id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 februari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.812 Rolnummer: A. 219206/X-16620 Zaak: Arrest 243812 - Plannen van aanleg - 26/02/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-03-12 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-25 06:52 Fiche Arrest nr 243.812 van 26 februari 2019 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Plannen van aanleg Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 243.812 van 26 februari 2019 in de zaak A. 219.206/X-16.
- In zake :
- de BVBA HIPPO SHOP
- Marianne VAN GELDER
- Jef VAN GIEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ive Van Giel kantoor houdend te 2018 Antwerpen Generaal Lemanstraat 67 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :
- de PROVINCIE ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Reiner Tijs kantoor houdend te 2000 Antwerpen Nassaustraat 37-41 bij wie woonplaats wordt gekozen
- het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stijn Brusselmans en Willem Slosse kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 64/201 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 9 mei 2016, strekt tot de nietigverklaring van: a. het besluit van de deputatie van de provincieraad van de provincie Antwerpen van 26 februari 2015 houdende de gedeeltelijke afschaffing van buurtweg nr. 43 in de gemeente Zoersel en b. het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 7 maart 2016 waarbij, na beroep, het voornoemde deputatiebesluit wordt goedgekeurd. X-16.620-1/18 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Wouter De Cock heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen en de verwerende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 december
- Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht. Advocaat Ive Van Giel, die verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Joëlle Gillemot, die loco advocaat Reiner Tijs verschijnt voor de eerste verwerende partij, en advocaat Michel van Dievoet, die loco advocaat Willem Slosse verschijnt voor de tweede verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- De gemeente Zoersel wordt in de noord-zuidrichting doorsneden door de gewestweg N
- Op het bij koninklijk besluit van 30 september 1977 vastgestelde gewestplan Turnhout is een reservatiestrook X-16.620-2/18 ingetekend om, parallel aan de N14, aan de oostrand van Zoersel een omleidingsweg aan te leggen (hierna: de in het gewestplan voorziene omleidingsweg). Ten oosten van de in het gewestplan voorziene omleidingsweg bevindt zich een openruimtegebied dat op hetzelfde gewestplan grotendeels is ingetekend als (landschappelijk waardevol) agrarisch gebied (hierna: het openruimtegebied). Ter verduidelijking volgt hierna een uittreksel uit het gewestplan waarop aanduidingen zijn aangebracht. X-16.620-3/18
- De tweede verzoekster bewoont een onroerend goed dat eigendom is van de eerste verzoekende partij en dat gelegen is in het openruimtegebied. De woning van de derde verzoeker bevindt zich in het op het meergenoemde gewestplan voorziene woongebied tussen de N14 en de in het gewestplan voorziene omleidingsweg. De oost-west georiënteerde buurtweg nr. 43 (hierna: de betrokken buurtweg) loopt van het openruimtegebied naar het laatstgenoemde woongebied en wordt doorsneden door de reservatiestrook van de in het gewestplan voorziene omleidingsweg.
- Op 22 april 2014 beslist de gemeenteraad van de gemeente Zoersel een openbaar onderzoek te houden over de gedeeltelijke afschaffing van de betrokken buurtweg door schrapping van het gedeelte dat gelegen is in de reservatiestrook van het gewestplan. 6.
- Van 11 juni 2014 tot 26 juni 2014 organiseert de gemeente Zoersel voormeld openbaar onderzoek. 6.
- Verzoekers dienen bezwaarschriften in. In de bezwaarschriften wordt onder meer opgeworpen dat de gedeeltelijke afschaffing nadelig is voor zwakke weggebruikers en ruiters, veiligheidsproblemen veroorzaakt en economische nadelen heeft.
- Op 18 november 2014 verwerpt de gemeenteraad de ingediende bezwaarschriften en verklaart hij zich akkoord met de gedeeltelijke afschaffing van de betrokken buurtweg.
- Met het eerste bestreden besluit verwerpt de deputatie van de provincieraad van de provincie Antwerpen de ingediende bezwaarschriften en beslist zij dat betrokken buurtweg gedeeltelijk wordt afgeschaft. X-16.620-4/18 9.
