden daarop een verzoek tot voortzetting van het geding in. Nadat de Congregatie voor de Clerus op 20 juli 2018 voormeld hiërarchisch beroep van verzoekers verwierp, dienen zij op 8 augustus 2018 tegen de eerste twee bestreden beslissingen een tweede vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in. Ook die vordering werd, bij arrest nr. 242.215 van 13 augustus 2018, verworpen wegens afwezigheid van een uiterst dringende noodzakelijkheid. Immers schortte de bisschop op 10 augustus 2018 opnieuw de uitvoering van het bisschoppelijk onttrekkingsdecreet van 1 december 2017 op, nu “zolang de Raad van State zich niet ten gronde heeft uitgesproken over de aangevochten beslissingen van de kerkfabriek”. Dit keer verzuimden verzoekers een verzoek tot voortzetting van het geding in te dienen, naar zij ter terechtzitting verklaren ten gevolge van een misverstand/verwarring. X-17.126- 3/8 IV. Vermoeden van afstand
  9. Artikel 17, § 7, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt: “Ten aanzien van de verzoekende partij geldt een vermoeden van afstand van geding indien de verzoekende partij, nadat de vordering tot schorsing van een akte of een reglement of de vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen afgewezen is, geen verzoek tot voortzetting van de procedure indient binnen een termijn van dertig dagen te rekenen van de kennisgeving van het arrest.” Zoals het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 88/98 van 15 juli 1998 aangeeft, voorziet de bepaling, ingeval geen tijdig verzoek tot voortzetting van de rechtspleging wordt ingediend, in een onweerlegbaar vermoeden van afstand van geding. De bepaling, die beoogt de duur van de rechtspleging in te korten en de verzoekende partij ertoe aan te zetten de procedure niet onnodig te rekken door haar te verplichten na afloop van een procedure tot schorsing na te gaan of het wenselijk is dat de procedure tot nietigverklaring wordt voortgezet, beoogt volgens het Grondwettelijk Hof een wettig doel. Ook wordt de maatregel pertinent geacht om de nagestreefde doelstelling te bereiken en niet kennelijk onevenredig ten aanzien van die doelstelling.
  10. Verzoekers hebben na de afwijzing van hun vordering tot schorsing door het arrest van de Raad van State nr. 242.215 van 13 augustus 2018 geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. Niettemin vragen zij geen toepassing te maken van het voormelde onweerlegbaar vermoeden van afstand van geding. Zij verklaren hun “ongewilde nalatigheid” in de eerste plaats door de niet alledaagse situatie waarmee zij zich beweerdelijk geconfronteerd zagen. Voorts argumenteren zij: - dat de tweede UDN-procedure mutatis mutandis hetzelfde doel beoogde als de eerste, maar “slechts het gevolg [was] van de beslissing van de bisschop die ertoe leidde dat de eerste procedure UDN diende te worden verworpen”, en dat de X-17.126- 4/8 tweede UDN-procedure net als de eerste verworpen is geworden ten gevolge van een beslissing van de verwerende partij; - dat de rechtsleer, “met steun in de voorbereidende werken van de Senaat”, leert dat de sanctie van de afstand van geding moet worden gekoppeld aan het vermoeden dat het stilzitten van de verzoekende partij tot uiting brengt dat zij zich heeft neergelegd bij de aanwijzingen die het arrest over de schorsingsvordering kan bevatten omtrent de vermoedelijk afloop van het bodemgeschil, terwijl een en ander in de zaak van verzoekers niet van toepassing is; - dat hoe dan ook het verzoek tot voortzetting dat na het eerste UDN-arrest is ingediend “zijn volle uitwerking blijft behouden”; - dat het mandaat van de advocaat van verzoekers “niet uitdrukkelijk de toelating bevat om expliciet noch zelfs impliciet in te stemmen met de afstand van de gevoerde procedure”; - dat, gelet op de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens, de overdreven strikte toepassing van artikel 17, § 7, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State een onevenredige beperking teweegbrengt van het recht van verzoekers op toegang tot een rechter en van het recht om hun vraag tot nietigverklaring ten gronde beoordeeld te krijgen.
  11. Ten onrechte trachten verzoekers het doen voorkomen alsof de toedracht van de zaak extra gecompliceerd is en van aard om speciaal aanleiding te geven tot verwarring. Verzoekers wilden vermijden dat het bisschoppelijk onttrekkingsdecreet van 1 december 2017 werd uitgevoerd en dat de Heilig Kruiskerk werd verkocht alvorens de Raad van State zich over hun annulatieberoep zou uitspreken. Een eerste schorsingsvordering werd verworpen omdat de bisschop het onttrekkingsdecreet tijdelijk opschortte. Toen die tijdelijke opschorting ten einde kwam, dienden verzoekers een tweede vordering tot schorsing in. De bisschop schortte nu zijn onttrekkingsdecreet op totdat de Raad van State het annulatieberoep van verzoekers zou hebben berecht. Dat verzoekers met hun beide schorsingsvorderingen hetzelfde doel voor ogen hadden en dat hun vordering twee keer verworpen werd omdat de X-17.126- 5/8 bisschop hen met een opschortingsdecreet tegemoetkwam, zijn vaststellingen, geen verklaringen die een afdoende verantwoording inhouden voor hun verzuim om na de verwerping van hun tweede vordering tot schorsing een (nieuw) verzoek tot voortzetting van de rechtspleging in te dienen.
