← België

Arrest 243804 - Wegverkeer van goederen - 26/02/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 februari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.804 Rolnummer: A. 222464/XII-8393 Zaak: Arrest 243804 - Wegverkeer van goederen - 26/02/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-03-11 Raadplegingen: 74 - laatst gezien 2026-06-29 03:24 Fiche Arrest nr 243.804 van 26 februari 2019 Economische zaken - Wegverkeer van goederen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 243.804 van 26 februari 2019 in de zaak A. 222.464/XII-8393 In zake: de NV GEERTRANS-HELLINGS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Frederik Vanden Bogaerde en Jasper Bolle kantoor houdend te 8800 Roeselare Kolenkaai 4 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST woonplaats kiezend bij het agentschap Wegen en Verkeer Koning Albert II-laan 20/4 1000 Brussel -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 14 juni 2017, strekt tot de nietig- verklaring van “de beslissing genomen door de Administrateur-generaal van het Agentschap Wegen en Verkeer dd. 11 mei 2017, waarbij in graad van beroep, aan [de nv Geertrans-Hellings] een administratieve geldboete van 1.050,00 EUR wordt opgelegd en dit op basis van de artikelen […] 3 e.v. van het Decreet van 3 mei 2013 betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge- diend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. XII-8393- 1/7 Auditeur Ines Martens heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 22 januari
  3. Staatsraad Johan Bovin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Sinan Karsikaya, die loco advocaat Frederik Vanden Bogaerde verschijnt voor de verzoekende partij, is gehoord. Auditeur Ines Martens heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Op 5 april 2016 wordt een vrachtwagen met oplegger, bestuurd door Gioacchino Caltabellotta, die reed voor rekening van de nv Geertrans- Hellings, de verzoekende partij, door de wegeninspectie gecontroleerd op de gewestweg E313 richting Hasselt ter hoogte van Tessenderlo. Bij weging van het voertuig wordt vastgesteld dat het voertuig overladen is. Op as 2 van de trekker bedraagt de overlading 1434 kg, hetzij 11,9 %. Er wordt proces-verbaal opgesteld wegens inbreuk op artikel 3, eerste en tweede lid, van het decreet van 3 mei 2013 ‘betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport’ (hierna: het decreet bijzonder wegtransport). XII-8393- 2/7 3.
  6. Het proces-verbaal wordt aan de procureur des Konings te Hasselt bezorgd met verzoek om overeenkomstig artikel 17, § 3, van het decreet bijzonder wegtransport, binnen een termijn van 60 dagen mee te delen welk gevolg aan de zaak zal worden gegeven. Op 10 juni 2016 beslist de procureur des Konings dat geen strafvervolging zal worden ingesteld. 3.
  7. Op 11 augustus 2016 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de verzoekende partij een administratieve geldboete van 1050 euro op te leggen. Deze beslissing wordt dezelfde dag met een aangetekende brief aan de verzoekende partij ter kennis gebracht. 3.
  8. Op 30 augustus 2016 tekent de verzoekende partij bezwaar aan tegen die beslissing. Op 12 januari 2017 heeft een hoorzitting plaats. Naar aanleiding van de hoorzitting legt de verzoekende partij een schriftelijke conclusie neer. Op 31 januari 2017 beslist de wegeninspecteur-controleur om aan de verzoekende partij een administratieve geldboete van 1050 euro op te leggen. Deze beslissing wordt dezelfde dag met een aangetekende brief aan de verzoekende partij, die woonplaats kiest bij haar raadsman, ter kennis gebracht. 3.
  9. Op 6 februari 2017 stelt de verzoekende partij tegen die beslissing beroep in bij de Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare Werken. Op 24 maart 2017 vindt een hoorzitting plaats. De verzoekende partij dient opnieuw een schriftelijke conclusie in. Op 11 mei 2017 beslist de administrateur-generaal van het agentschap Wegen en Verkeer om aan de verzoekende partij een administratieve geldboete van 1050 euro op te leggen. Die beslissing wordt dezelfde dag met een aangetekende brief aan de verzoekende partij ter kennis gebracht. XII-8393- 3/7 Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van het enig middel Uiteenzetting van het middel 4.
  10. In een enig middel voert de verzoekende partij de schending aan van de “artikelen 2, 17 en 19 van het Decreet Bijzonder Wegtransport”. De verzoekende partij verwijst in haar verzoekschrift naar de omschrijving van het begrip “overtreder” in artikel 2 van het decreet bijzonder wegtransport, namelijk de “natuurlijke persoon of rechtspersoon die een inbreuk pleegt op dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan”. Zij stelt dat zij “niet als werkgever van de chauffeur, noch als rechtstreekse partij bij de betrokken vervoersoperatie betrokken is”, en bijgevolg vreemd is aan de feiten die aanleiding gaven tot het opstellen van het proces-verbaal en de daaropvolgende admini- stratieve procedure. Aldus kon zij “onmogelijk de hoedanigheid verwerven van ‘overtreder’ in de zin van artikel 2 Decreet Bijzonder Wegtransport”. De verzoe- kende partij voegt in bijlage een kopie van een arbeidsovereenkomst opgemaakt op 3 september 2010 tussen Gioacchino Caltabellotta en de nv Geertrans. 4.
