← België

Arrest 243691 - Handelsvestigingen - 15/02/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 februari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.691 Rolnummer: A. 220468/X-16754 Zaak: Arrest 243691 - Handelsvestigingen - 15/02/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-02-19 Raadplegingen: 77 - laatst gezien 2026-06-25 05:55 Fiche Arrest nr 243.691 van 15 februari 2019 Economische zaken - Handelsvestigingen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 243.691 van 15 februari 2019 in de zaak A. 220.468/X-16.

  1. In zake : Luc ORYE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Andy Beelen kantoor houdend te 3740 Bilzen Grensstraat 4 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de STAD HASSELT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stefanie François en Jan Bouckaert kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de NV KANAALKOM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Els Empereur kantoor houdend te 2018 Antwerpen Generaal Lemanstraat 67 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  2. Het beroep, ingesteld op 11 oktober 2016, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de stad Hasselt van 11 augustus 2016, houdende het verlenen aan de nv Kanaalkom van een socio-economische vergunning “voor de inplanting van een handelscomplex in het Havenkwartier te Hasselt als onderdeel van de ontwikkeling van een nieuw stadsdeel ‘Blauwe Boulevard’ aan de Kanaalkom”. X-16.754-1/15 II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De nv Kanaalkom heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 14 december
  4. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een verslag opgesteld. Verzoeker, de verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 januari
  5. Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Verzoeker en advocaat Andy Beelen, die verschijnt voor verzoeker, advocaat Stefanie François, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Shavkat Egamberdiev, die loco advocaat Els Empereur verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. X-16.754-2/15 III. Feiten 3.
  7. De bestreden beslissing kadert in de invulling en vormgeving van het stadsontwikkelingsproject “Blauwe Boulevard” aan de kanaalkom aan de noordrand van het centrum van Hasselt. Het is de bedoeling om aan het gebied, dat sedert de teloorgang van de industrieel-economische activiteiten rond het water een desolate en verlaten aanblik bood, nieuwe impulsen en een nieuwe stedelijke dynamiek te geven. 3.
  8. Het wordt niet betwist dat de site volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 3 april 1979 vastgestelde gewestplan Hasselt-Genk in een gebied voor stedelijke ontwikkeling is gelegen. Tevens zijn de stedenbouwkundige voorschriften van het bij ministerieel besluit van 26 april 2005 goedgekeurde bijzonder plan van aanleg “Blauwe Boulevard” van de stad Hasselt van toepassing. 3.
  9. Op 30 juni 2014 dient de tussenkomende partij bij het college van burgemeester en schepenen van de stad Hasselt een aanvraag in tot het verkrijgen van een socio-economische machtiging voor de inplanting van een handelscomplex met een netto-handelsoppervlakte van 21.669 m², dat deel moet uitmaken van het stadsontwikkelingsproject “Blauwe Boulevard”. 3.
  10. Op 27 augustus 2014 stelt het nationaal sociaal-economisch comité voor de distributie (hierna: het NSECD) vast dat de wettelijke termijn om een advies te verstrekken, is verstreken. 3.
  11. De dienst Mobiliteit van de stad Hasselt verleent op 6 augustus 2014 een gunstig advies. De stedelijke dienst Economie verleent op 10 september 2014 een advies, waarvan de inhoud overwegend gunstig luidt. X-16.754-3/15 3.
  12. Met een besluit van 18 september 2014 verleent het college van burgemeester en schepenen van de stad Hasselt de gevraagde handelsvestigingsvergunning. 3.
  13. De verzoeker baat aan de Botermarkt 3 in het (winkel)centrum van Hasselt een zaak uit die gespecialiseerd is in de verkoop van sport- en vrijetijdsartikelen. Op zijn vraag vernietigt de Raad van State met zijn arrest nr. 235.392 van 7 juli 2016 het onder randnummer 3.6 vermelde besluit. 3.
  14. Met het bestreden besluit van 11 augustus 2016 verleent het college van burgemeester en schepenen van de stad Hasselt een nieuwe socio- economische vergunning aan de tussenkomende partij. 3.
