← België

Arrest 243705 - O.C.M.W. - 18/02/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 februari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.705 Rolnummer: A. 217990/IX-8789 Zaak: Arrest 243705 - O.C.M.W. - 18/02/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-02-21 Raadplegingen: 74 - laatst gezien 2026-06-25 06:00 Fiche Arrest nr 243.705 van 18 februari 2019 Sociale zaken en volksgezondheid - O.C.M.W. Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 243.705 van 18 februari 2019 in de zaak A. 217.990/IX-8789 In zake: Hilde FANNES bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Alexander De Becker kantoor houdend te 1170 Brussel Vorstlaan 90 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN BIERBEEK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jan Bergé en Kristien Vanderheiden kantoor houdend te 3000 Leuven Diestsevest 47 bus 001 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 30 december 2015, strekt tot de nie- tigverklaring van “[d]e beslissing van het Vast Bureau van het OCMW van Bier- beek van 25 augustus 2015 [...] om [...] Hilde Fannes, OCMW-secretaris, voor de evaluatieperiode van 01.06.2013 tot 31.05.2015 ongunstig te evalueren”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge- diend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Iris Verheven heeft een verslag opgesteld. IX-8789-1/14 De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laat- ste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 februari
  3. Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Philip Vanstapel, die loco advocaat Alexander De Becker verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Jutte Nijs, die loco ad- vocaten Jan Bergé en Kristien Vanderheiden verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een met dit arrest eenslui- dend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördi- neerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoekster is met ingang van 1 oktober 2004 vast benoemd tot secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn (OCMW) van Bierbeek. 3.
  6. Op 13 maart 2012 beslist de raad voor maatschappelijk welzijn van het OCMW van Bierbeek om met Jobpunt Vlaanderen een samenwerkings- overeenkomst te sluiten voor de begeleiding van de evaluatie van de decretale graden en voor het opstellen daartoe van een voorbereidend rapport. IX-8789-2/14 3.
  7. Op 10 juli 2012 keurt de raad voor maatschappelijk welzijn een voorstel van Jobpunt Vlaanderen goed betreffende de evaluatie van de decretale graden voor de periode 2012-
  8. Luidens dit voorstel doet het OCMW voor de evaluatie van de decretale graden een beroep op Jobpunt Vlaanderen, dat op zijn beurt adviesbureau G.B. inschakelt voor deze opdracht. 3.
  9. Op 11 december 2012 stelt de raad voor maatschappelijk welzijn de functiebeschrijving van de secretaris vast. Daarin zijn beschreven: het “doel van de entiteit”, de “plaats [van de secretaris] in de organisatie”, de “kernresultaten”, het “functieprofiel” en de “[k]ennisvereisten”. 3.
  10. Op 4 februari 2013 keurt de raad voor maatschappelijk welzijn, met betrekking tot de evaluatie van de decretale graden voor de periode 2012-2014, een aangepast voorstel goed van Jobpunt Vlaanderen dat samenwerkt met adviesbureau G.B. Volgens de verwerende partij is de reden voor de aanpas- sing “de gewijzigde samenstelling van de OCMW-raad naar aanleiding van de nieuwe legislatuur”. 3.
  11. In maart 2013 volgt A.G. het adviesbureau G.B. op en brengt het eerstgenoemde adviesbureau een voorstel aan betreffende de “evaluatie van de decretale graden voor de periode 01.06.2013 tot 01.06.2015”. 3.
  12. Op 25 maart 2013 worden in het vast bureau van de raad voor maatschappelijk welzijn de evaluatiecriteria van de decretale graden besproken onder begeleiding van een medewerker van A.G. De notulen van de vergadering van het vast bureau van 25 maart 2013 vermelden in dit verband: IX-8789-3/14 “Op de volgende vergadering van het Vast Bureau worden de evaluatiecri- teria zoals voorgesteld door consultingbureau [A.G.] in onderling overleg met de functiehouders en de leden van het Vast Bureau vastgelegd.” Volgens de verwerende partij heeft verzoekster “[a]ls voorbe- reiding van deze zitting […] zelf een ontwerp van de evaluatiecriteria bijgebracht”. 3.
  13. Op 27 mei 2013 keurt het vast bureau “[g]elet op voorliggende evaluatieformulieren” onder meer “[d]e evaluatiecriteria van [...] Hilde Fannes, secretaris” goed. 3.
  14. Op 25 juni 2013 beslist het vast bureau dat de evaluatieperiode van de decretale graden loopt van 1 juni 2013 tot 1 juni
  15. 3.
