← België

Arrest 243756 - Politie - 19/02/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 februari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.756 Rolnummer: A. 227403/XIV-37945 Zaak: Arrest 243756 - Politie - 19/02/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-02-21 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-29 03:24 Fiche Arrest nr 243.756 van 19 februari 2019 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Politie Beslissing : Bevolen bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 243.756 van 19 februari 2019 in de zaak A. 227.403/XIV-37.945 In zake: de VZW NATIONAAL SYNDICAAT VAN HET POLITIE- EN VEILIGHEIDSPERSONEEL (NSPV) bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joost Bosquet kantoor houdend te 2650 Edegem Mechelsesteenweg 326 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken en Veiligheid bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Joos Roets en Stefan Sottiaux kantoor houdend te 2018 Antwerpen Oostenstraat 38 bus 201 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 13 februari 2019, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 11 februari 2019 waarbij werd geoordeeld dat de aanvraag van de NSPV tot vaststelling van de representativiteit als vakorganisatie niet binnen de reglementair bepaalde termijnen werd ingediend, en bijgevolg werd besloten dat niet voldaan werd aan de wettelijk en reglementair voorgeschreven voorwaarden om als representatieve vakorganisatie te worden beschouwd, en haar status wordt omschreven als een erkende (niet representatieve) vakorganisatie. . XIV-37.945- 1/24 II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 18 februari 2019, om 14.00 uur. Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaat Matthias Hertegonne die, loco advocaat Joost Bosquet verschijnt voor de verzoekende partij en advocaten Joos Roets en Thomas Van Diest, die loco advocaat Stefan Sottiaux verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. Het Nationaal Syndicaat van het Politie- en Veiligheids- personeel VZW (hierna: het NSPV) is een erkende representatieve vakorganisatie in de zin van de wet van 24 maart 1999 „tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakverenigingen van het personeel van de politiediensten‟ (hierna: de wet van 24 maart 1999). De voorwaarden voor het verkrijgen en het behouden van de „representativiteit‟ worden bepaald in artikel 12 (iuncto artikel 6, tweede lid), van XIV-37.945- 2/24 de wet van 24 maart
  5. Aan artikel 12 van de wet van 24 maart 1999 werd uitvoering gegeven door (de artikelen 8 en 9) het koninklijk besluit van 8 februari 2001 „tot uitvoering van de wet van 24 maart 1999 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakverenigingen van het personeel van de politiediensten‟ (hierna: het koninklijk besluit van 8 februari 2001). 3.
  6. Begin februari 2019 wordt de voorzitter van het NSPV er door een vertegenwoordiger van de minister van Binnenlandse Zaken op attent gemaakt dat het NSPV “vergeten” was een aanvraag in te dienen voor het behoud van haar “representativiteit”. 3.
  7. Op 7 februari 2019 richt het NSPV dan een e-mail aan de „Administratief-expert - Secretarie van de Controlecommissie voor Vakbonds- premies en de Representativiteit in de Overheidssector‟ met de vraag naar instructies betreffende de noodzaak van het indienen van een nieuwe aanvraag tot representativiteit van de vakorganisatie. 3.
  8. Bij e-mail van 8 februari 2019 neemt de Kanselarij van de Eerste Minister het volgende standpunt in: “Aansluitend bij uw mail van donderdag 7 februari 2019 en ons telefonisch onderhoud van deze morgen, melden wij u ook via deze weg dat uw vakbondsorganisatie, op grond van artikel 8 van het K.B. van 8 februari 2001, een officiële vraag tot vaststelling van haar representativiteit diende te richten aan de Minister van Binnenlandse Zaken en dit binnen de eerste 30 dagen van de in artikel 12, § 1, van de wet van 24 maart 1999 bedoelde periode van 6 jaar, te rekenen vanaf 1 januari 2001, bij een ter post aangetekende brief. Daar de vorige zesjarige periode ten einde liep op 31 december 2018, diende de aanvraag dus te gebeuren tijdens de maand januari
  9. Artikel 9, tweede lid, van het K.B. van 8 februari 2001 stelt dat een kandiderende vakbondsorganisatie niet in aanmerking komt voor het representativiteitsonderzoek wanneer de aanvraag te laat werd ingediend. Zoals tijdens ons telefoongesprek ook reeds werd aangehaald, bent u, rekening houdende met de periode van lopende zaken, vrij om de betrokken Minister al dan niet aan te schrijven. Indien u nog bijkomende vragen zou hebben, mag u ons altijd contacteren.” XIV-37.945- 3/24 3.
  10. Op 9 februari 2019 richt het NSPV per e-mail een schrijven aan de ATS/SAT Binnenlandse Zaken waarbij wordt geargumenteerd dat de dubbelzinnigheid van de reglementering heeft geleid tot de opvatting dat het NSPV een aanvraag voor het behoud van de representativiteit kon indienen tot 1 juli 2020, zich daarbij steunend op de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van 2 juli 2014 van de vorige lijst van erkende representatieve vakorganisaties. Bij dit schrijven wordt tevens een aanvraag tot nieuw onderzoek in de zin van artikel 12, § 2 van de wet van 24 maart 1999 gevoegd. 3.
  11. Per e-mail van 10 februari 2019 antwoordt de directeur-generaal ATS Binnenlandse Zaken dat de minister de niet-representativiteit van het NSPV heeft vastgesteld aangezien de aanvraag niet binnen de reglementair voorgeschreven termijn werd ingediend. 3.
