← België

Arrest 243711 - Examenbetwistingen en weigeringen tot inschrijving - 19/02/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 februari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.711 Rolnummer: A. 223529/IX-9153 Zaak: Arrest 243711 - Examenbetwistingen en weigeringen tot inschrijving - 19/02/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-03-04 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-25 06:22 Fiche Arrest nr 243.711 van 19 februari 2019 Onderwijs en cultuur - Examenbetwistingen en weigeringen tot inschrijving Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 243.711 van 19 februari 2019 in de zaak A. 223.529/IX-9153 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Paul Aerts kantoor houdend te 9000 Gent Coupure 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de UNIVERSITEIT GENT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sabien Lust kantoor houdend te 8310 Brugge Baron Ruzettelaan 27 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep

  1. Het cassatieberoep, ingesteld op 12 oktober 2017, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. 3751 van 11 september 2017 van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij beschikking nr. 12.587 van 26 oktober 2017 is het cassatie- beroep toelaatbaar verklaard. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge- diend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. IX-9153-1/14 Auditeur Iris Verheven heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft gevraagd dat de procedure wordt voortgezet ten einde te worden gehoord. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 februari
  3. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Sandro Di Nunzio, die loco advocaat Paul Aerts ver- schijnt voor de verzoekende partij en advocaat Sabien Lust, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een met dit arrest eenslui- dend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten
  5. Verzoekster is in het academiejaar 2016-2017 ingeschreven als student in de opleiding ‘master of science in de psychologie’, afstudeerrichting klinische psychologie aan de UGent. Tot haar curriculum behoort onder meer het opleidingsonderdeel ‘Stage en deontologie’, waarvoor zij de examenquotering ‘AFWE’ (afwezig) ontvangt. Daartegen stelt verzoekster op 11 juli 2017 een beroep in bij de onderwijsinstelling. IX-9153-2/14 De institutionele beroepscommissie van de UGent verwerpt op 24 juli 2007 dit beroep. De commissie “merkt op dat de studente in wezen het examencijfer 9,23/20 betwist, en niet het resultaat AFWE dat op haar punten- briefje was vermeld”. Zij stelt vast “dat in de ECTS-fiche volgende toelichting wordt gegeven bij de eindscoreberekening: […] De student dient zowel te slagen voor de evaluatie als voor het stageverslag”. Over de quotering van het stageverslag merkt de commissie in wezen het volgende op: “De student slaagde niet voor haar stageverslag. Na enkele weken stage heeft verzoekster bij haar tussentijdse evaluatie zelf beslist de stage stop te zetten en verder stage te lopen op een andere plaats. Naar aanleiding daarvan heeft ze contact gehad met de stagebegeleider aan de UGent, on- der meer omtrent het stageverslag en de beoordeling daarvan. Het stage- verslag dat ze tot dan toe maakte, stond absoluut nog niet op punt. Er werd afgesproken dat voor de eindbeoordeling voor het stageverslag vol- gende zaken zouden meetellen: • De settingbeschrijving van het FPC (die verzoekster op dat mo- ment nog kon aanpassen) • De settingbeschrijving van het PC Caritas • De 2 casussen die verzoekster nog moet uitwerken en de rubriek ‘eigen activiteiten’. Verzoekster diende niet verder te werken op de ene casus die ze al zeer beperkt had uitgewerkt op haar eerste stageplaats, maar kon aan de slag met twee casussen uit de tweede stageplaats. Verzoekster behaalde volgende scores voor dit stageverslag (telkens op 20): Settingbeschrijving FPC en settingbeschrijving PC Caritas /2 7,5 Casus 1 tussentijds Caritas 10 Eigen activiteiten Caritas 11 Casus definitief Caritas 10 Casus 2 Caritas 9 Gewogen gemiddelde