  11. In de memorie van wederantwoord wijst de verzoekende partij er nog op dat de verwerende partij niet aantoont dat de reeds in de bestuurlijke procedure voorgelegde arbeidsovereenkomst waaruit blijkt dat de verzoekende partij niet de werkgever is van de chauffeur, onjuist of vals zou zijn. Evenmin wordt aangetoond dat het stilzwijgen van de verzoekende partij lopende de bestuurlijke procedure voor het opleggen van een geldboete aanleiding kan geven tot het ontstaan van een onweerlegbaar vermoeden, wat ook onmogelijk zou zijn aangezien de administratieve geldboete een sanctie is in de zin van artikel 6 EVRM. XII-8393- 4/7 Beoordeling 4.
  12. Met de bestreden beslissing van 11 mei 2017 wordt aan de verzoekende partij, de nv Geertrans-Hellings, een administratieve geldboete opgelegd wegens inbreuk op artikel 3, tweede lid, van het decreet bijzonder wegtransport. De verzoekende partij wordt beschouwd als overtreder in de zin van artikel 2 van hetzelfde decreet omdat de chauffeur van de vrachtwagen waarvan de overlading werd vastgesteld blijkens het proces-verbaal van vaststelling reed in opdracht van de verzoekende partij. De verzoekende partij betwist niet dat een onderneming die eigenaar is van het voertuig waarvan de overlading wordt vastgesteld en die opdrachtgever is voor het vervoer, kan worden beschouwd als overtreder in de zin van artikel 2 van het voormelde decreet. Dat de verzoekende partij eigenaar was van het betrokken voertuig en opdrachtgever van het vervoer werd vastgesteld in het proces-verbaal nr. HA 93 WG 218016 16 van 5 april 2016 dat naar aanleiding van de vastgestelde overlading werd opgesteld. In het proces-verbaal wordt vermeld: “Wij ondergetekenden […] gaan over tot de weging van de in bijlage 2 vermelde voertuigen,.” In bijlage 2 bij het proces-verbaal wordt vermeld dat de nv Geertrans-Hellings, de verzoekende partij, eigenaar is van de trekker en de oplegger en burgerlijk aansprakelijk is voor het voertuig. Dit wordt door de verzoekende partij niet betwist. In bijlage 3 bij het proces-verbaal verklaart de chauffeur van het voertuig dat hij reed in opdracht van “Geertrans-Hellings”. Met een ter post aangetekend verzonden brief van 20 april 2016 wordt het proces-verbaal met de bijlagen overgemaakt aan de verzoekende partij. In deze brief wordt vermeld : XII-8393- 5/7 “Mag ik u vragen om binnen de 8 dagen, na ontvangst van dit schrijven, te bevestigen dat u, op het ogenblik van de feiten burgerrechtelijk aansprakelijk was voor Gioacchino Caltabellotta, eventuele foutieve gegevens te verbeteren. Indien wij binnen de gestelde termijn niets ontvangen hebben, wordt er van uit gegaan dat de informatie correct is.” Volgens het in het administratief dossier opgenomen bewijs van aangetekende zending werd de voormelde brief door de verzoekende partij ontvangen op 21 april
  13. De verzoekende partij heeft geen opmerkingen geformuleerd op de gegevens opgenomen in het proces-verbaal, hetgeen door haar overigens niet wordt betwist. 4.
  14. Luidens artikel 16, derde lid, van het decreet bijzonder wegtransport heeft het proces-verbaal, opgesteld door de wegeninspecteur, “bewijswaarde tot bewijs van het tegendeel”. 4.
  15. In de eerste plaats moet met de verwerende partij worden vastgesteld dat de verzoekende partij geen enkele opmerking heeft gemaakt omtrent de in het proces-verbaal van 5 april 2016 opgenomen gegevens toen haar daarom werd gevraagd bij brief van 20 april
  16. De in het proces-verbaal opgenomen gegevens dienen bijgevolg overeenkomstig artikel 16, derde lid, van het decreet bijzonder wegtransport, te worden geacht bewijswaarde te hebben tot bewijs van het tegendeel. De Raad van State ziet niet in hoe het feit dat de betrokken chauffeur op 3 september 2010 een arbeidsovereenkomst had gesloten met de nv Geertrans – en dus niet met de verzoekende partij, de nv Geertrans-Hellings – ipso facto aantoont dat deze op het ogenblik van de feiten niet reed in opdracht van de verzoekende partij, eigenaar en burgerlijk aansprakelijke van de trekker en oplegger waarmee de inbreuk op artikel 3 van het decreet bijzonder wegtransport werd gepleegd, zoals door de chauffeur in het proces-verbaal van 5 april 2016 wordt verklaard. XII-8393- 6/7 De verzoekende partij blijft dan ook in gebreke het “bewijs van het tegendeel” van de in dat proces-verbaal gedane vaststellingen te leveren, namelijk dat de chauffeur op het ogenblik van de vaststelling van de inbreuk heeft verklaard dat hij reed in opdracht van “Geertrans-Hellings”, noch dat deze verklaring onjuist zou zijn. De verzoekende partij brengt overigens ook de vrachtbrief van het betrokken transport niet bij, waarop onder meer de gegevens betreffende de vervoerder dienen te worden vermeld. 4.
  17. Het middel is niet gegrond. BESLISSING
  18. De Raad van State verwerpt het beroep.
  19. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 200 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 26 februari 2019, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Johan Bovin, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Johan Bovin XII-8393- 7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.804 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.