  12. Met een schrijven van 11 februari 2019 deelt de minister van Binnenlandse Zaken de voorzitter van het NSPV het volgende mee: “Geachte Voorzitter, Middels dit schrijven breng ik u ter kennis dat het Nationaal Syndicaat van het Politie- en Veiligheidspersoneel (NSPV) zijn aanvraag tot vaststelling van zijn representativiteit, welke om de zes jaar dient onderzocht te worden, niet binnen de reglementair bepaalde termijnen heeft ingediend. Derhalve is de overheid ertoe genoodzaakt te besluiten dat niet is voldaan aan de wettelijk en reglementair voorgeschreven voorwaarden om als representatieve vakorganisatie te worden beschouwd
  13. Dit impliceert dat het NSPV optreedt als erkende vakorganisatie met de hieraan verbonden prerogatieven.
  14. Wet van 24 maart 1999 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakverenigingen van het personeel van de politiediensten (inzonderheid art. 12, §1) en koninklijk besluit van 8 februari 2001 tot uitvoering van de wet van 24 maart 1999 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakverenigingen van het personeel van de politiediensten (inzonderheid art.8-9).” Dit is de bestreden beslissing. 3.
  15. De directeur-generaal ATS Binnenlandse Zaken deelt deze beslissing ook mee aan de Vaste Commissie van de Lokale Politie die dit per e-mail van 12 februari 2019 ter kennis brengt aan alle korpschefs van de lokale politiezones, en daarbij onder meer het volgende stelt: XIV-37.945- 4/24 “Hieronder kan u de communicatie van het ATS Binnenlandse zaken aangaande de representativiteit van het NSPV vinden. Deze situatie impliceert dat er gevolgen kunnen zijn binnen uw zone, zo maakt het NSPV o.a.: • Geen deel meer uit van de lokale BOC • Geen deel meer uit van verschillende commissies (bvb groene-lichten- procedure,) • Geen waarnemer meer bij selectieproceduregesprekken • Etc.” Tevens heeft de Directeur-generaal ATS Binnenlandse Zaken aan de voorzitter van het NSPV per e-mail van 13 februari 2019 bevestigd dat het NSPV haar 12 „permanente afgevaardigden‟ per 1 maart 2019 verliest. 3.
  16. De verzoekende partij voegt bij haar verzoekschrift brieven van zes van haar leden die op 12 februari 2019 hun lidmaatschap bij NSPV opzeggen, waarbij deze brieven, met hoofding „ACV Openbare Diensten Politie‟ “in opdracht” ondertekend worden zonder dat de ondertekenaar geïdentificeerd kan worden (waarbij het wel zes keer dezelfde handtekening is). IV. Rechtsmacht van de Raad van State Exceptie
  17. Volgens de nota van de verwerende partij is de Raad van State zonder rechtsmacht omdat de bestreden beslissing genomen werd op grond van een louter gebonden bevoegdheid, zonder dat de verwerende partij over enige discretionaire bevoegdheid beschikte. De verwerende partij verwijst daartoe naar artikel 9, tweede lid, van het koninklijk besluit van 8 februari 2001 dat bepaalt: “[w]ordt de aanvraag te laat ingediend, dan komt de kandiderende vakorganisatie niet in aanmerking voor het onderzoek naar haar representativiteit.” De minister kon enkel nagaan of het NSPV haar aanvraag binnen de reglementaire termijn heeft ingediend zodat zijn bevoegdheid strikt gebonden is. NSPV maakt, van zijn kant, aanspraak op een erkenning van haar subjectief recht op een vaststelling als representatieve vakorganisatie en de daaraan verbonden prerogatieven. XIV-37.945- 5/24 Beoordeling
  18. De verwerende partij steunt haar exceptie van het gebrek aan rechtsmacht van de Raad van State uitsluitend op de vaststelling dat de aanvraag van de verzoekende partij te laat werd ingediend, en dat artikel 9, tweede lid, van het koninklijk besluit van 8 februari 2001 “glashelder” bepaalt dat in dat geval de aanvraag niet in aanmerking komt voor onderzoek. De verwerende partij beperkt aldus de vraag of zij inzake de vaststelling van representativiteit van de verzoekende partij slechts over een gebonden bevoegdheid beschikt, tot de (naleving van de) termijn die voorgeschreven wordt door artikel 9, tweede lid, van het koninklijk besluit van 8 februari 2001 inzake het indienen van een aanvraag. Die zienswijze lijkt echter al te beperkt. Daargelaten nog dat de verzoekende partij te dezen net betwist dat zij een dergelijke aanvraag tot vaststelling (van het behoud van) representativiteit moest indienen (zie infra), dient op het eerste gezicht de vraag, of de verwerende partij inzake de representativiteit van de verzoekende partij slechts over een gebonden bevoegdheid dan wel over een appreciatiemarge beschikt, te moeten worden beoordeeld op grond van het al dan niet vervuld zijn of blijven van de voorwaarden die de wet van 24 maart 1999 vooropstelt om te kunnen worden beschouwd als representatieve vakorganisatie.