op basis van sleutel 9,45 De studente slaagt aldus hoe dan ook niet voor het stageverslag. Dit cijfer, dat haar welbekend was, heeft ze ook op geen enkel moment betwist. De studente betwist enkel in een mail die haar advocaat op 20 juli 2017 aan de dossierbehandelaar stuurde, dat ze het deel ‘eigen activiteiten’ te laat indiende, en ze merkt op dat daarvoor ten onrechte een punt werd af- getrokken. […] Wat het definitieve verslag betreft, werd dit verslag weliswaar ingediend op 31 mei 2017, en dus net op tijd, maar het onderdeel ‘eigen activiteiten’ volgde pas op 1 juni kort voor middernacht en was dus te laat nu de dead- line 31 mei 2017 was.” IX-9153-3/14 Vervolgens onderzoekt de commissie “voor de volledigheid” ook de argumenten van verzoekster die betrekking hebben op de stage. De commissie concludeert: “Verzoekster slaagt niet voor het opleidingsonderdeel ‘stage en deontolo- gie’ en dat om verschillende redenen. Vooreerst werd het stageverslag deels laattijdig ingediend, en bevat het structurele tekorten en onvolledigheden, zodat het niet ontvankelijk is. Vermits aldus geen rekening gehouden kan worden met het stageverslag, kan verzoekster niet meer behalen dan 9/
  6. Vervolgens slaagt verzoekster hoe dan ook niet voor het onderdeel ‘stage- verslag’. Voor dat onderdeel behaalt ze 9,45/
  7. Vermits ze aldus alvast voor één deel van het vak niet slaagt, kan ze niet slagen voor het geheel. […] De institutionele beroepscommissie stelt aldus vast dat verzoekster 9/20 behaalt voor de stage, en dat ze voor haar stag[e]verslag 9,45/20 kreeg. Dat brengt haar eindscore op 9,23/20 wat afgerond wordt tot 9/
  8. Het beroep van verzoekster is ongegrond, met dien verstande dat de toe- gekende code ‘AFWE’ wel ongedaan wordt gemaakt en verzoekster ef- fectief de eindscore 9/20 krijgt.” Tegen deze beslissing stelt verzoekster op 28 juli 2017 een be- roep in bij de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen, die met het thans bestreden arrest nr. 3751 van 11 september 2017 het beroep ver- werpt. IV. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel 4.
  9. Het enige middel is geput uit de schending “van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek (schending van de bewijskracht van de stukken), de ECTS-Fiche (Stage en deontologie) samengelezen met de informatiegids voor het opleidingsonderdeel ‘Stage en Deontologie’ optie Klini- sche Psychologie en de Richtlijnen voor het stageverslag; van art. 149 G.W.; van de algemene motiveringsplicht van een administratief rechtscollege; het beschik- kingsbeginsel en de rechten van verdediging”. IX-9153-4/14 4.
  10. Verzoekster betoogt dat uit het bestreden arrest niet kan worden afgeleid waarom het gehele eerste middel onontvankelijk zou zijn. Uit de over- wegingen kan niet worden afgeleid welke argumenten zij voor het eerst zou ont- wikkelen in de hangende procedure, minstens kan niet worden afgeleid waarom geoordeeld wordt dat welbepaalde argumenten voor het eerst ontwikkeld worden en waarom deze kunnen leiden tot onontvankelijkheid. Het volstaat niet dat de Raad voor betwistingen inzake studie- voortgangsbeslissingen in algemene bewoordingen verwijst naar gevestigde rechtspraak; hij dient in concreto te preciseren welke middelonderdelen voor het eerst worden opgeworpen en waarom deze onontvankelijk zijn. De redenen om te besluiten tot onontvankelijkheid ontbreken, minstens zijn de motieven niet duide- lijk en nog minder worden ze in concreto toegepast in voorliggend dossier. Uit het arrest kan evenmin worden afgeleid op grond van welke rechtsregel of rechts- beginsel nieuwe argumenten in voorkomend geval niet kunnen worden toegela- ten. Hierdoor schendt de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslis- singen artikel 149 van de Grondwet. 4.
  11. Minstens schendt dit het beschikkingsbeginsel en de rechten van verdediging, daar de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslis- singen dient te steunen op de elementen die hem zijn voorgelegd zonder het voorwerp van de vordering te wijzigen dan wel de rechten van verdediging te miskennen. 4.