  16. Op 15 september 2014 voeren de leden van het vast bureau en een vertegenwoordiger van A.G. een functioneringsgesprek met verzoekster. Daarover wordt door A.G. een verslag opgesteld waarin een aantal aandachts- punten worden vermeld die “mee worden opgenomen in het evaluatieproces en bijgevolg worden beoordeeld op het einde van de evaluatieperiode”. 3.
  17. Verzoekster ontvangt op 14 juli 2015 vanwege A.G. een tus- sentijds evaluatierapport. Op 26 juli 2015 formuleert zij haar opmerkingen bij dat rapport. 3.
  18. Op 4 augustus 2015 stelt A.G. het definitieve rapport op over de evaluatie van verzoekster. 3.
  19. Op 25 augustus 2015 beslist het vast bureau om verzoekster voor de evaluatieperiode van 1 juni 2013 tot 31 mei 2015 de evaluatie „ongunstig‟ toe te kennen. Dit is de bestreden beslissing. IX-8789-4/14 IV. Onderzoek van het tweede middel Standpunt van de partijen
  20. Verzoekster voert in een tweede middel de schending aan van het decreet van 19 december 2008 „betreffende de organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn‟ (hierna: het OCMW-decreet), “meer specifiek de miskenning van de bevoegdheden van de Raad voor Maatschappelijk Welzijn en het Vast Bureau van het OCMW, zoals opgenomen in artikel 52”, evenals de schending van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 november 2010 „houdende de minimale voorwaarden voor de personeelsformatie en het mandaat- stelsel van het personeel van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en houdende de minimale voorwaarden voor sommige aspecten van de rechtsposi- tieregeling van bepaalde personeelsgroepen van de openbare centra voor maat- schappelijk welzijn‟ (hierna: het besluit van de Vlaamse Regering van 12 no- vember 2010), in het bijzonder artikel 51, §§ 1 en 2, en de schending van de rechtspositieregeling van het personeel van de verwerende partij, in het bijzonder de artikelen 81, 83 en 85, en ten slotte de schending van de beginselen van be- hoorlijk bestuur, “waaronder het zorgvuldigheidsbeginsel” en “de schending van objectiviteit”. Verzoekster betoogt vooreerst dat “de bevoegdheidsverdelende regels”, zoals bepaald in het OCMW-decreet, het besluit van de Vlaamse Regering van 12 november 2010 en de rechtspositieregeling van het personeel van de ver- werende partij werden miskend, doordat de vaststelling van de evaluatiecriteria en de evaluatieperiode gebeurde door het vast bureau, terwijl de raad voor maat- schappelijk welzijn daarvoor bevoegd was. Voorts doet verzoekster gelden dat uit de notulen van de verga- dering van het vast bureau van 27 mei 2013 en de factuur van Jobpunt Vlaanderen blijkt dat geen evaluatiecriteria, maar evaluatieformulieren werden vastgesteld. Die formulieren werden achteraf nog aangevuld met drie doelstellingen die IX-8789-5/14 evenmin werden goedgekeurd door de raad voor maatschappelijk welzijn. Ook vanuit inhoudelijk oogpunt is er geen sprake van evaluatiecriteria. Dergelijke criteria moeten immers worden vastgesteld op basis van de functiebeschrijving, de doelstellingen uit het meerjarenplan, de afsprakennota tussen de functiehouder en de raad voor maatschappelijk welzijn en ná overleg met de functiehouder. In dit geval zijn de zogenaamde evaluatiecriteria evenwel identiek aan de functiebe- schrijving en ook aan de evaluatieformulieren, met uitzondering van de drie doel- stellingen die achteraf daaraan werden toegevoegd. Ten slotte benadrukt verzoekster het “[g]ebrek aan overleg over de evaluatiecriteria”. Zij stelt dat op geen enkel ogenblik enig overleg heeft plaatsgehad met de functiehouder, wat nochtans expliciet wordt opgelegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 november
  21. Zo werd op geen enkele wijze rekening gehouden met het ontwerp van evaluatiecriteria dat zij op 18 maart 2013 aan de leden van het vast bureau en aan A.G. had bezorgd. In de notulen van het vast bureau van 25 maart 2013 wordt weliswaar gesteld dat de evaluatiecriteria op de volgende vergadering zullen worden vastgesteld “zoals voorgesteld door consultingbureau [A.G.] in onderling overleg met de functie- houders en de leden van het Vast Bureau”, maar een dergelijk overleg heeft nooit plaatsgevonden. Ook uit e-mails van de voorzitter van het OCMW blijkt dat met de functiehouders zou worden overlegd over de evaluatiecriteria, maar zoals blijkt uit de uitnodiging voor de vergadering van het vast bureau van 27 mei 2013 en de notulen van die vergadering is er alleen sprake van een goedkeuring van de eva- luatiecriteria, niet van enig overleg.