  19. Artikel 6 van de wet van 24 maart 1999 bepaalt: “Alleen de representatieve vakorganisaties hebben zitting in het onderhandelingscomité voor de politiediensten. Worden geacht representatief te zijn om zitting te hebben in het onderhandelingscomité voor de politiediensten: 1° de erkende vakorganisatie die zitting heeft in het gemeenschappelijk comité voor alle overheidsdiensten, bedoeld in artikel 3, § 1, eerste lid, 3°, van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel; 2° onverminderd het 1°, de erkende vakorganisatie die tegelijk : a) de belangen verdedigt van het personeel van zowel het operationeel als het administratief en logistiek kader van de politiediensten, bedoeld in artikel 116 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus; XIV-37.945- 6/24 b) een aantal bijdrageplichtige leden telt dat ten minste tien procent vertegenwoordigt van het geheel van het personeel bedoeld in artikel
  20. De Koning bepaalt het begrip “bijdrageplichtig lid”.” Het aangehaalde artikel 6, tweede lid, a), betreft de zogenoemde „representativiteitsvoorwaarde‟. Het, te dezen relevante, artikel 6, tweede lid, b), betreft het zogenoemde „representativiteitscriterium‟. De nadere regels van het onderzoek van de representativiteits- voorwaarde (cfr. artikel 6, tweede lid, a)) worden bepaald in de artikelen 10 en 11 van het koninklijk besluit van 8 februari
  21. Dit onderzoek wordt, bij delegatie door de Koning, toegewezen aan de minister en aangezien er in de wet geen criteria zijn bepaald op grond waarvan wordt geoordeeld of de betrokken vakorganisatie voldoet aan de „representativiteitsvoorwaarde‟, beschikt de minister daarbij over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid. Daargelaten de vraag of deze vaststelling niet reeds volstaat om te besluiten dat de bevoegdheid om de representativiteit van een vakorganisatie vast te stellen niet louter gebonden is, blijft het zo dat „de representativiteit‟ krachtens artikel 6, tweede lid, b) (het zgn. representativiteitscriterium) voorts (cumulatief) vereist dat de betrokken vakorganisatie een aantal “bijdrageplichtige leden” telt dat ten minste 10 procent vertegenwoordigt van het personeel, dit is het personeel van het operationeel en van het administratief en logistiek kader van de politiediensten bedoeld in artikel 116 van de wet van 7 december 1998 „tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus‟. Krachtens artikel 6, derde lid, van de wet van 24 maart 1999 komt het de Koning toe om het begrip “bijdrageplichtig lid” te bepalen, wat uitvoering heeft gekregen in artikel 1, 7°, van het koninklijk besluit van 8 februari
  22. Het begrip “bijdrageplichtig lid” wordt erin omschreven als “het personeelslid dat voor elke maand van de hierna gedefinieerde “referteperiode” waarin de “refertedatum” valt, de vakbondsbijdrage heeft betaald”. De begrippen “refertedatum”, “referteperiode” en “vakbondsbijdrage” zijn vervolgens gedefinieerd in respectievelijk artikel 1, 8°, 9° en 10°, van datzelfde koninklijk besluit waarbij evenwel het genoemde punt 10° met betrekking tot de “vakbondsbijdrage” nog bepaalt dat “[i]ndien de XIV-37.945- 7/24 bijdrageregeling van een vakorganisatie, wegens bijzondere individuele omstandigheden, in een verminderde bijdrage voorziet, bedoelde “vakbondsbijdrage” verminderd [wordt] tot de helft van het bedrag bedoeld in het vorige lid”. Op het eerste gezicht lijkt alvast het criterium van de ver- minderde bijdrage “wegens bijzondere individuele omstandigheden” enige appreciatie te vergen van de controlecommissie die overeenkomstig artikel 12, § 1, van de wet van 24 maart 1999, moet nagaan of de betrokken vakorganisatie voldoet aan het representativiteitscriterium bepaald in artikel 6, tweede lid, 2°, b), en derhalve moet kunnen uitmaken of een lid dat een verminderde bijdrage betaalt al dan niet mee in aanmerking kan genomen worden om uit te maken of de vakorganisatie voldoet aan de voorwaarde dat haar aantal bijdrageplichtige leden ten minste 10 procent van het personeel bedraagt. Prima facie betreft het werkelijke en rechtstreeks voorwerp van de vordering dan ook geen geschil omtrent een subjectief recht waarbij de bevoegdheid van de controlerende overheid volledig gebonden is. De Raad van State valt de verwerende partij derhalve vooralsnog niet bij. Om in het kader van deze procedure, waar bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing wordt beoogd van de onmiddellijke tenuitvoerlegging van een bestreden beslissing welke -zoals te dezen- de toestand van de verzoekende partij als representatieve organisatie in negatieve zin en met verregaande gevolgen wijzigt, tot de conclusie te kunnen komen dat het werkelijk voorwerp van deze vordering een subjectief recht is, lijkt het vereist dat dit prima facie evident duidelijk moet zijn. Wat te dezen dus niet het geval is.
  23. De exceptie wordt verworpen. XIV-37.945- 8/24 V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  24. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. VI. Uiterst dringende noodzakelijkheid Standpunt van de partijen
  25. De verzoekende partij zet in haar verzoekschrift onder het kopje “uiterst dringende noodzaak” uiteen dat de vordering bij uitstek dringend en noodzakelijk is ter vrijwaring van

(1)haar vertegenwoordigingsrechten als erkende vakorganisatie ten aanzien van haar leden, en
(2)haar voortbestaan. Enkel als representatieve vakorganisatie heeft zij toegang tot het bijwonen van overleg - en onderhandelingscomités. Enkel de representatieve vakorganisaties krijgen vaste afgevaardigden om de belangen van hun leden te behartigen in de diverse advies - en overlegorganen. De bestreden beslissing heeft onder meer tot gevolg dat de verzoekende partij geen deel meer kan uitmaken door afvaardiging van de lokale basisoverlegcomités en verschillende commissies. Zij kan evenmin nog optreden als waarnemer bij selectieprocedures. Zij verliest met andere woorden haar relevantie als sociale partner. De vaststelling van de niet- representativiteit werd overigens reeds aan alle politiezones meegedeeld, zodat ernstige en onherstelbare imagoschade optreedt. De bestreden beslissing zal een destructieve invloed hebben op de beslissing van de leden om nog lid te blijven en bijdragen te betalen. Dit heeft een onmiddellijke impact op de verplichting van de verzoekende partij om syndicale premies te betalen. Door het wegvloeien van leden zijn er ook geen inkomsten meer om dossiers te verdedigen in XIV-37.945- 9/24 rechtsbijstand, waarbij meer dan 12.000 leden in tucht- of gezondheidsproblemen niet meer kunnen worden bijgestaan. De overheid kan thans