  12. Ondergeschikt moet volgens verzoekster worden vastgesteld dat zij bij de administratieve beroepsprocedure wel degelijk een aantal argumen- ten in het debat heeft gebracht waarmee de Raad voor betwistingen inzake stu- dievoortgangsbeslissingen rekening dient te houden, aangezien de Raad op grond van artikel 149 van de Grondwet moet antwoorden op haar middelen. Verzoekster verwijst naar twee e-mailberichten van 20 juli 2017 waaruit blijkt dat zij de vermeende laattijdigheid van het volledige stagever- IX-9153-5/14 slag betwist. Dit maakt dan ook geen nieuw argument uit voor de Raad voor be- twistingen inzake studievoortgangsbeslissingen. Bij de administratieve beroeps- procedure erkent verzoekster enkel dat het onderdeel ‘eigen activiteiten’ te laat werd ingediend, doch dat daarvoor bij de tussentijdse evaluatie ten onrechte een punt werd afgetrokken. Hiermee geeft verzoekster in de interne beroepsprocedure aan dat het stageverslag wel degelijk tijdig werd ingediend behalve voor een be- perkt onderdeel, namelijk ‘eigen activiteiten’. Het feit dat verzoekster dit zo “erkent” bij de beroepsprocedure, toont aan dat zij van meet af aan in de terechte veronderstelling is dat dergelijk klein onderdeel op zich niet kan leiden tot een onontvankelijk stageverslag. Daar waar de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen de instituti- onele beroepscommissie bijvalt dat het laattijdig indienen van de ‘eigen activitei- ten’ zorgt voor een structureel tekort dat het stageverslag onontvankelijk maakt, gaat dergelijke beoordeling in tegen de bewoordingen van de studiegids en de richtlijnen. Minstens is deze beoordeling kennelijk onredelijk en gaat deze in te- gen de regels zoals bepaald in de studiegids waarin wordt gesteld dat structurele tekorten in de verslaggeving het stageverslag niet ontvankelijk maken. Het be- streden arrest maakt bovendien een onjuiste vaststelling, daar waar wordt gesteld dat verzoekster erkent dat de institutionele beroepscommissie correct heeft ge- oordeeld voor wat dit onderdeel betreft. Het is niet omdat verzoekster erkent dat zij het onderdeel ‘eigen activiteiten’ te laat indiende, dat zij hiermee erkent dat het volledige stageverslag laattijdig is, laat staan dat zij hiermee erkent dat de institutionele beroepscommissie ter zake correct heeft geoordeeld. Bovendien kan de Raad voor betwistingen inzake studievoort- gangsbeslissingen bezwaarlijk stellen dat verzoekster de beoordeling van de insti- tutionele beroepscommissie op dit punt in haar verzoekschrift niet tegenspreekt. Het volledige eerste middel argumenteert net waarom het laattijdig indienen van het onderdeel ‘eigen activiteiten’ niet kan leiden tot de onontvankelijkheid van het volledige stageverslag. De beoordeling van de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen is niet correct. IX-9153-6/14 Verzoekster heeft het stageverslag wel degelijk tijdig inge- diend, doch zonder het onderdeel ‘eigen activiteiten’. Deze werd slechts één dag later ingediend, op 1 juni 2017 in plaats van op 31 mei
  13. Oordelen dat het met één dag laattijdig indienen van dergelijk beperkt onderdeel gelijk staat aan een structureel tekort dat leidt tot een onontvankelijk stageverslag, is kennelijk onredelijk en wordt niet voorzien in voornoemde bepalingen. Bovendien wordt nergens bepaald dat een laattijdigheid met één dag ertoe leidt dat het onderdeel, laat staan het gehele stageverslag, nooit werd ingediend en dat er geen rekening mee dient te worden gehouden. Dergelijke interpretatie is een aanvulling op de regels die niet is voorzien, noch is het bestaanbaar met de bewoordingen ervan. 4.
  14. De beoordeling van het bestreden arrest strijdt met de bepalin- gen van de ECTS-Fiche (Stage en deontologie) gelezen met de informatiegids voor het opleidingsonderdeel ‘Stage en Deontologie’, optie Klinische Psycholo- gie en de Richtlijnen voor het stageverslag. Door de miskenning hiervan schendt het bestreden arrest eveneens de bewijskracht van deze documenten. De bodem- rechter geeft immers een uitlegging die met de bewoordingen ervan onverenig- baar is. 4.