  15. De tussenkomende partij beschikt inmiddels ook over een definitieve verkavelings- en stedenbouwkundige vergunning om het binnenstedelijk project “Havenkwartier” te realiseren. Deze vergunningen worden door het college van burgemeester en schepenen van de stad Hasselt met twee besluiten van 24 april 2014 verleend. Het bestuurlijk beroep van verzoeker tegen deze vergunningsbesluiten wordt op 4 september 2014 door de deputatie van de provincieraad van de provincie Limburg als onontvankelijk verworpen. Met twee arresten nrs. A/1617/0379 en A/1617/0380 van 6 december 2016 verwerpt de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: de RvVb) de annulatieberoepen die verzoeker tegen de beide deputatiebesluiten had aangetekend. De Raad van State verwerpt tenslotte met zijn arresten nrs. 239.942 en 239.943 van 23 november 2017 verzoekers cassatieberoepen tegen de voormelde arresten van de RvVb. IV. Ontvankelijkheid van het beroep De aangevoerde exceptie
  16. De tussenkomende partij werpt in haar memorie een ontvankelijkheidsexceptie wegens gebrek aan belang op. Zij meent dat verzoeker X-16.754-4/15 aan de hand van stukken dient aan te tonen dat er ook reëel sprake kan zijn van een commercieel nadeel. Zij verwijst in dit verband naar de onder randnummer 3.9 vermelde arresten van 6 december 2016 van de RvVb waarin het commercieel belang in hoofde van verzoeker niet werd aanvaard. Beoordeling 5.
  17. Een potentiële nadelige invloed op de markt- en concurrentiepositie van een verzoeker kan een voldoende en geldig belang vormen bij het bestrijden van een handelsvestigingsvergunning van een concurrent. 5.
  18. Verzoekers handelsvestiging bevindt zich aan de Botermarkt, in het stadscentrum van Hasselt, en betreft de verkoop van sport- en vrijetijdsartikelen. Het door de bestreden beslissing vergunde handelscomplex beweegt zich deels in hetzelfde verkoopssegment van de sport- en vrijetijdsartikelen. De kwestieuze projectsite is voorzien aan de rand van het actuele handelscentrum van Hasselt, op ongeveer 600 m wandelafstand van verzoekers vestiging. 5.
  19. De handelszaak van verzoeker en het door de bestreden beslissing vergunde handelsgeheel situeren zich duidelijk in elkaars commerciële invloedssfeer. Verzoeker toont aldus op voldoende wijze aan dat de bestreden beslissing een potentieel nadelige invloed heeft op zijn markt- en concurrentiepositie. 5.
  20. De omstandigheid dat de RvVb in de annulatieprocedures tegen de verkavelings- en de stedenbouwkundige vergunning voor het project het door verzoeker aangevoerde commercieel belang niet heeft aanvaard, doet niets anders besluiten. De voormelde vergunningen hebben een andere strekking dan de bestreden socio-economische vergunning. Zij kaderen in een wetgeving die een andere finaliteit heeft dan die inzake handelsvestigingen. X-16.754-5/15 5.
  21. De exceptie is ongegrond. V. Onderzoek van de middelen A. Tweede middel Standpunt van de partijen 6.
  22. De verzoeker roept in een tweede middel de schending in van “het kracht [lees: gezag] van gewijsde van het arrest nr. 235.392 d.d. 07.07.2016 van de Raad van State”, van de artikelen 6 en 7 van de wet van 13 augustus 2004 ‘betreffende de vergunning van handelsvestigingen’ (hierna: de handelsvestigingenwet), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: de formelemotiveringswet) en van “het zorgvuldigheidsbeginsel”. Hij zet uiteen dat de verwerende partij er bij het nemen van de bestreden beslissing kennelijk is van uitgegaan dat het NSECD en de aangrenzende gemeenten niet meer in de bestuurlijke procedure betrokken moesten worden. Volgens verzoeker bestond er geen “stilzwijgend gunstig advies” van dit comité en situeert de door de Raad van State in het meergenoemd arrest aangenomen onwettigheid zich in de tijd vóór deze te vervullen formaliteiten, met name bij het sluiten van het convenant. De verwerende partij moest de procedure volgens verzoeker dan ook volledig hernemen, “inclusief de toepassing van de artikelen 6 en 7” van de handelsvestigingenwet. Het opnieuw raadplegen van het NSECD drong zich ook vanuit het zorgvuldigheidsbeginsel op, aangezien “er sedert de indiening van de aanvraag in 2014 zelfs meer dan 2 jaren waren verstreken”. De verwerende partij opteerde er volgens verzoeker op onwettige wijze voor om de adviesverlening “en de andere informatieve bronnen” uit te schakelen en heeft zich “gehaast” om binnen “nauwelijks 3 weken” opnieuw de vergunning te verlenen. X-16.754-6/15 6.