en ingevolge de bestreden beslissing ook maatregelen nemen tegen de afgevaardigden die bij een representativiteit beschermd zijn. De verzoekende partij wijst er in haar verzoekschrift nog op dat de verwerende partij reeds aankondigt dat ingevolge de bestreden beslissing de NSPV haar 12 permanente afgevaardigden zal verliezen. Daarnaast brengt zij stukken bij waaruit moet blijken dat “ACV (de zuil-organisatie van de bevoegde minister) thans ronselt bij de lokale politie te Antwerpen onder verwijzing naar het niet representatief verklaren van de NSPV en leden volop overstappen.” Elke dag dat de NSPV als in rechte niet representatief wordt beschouwd, verliest zij leden en verliest zij aan belang als vakorganisatie. Eenmaal de bestreden beslissing nog meer wordt verspreid, zullen de betrokken leden immers onherroepelijk kiezen voor een andere vakorganisatie die de belangen van haar leden nog wel kan behartigen in de overleg- en onderhandelingscomités. Niet toevallig zijn dit verzuilde vakorganisaties. Er dient dan ook onmiddellijk en zonder verwijl rechtszekerheid te komen betreffende de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. Indien de bestreden beslissing al is het maar enkele dagen uitwerking heeft, zal de NSPV ingevolge de reputatieschade en het verlies van leden in vereffening komen, gezien zij haar doelstellingen niet langer kan naleven door vertegenwoordiging in de reglementaire overlegorganen. Het voortbestaan van verzoekende partij maakt daarbij een manifeste en hoogdringende reden uit om de voorziening bij uiterst dringende noodzaak in te stellen. De loutere nietigverklaring van de bestreden beslissing is niet van aard de dreigende schade te remediëren. De gewone vordering tot schorsing kan hier geen oplossing bieden. Het behoud van de representativiteit raakt de essentie van de werking van de verzoekende partij als vakorganisatie en is ook cruciaal voor de tewerkgestelden van de verzoekende partij en de vertegenwoordigde leden. De bekendmaking van de lijst van representatieve vakorganisaties, en het behoud van de vertegenwoordiging in de overleg- en onderhandelingscomités wordt per onmiddellijke ingang onmogelijk, minstens bijzonder precair, gezien hun aanwezigheid en hun tussenkomsten juridisch kunnen worden betwist. Gezien de fundamentele aard van het recht op XIV-37.945- 10/24 arbeid en het daaraan gekoppelde recht op informatie, overleg en collectief handelen mogen onwettige beslissingen dat recht van de verzoekende partij niet inperken, verhinderen of impliciet onmogelijk maken. Wanneer de representativiteit van een vakbond verloren gaat, wordt haar bestaansrecht als vertegenwoordiger van haar leden met mogelijkheid te wegen op het sociaal overleg onherroepelijk aangetast. Dit is onherroepelijk, gezien het louter afwachten van het verloop van een gewone schorsingsprocedure een leegloop binnen de vakorganisatie en een tenietgaan van elk belang dreigt te veroorzaken. Gezien het belang dat aan de representativiteit wordt gehecht binnen de reglementaire organen van de overleg- en onderhandelingscomités, is dergelijke aantasting van het bestaansrecht allesbehalve denkbeeldig en is een uiterst dringend rechterlijk ingrijpen aan de orde.
  1. De verwerende partij repliceert in haar nota in essentie dat de verzoekende partij zelf de uiterst dringende noodzakelijkheid heeft gecreëerd door zelf nalatig geweest te zijn, enerzijds, doordat zij heeft verzuimd de aanvraag binnen de reglementair voorgeschreven termijn in te dienen hoewel zij perfect van die termijn op de hoogte was of had moeten zijn en, anderzijds, door de onwettigheid van de artikelen 8 en 9 van het koninklijk besluit van 8 februari 2001 pas 17 jaar na de totstandkoming ervan in te roepen, terwijl de verzoekende partij hiertoe voorheen reeds meermaals de kans gehad heeft, maar nagelaten heeft dit te doen. In die omstandigheden kan de verzoekende partij niet op geloofwaardige wijze aanvoeren dat een gewone vordering tot schorsing te laat zou komen. “Ten overvloede” stelt de verwerende partij nog vast “dat het vermeende nadeel dat de verzoekende partij zou lijden, een procedure van uiterst dringende noodzakelijkheid onvoldoende rechtvaardigt.”. De laattijdige aanvraag zou niet tot gevolg hebben dat de verzoekende partij al haar rechten zou verliezen. Als erkende vakorganisatie behoudt zij belangrijke prerogatieven (cfr. artikel 14 van de wet van 24 maart 1999) en het is niet aangetoond dat die prerogatieven onvoldoende zouden zijn om haar voortbestaan te verzekeren. De XIV-37.945- 11/24 verzoekende partij zou voorts het vermeende nadeel niet nader concretiseren dat, met andere woorden, slechts hypothetisch is. Beoordeling
  2. De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij. De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak meteen voor iedereen zonder meer duidelijk is, of door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 „tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State‟, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Dit impliceert dat een verzoekende partij aan de hand van precieze en concrete gegevens aannemelijk maakt dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien ze pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekende partij veilig te stellen. De uiterst dringende noodzakelijkheid kan daarenboven niet voortkomen uit de enkele omstandigheid dat ingevolge de doorlooptijd van de zaak een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure of een uitspraak ten gronde zou tussenkomen in een min of meer verre toekomst, waardoor de gewone XIV-37.945- 12/24 schorsings- of annulatieprocedure verzoeker niet toelaat een arrest te verkrijgen voordat de bestreden handeling zijn volledige uitwerking heeft gehad. Opdat aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid voldaan is, moet deze vaststelling ten minste gepaard gaan met andere feitelijke gegevens die eigen zijn aan de voorliggende zaak en die aantonen dat de uiterst dringende noodzakelijkheid eraan inherent is. Niet minder dan het geval is in de gewone schorsingsprocedure, is daartoe vereist dat de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om haar beslissing te verkrijgen, “op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl.St. Senaat 2012-2013, 5-2277/1, 13).
  3. Te dezen moet worden vastgesteld dat de verzoekende partij zeer snel nadat zij, op 11 februari 2019, kennis heeft gekregen van de bestreden beslissing haar vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid (op 13 februari 2019) heeft ingediend zodat haar alvast geen gebrek aan diligent handelen kan worden verweten.