  22. De verwerende partij werpt vooreerst op dat voor zover ver- zoekster “de schending van objectiviteit” aanvoert, zij niet verduidelijkt wat daaronder moet worden verstaan, noch in welke zin de objectiviteit geschonden zou kunnen zijn. Voorts betwist zij dat “de bevoegdheidsverdelende regels” ge- schonden zijn. Zij argumenteert dat de raad voor maatschappelijk welzijn de IX-8789-6/14 rechtspositieregeling heeft vastgesteld en dat artikel 83 van deze regeling voor- schrijft dat de evaluatiecriteria worden bepaald overeenkomstig het besluit van de Vlaamse Regering van 12 november 2010 en worden opgenomen in de functie- beschrijving. De raad voor maatschappelijk welzijn heeft de functiebeschrijving goedgekeurd op 11 december
  23. Die functiebeschrijving omschrijft vooreerst de wettelijke en decretale taken van de secretaris. Vervolgens omschrijft ze acht resultaatsgebieden en ten slotte geeft ze een opsomming van de technische en gedragscompetenties en de kennisvereisten. Volgens de verwerende partij om- schrijft de functiebeschrijving aldus de evaluatiecriteria op een uitvoerige wijze en was het voor verzoekster dan ook volkomen duidelijk over welke competenties en vaardigheden zij diende te beschikken en op grond waarvan zij zou worden be- oordeeld. De evaluatieformulieren die door het vast bureau op 27 mei 2013 zijn goedgekeurd, nemen slechts over wat de raad voor maatschappelijk welzijn op 11 december 2012 heeft bepaald. De verwerende partij wijst erop dat krachtens artikel 51, § 1, 2°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 november 2010 de raad voor maatschappelijk welzijn de duur van de evaluatieperiodes bepaalt en dat dit ge- beurd is in artikel 82 van de rechtspositieregeling. Volgens de verwerende partij is het bepalen van de duur van de evaluatieperiode niet hetzelfde als het bepalen van “de exacte concrete periode”. Dat laatste vermocht het vast bureau te doen, reke- ning houdend met de voorschriften van de rechtspositieregeling. De verwerende partij doet ook gelden dat overleg met verzoek- ster heeft plaatsgehad bij het bepalen van de evaluatiecriteria. Zo nam verzoekster deel aan de bespreking toen die criteria op 11 december 2012 door de raad voor maatschappelijk welzijn werden bepaald bij het opstellen van de functiebeschrij- ving. Tijdens de zitting van het vast bureau van 25 maart 2013 verschafte de ver- tegenwoordiger van A.G. informatie over de evaluatiecriteria. Verzoekster had toen een erg summier voorstel voorbereid, waarin zij vijf resultaatsgebieden om- schreef, die evenwel ook terugkomen – maar veel concreter – in de definitieve versie van de functiebeschrijving en de evaluatiecriteria. Op 27 mei 2013 werden IX-8789-7/14 de evaluatieformulieren door het vast bureau goedgekeurd. Verzoekster was daarbij aanwezig, maar formuleerde geen opmerkingen. De door haar aange- brachte vijf resultaatsgebieden met bijpassende evaluatiecriteria kwamen ook terug in het goedgekeurde voorstel. Op 25 juni 2013 kwam de evaluatie van de secretaris nogmaals ter sprake. Volgens de verwerende partij was het de eigen verantwoordelijkheid van verzoekster dat zij zich in stilzwijgen hulde tijdens de drie vergaderingen die aan dit item werden gewijd. De verwerende partij werpt ook nog op dat verzoekster niet aangeeft in welke zin haar rechten geschonden zijn door de hypothetische, niet bewezen situatie dat zij overleg wou plegen over de evaluatiecriteria, maar dit overleg haar werd geweigerd. Zij geeft niet aan dat bepaalde criteria ten onrechte werden opgenomen of dat belangrijke criteria ontbreken. De verwerende partij betwist ten slotte dat de evaluatieformu- lieren geen evaluatiecriteria zouden zijn. Zij betoogt dat de raad voor maatschap- pelijk welzijn de evaluatiecriteria bepaalde op 11 december 2012 als onderdeel van de functiebeschrijving en dat die criteria vervolgens werden hernomen in de ver- schillende versies van de samenwerkingsovereenkomst met Jobpunt Vlaanderen. De evaluatiecriteria werden opgenomen in een door het vast bureau goedgekeurd evaluatieformulier, waarvan ze niet los kunnen worden gezien. De verwerende partij vat haar standpunt als volgt samen: “de OCMW-raad bepaalde de evaluatiecriteria waarna het vast bureau de mogelijkheid tot overleg bood aan alle actoren. De criteria werden besproken in aanwezigheid van de functiehouder. Gezien er geen opmerkingen kwamen, resulteerden de evaluatiecriteria in de op 27 mei 2013 door het vast bureau goedgekeurde evaluatieformulieren.”