  15. Ten slotte betoogt verzoekster dat het verzoek tot uitstel even- eens bij de interne beroepsprocedure werd betrokken en derhalve ook niet als nieuw argument kan worden beschouwd. Dit blijkt onder meer uit de beslissing van de institutionele beroepscommissie van 24 juni 2017 zelf. Verzoekster heeft wel degelijk op schriftelijk gemotiveerde wijze om uitstel gevraagd, doch dit werd haar zonder reden ontzegd. Minstens werd de weigering niet gemotiveerd, terwijl de studiegids bepaalt dat een gemotiveerd verzoek tot uitstel tot de moge- lijkheden behoort. Het zonder meer weigeren van een schriftelijk gemotiveerd verzoek tot uitstel strijdt met de bepalingen van de ECTS-Fiche (Stage en deonto- logie) gelezen met de informatiegids voor het opleidingsonderdeel ‘Stage en De- ontologie’, optie Klinische Psychologie en de Richtlijnen voor het stageverslag. Door de miskenning hiervan schendt het bestreden arrest de bewijskracht van deze documenten daar de bodemrechter er een uitlegging aan geeft die met de IX-9153-7/14 bewoordingen ervan onverenigbaar is. Het bestreden arrest miskent deze argu- mentatie en behandelt ze zelfs niet. Hiermee laat het na om alle middelen tege- moet te komen met als gevolg dat artikel 149 van de Grondwet ook op dit punt geschonden is.
  16. In haar memorie van wederantwoord voegt verzoekster hier nog aan toe dat zij niet alle kansen heeft gehad om op niveau van het administra- tief beroep al haar middelen naar voor te brengen. Zij beschikte slechts over vijf dagen om beroep aan te tekenen na de kennisname van de studievoortgangsbe- slissing. Bovendien wist zij vóór de beslissing van de institutionele beroepscom- missie niet wat de hoofdreden was van haar tekort – namelijk het later indienen van het onderdeel ‘eigen activiteiten’. Er kan dan ook niet van verzoekster wor- den verwacht dat zij op dit argument diende te anticiperen, laat staan antwoorden. De Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen diende bij zijn beoordeling rekening te houden met deze omstandigheden. De verwerende partij is lange tijd zeer vaag gebleven over de evaluatie van het stageverslag. Er werd aan verzoekster in eerste instantie enkel medegedeeld dat zij een totaalscore had behaald van 9/
  17. Over de puntenverde- ling of de wijze waarop tot de score van het stageverslag was gekomen, werd niets gezegd, ook niet toen verzoekster daar expliciet naar vroeg. Beoordeling 6.
  18. Verzoekster voert in het middel de schending aan van de juris- dictionele motiveringsplicht en artikel 149 van de Grondwet. De jurisdictionele motiveringsplicht heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet – al ware die re- dengeving verkeerd of onwettig – die hem ertoe brengt de beslissing te nemen. IX-9153-8/14 Bij de beoordeling of artikel 149 van de Grondwet is nageleefd is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de beslissing een verkeerde beoorde- ling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt. Het gaat er daarbij dan ook niet om of de motivering omstandig of juist is; alleen een gemis aan motivering – of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven – maakt een schending uit van artikel 149 van de Grondwet. De jurisdictionele motiveringsplicht houdt in dat het rechtscol- lege moet antwoorden op de middelen van de betrokkene, op zijn minst wanneer die middelen de strekking van zijn beslissing kunnen beïnvloeden doch worden afgewezen. De motiveringsplicht moet de partijen en de Raad van State toelaten zich ervan te vergewissen of het rechtscollege de voorgelegde gegevens heeft onderzocht en daadwerkelijk op de middelen heeft geantwoord. 6.
  19. Verzoekster heeft voor de Raad voor betwistingen inzake stu- dievoortgangsbeslissingen als “eerste middel – het stageverslag is ontvankelijk” grieven aangevoerd met betrekking tot de evaluatie van haar stageverslag, welke deze Raad heeft samengevat in het bestreden arrest onder de rubriek ‘Standpunt van de partijen’. 6.