  23. De verwerende partij repliceert dat uit artikel 8, § 2, van de handelsvestigingenwet volgt dat zij aan het adviesvereiste van het NSECD mag voorbijgaan als het advies niet tijdig wordt uitgebracht. Zij stelt dat het NSECD uitdrukkelijk heeft bevestigd geen advies over het dossier te verlenen, wat volgens haar als een stilzwijgend gunstig advies kon en mocht worden geïnterpreteerd. Het eventueel ten onrechte libelleren van de ontstane situatie als een stilzwijgend gunstig advies kan hoogstens een “materiële vergissing” zijn, die voor het overige “geen invloed [had] op de inhoudelijke beoordeling door de vergunningverlenende overheid en [...] bijgevolg niet de wettigheid van het bestreden besluit” tot gevolg heeft. De verwerende partij betoogt dat het college van burgemeester en schepenen zich bij het nemen van het bestreden besluit op generlei wijze op het stilzwijgend gunstig advies heeft gesteund en meent dat aan de door de Raad van State aangenomen vernietigingsmotieven is tegemoetgekomen door het handelsconvenant te ontbinden en de beslissing omstandiger te motiveren. Verzoeker overtuigt volgens haar niet, waar hij stelt “dat verwerende partij de vergunningsaanvraag reeds bij het indienen ervan zou onderwerpen aan enige inhoudelijke beoordeling”. Evenmin toont verzoeker aan dat het vragen van een nieuw advies zich door het tijdsverloop zou hebben opgedrongen. 6.
  24. De tussenkomende partij voegt er in haar memorie nog aan toe dat de Raad van State reeds in het arrest nr. 235.392 van 7 juli 2016 besliste dat het bestempelen van het advies van het NSECD als (stilzwijgend) “gunstig” niet van aard is geweest om het vergunningsbesluit te vitiëren, en dat de twee vernietigingsmotieven zich situeren “op het punt van de inhoudelijke beoordeling door het college van burgemeester en schepenen”. 6.
  25. In zijn memorie van wederantwoord stelt verzoeker dat de vraag “op welk ogenblik de procedure is ontspoord” “elementair” is. Volgens hem is dat vanaf het sluiten van het convenant, nu de verwerende partij vanaf dan “haar onpartijdigheid verloor”. Hij wijst erop dat de tussenkomende partij in haar aanvraag meermaals naar dat convenant heeft verwezen en dat de verwerende partij “opzettelijk” de volledige procedure niet heeft willen hernemen. X-16.754-7/15 6.
  26. In zijn laatste memorie herhaalt verzoeker dat de partijdigheid van de verwerende partij zich situeert “bij de ondertekening van het convenant op 03.07.2014”, die de “ondertekening van het convenant […] vooraf [ging]”. Hij wijst erop dat met het meervermelde arrest van de Raad van State wordt aangenomen dat de verwerende partij zich in de convenant engageerde om het NSECD te beïnvloeden ten gunste van de tussenkomende partij. 6.
  27. De tussenkomende partij doet in haar laatste memorie nog gelden dat het NSECD geen uitstaans heeft met de motivering van de bestreden beslissing, “noch met het ontbonden Convenant”. Verder stelt zij dat verzoeker op geen enkele wijze aannemelijk maakt dat de feiten van het dossier zouden vereisen dat een nieuw advies van het NSECD noodzakelijk was, of dat de omstandigheden dermate gewijzigd waren dat een nieuwe adviesvraag noodzakelijk was. Beoordeling 7.