  24. In haar laatste memorie laat de verwerende partij nog gelden dat uit artikel 51, §§ 1 en 2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 novem- ber 2010 en het verslag aan de Vlaamse Regering bij dat besluit enkel kan worden afgeleid dat de evaluatiecriteria moeten worden vastgesteld door de raad voor IX-8789-8/14 maatschappelijk welzijn en dat er overleg moet zijn tussen de functiehouder, de externe deskundige en het vast bureau. De bedoeling van het overleg bestaat erin dat het realiteitsgehalte en de pertinentie van de evaluatiecriteria kan worden ge- toetst. Volgens de verwerende partij werden de doelstellingen van de voormelde reglementaire bepalingen volledig bereikt. Zij licht dit toe als volgt: “In casu bepaalde de OCMW-raad de evaluatiecriteria en de functiebe- schrijving […]. Ook de aanstelling van Jobpunt Vlaanderen als externe des- kundige gebeurde door de OCMW-raad. […] Vervolgens werden de evalua- tiecriteria meermaals besproken. Er was verschillende malen overleg tussen het vast bureau, de externe deskundige en de functiehouder. De functiehouder kreeg ook de gelegenheid geschreven stukken bij te brengen. Het realiteitsge- halte en de pertinentie van de evaluatiecriteria staan buiten kijf. Het is ook vaststaand dat de verzoekende partij aanwezig was tijdens alle vergaderingen van zowel de OCMW-raad, als het vast bureau, waarop het evaluatieproces en de evaluatiecriteria besproken werden. Ze had ook de gelegenheid haar stand- punt kenbaar te maken. Ze bracht éénmaal een korte schriftelijke nota bij. De uiteindelijke evaluatieformulieren (met hierin de evaluatiecriteria […]) werden vastgesteld door het vast bureau en werden namens de OCMW-raad mee on- dertekend door de voorzitter van de OCMW-raad en de verzoekende partij, in haar hoedanigheid van secretaris. Er is evenwel meer. Het gehele proces van vaststelling van de evaluatie- criteria duurde verschillende maanden en de functiehouder was hierin actief betrokken. De facto leidde zij het gehele proces gezien ze, in haar functie van secretaris van het OCMW, alle administratieve en voorbereidende stappen zette voor de samenroeping van de OCMW-raad en het vast bureau. De verzoekende partij zag gebruikelijk scherp toe op de naleving van de procedureregels en bereidde de agenda ook inhoudelijk voor, minstens had zij de leiding over de inhoudelijke voorbereiding. Zij staat er voor bekend proactief te werken, de zaken uit te diepen en daarenboven veel aandacht te hebben voor haar statuut, zij is een kenner van het Rechtspositiedecreet. Het is weinig waarschijnlijk, c.q. uit te sluiten dat zij geen aandacht zou hebben gehad voor de organisatie van haar evaluatieproces, in het bijzonder omwille van het grote belang ervan in de sfeer van divergenties die zij in haar verzoekschrift zelf aan de orde stelt en die ook blijken uit de evaluatiedocumenten van het administratief dossier. [...] Waarom zou de verzoekende partij zoals gebruikelijk niet hebben gewezen op procedurefouten bij de vaststelling van de evaluatiecriteria, of een onwettigheid omdat de OCMW-raad de evaluatiecriteria geen tweede maal formeel vast- stelde, nadat het overleg met het vast bureau had plaatsgevonden? Het was ook haar (wettelijke) taak en opdracht om dat te doen. De OCMW-raad was hoe dan ook op de hoogte van de definitieve evalua- tiecriteria en bekrachtigde deze middels ondertekening door de voorzitter en de secretaris (concreet de verzoekende partij). […] De criteria waren bovendien ook ongewijzigd ten opzichte van de eerste beslissing van de OCMW raad op 11 december
  25. Een tweede meer formele bevestiging van de evaluatiecri- teria door de OCMW-raad was zinloos. Het overleg tussen de functiehouder, het IX-8789-9/14 vast bureau en de externe deskundige had niet tot substantiële wijzigingen van de criteria geleid. De verzoekende partij had niet meer waarborgen genoten indien de raad een tweede keer formeel zou vergaderen over de evaluatiecrite- ria.” De verwerende partij besluit dat zelfs indien een tweede formele bevestiging van de evaluatiecriteria door de raad voor maatschappelijk welzijn nodig was, deze geen invloed had op de draagwijdte van de beslissing, geen extra waarborgen bood aan de functiehouder en de bevoegdheid van de steller van de bestreden handeling niet kon beïnvloeden. Volgens de verwerende partij heeft verzoekster “eigenlijk geen belang bij het aanhalen van een zuiver formele voor- waarde, waarvan zij de niet strikte naleving kende of minstens moest kennen”. Beoordeling