  12. De parlementaire voorbereiding waarnaar verzoekers verwijzen, is het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 88/98 van 15 juli 1998 (sub overweging 5) niet ontgaan. Dat heeft het Grondwettelijk Hof niet belet om aan te nemen dat de door verzoekers gewraakte maatregel van het onweerlegbaar wettelijk vermoeden van afstand beantwoordt aan een wettig doel, pertinent is in het licht van dit doel en niet kennelijk onevenredig ermee, hoe zwaar ook het gevolg van de niet-naleving van de termijn voor de verzoekende partij mag zijn. Het Hof bedacht daarbij dat zowel de termijn voor het indienen van het verzoek tot voortzetting als het gevolg dat verbonden is aan het verzuim om een verzoek tot voortzetting in te dienen, aan de verzoekende partij worden meegedeeld – zoals te dezen ook effectief het geval is geweest. Tevens hield het Hof er rekening mee dat het verzoek tot voortzetting geen onevenredige last meebrengt nu de inhoud ervan zich kan beperken tot de loutere bevestiging dat de verzoekende partij volhardt.
  13. Dat de procedure op vraag van verzoekers werd voortgezet na de verwerping van hun eerste vordering tot schorsing, staat er niet aan in de weg dat er voor de voortzetting van de procedure na de verwerping van hun tweede vordering tot schorsing een nieuw verzoek tot voortzetting van de rechtspleging vereist is, behoudens in het geval van overmacht of onoverwinnelijke dwaling, waarvan niet wordt betwist dat er te dezen geen sprake van is.
  14. Artikel 17, § 7, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vindt toepassing als de voorwaarden daartoe vervuld zijn, ongeacht het mandaat van de advocaat.
  15. Ten slotte deelt de Raad van State niet de mening van verzoekers dat de toepassing in voorliggend geval van het meer vermelde artikel 17, § 7, een X-17.126- 6/8 onevenredige beperking zou inhouden van hun recht op toegang tot een rechter en disproportioneel zou zijn ten aanzien van het recht om hun annulatieberoep ten gronde beoordeeld te krijgen. Alleszins was de beperking van het recht op toegang tot de rechter, waartoe de toepassing van de bepaling leidt, perfect voorzienbaar. Verzoekers zijn door de griffie van de Raad van State met een brief van 14 augustus 2018 uitdrukkelijk geattendeerd op het voorschrift en de gevolgen bij niet-naleving ervan. Zij moesten het vormvoorschrift overigens reeds naar aanleiding van de verwerping van hun eerste schorsingsvordering toepassen, en hebben dat toen ook gedaan. Het mag voor vaststaand worden gehouden dat de procedurele tekortkoming alleen is toe te schrijven aan verzoekers, of hun raadsman. Het ligt dan in de rede dat de ongunstige gevolgen van de fout die tijdens de procedure is begaan ten laste van verzoekers wordt gelegd. Het Europees Hof voor de rechten van de mens zegt het niet anders, zoals bijvoorbeeld blijkt uit diens arrest van 5 april 2018, Zubac tegen Kroatië, nr.
  16. Rekening houdend met het hiervoor sub randnummer 4 gememoreerde doel van het voorschrift van artikel 17, § 7, en met het feit dat het, om te verhinderen dat het wettelijke vermoeden toegepast wordt, volstaat dat binnen de gestelde termijn een procedurestuk wordt ingediend waarvan de inhoud niet meer hoeft te zijn dan een loutere bevestiging dat de verzoekende partij volhardt, kan er bezwaarlijk sprake zijn van een ongerechtvaardigd, excessief formalisme. De toepassing van het voorschrift en de beperking die deze toepassing stelt aan het recht van verzoekers op toegang tot de Raad van State zijn niet van aard dit recht in zijn kern aan te tasten en voor verzoekers een willekeurige barrière te vormen die hen belet hun zaak door de rechter beoordeeld te krijgen.
  17. Verzoekers kunnen er niet van overtuigen dat het vermoeden van afstand van het beroep tot nietigverklaring te dezen niet van toepassing is. X-17.126- 7/8 BESLISSING
  18. De Raad van State stelt de afstand van het beroep tot nietigverklaring vast.
  19. De Raad van State verwijst verzoekers, elk voor de helft, in de kosten van het beroep en de vorderingen tot schorsing, begroot op een rolrecht van 1280 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 980 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twaalf februari 2019, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust X-17.126- 8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.678 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.240.677 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.242.215 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.