  28. Het kwam de verwerende partij na ’s Raads vernietigingsarrest nr. 235.392 van 7 juli 2016 toe om een nieuwe beslissing over de socio- economische vergunningsaanvraag te nemen, met herstel van de in dit arrest vastgestelde onwettigheden, onder meer van het daarin vastgestelde gebrek aan onpartijdigheid ten gevolge van het door eerstgenoemde partij ondertekende convenant. 7.
  29. Anders dan de tussenkomende partij stelt, heeft het NSECD wel degelijk “uitstaans” met dit convenant. Immers, luidens het convenant engageert onder meer de verwerende partij zich om de socio-econonomische vergunningsaanvraag te “ondersteunen” en “waar nodig” – verwezen wordt uitdrukkelijk naar het NSECD – “te bevestigen dat deze aanvraag tot socio- economische vergunning […] het resultaat is van uitgebreid voorafgaand overleg en in de visie van alle partijen voldoet aan de vereisten voor een complementair en kwalitatief en kernversterkend project dat zal bijdragen tot een grotere uitstraling van Hasselt als winkelstad”. X-16.754-8/15 7.
  30. Bij ’s Raads vernietigingsarrest nr. 235.392 van 7 juli 2016 wordt onder verwijzing naar (onder meer) de voormelde verbintenis die de verwerende partij in het convenant heeft aangegaan, geoordeeld dat “niet [valt] in te zien hoe zij in alle objectiviteit, zonder vooringenomenheid en zonder gebonden te zijn door deze eerder aangegane overeenkomsten, de kwestieuze vergunningsaanvraag heeft kunnen beoordelen”. Hieruit volgt volgens de Raad “dat de bestreden beslissing tot stand gekomen is met schending van het onpartijdigheidsbeginsel”. 7.
  31. Door het besluitvormingsproces te hernemen zonder het NSECD opnieuw om advies te vragen – met inbegrip van de uitnodiging door dit comité van de aangrenzende gemeenten in toepassing van artikel 7, § 2, van de handelsvestigingenwet – miskent de verwerende partij het gezag van gewijsde van ’s Raads voormelde vernietigingsarrest en de op haar rustende verplichting tot zorgvuldige besluitvorming. 7.
  32. Het middel is in de aangegeven mate gegrond. B. Derde middel Standpunt van de partijen 8.
  33. De verzoeker roept in een derde middel de schending in van de artikelen 3, 7 en 8 van de handelsvestigingenwet, van de artikelen 2 en 3 van de formelemotiveringswet, van het koninklijk besluit van 22 februari 2005 ‘tot verduidelijking van de criteria waarmee rekening moet worden gehouden bij het onderzoek van ontwerpen van handelsvestiging en de samenstelling van het sociaal-economisch dossier’ (hierna: het koninklijk besluit van 22 februari 2005), alsook van het zorgvuldigheidsbeginsel en de formele- en materiëlemotiveringsplicht. Hij zet uiteen dat het college van burgemeester en schepenen van de stad Hasselt rekening moet houden met de beoordelingscriteria van het X-16.754-9/15 koninklijk besluit van 22 februari
  34. Verzoeker is in de eerste plaats de mening toegedaan dat inzake mobiliteit “weinig of niet [werd] stilgestaan” bij het sneltramproject Spartacus, dat geen aandacht werd besteed aan “het verkeer van het nieuwe handelscentrum van en naar de binnenstad/Groene Boulevard en vice versa” en aan het voetgangers- en fietsersverkeer. Verzoeker betoogt dat nu al ter plaatse druk verkeer bestaat en meent dat de vraag niet werd gesteld hoe het supplementaire verkeer “verzoend” kan worden met het nu reeds drukke verkeer op en rond de Groene Boulevard. Hij meent dat dit alles “voldoende uitgeklaard en verantwoord [had moeten] worden”. In de tweede plaats bekritiseert verzoeker het feit dat inzake het aspect van de ruimtelijke ligging van de handelsvestiging “nog steeds verwezen [wordt]” naar een studie van Idea Consult van
  35. Hij acht zulks “niet normaal zorgvuldig”, temeer nu de verwerende partij over een “feitenfiche detailhandel Hasselt geactualiseerd tot april 2016” zou beschikken, waarvan evenwel “geen spoor in de bestreden beslissing” terug te vinden is. Die fiche zou volgens verzoeker nochtans uitwijzen dat de leegstand van commerciële panden in Hasselt in de periode 2008-2016 met 111,3 % is toegenomen (wat winkelvloeroppervlakte betreft, zelfs met 339 %). Verzoeker vindt dit een relevant element in de gehele procedure waarmee een zorgvuldige overheid rekening diende te houden. Hij meent voorts dat “de overweging dat de assortimenten meubelen en binnenhuisinrichting momenteel wat ondervertegenwoordigd zijn in de binnenstad” feitelijke grondslag mist, waarbij hij een aantal winkels met een dergelijk aanbod opsomt die in de binnenstad gelegen zijn. De toename daarvan zou ook uit de voormelde feitenfiche moeten blijken. In de derde plaats meent verzoeker dat de verwerende partij in het bestreden besluit het criterium van de naleving van de wetgeving inzake de consumentenbescherming “niet zorgvuldig en afdoende” heeft behandeld. 8.