  26. Artikel 114, derde lid, van het OCMW-decreet bepaalde toen- tertijd: “De secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn en de financieel beheerder worden echter geëvalueerd door het vast bureau en, zo er geen werd opgericht, door de raad voor maatschappelijk welzijn. De evaluatie vindt plaats op basis van een voorbereidend rapport, opgesteld door externe deskundigen in het personeelsbeleid. Het voorbereidend rapport wordt opge- maakt op basis van een evaluatiegesprek tussen de externe deskundigen en de functiehouder en op basis van een onderzoek over de wijze van functioneren van de functiehouder, waarbij de leden van het managementteam en de voor- zitter van de raad voor maatschappelijk welzijn betrokken worden. Bij staking van stemmen wordt het betrokken personeelslid geacht te voldoen.”
  27. Artikel 51, §§ 1 en 2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 november 2010 bepaalt: “§
  28. Met behoud van de toepassing van artikel 114, tweede lid, van het OCMW-decreet bepaalt de raad voor de evaluatie van de secretaris en de fi- nancieel beheerder van het OCMW en, in voorkomend geval, voor de evaluatie van de ombudsman van het OCMW, de volgende elementen: [...] 3° de evaluatiecriteria; [...] IX-8789-10/14 §
  29. De evaluatiecriteria worden vastgesteld voor: 1° de secretaris van het OCMW: na overleg van de functiehouder met het vast bureau en, als er geen vast bureau werd opgericht, met de voorzitter van het OCMW; [. . .].” Luidens het verslag aan de Vlaamse Regering bij het besluit van 12 november 2010 geldt de commentaar bij de artikelen 51, 52 en 53 van het be- sluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2007 „houdende de minimale voorwaarden voor de personeelsformatie, de rechtspositieregeling en het man- daatstelsel van het gemeentepersoneel en het provinciepersoneel en houdende enkele bepalingen betreffende de rechtspositie van de secretaris en de ontvanger van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn‟ (hierna: het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2007) in het verslag aan de Vlaamse Regering bij dat besluit mutatis mutandis ook voor de artikelen 51, 52 en 53 van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 november 2010, weliswaar onder voorbehoud van de specifieke regels voor de ombudsman, maar die zijn voor de beoordeling van de voorliggende zaak niet van belang. Het verslag aan de Vlaamse Regering bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2007 vermeldt in dit verband onder meer: “Artikel 51 § 1 stelt de te regelen materies vast. De raad regelt de evaluatie van de proeftijd en bepaalt de periodiciteit van de evaluatie, de evaluatiecriteria, de evaluatieresultaten en de mogelijke ge- volgen ervan, alsook de regels voor de externe deskundigen in het personeels- beleid bij de opmaak van het voorbereidende rapport voor de evaluatie door de raadscommissie. De periodiciteit van de evaluaties is dezelfde als die voor de andere personeelsleden. [...] § 2 regelt de inspraak van de betrokken functiehouders bij de vaststelling van de evaluatiecriteria. Dat sluit aan bij een moderne opvatting over de on- derlinge communicatie tussen overheid en administratie en binnen de ambte- lijke organisatie. Het laat een toetsing van het realiteitsgehalte en van de per- tinentie van de evaluatiecriteria toe. [...].” IX-8789-11/14
  30. Artikel 83 van de rechtspositieregeling van het personeel van het OCMW van Bierbeek bepaalt: “De evaluatie wordt uitgevoerd op basis van vooraf vastgestelde evaluatie- criteria. De evaluatiecriteria worden vastgesteld volgens de bepalingen van het BVR (Besluit van de Vlaamse Regering) en opgenomen in de functiebeschrij- ving:
  31. de secretaris: na overleg van de functiehouder met het Vast Bureau of de voorzitter van de Raad voor Maatschappelijk Welzijn als er geen Vast Bureau werd opgericht; [. . .] Na overleg bespreekt het Vast Bureau of de voorzitter van de Raad voor Maatschappelijk Welzijn als er geen Vast Bureau werd opgericht de voorge- stelde evaluatiecriteria met de externe deskundigen in het personeelsbeleid die verantwoordelijk zijn voor het voorbereidend rapport voor de evaluatie en stuurt die zo nodig bij.”