- Onder meer door verzoekers wordt administratief beroep ingesteld tegen het in het vorige randnummer bedoelde besluit. 9.
- In het beroepsschrift wordt uiteengezet dat de afschaffing van de betrokken buurtweg onevenredige hinder en nadelen zal doen ontstaan. In dit beroepsschrift wordt hetgeen aangehaald is in randnummer 6.2 herhaald. Verder wordt er in het beroepsschrift op gewezen dat door het onderbreken van de betrokken buurtweg fietsers en voetgangers geen gebruik meer zullen kunnen maken van de bestaande wegen. Volgens de beroepindieners is de betrokken buurtweg thans ook van “essentieel algemeen nut” voor de bereikbaarheid van de hulpdiensten en zijn de straten in de omgeving “niet geschikt […] om de omleidingsweg op te vangen”.
- Met het tweede bestreden besluit verwerpt de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw de ingediende beroepen en bevestigt zij het eerste bestreden besluit. IV. Onderzoek van de middelen A. Het eerste middel Uiteenzetting van het middel
- In het eerste middel wordt de schending aangevoerd van het motiveringsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Volgens verzoekers zal de afschaffing van de betrokken buurtweg onevenredige hinder en nadelen doen ontstaan. Verzoekers herhalen de elementen die zij in hun tijdens het openbaar onderzoek ingediend bezwaarschrift X-16.620-5/18 (randnr. 6.2) en in hun administratief beroepsschrift (randnr. 9.2) hebben aangevoerd. Verzoekers menen dat de verwerping van hun argumenten in de bestreden besluiten getuigt van een onzorgvuldige besluitvorming. Daar er met de ingeroepen hinderaspecten geen rekening is gehouden, menen verzoekers ook dat er sprake is van een kennelijk onredelijke belangenafweging. Beoordeling
- Zoals in herinnering wordt gebracht in het eerste bestreden besluit is het tracé van de omleidingsweg aangeduid op gewestplan wat, luidens artikel 18, 7.3, van het koninklijk besluit van 28 december 1972 „betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen‟ betekent dat “de nodige ruimten [gereserveerd zijn] voor de uitvoering van werken van openbaar nut”. Over de wenselijkheid van een omleidingsweg rond Zoersel en het tracé ervan is beslist in het gewestplan. De bestreden besluiten doen niet meer dan het tracé van de betrokken buurtweg aan de op het gewestplan ingetekende reservatiestrook aan te passen.
- Bovendien wordt in het eerste bestreden besluit onder meer het volgende gesteld: “Overwegende […] dat de bestaande verkeersinfrastructuur in het centrum van Zoersel onvoldoende capaciteit en kwaliteit heeft voor de huidige verkeersbelasting en tijdens de spitsuren het verkeer voortdurend aanschuift. Het vele (zwaar) verkeer snijdt de dorpskern van Zoersel in twee. Voetgangers en fietsers riskeren er dagelijks hun leven. Door de gevaarlijke verkeerstoestanden worden vele schoolkinderen dagelijks met de wagen naar school gebracht, wat nog meer bijkomend verkeer genereert dat nodeloos door de omringende woonstraten rijdt […] Overwegende [dat de omleidingsweg] rond Zoersel voor een structurering van het noord-zuid verkeer zorgt en het onderliggend wegennet erdoor wordt ontlast, zodat het openbaar vervoer vlotter kan rijden en voetgangers en fietsers zich er veiliger kunnen verplaatsen; na X-16.620-6/18 aanleg van de [omleidingsweg] rond Zoersel is de bedoeling dat het centrum van Zoersel volledig verkeersluw zal aangelegd worden. […] Overwegende dat […] de particuliere belangen van aangelanden woonachtig ter hoogte van [de betrokken] buurtweg en eventuele ongemakken die de afschaffing van de weg als buurtweg met zich zal meebrengen als grotere af te leggen afstanden tot de eigen woonst/beroepswerkzaamheid niet [opwegen] tegen de voordelen die de aanleg van de omleidingsweg zal bieden (zie hoger)”. Uit de hiervoor geciteerde overwegingen blijkt dat er wel degelijk rekening is gehouden met de door verzoekers gevreesde nadelen van de afschaffing van de betrokken buurtweg.