  20. In het bestreden arrest wijst de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen die grieven af op volgende gronden: - “verzoekster [behaalde] voor het aspect ‘stag[e]verslag’ een quotering van 9,45/20, waardoor zij niet voldoet aan een van de […] cumulatieve voorwaarden uit de ECTS-fiche om voor het geheel van het opleidingsonderdeel te kunnen slagen”; - “verzoekster [heeft] de quotering van het stageverslag enkel bij het intern be- roep betrokken […] in een e-mail van 20 juli 2017” maar die opmerking “heeft betrekking op het stageverslag PC Caritas, criterium ‘eigen activiteiten’, onder- deel ‘opmerkingen’”; - in de bestreden beslissing van de institutionele beroepscommissie wordt even- wel geoordeeld dat “de vermelde laattijdigheid niet moet worden gekoppeld aan IX-9153-9/14 het indienen van het voorlopig verslag tijdens de tweede stage […] maar wel aan het te laat indienen van het onderdeel ‘eigen activiteiten’”, dat “volgde pas op 1 juni kort voor middernacht en was dus te laat nu de deadline 31 mei 2017 was”; - “[d]ie beoordeling wordt door verzoekster in haar verzoekschrift voor de Raad niet tegengesproken” maar integendeel “bevestigt zij [dit] in haar verzoekschrift uitdrukkelijk”; - “[w]at verzoekster in het [administratief] beroep wél aankaart met betrekking tot de quotering van het stageverslag is naast de kwestie, want doet geen afbreuk aan het door verzoekster niet tegengesproken motief van de bestreden beslissing”; - “[a]rgumenten die verzoekster ten aanzien van de quotering van het stagever- slag voor het eerst ontwikkelt in de procedure voor de [Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen] kunnen […] thans niet meer op ontvanke- lijke wijze in het debat worden betrokken”; - “de onontvankelijkheid van het eerste middel [heeft] tot gevolg […] dat het te- kort voor ‘stageverslag’ behouden blijft en verzoekster bijgevolg niet voldoet aan een van de cumulatieve voorwaarden om voor het gehele opleidingsonderdeel een credit te kunnen behalen”; - “de overige middelen van verzoekster, die enkel op het aspect ‘stage’ betrek- king hebben, [dienen] niet verder te worden onderzocht”. Wat verzoekster in het cassatieberoep “ondergeschikt” aanvoert nopens haar grieven in de administratieve beroepsprocedure met betrekking tot de quotering of onontvankelijkheid van het stageverslag heeft, als gezien, de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen niet afgewezen omdat die grieven laattijdig zijn, maar omdat ze “naast de kwestie” zijn. 6.
  21. Aldus heeft de rechter duidelijk uiteengezet om welke redenen hij de grieven van verzoekster verwerpt: in de interne beroepsprocedure wordt verzoekster enkel gepenaliseerd met aftrek van één (deel-)punt voor de laattijdige afgifte van het onderdeel ‘eigen activiteiten’; verzoekster heeft die aftrek voor de rechter niet tegengesproken; wat verzoekster in haar e-mails van 20 juli 2017 heeft aangekaart in het administratief beroep over de vermeende laattijdigheid is IX-9153-10/14 naast de kwestie en doet geen afbreuk aan de overigens toegekende score, terwijl haar overige grieven ten aanzien van de quotering van het stageverslag, die door de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen zijn samengevat, niet voor het eerst voor de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslis- singen kunnen worden aangevoerd; het tekort voor het stageverslag volstaat blij- kens de ECTS-fiche voor het afwijzen van de student voor dit opleidingsonder- deel en de overige middelen van verzoekster hebben enkel op het aspect ‘stage’ betrekking. Hiermee is voldaan aan de jurisdictionele motiveringsplicht. 6.
  22. In de mate dat verzoekster argumenteert dat de beoordeling door de eerste rechter “kennelijk onredelijk” is of dat die rechter “een onjuiste vaststelling maakt”, betwist zij de juistheid van de gegeven motieven maar maakt zij geen schending van de jurisdictionele motiveringsplicht als vormvereiste aan- nemelijk. De vraag of de rechtsopvatting van de bodemrechter juist is, is met an- dere woorden vreemd aan het aangevoerde middel. 7.
  23. Verzoekster voert de schending aan van het beschikkingsbegin- sel. 7.
  24. Daargelaten de vraag of in de rechtspleging bij de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen als administratief rechtscollege het zogenaamde beschikkingsbeginsel in dezelfde mate als in de burgerlijke rechtspleging van toepassing is, verhindert dit beginsel niet dat de rechter de juri- dische aard van de door de partijen aangevoerde feiten onderzoekt en het geschil beslecht overeenkomstig de daarop van toepassing zijnde rechtsregels. Er valt niet in te zien op welke wijze het beschikkingsbeginsel zou zijn geschonden door een beoordeling van de ontvankelijkheid van de aangevoerde middelen en ver- zoekster licht zulks niet toe – inzonderheid laat zij na aan te tonen dat de eerste rechter niet zou steunen op “de elementen die hem zijn voorgelegd” om tot zijn bevindingen te komen zoals hiervóór sub 6.3 weergegeven. IX-9153-11/14 8.