  4. De kritiek van de verwerende partij dat de verzoekende partij de uiterst dringende noodzakelijkheid zelf heeft gecreëerd door niet tijdig de aanvraag bij de controlecommissie in te dienen, lijkt uit te gaan van de veronderstelling dat de verzoekende partij er zich welbewust of met een verregaande graad van lichtzinnigheid van heeft onthouden om tijdig een aanvraag in te dienen. Dat blijkt echter geenszins uit de stukken van het administratief dossier, wel integendeel (cfr. punten 3.
  5. tot 3.5.). Dat de verzoekende partij voorts heeft nagelaten reeds eerder de onwettigheid van de artikelen 8 en 9 van het koninklijk besluit van 8 februari 2001 in te roepen, hoewel zij daar volgens de verwerende partij “reeds meerdere malen de kans toe gehad heeft”, is een niet gestaafde bewering. Het valt overigens niet meteen in te zien waarom de verzoekende partij reeds eerder de XIV-37.945- 13/24 onwettigheid van die bepalingen had moeten inroepen nu zij tot nu toe nog niet benadeeld is geworden door de toepassing van die bepalingen. Van een rechtsonderhorige kan evenmin redelijkerwijze worden verwacht dat hij systematisch binnen de voorziene termijn van zestig dagen een vernietigingsberoep zou richten tegen een reglementair besluit waarvan hij niet of niet meteen moet verwachten dat het hem ooit nadelig kan zijn. Het kan van hem redelijkerwijze niet worden verwacht - wat een schier onmogelijke opdracht zou zijn - dat hij vooraf alle mogelijk denkbare situaties in kaart brengt die zich ooit zouden kunnen voordoen en waarin de toepassing van het reglementair besluit hem nadelig kan zijn. Er valt dan ook niet in te zien waarom de verzoekende partij, die pas nu voor het eerst effectief benadeeld wordt door de toepassing van die reglementaire bepalingen, de onwettigheid ervan niet zou kunnen inroepen in het kader van een schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid gericht tegen een individuele beslissing die van die bepalingen toepassing maakt en die haar rechtstreeks op nadelige wijze raakt.
  6. De verzoekende partij stelt in essentie dat de vrijwaring van haar belangen, die van haar leden en zelfs haar voortbestaan het beroep op de procedure van de uiterst dringende noodzakelijkheid, verantwoordt. Ingevolge de bestreden beslissing is de verzoekende partij wel nog een erkende vakorganisatie maar wordt zij niet langer beschouwd als een representatieve vakorganisatie, zodat zij een aantal essentiële prerogatieven verliest in vergelijking met haar vorig statuut van “representatieve vakorganisatie”. Een representatieve vakorganisatie beschikt volgens de toepasselijke regelgeving over de ruimste prerogatieven en verkeert derhalve in de meest optimale positie om de belangen van haar leden te verdedigen. Dat de verzoekende partij, ingevolge de bestreden beslissing waardoor zij niet langer als representatief wordt beschouwd, leden zal verliezen aan (andere) representatieve vakorganisaties is reëel en is, anders dan de verwerende partij dat ziet, niet “hypothetisch”. Overigens brengt de verzoekende partij stukken bij waaruit blijkt dat dit in de praktijk - zo snel na de bestreden beslissing- al gebeurt. Uit door haar XIV-37.945- 14/24 bijgebrachte brieven op briefpapier van “ACV Openbare Diensten” blijkt dat leden van de verzoekende partij hun lidmaatschap opzeggen. Bovendien zijn ook alle lokale politiezones quasi onmiddellijk in kennis gesteld van het verlies van representativiteit, en de gevolgen daarvan, wat de uitstroom van de leden verder op gang brengt en versnelt. Daarnaast heeft de bestreden beslissing onmiddellijk tot gevolg - wat de verwerende partij niet betwist - dat de verzoekende partij geen deel meer uitmaakt van het onderhandelingscomité voor de politiediensten en van de basisoverlegcomités, waardoor zij als vakorganisatie aan belang en relevantie verliest, hetgeen redelijkerwijze ook tot ledenverlies dreigt te leiden. De verzoekende partij maakt aannemelijk dat zij reeds nu schade lijdt, dat bijkomende schade waarschijnlijk is en dat deze schade onherroepelijk dreigt te worden, indien een uitspraak over een beroep tot nietigverklaring of zelfs een vordering tot schorsing volgens de gewone procedure zou moeten worden afgewacht.