- Het eerste middel wordt verworpen. B. Het tweede middel Uiteenzetting van het middel
- In het tweede middel wordt de schending aangevoerd van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 „betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen‟ (hierna: de formelemotiveringswet), en van het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Verzoekers wijzen er op dat de Raad van State in de arresten nr. 190.338 van 10 februari 2009 en nr. 230.132 van 6 februari 2015 twee onteigeningsmachtigingen voor een aantal innemingen in het kader van de omleidingsweg rond Zoersel heeft vernietigd. Volgens verzoekers gaf de Raad in niet mis te verstane bewoordingen te kennen dat er geen hoogdringendheid voorhanden was voor de onteigeningen en dat de verwerende partij het zorgvuldigheidsbeginsel had geschonden. Hoewel deze arresten “klaarblijkelijk uiterst relevant zijn” voor de bestreden besluiten werden ze daarin niet eens vermeld, laat staan dat ze mee in overweging zouden zijn genomen. X-16.620-7/18 Beoordeling
- De in de door verzoekers aangehaalde arresten vastgestelde onwettigheden hebben betrekking op het ontbreken van een afdoende motivering voor de hoogdringendheid van de onteigening en op het feit dat eenzelfde perceel op het onteigeningsplan en op het “Grondplan ontwerp” met een verschillend kadastraal nummer was aangeduid, zodat niet duidelijk was of een woning al dan niet onteigend werd. Gelet op hun draagwijdte staan de bestreden besluiten los van de laatstgenoemde onwettigheden. Verzoekers maken het uitgangspunt van hun middel als zouden de meergenoemde arresten “uiterst relevant” zijn voor de bestreden besluiten niet aannemelijk. Het middel kan de vernietiging van die besluiten niet verantwoorden.
- Het tweede middel wordt verworpen. C. Het derde middel Standpunt van de partijen 18.
- In het derde middel voeren verzoekers de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de formelemotiveringswet, evenals van het redelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Verzoekers bekritiseren het gebrekkige onderzoek naar de milieueffecten en meer bepaald het ontbreken van een milieueffect-screenig. 18.
- Wat betreft de realisatie van de omleidingsweg voeren verzoekers aan dat het gaat om de aanleg van een weg waarvoor ontbossing noodzakelijk is zodat, krachtens de omzendbrief “LNE 2011/1” van 22 juli 2011, de vergunningverlenende overheid voorafgaandelijk aan haar beslissing een screening van de milieueffecten moet uitvoeren en dit moet “motiveren in haar besluit (hier bouwvergunning en eventuele kapvergunning)”. Hoewel minstens X-16.620-8/18 een gedeelte van het tracé van de omleidingsweg, die zal worden uitgevoerd in een open asfaltstructuur, gelegen is in mogelijk overstromingsgevoelig gebied blijkt niet uit het dossier dat de watertoets werd uitgevoerd. Verzoekers voegen er aan toe dat men niet zonder enige studie kan besluiten dat de geluidshinder van de omleidingsweg niet significant zal zijn. Ook de landschapsverstoring had moeten worden onderzocht aangezien een groot deel van het tracé van de omleidingsweg is gelegen in of in de onmiddellijke nabijheid van een ankerplaats en een traditioneel landschap. Op een honderdtal meter van het tracé van de omleidingsweg ligt een speciale beschermingszone zodat ook een afweging in het kader van de habitatrichtlijn had moeten gebeuren, in het bijzonder voor de lichthinder en voor de ontbossing. Verzoekers stellen tot slot: “Ook in het kader van de afschaffing van de betrokken buurtweg werd geen MER-screening uitgevoerd en ligt geen afdoende beoordeling van de impact van de afschaffing van de buurtwegen op natuurwaarden e.d. voor”.