  32. Uit artikel 51, §§ 1 en 2, van het besluit van de Vlaamse Rege- ring van 12 november 2010, zoals toegelicht in het verslag aan de Vlaamse Rege- ring bij dit besluit, evenals uit de rechtspositieregeling van het personeel van het OCMW van Bierbeek blijkt dat de evaluatiecriteria voor de secretaris van het OCMW moeten worden vastgesteld door de raad voor maatschappelijk welzijn nadat daarover overleg heeft plaatsgehad tussen de secretaris en het vast bureau of, bij afwezigheid van een vast bureau – wat in casu niet het geval is – de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn. Dat overleg met de functiehouder is volgens de regelgever van belang om een toetsing van het realiteitsgehalte en van de pertinentie van de evaluatiecriteria toe te laten. De evaluatiecriteria, zoals ze zijn opgenomen in de functiebe- schrijving van de secretaris van het OCMW van Bierbeek, zijn door de raad voor maatschappelijk welzijn vastgesteld op 11 december
  33. Het blijkt evenwel niet dat deze vaststelling is voorafgegaan door het vereiste overleg tussen de functie- houder en het vast bureau. De loutere aanwezigheid van de secretaris als notulist van de voormelde raadsbeslissing beantwoordt allerminst aan het door artikel 51, § 2, 1°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 november 2010 opgelegde overleg, dat de toetsing van het realiteitsgehalte en de pertinentie van de evalua- tiecriteria beoogt. IX-8789-12/14
  34. Anders dan de verwerende partij opwerpt, heeft verzoekster er belang bij dat haar aanspraak op inspraak middels het voorgeschreven overleg wordt gerespecteerd. De omstandigheid dat zij thans niet aangeeft tegen welke van de in aanmerking genomen evaluatiecriteria zij dan bezwaar zou hebben, doet aan dit belang geen afbreuk. Daargelaten of, zoals de verwerende partij beweert, de evalua- tiecriteria op verscheidene momenten in de latere besluitvorming van het vast bureau ter sprake zouden zijn gekomen en verzoekster ook bij die gelegenheden geen opmerkingen zou hebben gemaakt, niettegenstaande zij – gelet op “haar (wettelijke) taak” – de regelgeving met betrekking tot de evaluatie kende of moest kennen, doet zulks hoe dan ook niets af aan de vaststelling dat vooraleer de raad voor maatschappelijk welzijn op 11 december 2012 de evaluatiecriteria van de OCMW-secretaris heeft bepaald, het voorgeschreven overleg niet heeft plaatsge- had, zodat die raad, als enig daarvoor bevoegd orgaan, bij het bepalen van de evaluatiecriteria geen rekening heeft kunnen houden met de bevindingen van een dergelijk overleg. Er moet derhalve worden vastgesteld dat de bestreden beslissing met miskenning van artikel 51, § 2, 1°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 november 2010 en artikel 83 van de rechtspositieregeling van het personeel van het OCMW van Bierbeek tot stand is gekomen.
  35. Het tweede middel is alvast in zoverre ontvankelijk en gegrond en dient tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing te leiden. BESLISSING
  36. De Raad van State vernietigt de beslissing van het vast bureau van het OCMW van Bierbeek van 25 augustus 2015 waarbij secretaris Hilde Fannes ongunstig wordt geëvalueerd voor de evaluatieperiode van 1 juni 2013 tot 31 mei
  37. IX-8789-13/14
  38. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nie- tigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegings- vergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 18 februari 2019, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-8789-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.705 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.