  7. Het komt de Raad van State in de gegeven omstandigheden wijs voor de schorsingsvoorwaarde van het voorhanden zijn van een uiterst dringende noodzakelijkheid vervuld te achten. VII. Voorwaarde van een ernstig middel
  8. De verzoekende partij voert in een eerste middel de schending aan van “artikel 23 en 108 van de Grondwet, van artikel 12, § 1, van de wet van 24 maart 1999 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakverenigingen van het personeel van de politiediensten, van het legaliteits- en rechtsstaatbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur” en “ontstentenis van rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag, en machtsoverschrijding”. Zij vraagt tevens om toepassing van artikel 159 van de Grondwet wat de artikelen 8 en 9 van het koninklijk besluit van 8 februari 2001 betreft. XIV-37.945- 15/24 Toegelicht wordt onder meer dat de bestreden beslissing steunt op de artikelen 8 en 9 van het koninklijk besluit van 8 februari 2001 om de representativiteit van de verzoekende partij niet langer te erkennen, terwijl deze bepalingen de strekking van artikel 12, § 1, van de wet van 24 maart 1999 wijzigt, wat strijdig is met artikel 108 van de Grondwet dat voorschrijft dat de Koning de strekking van de wet niet vermag te verruimen, noch te beperken. Met verwijzing naar hetgeen in artikel 12, § 1 van de wet van 24 maart 1999 is bepaald, zet de verzoekende partij uiteen dat die bepaling de controlecommissie de bevoegdheid verleent om na te gaan of de vakorganisaties voldoen aan de representativiteit en dat de vakorganisaties daaraan hun medewerking moeten verlenen. De Koning wordt bij artikel 12, § 1, van de wet van 24 maart 1999 enkel gemachtigd om de datum van aanvang van de zesjarige cyclus vast te stellen. Niettemin bepalen de artikelen 8 en 9 van het koninklijk besluit van 8 februari 2001
(1)dat de representatieve vakorganisaties die van oordeel zijn dat zij blijven beantwoorden aan de representativiteit daartoe verplicht een aanvraag moeten indienen bij de controlecommissie om dit vastgesteld te zien waardoor het evenwicht tussen ambtshalve controlebevoegdheid van de commissie en de medewerkingsplicht van de vakorganisatie wordt gewijzigd;
(2)dat zij deze aanvraag moeten indienen binnen de eerste dertig dagen van de betrokken zesjarige cyclus (en dat aan het niet- naleven van die termijn de sanctie van de niet-ontvankelijkheid van de aanvraag kleeft);
(3)dat de minister de bevoegdheid wordt verleend om te oordelen over de aanvraag inzake representativiteit, en de ambtshalve controlebevoegdheid van de commissie wordt beperkt door haar onderzoek afhankelijk te maken van een aanvraag op straffe van verval. Deze reglementaire bepalingen overschrijden manifest de wettelijke grenzen waarin de Koning de controle van de representativiteit kon uitwerken, zodat deze bepalingen van het koninklijk besluit van 8 februari 2001 met toepassing van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing moeten worden gelaten, en de bestreden beslissing aldus de rechtens vereiste grondslag ontbeert. Ter staving van haar standpunt verwijst de verzoekende partij ook naar het advies nr. 31.185/2 van 25 januari 2001 van de afdeling Wetgeving XIV-37.945- 16/24 van de Raad van State over het ontwerp dat geleid heeft tot het koninklijk besluit van 8 februari 2001, dat zij bijbrengt. Het advies luidt: “Hoofdstuk II De bepalingen van dit hoofdstuk, dat betrekking heeft op het vaststellen van de representativiteit, zijn in ruime mate gebaseerd op het voornoemde koninklijk besluit van 28 september
  1. In tegenstelling met wat artikel 14, § 1, eerste lid, van de genoemde wet van 19 december 1974 bepaalt, beperkt de rol die bij artikel 12, § 1, van de wet van 24 maart 1999 aan de controlecommissie wordt verleend, zich echter niet tot het controleren van het „criterium inzake het aantal bijdrageplichtige leden‟, maar heeft ze betrekking op alle representativiteitsvoorwaarden die in artikel 6 van dezelfde wet worden gesteld. De bepalingen van het ontwerp, waarbij aan de Minister van Binnenlandse Zaken de controle van de representativiteitsvoorwaarde gesteld in artikel 6, tweede lid, 2°, a), van de wet wordt toevertrouwd, zijn dus strijdig met het voornoemde artikel
  2. In verband met de organisaties die zitting hebben in het onderhandelingscomité van de politiediensten en in het beheersorgaan van de sociale diensten, bepaalt artikel 12 van de wet bovendien niet dat die controle alleen wordt uitgevoerd als de organisaties een aanvraag hebben ingediend. Om die reden zijn de artikelen 8 en 9, voor zover daarin respectievelijk wordt bepaald dat erkende vakorganisaties die van oordeel zijn dat ze representatief „blijven‟ ook een aanvraag moeten indienen en dat kandiderende organisaties die de aanvraag te laat indienen, niet in aanmerking komen voor controle van hun representativiteit, bijgevolg ook strijdig met artikel 12 van de wet. Daaruit volgt dat hoofdstuk II moet worden herzien.” Dit advies werd niet gevolgd. De artikelen 8 en 9 werden niet aangepast, terwijl het duidelijk is dat deze bepalingen de rechtsgrond vormen voor de bestreden beslissing, vermits deze zeer summiere beslissing in voetnoot naar deze bepalingen verwijst.
  3. In haar nota repliceert de verwerende partij in essentie dat de bestreden beslissing gewoon toepassing verleent aan artikel 9 van het koninklijk besluit van 8 februari 2001 dat zeer duidelijk is en waarbij de minister slechts over een gebonden bevoegdheid beschikt. In zoverre de verzoekende partij meent dat de artikelen 8 en 9 van dat koninklijk besluit omwille van hun onwettigheid buiten toepassing moeten worden gelaten (cfr. artikel 159 GW), meent de verwerende partij vooreerst dat deze onwettigheidsexceptie een doorgedreven onderzoek vergt dat niet verenigbaar is met het uiterst summier onderzoek in het kader van een schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Zij XIV-37.945- 17/24 stelt nog dat het buiten toepassing verklaren van die reglementaire bepalingen niet belet dat zij bij het nemen van een nieuwe beslissing er nog steeds toe gehouden is die reglementaire bepalingen toe te passen. Verder argumenteert de verwerende partij nog dat de verzoekende partij er ten onrechte aan voorbijgaat dat artikel 12, § 1, van de wet van 24 maart 1999 onvoldoende gedetailleerd en nauwkeurig is om te worden toegepast, zodat de Koning op grond van artikel 108 van de Grondwet nadere uitvoeringsmodaliteiten kon en moest bepalen, waarbij hij weliswaar de wet niet mocht uitbreiden, noch beperken. Zij stelt dat de genoemde artikelen 8 en 9 van het koninklijk besluit van 8 februari 2001 geenszins onverenigbaar zijn met de inhoud en draagwijdte van artikel 12, § 1, van de wet van 24 maart