- In haar memorie van antwoord voert de eerste verwerende partij aan dat het middel onontvankelijk is in zoverre het niet tegen de bestreden besluiten, maar tegen het project voor de aanleg van de omleidingsweg is gericht. Een gelijkaardige exceptie van onontvankelijkheid wordt aangevoerd in de memorie van antwoord van de tweede verwerende partij die benadrukt dat er een zeer duidelijk onderscheid gemaakt moet worden tussen, enerzijds, de aanleg van de omleidingsweg, waartoe een aparte stedenbouwkundige vergunning zal worden aangevraagd en, anderzijds, de bestreden beslissingen die betrekking hebben op de afschaffing van een buurtweg.
- In hun memorie van wederantwoord repliceren verzoekers als volgt op de in het vorige randnummer aangehaalde excepties: “De bestreden beslissingen zijn […] onlosmakelijk […] verbonden [met het project van de omleidingsweg], zodat van een zorgvuldige overheid wel X-16.620-9/18 degelijk mag worden verwacht dat [ze] de mogelijke [milieuhinder] die de afschaffing van de betrokken buurtweg tot gevolg zou hebben, dient te beoordelen.” Beoordeling
- Vooreerst moet in herinnering worden gebracht dat over de wenselijkheid van de omleidingsweg rond Zoersel en het tracé daarvan, reeds is beslist in het bij koninklijk besluit van 30 september 1977 vastgestelde gewestplan Turnhout (randnr. 3 en 12).
- Het besproken middel heeft concreet enkel betrekking op beweerde tekortkomingen in de onderzoeksverplichtingen van de vergunningverlenende overheid die bevoegd is voor het verlenen van de vergunningen voor de aanleg van een weg. De verwerende partijen zijn te dezen geen vergunningverlenende overheid en de bestreden besluiten zijn geen dergelijke vergunningen. Met hun argument in de memorie van wederantwoord dat de bestreden besluiten onlosmakelijk verbonden zijn met het project van de omleidingsweg tonen verzoekers nog niet aan dat het in het verzoekschrift aangevoerde middel de wettigheid betreft van de bestreden besluiten. De exceptie van de eerste verwerende partij volgens welke dit middel onontvankelijk is, is bijgevolg gegrond.
- Het derde middel wordt verworpen. D. Het vierde middel Uiteenzetting van het middel 24.
- In het vierde middel voeren verzoekers de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de formelemotiveringswet, evenals van het redelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. X-16.620-10/18 24.
- Verzoekers wijzen er op dat er meerdere buurtwegen doorsneden worden door het tracé van de omleidingsweg rond Zoersel. Zij stellen vast dat overheid de aanpassing van al deze buurtwegen niet gezamenlijk heeft behandeld. Het “kunstmatig opsplitsen, zowel qua procedure als in de tijd, van diverse buurtwegendossiers”, heeft er volgens verzoekers toe geleid dat de verwerende partijen niet met een voldoende kennis van zaken konden beslissen. Bovendien heeft de minister hun grief terzake onbeantwoord gelaten in het tweede bestreden besluit. Beoordeling
- De plannende overheid heeft terdege oog gehad voor de samenhang van de omleidingsweg rond Zoersel door het tracé ervan in te tekenen op het bij koninklijk besluit van 30 september 1977 vastgestelde gewestplan Turnhout. In het licht daarvan blijkt niet dat de verwerende partijen de grenzen van de redelijkheid te buiten zouden zijn gegaan of de aangevoerde rechtsregels anderszins zouden hebben geschonden door over de aanpassing van elke door dit tracé doorsneden buurtweg afzonderlijk te beslissen. De grief van verzoekers ter zake is in het tweede bestreden besluit afdoende beantwoord door de erin opgenomen overweging dat “de reservatiestrook voor de ringweg reeds opgenomen werd in het op 30 september 1977 goedgekeurde gewestplan van Turnhout”.
- Het vierde middel wordt verworpen. E. Het vijfde middel Standpunt van de partijen 27.
- In het vijfde middel voeren verzoekers de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de formelemotiveringswet, evenals van het X-16.620-11/18 redelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. 27.
- Verzoekers betogen dat de geplande omleidingsweg – anders dan in het eerste bestreden besluit wordt beweerd – geen oplossing biedt voor de verkeersproblemen in het centrum van Zoersel. Ook na de aanleg ervan zal personen- en vrachtverkeer door dit centrum blijven rijden. Er is geen afdoende alternatievenafweging gebeurd in het licht van de beoogde doelstelling om de verkeerstoestand te verbeteren. 27.
