← België

Arrest 243774 - Penitentiair recht - 21/02/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 februari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.774 Rolnummer: A. 227463/XIV-37951 Zaak: Arrest 243774 - Penitentiair recht - 21/02/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-02-25 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-25 06:31 Fiche Arrest nr 243.774 van 21 februari 2019 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 243.774 van 21 februari 2019 in de zaak A. 227.463/XIV-37.951 In zake: Tom WITTEBROODT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jürgen Millen kantoor houdend te 3730 Hoeselt Tongersesteenweg 4, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 20 februari 2019, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de tuchtbeslissing van de (attaché) gevangenisdirecteur van Leuven Centraal […] van 14 februari 2019” waarmee verzoeker “dertig dagen ATV [werd] opgelegd van 11 februari 2019 tot en met 13 maart 2019” en van de “daaraan gekoppelde beslissing van 14 februari 2019 tot plaatsing van verzoeker in een tussenregime” van “13 maart 2019 tot 11 juni 2019.” II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 februari 2019, om 09.30 uur. XIV-37.951-1/6 Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Valerie Kruijen, die loco advocaat Jürgen Millen verschijnt voor verzoeker, en attaché Eva De Cock, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. Verzoeker is opgesloten in de gevangenis te Leuven. 3.
  5. Op 14 februari 2019 wordt aan verzoeker de tuchtsanctie opgelegd van dertig dagen afzondering in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte vanaf 11 februari 2019 om 9 uur tot en met 13 maart 2019 om 9 uur en glasbezoek. Verzoeker wordt er tevens van in kennis gesteld dat ingevolge de voornoemde beslissing vijf punten werden bijgeteld aan zijn saldo betreffende het “tussenregime” waardoor dit saldo tien punten bedraagt en hij wordt eraan herinnerd dat een saldo van tien of meer punten een verblijf van drie maanden in het tussenregime als gevolg heeft, te dezen van 13 maart 2019 om 9 uur tot en met 11 juni 2019 om 9 uur. Dit zijn de bestreden beslissingen. XIV-37.951-2/6 IV. De schorsingsvoorwaarden
  6. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid Standpunt van verzoeker
  7. Het verzoekschrift bevat geen uiteenzetting betreffende de voorwaarde van de spoedeisendheid. Verzoeker vermeldt onder het kopje “uiteenzetting der feiten” dat “de gewone procedure tot schorsing en/of nietigverklaring niet tijdig tot een uitspraak van de Raad van State zal leiden gezien het tussenregime afloopt op 11 juni 2019 en de opgelegde tuchtstraf van 30 dagen op 13 maart 2019” en onder een kopje “belang in hoofde van verzoeker” dat hij twee ernstige middelen aanvoert en dat het plaatsen in een “tussenregime” “bijzonder zwaar psychologisch gaat doorwegen op verzoeker die, door zijn lange detentie, in bijna uitsluitende mate contact kan hebben met medemensen (gedetineerden) door het open regime dat binnen de gevangenis van Leuven Centraal wordt gehanteerd te meer omdat verzoeker langgedetineerd is en deze contacten dan ook echt noodzakelijk voor hem zijn”,om te wettigen dat hij een groot belang heeft bij een onmiddellijke schorsing van de bestreden beslissingen. Beoordeling
  8. De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor XIV-37.951-3/6 de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij. De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak meteen voor iedereen zonder meer duidelijk is, of door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Dit impliceert dat een verzoekende partij aan de hand van precieze en concrete gegevens aannemelijk maakt dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien ze pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekende partij veilig te stellen. De uiterst dringende noodzakelijkheid kan daarenboven niet voortkomen uit de enkele omstandigheid dat ingevolge de doorlooptijd van de zaak een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure of een uitspraak ten gronde zou tussenkomen in een min of meer verre toekomst, waardoor de gewone schorsings- of annulatieprocedure verzoeker niet toelaat een arrest te verkrijgen voordat de bestreden handeling zijn volledige uitwerking heeft gehad. Opdat aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid voldaan is, moet deze vaststelling ten minste gepaard gaan met andere feitelijke gegevens die eigen zijn aan de voorliggende zaak en die aantonen dat de uiterst dringende noodzakelijkheid eraan inherent is. XIV-37.951-4/6 Niet minder dan het geval is in de gewone schorsingsprocedure, is daartoe vereist dat de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om haar beslissing te verkrijgen, “op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (Parl.St. Senaat 2012-2013, 5-2277/1, 13).
  9. De eventuele ernst van de middelen toont niet de uiterst dringende noodzakelijkheid aan, vermits het voormelde artikel 17, §§ 1 en 4, twee afzonderlijke voorwaarden inhoudt. Waar verzoeker voorhoudt dat een gewone vordering tot schorsing niet zou volstaan omdat een schorsingsarrest slechts zou tussenkomen nadat de bestreden beslissingen hun volledige uitwerking zullen hebben gehad, is supra reeds aangegeven dat die enkele omstandigheid niet volstaat om de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid te verantwoorden. Verzoeker verwijst voorts op algemene wijze naar de volgens hem ernstige repercussies van het “tussenregime” om zijn groot (moreel) belang bij een onmiddellijke schorsing van de bestreden beslissingen te wettigen, doch hij toont vanuit dat perspectief niet in concreto aan dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen en van dat regime in het bijzonder, zonder een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, tot onherroepelijke schadelijke gevolgen zou leiden. De verwerende partij wijst er ter terechtzitting trouwens op dat verzoeker tijdens de duur van het “tussenregime” nog steeds alle rechten vervat in de basiswet kan uitoefenen en dus aan alle activiteiten in gemeenschap zal kunnen deelnemen. Niet blijkt derhalve dat in dat regime aan verzoeker contacten met medegedetineerden wordt ontzegd. De uiterst dringende noodzakelijkheid is niet aangetoond. XIV-37.951-5/6 VI. Conclusie
  10. Uit wat voorafgaat volgt dat niet is voldaan aan één van de bij artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de bestreden beslissing te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. BESLISSING
  11. De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid.
  12. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van eenentwintig februari tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, Kamervoorzitter, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-37.951-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.774 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.