  4. De verwerende partij meent ook nog dat de sanctie die artikel 9, tweede lid, van het koninklijk besluit van 8 februari 2001 koppelt aan het laattijdig indienen van de aanvraag, voortvloeit uit de discretionaire bevoegdheid van de Koning om te bepalen hoe, om de zes jaar, de aanvangsdatum van het onderzoek van de controlecommissie wordt bepaald. De verplichting om zelf een aanvraag in te dienen tijdens de eerste dertig dagen van de opeenvolgende zesjarige periodes is volgens de verwerende partij compatibel met het gegeven dat de wetgever niet nader heeft afgebakend hoe de Koning, om de zes jaar, de datum moet vaststellen vanaf wanneer de controlecommissie haar taak moet aanvangen. Volgens haar zijn er drie (opeenvolgende) stappen:
(1)de verplichting om tijdig een aanvraag te doen om als representatief erkend te worden of te blijven,
(2)het onderzoek door de minister van (
  1. a)de regelmatigheid (lees: tijdigheid) van de aanvraag en (
  2. b)of (nog) voldaan is aan de representativiteitsvoorwaarde en, tot slot,
(3)het onderzoek door de controlecommissie of (nog) voldaan is aan het reperesentativiteitscriterium. De keuze van de sanctie is evenmin onevenredig in het licht van hetgeen in artikel 12, § 1, van de wet van 24 maart 1999 is bepaald. De verwerende partij beklemtoont nog dat de controlebevoegdheid van de controlecommissie door het genoemde artikel 12, § 1, wordt beperkt tot artikel 6, tweede lid, 2°, b) (het representativiteitscriterium -10% van personeelscontingent). De bevoegdheid om de representativiteitsvoorwaarde (artikel 6, tweede lid, 2°, a)) te controleren, XIV-37.945- 18/24 berust bij de Koning die deze bevoegdheid - op grond van artikel 108 van de Grondwet - aan de minister heeft gedelegeerd. Beoordeling
  1. Artikel 12 van de wet van 24 maart 1999 bepaalt: “§
  2. Om de zes jaar, vanaf een door de Koning vast te stellen datum, onderzoekt de controlecommissie bedoeld in artikel 14, § 1, van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel, hierna „de commissie‟ genoemd, of de vakorganisaties die zitting hebben of vragen om zitting te mogen hebben in het onderhandelingscomité van de politiediensten en in het met toepassing van artikel 11 opgerichte beheersorgaan van de sociale diensten, voldoen aan de voorwaarde bepaald in artikel 6, tweede lid, 2°, b). De vakorganisaties bedoeld in het eerste lid leggen aan de commissie, op haar aanvraag, de bewijsmiddelen voor die nodig zijn voor de toepassing van het bedoelde lid. Op verzoek van de voorzitter van de commissie moeten de overheden van de politiediensten hem de bijgewerkte lijst van hun personeel bezorgen dat aan de bij deze wet ingestelde regeling is onderworpen. Voor de leden van de commissie en de personeelsleden die hun eventueel terzijde staan, geldt de verplichting van het beroepsgeheim omtrent de inhoud van de inlichtingen door de vakorganisaties verstrekt. Een afgevaardigde van de betrokken vakorganisaties mag bij iedere onderzoeksverrichting betreffende die organisatie aanwezig zijn. §
  3. Een vakorganisatie waarvan door de commissie werd vastgesteld dat zij niet voldoet aan de bepalingen bedoeld in § 1, eerste lid, mag voor het verstrijken van de termijn van zes jaar een nieuw onderzoek aanvragen, indien zij meent sedert die vaststelling wel aan de gestelde voorwaarden te voldoen. Indien uit dit nieuwe onderzoek blijkt dat de vakorganisatie aan de gestelde voorwaarden voldoet, heeft zij zitting in het onderhandelings- en overlegcomité vanaf de datum waarop het resultaat van dit nieuwe onderzoek is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.” Uit het aangehaalde artikel 12, § 1, vloeit voort dat
(1)de controlecommissie om de zes jaar, vanaf een door de Koning vastgestelde datum, onderzoekt of de erkende representatieve vakorganisaties voldoen aan het representativiteitscriterium bedoeld in artikel 6, tweede lid, 2°, b) van diezelfde wet,
(2)de vakorganisaties met het oog op dat onderzoek, op aanvraag van de commissie, haar de nodige bewijsmiddelen voorleggen en
(3)de overheden van de politiediensten op verzoek van de voorzitter van de commissie hem de bijgewerkte lijst bezorgen van het personeel dat aan de bij de wet ingestelde XIV-37.945- 19/24 regeling is onderworpen. Met de verzoekende partij wordt vastgesteld dat artikel 12, § 1, aan de Koning slechts de bevoegdheid lijkt te verlenen om de begindatum van de cyclus van zes jaar vast te stellen en aldus de begindatum te bepalen, vanaf dewelke het onderzoek door de controlecommissie moet plaatsvinden. Met artikel 12, § 1, eerste lid heeft de wetgever verder de controlebevoegdheid inzake het representativiteitscriterium rechtstreeks toege- wezen aan de controlecommissie. Gelezen in samenhang met het tweede lid van datzelfde artikel 12, § 1, blijkt bovendien, wat de representatieve vakorganisaties betreft die reeds zitting hebben in het onderhandelingscomité van de politiediensten, het initiatief voor het onderzoek of nog steeds aan het genoemde representativiteitscriterium is voldaan, bij die controlecommissie te liggen. De representatieve organisaties moeten op aanvraag van de controlecommissie haar de bewijsmiddelen voorleggen die nodig zijn. 19. In zoverre artikel 8, eerste lid, van het koninklijk besluit van 8 februari 2001 vereist dat de erkende vakorganisatie die van oordeel is dat zij blijft beantwoorden aan de voorwaarden bepaald bij artikel 6, tweede lid, 2°, van de wet van 24 maart 1999 - en die dus reeds zitting heeft als representatieve organisatie - “de vaststelling van haar representativiteit [kan] aanvragen overeenkomstig artikel 12, § 1, van de wet”, lijkt die door het reglementair besluit opgelegde (herhaalde) aanvraagvereiste niet te stroken met het hiervoor aangehaalde artikel 12, § 1, van de wet van 24 maart 1999 en aldus een