- Volgens verzoekers is er bij het uittekenen van de omleidingsweg ook onvoldoende verantwoord waarom er, in plaats van voor rotondes, is gekozen voor lichtengeregelde kruispunten. Op verschillende plaatsen, en dus zeker niet enkel voor de aanleg van kruispunten, zal de aan te leggen omleidingsweg de reservatiestrook van het gewestplan te buiten gaan, zonder dat blijkt op grond van welke bepaling afgeweken zou kunnen worden van de gewestplanbestemming landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Verder is er volgens verzoekers bij het ontwerpen van de omleidingsweg onvoldoende rekening gehouden met voetgangers en paarden, zijn de op de N14 voorziene afslagstroken naar de omleidingsweg niet lang genoeg en is onvoldoende stilgestaan bij de twee ondergrondse aardgasleidingen die de omleidingsweg doorkruisen.
- In haar memorie van antwoord repliceert de eerste verwerende partij dat het middel verworpen moet worden in zoverre het zich niet tegen de bestreden beslissingen richt. In haar memorie van antwoord repliceert de tweede verwerende partij dat het middel onontvankelijk is in zoverre het betrekking heeft op de uitvoeringsmodaliteiten van de omleidingsweg, die immers niet het voorwerp uitmaken van de bestreden beslissingen. X-16.620-12/18
- In hun memorie van wederantwoord reageren verzoekers op de in het vorige randnummer aangehaalde replieken met de stelling dat het verband tussen de in hun verzoekschrift aangevoerde kritiek en de bestreden beslissingen zeer duidelijk is “nu de afschaffing van de betrokken buurtweg uitsluitend dient te worden opgevat in het kader van de aanleg van de [omleidingsweg]”. Beoordeling
- Het in randnummer 27.2 aangehaalde middelonderdeel betreft de wenselijkheid van de omleidingsweg rond Zoersel en het tracé ervan. Daar over die wenselijkheid beslist werd in het gewestplan is het middelonderdeel niet dienend om de redenen die in randnummer 12 zijn uiteengezet.
- Voorts voert de tweede verwerende partij terecht aan dat het in randnummer 27.3 aangehaalde middelonderdeel onontvankelijk is omdat het niet de wettigheid betreft van de bestreden besluiten.
- Het vijfde middel wordt verworpen. F. Het zesde middel Uiteenzetting van het middel 33.
- In het zesde middel voeren verzoekers de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de formelemotiveringswet, evenals van het redelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. 33.
- Verzoekers betogen dat ter verantwoording van de bestreden besluiten verwezen is naar de geplande uitbreiding van de het industrieterrein „De Schaaf-Delften‟, terwijl het tijdstip van die geplande uitbreiding nog vaag is. Bovendien heeft de minister hun grief terzake onbeantwoord gelaten in het tweede bestreden besluit. X-16.620-13/18 Beoordeling
- De grief van verzoekers ter zake is in het tweede bestreden besluit afdoende beantwoord door de erin opgenomen overweging dat de “aangepaste ontsluiting een voorwaarde is voor [de] uitbreiding van dit regionaal bedrijventerrein”. Zoals wordt opgemerkt in het auditoraatsverslag – zonder dat verzoekers dat in hun laatste memorie tegenspreken – geeft dit antwoord immers duidelijkheid over de chronologie: eerst de omleidingsweg, dan de uitbreiding van het regionaal bedrijventerrein. Anders dan verzoekers blijkbaar menen, kan noch uit het laatstgenoemde antwoord op hun grief, noch uit enige andere overweging van de bestreden besluiten worden afgeleid dat de afschaffing van het gedeelte van de betrokken buurtweg verantwoord zou zijn door de uitbreiding van het regionaal bedrijventerrein. Zoals reeds meermaals gesteld, ligt die verantwoording immers in het gewestplan (randnr. 12).