  36. De verwerende partij repliceert in haar memorie van antwoord dat de beoordelingscriteria van het koninklijk besluit van 22 februari 2005 “enkel X-16.754-10/15 van toepassing [zijn] op het advies van het NSECD”. Zij betoogt dat in het bestreden besluit overigens wel degelijk rekening is gehouden met de betreffende criteria. De verwerende partij meent evenwel dat de beoordeling van de mobiliteitsaspecten in het kader van de socio-economische vergunningsprocedure “niet even uitgebreid aan bod dient te komen als in de stedenbouwkundige vergunning”. Volgens haar wordt niet aangetoond dat de studie van Idea Consult achterhaald zou zijn. Evenmin blijkt dat de motieven inzake het criterium van de consumentenbescherming niet afdoende zouden zijn. 8.
  37. De tussenkomende partij voegt daar in haar memorie nog aan toe dat de opmerkingen van verzoeker inzake de mogelijke impact van het Spartacus-project “beweringen” zijn. Zij acht de motieven van het vergunningsbesluit “afdoende en redelijk” en betoogt dat de Raad van State zich niet in de plaats van de vergunningverlenende overheid mag stellen. De tussenkomende partij is voorts van oordeel dat verzoeker niet aantoont “waarom de studie van Idea Consult m.b.t. de marktruimtebepaling verouderd of onjuist zou zijn”. 8.
  38. In zijn memorie van wederantwoord stelt verzoeker dat de motivering van het bestreden besluit duidelijk niet “al de relevante aspecten bevat” en dat de mobiliteitsproblematiek die gepaard gaat met de komst van een nieuw stadsdeel niet te onderschatten is en zorgvuldig moet worden onderzocht. Hij stelt dat niet betwist wordt dat er ten tijde van het nemen van het bestreden besluit een feitenfiche detailhandel bestond die geactualiseerd was tot april 2016 en betoogt dat het segment meubelen en binnenhuisinrichting in de binnenstad helemaal niet ondervertegenwoordigd is. Het verweer dat hij de bewijslast zou dragen acht verzoeker “gratuit”. Hij betoogt dat het zorgvuldigheidsbeginsel vereist dat bij het nemen van een beslissing “met de meest recente en accurate gegevens” rekening wordt gehouden. 8.
  39. In zijn laatste memorie doet verzoeker nog gelden dat het Spartacusproject bekrachtigd is in een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, X-16.754-11/15 wijst hij nogmaals op de “grootschalige omvang van het project” en stelt hij dat rekening moet gehouden worden met de meest recente en accurate gegevens. 8.
  40. De tussenkomende partij doet in haar laatste memorie nog gelden dat verzoeker zich met zijn kritiek op de studie van Idea Consult “op losse beweringen [baseert] zonder evenwel deze enigszins te concretiseren”. Hij laat na “ook maar enig bewijsstuk voor te brengen waaruit het tegendeel zou blijken”. Evenmin maakt verzoeker aannemelijk dat de omstandigheid dat er in het segment meubelen en binnenhuisinrichting “net handelszaken zijn bijgekomen, enigszins de motivering in de bestreden beslissing zou vitiëren”. Beoordeling 9.