  25. Verzoekster voert de schending aan van de rechten van verde- diging. 8.
  26. De verwerende partij heeft de ontvankelijkheidsexceptie voor de bodemrechter opgeworpen en verzoekster heeft er haar verweer over kunnen voeren. Verzoekster wijst ook geen andere elementen aan die de rechter in zijn oordeel heeft betrokken en waarover zij geen tegenspraak kon voeren. Evenmin valt aldus te zien hoe de rechten van verdediging door de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen zijn geschonden. 9.
  27. Verzoekster voert de schending aan van “de ECTS-Fiche (Sta- ge en deontologie) samengelezen met de informatiegids voor het opleidingson- derdeel ‘Stage en Deontologie’ optie Klinische Psychologie en de Richtlijnen voor het stageverslag”. 9.
  28. De Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissin- gen beoordeelt overeenkomstig artikel II.291 van de Codex Hoger Onderwijs (VCHO) of de hem voorgelegde studievoortgangsbeslissing in overeenstemming is met “de decretale en reglementaire bepalingen en het onderwijs- en examenre- glement” en met “de algemene administratieve beginselen”. Voor zover het middel aanvoert dat de bodemrechter een ECTS-fiche, “Richtlijnen” of een “leidraad” miskent, laat het na zulks op een voldoende duidelijke wijze te verbinden met één van de in artikel II.291 VCHO bedoelde bepalingen en beginselen en is het middel niet ontvankelijk. 10.
  29. Verzoekster voert de schending aan van “de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek (schending van de bewijskracht van de stukken)”. De bedoelde “stukken” zijn de meervermelde “ECTS-Fiche (Stage en deontologie) samengelezen met de informatiegids voor het opleidingsonderdeel IX-9153-12/14 ‘Stage en Deontologie’ optie Klinische Psychologie en de Richtlijnen voor het stageverslag”. 10.
  30. Het bestreden arrest steunt niet op een “informatiegids” of op “Richtlijnen” – die verzoekster overigens niet eens citeert. Het middel dat de miskenning aanvoert van de bewijskracht van stukken waarop het bestreden arrest zijn beslissing niet grondt, mist feitelijke grondslag. 10.
  31. Het bestreden arrest steunt op de ECTS-fiche, doch enkel voor zover hierin een voorschrift wordt gelezen dat slagen voor het aspect ‘stagever- slag’ een cumulatieve voorwaarde vormt om voor het geheel van het opleidings- onderdeel te kunnen slagen. Verzoekster zet niet uiteen hoe de rechter op dat punt de be- wijskracht van de bedoelde fiche schendt; voor het overige steunt het arrest niet op de fiche en mist het middelonderdeel feitelijke grondslag.
  32. Voor zover verzoekster nog kritiek levert op de weigering van het door haar aangevraagde uitstel, moet worden vastgesteld dat deze kritiek be- trekking heeft op de gegrondheid van het beroep. De kritiek die de gegrondheid van het beroep betreft, is niet ontvankelijk wanneer het bestreden arrest tot de niet-ontvankelijkheid van het middelonderdeel besluit. De niet-ontvankelijkheid wordt door verzoekster evenwel niet weerlegd. Zoals gezien beperkt zij met be- trekking tot de onontvankelijkheid het middel immers enkel tot het aanvoeren van een schending van de jurisdictionele motiveringsplicht. In het licht van arti- kel 149 van de Grondwet is de in rechte of in feite juistheid van het motief even- wel niet relevant. Het middelonderdeel is in die mate onontvankelijk. IX-9153-13/14
  33. Dat verzoekster niet alle kansen heeft gehad om voor de be- roepscommissie al haar middelen naar voor te brengen omdat de puntenverdeling en de hoofdreden voor haar tekort haar niet adequaat zijn meegedeeld, zoals ver- zoekster pas voor het eerst in de memorie van wederantwoord aanvoert, is nieuw en bijgevolg onontvankelijk. BESLISSING
  34. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  35. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatiebe- roep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 19 februari 2019, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-9153-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.711 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.