voorwaarde (lees: de aanvraagvereiste) aan de wet toe te voegen die de Raad van State daarin niet leest. In zoverre artikel 9, eerste lid, van datzelfde koninklijk besluit beoogt te bepalen dat die “aanvraag tot vaststelling van de representativiteit” ook door een reeds als representatief erkende vakorganisatie moet worden ingediend “binnen de eerste dertig dagen” van iedere zesjarige cyclus, strookt deze bepaling evenmin met artikel 12, § 1, van de wet vermits de onderzoeksbevoegdheid aan de controlecommissie wordt toegewezen en het onderzoek gebeurt op haar initiatief, zonder dat daartoe een (hernieuwde) aanvraag moet worden ingediend door de representatieve vakorganisatie die reeds in de comités zitting heeft. In zoverre, tot slot, artikel 9, tweede lid, van het XIV-37.945- 20/24 koninklijk besluit bepaalt dat indien de aanvraag niet binnen de voorgeschreven termijn wordt ingediend, de kandiderende vakorganisatie niet in aanmerking komt voor het onderzoek naar de representativiteit, lijkt ook deze sanctie prima facie geen grond te vinden in de wet. Immers, opnieuw moet worden vastgesteld dat - anders dan het geval is voor een erkende vakorganisatie waarvan de representativiteit nog niet eerder is vastgesteld -, het aangehaalde artikel 12, § 1, van de wet niet voorschrijft dat een aanvraag moet worden ingediend door een representatieve vakorganisatie die reeds zitting heeft in de in artikel 12, § 1 bepaalde comités of het daarin bedoelde beheersorgaan. In die omstandigheden lijken de artikelen 8 en 9 van het koninklijk besluit van 8 februari 2001 met toepassing van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing te moeten blijven, waardoor de bestreden beslissing rechtsgrond ontbeert. 20. Ambtshalve bemerkt de Raad van State bovendien nog dat de bestreden beslissing door de minister werd genomen, waarin hij met verwijzing naar de artikelen 8 en 9 van het koninklijk besluit van 8 februari 2001 beslist dat de verzoekende partij haar aanvraag tot vaststelling van haar representativiteit, welke om de zes jaar dient onderzocht te worden, niet binnen de reglementair bepaalde termijnen heeft ingediend en dat derhalve “niet voldaan is aan de wettelijk en reglementair voorgeschreven voorwaarden om als representatieve vakorganisatie te worden beschouwd.” (cfr. punt 3.7). De minister is weliswaar bevoegd om de representativiteitsvoorwaarde bedoeld in artikel 6, tweede lid, 2°,
  1. a)te onderzoeken en te beoordelen maar de verwijzing naar de artikelen 8 en 9 van het koninklijk besluit van 8 februari 2001 lijkt enkel het onderzoek en de beoordeling van het “representativiteitscriterium” (artikel 6, tweede lid, 2°, b)) te betreffen waarvoor de bevoegdheid, bij artikel 12, § 1, van de wet van 24 maart 1999, rechtstreeks aan de controlecommissie is toegewezen die daarover autonoom beslist, zodat op het eerste gezicht de bestreden beslissing al evenmin lijkt uit te gaan van de daartoe bevoegde overheid. 21. Tot slot, in zoverre de verwerende partij er in haar nota op wijst dat zij in geval van schorsing van de bestreden beslissing in een precaire situatie XIV-37.945- 21/24 terechtkomt omdat zij bij het nemen van een nieuwe beslissing er nog steeds toe gehouden zal zijn de buiten toepassing verklaarde reglementaire bepalingen toe te passen, vergist zij zich: een arrest over een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid heeft gezag van gewijsde tussen partijen en moet door hen worden gerespecteerd. 22. Het eerste middel is in de aangegeven mate ernstig. Ook de tweede en laatste cumulatieve voorwaarde voor een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid is vervuld. VIII. Voorlopige maatregelen 23. De verzoekende partij vordert dat aan de verwerende partij bij wijze van voorlopige maatregel zou worden bevolen dat in afwachting van een heroverweging na schorsing of de afhandeling van de in te stellen procedure ten gronde ertoe gehouden is aan de verzoekende partij alle prerogatieven van een representatieve vakorganisatie toe te kennen. Zij meent dat daartoe een noodzaak bestaat ingevolge het juridisch vacuüm dat ontstaat bij de wettigheidstoets van het koninklijk besluit van 8 februari 2001. Beoordeling 24. De schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing om de hiervoor uiteengezette redenen heeft tot gevolg dat de verzoekende partij terug de status van representatieve vakorganisatie (en de daaraan verbonden prerogatieven) heeft. De verwerende partij moet het gezag van gewijsde van een schorsingsarrest, evenals de motieven waarop dat schorsing sarrest steunt, eerbiedigen zolang het niet is opgeheven. De vraag van de verzoekende partij partijen om aan de verwerende partij te bevelen aan de verzoekende partij alle prerogatieven van een representatieve vakorganisatie toe XIV-37.945- 22/24 te kennen, brengt de verzoekende partij geen bijkomend voordeel bij. In dit opzicht is de gevraagde voorlopige maatregel dan ook overbodig. IX. Kosten 25. Het is passend, gelet op de hierna ingewilligde vordering tot schorsing en het daaropvolgende nog noodzakelijke procedureverloop, de kosten, de gevorderde rechtsplegingsvergoedingen inbegrepen, in beraad te houden. BESLISSING 1. De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 11 februari 2019 waarbij werd geoordeeld dat de aanvraag van de NSPV tot vaststelling van de representativiteit als vakorganisatie niet binnen de reglementair bepaalde termijnen werd ingediend, en bijgevolg werd besloten dat niet voldaan werd aan de wettelijk en reglementair voorgeschreven voorwaarden om als representatieve vakorganisatie te worden beschouwd, en haar status wordt omschreven als een erkende (niet representatieve) vakorganisatie. 2. De Raad van State verwerpt de vordering voor het overige. 3. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als de geschorste beslissing. XIV-37.945- 23/24 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negentien februari tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Kaat Leus, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Kaat Leus XIV-37.945- 24/24 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.756 Gerelateerde publicatie(
  2. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.122 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.