  41. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om bij de voorbereiding van de beslissing zorgvuldig te werk te gaan en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen. 9.
  42. Dat de verwerende partij niet rechtstreeks een inbreuk kan plegen op artikel 7, § 2, van de handelsvestigingenwet, zoals verduidelijkt in de artikel 3 tot en met 5 van het koninklijk besluit van 22 februari 2005, neemt niet weg dat indien zij – zoals in casu – de in deze bepalingen vastgestelde, respectievelijk verduidelijkte, criteria bij haar beoordeling van de vergunbaarheid van de gevraagde handelsvestiging betrekt, zij deze beoordeling op zorgvuldige wijze dient te doen. 9.
  43. Wat het criterium van de ruimtelijke ligging van de kwestieuze handelsvestiging betreft, bekritiseert verzoeker het feit dat de verwerende partij geen gebruik heeft gemaakt van de gegevens vervat in de “feitenfiche detailhandel Hasselt geactualiseerd tot april 2016”. Die fiche wijst volgens haar X-16.754-12/15 uit dat de leegstand van commerciële panden in de stad Hasselt en de winkels voor meubelen en binnenhuisinrichting tussen 2008 en 2016 nog zijn toegenomen. Blijkens deze fiche is de leegstand van commerciële panden in Hasselt in de periode 2008-2016 meer bepaald met 111,3 % toegenomen (van 106 naar 224 panden). Op het vlak van winkelvloeroppervlakte is deze leegstand volgens de fiche met 339 % gestegen; het percentage langdurige leegstand is tussen 2014-2016 met 59, 8 % toegenomen. Verzoeker wijst er bijkomend op dat blijkens diezelfde fiche “het winkelaanbod inzake ‘in- en om woning’, waar meubelen en binnenhuisinrichting toe behoren, tussen 2008-2016 is toegenomen van 54.294 m² naar 104.001m²”. 9.
  44. De verwerende partij betwist niet dat zij zich bij het nemen van het bestreden besluit, en meer bepaald bij haar beoordeling van het criterium van de ruimtelijke ligging van de kwestieuze handelsvestiging, niet op de “feitenfiche detailhandel Hasselt geactualiseerd tot april 2016” maar wel op de drie jaar oudere studie van IDEA Consult van 2013 heeft gesteund. 9.
  45. Verzoekers kritiek kan bijval vinden. Een zorgvuldige besluitvorming vanwege de verwerende partij bij het nemen van een nieuwe beslissing over de socio-economische vergunningsaanvraag na ’s Raads vernietigingsarrest nr. 235.392 van 7 juli 2016 vereiste dat zij de meest recente, haar bekende, gegevens bij haar beoordeling betrok. Het blijkt niet dat de verwerende partij de gegevens uit de “feitenfiche detailhandel Hasselt geactualiseerd tot april 2016” ook maar enigszins in ogenschouw heeft genomen. 9.
  46. Het middel is minstens in de aangegeven mate gegrond. VI. Kosten 10.
  47. Artikel 67, § 1 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ bepaalt dat het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding 700 euro bedraagt, het minimumbedrag 140 euro en het maximumbedrag 1.400 euro. X-16.754-13/15 10.
  48. Verzoeker vraagt dat hem een rechtsplegingsvergoeding van 1.400 euro zou worden toegekend, maar geeft daarvoor geen enkele reden. Er is dan ook geen aanleiding om hem een hogere rechtsplegingsvergoeding dan het basisbedrag van 700 euro toe te kennen. BESLISSING
  49. De Raad van State vernietigt het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de stad Hasselt van 11 augustus 2016, houdende het verlenen aan de nv Kanaalkom van een socio-economische vergunning voor de inplanting van een handelscomplex in het Havenkwartier te Hasselt als onderdeel van de ontwikkeling van een nieuw stadsdeel ‘Blauwe Boulevard’ aan de Kanaalkom.
  50. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, en op een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro die verschuldigd is aan verzoeker. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. X-16.754-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijftien februari 2019, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust X-16.754-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.691 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.