- Het zesde middel wordt verworpen. G. Het zevende middel Uiteenzetting van het middel
- Een zevende middel is afgeleid uit de schending van artikel 1 van het besluit van de Vlaamse regering van 20 juni 2014 „tot vaststelling van nadere regels voor de organisatie van het openbaar onderzoek inzake buurtwegen‟ (hierna: het procedurebesluit van 20 juni 2014), van artikel 28 van de buurtwegenwet van 10 april 1841, van het openbaar onderzoek als substantiële vormvereiste, en van het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Verzoekers wijzen er op dat artikel 1, § 3, eerste lid, 3°, en § 4, van het procedurebesluit van 20 juni 2014 voorschrijven dat het openbaar X-16.620-14/18 onderzoek aangekondigd wordt in het Belgisch Staatsblad en dertig dagen duurt. Zij stellen dat in het onderhavige geval het procedurebesluit van 20 juni 2014 reeds van toepassing was daar het openbaar onderzoek georganiseerd werd van 11 juni 2014 tot en met 26 juni
- Minstens vloeit uit de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het zorgvuldigheidsbeginsel, voort dat het procedurebesluit van 20 juni 2014 had moeten worden toegepast, gelet op het feit dat de overheid de inhoud ervan diende te kennen. De aangevoerde rechtsregels zijn volgens verzoekers geschonden omdat het in de aanloop van de bestreden besluiten gehouden openbaar onderzoek slechts vijftien dagen duurde en er geen bekendmaking in het Belgisch Staatsblad gebeurde.
- In hun memorie van wederantwoord insisteren verzoekers erop dat bij het openbaar onderzoek in de aanloop van de bestreden besluiten toepassing had moeten worden gemaakt van het procedurebesluit van 20 juni
- Beoordeling
- Vooreerst moet worden vastgesteld dat verzoekers tijdens het van 11 juni 2014 tot 26 juni 2014 gehouden openbaar onderzoek bezwaarschriften hebben ingediend (randnr. 6.2).
- Artikel 2 van het procedurebesluit van 20 juni 2014 bepaalt: “Dit besluit is slechts van toepassing op de openbare onderzoeken die georganiseerd worden over beraadslagingen die plaats hebben na de inwerkingtreding van dit besluit”. Het procedurebesluit van 20 juni 2014 werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 14 augustus 2014, en is vervolgens in werking getreden op 24 augustus
- X-16.620-15/18 Het blijkt dat in onderhavige zaak de gemeenteraadsberaadslaging tot organisatie van een openbaar onderzoek (randnr. 5) alsook dit openbaar onderzoek zelf dateren van vóór de inwerkingtreding van het procedurebesluit van 20 juni
- Dit besluit was bijgevolg niet van toepassing op het van 11 juni 2014 tot 26 juni 2014 gehouden openbaar onderzoek. Verzoekers maken niet aannemelijk waarom de betrokken gemeente reeds vóór de bekendmaking ervan op de hoogte diende te zijn van de inhoud van het procedurebesluit van 20 juni
- De conclusie is dat verzoekers‟ argumentatie niet kan leiden tot een nietigverklaring van de bestreden besluiten.
- Het zevende middel wordt verworpen. H. Het achtste middel Uiteenzetting van het middel
- Een achtste middel is afgeleid uit de schending van artikel 27 van de buurtwegenwet van 10 april 1841 en van het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur.. Verzoekers lichten toe dat het ingeroepen artikel 27 van de buurtwegenwet een duidelijke chronologie oplegt: de deputatie richt eerst een verzoek aan de gemeenteraad alvorens deze laatste over de aanleg, de rechttrekking, de verbreding of de afschaffing beraadslaagt. In onderhavig geval ligt een dergelijk verzoek van de deputatie echter niet voor. Bovendien wordt het in de overwegingen van het gemeenteraadsbesluit zo voorgesteld dat de gemeenteraad reeds definitief heeft beslist over de gedeeltelijke afschaffing. Het in het eerste bestreden besluit aangevoerde argument als zou het initiatief voor X-16.620-16/18 afschaffing of verlegging van een buurtweg ook genomen kunnen worden door gemeentebesturen, overtuigt verzoekers niet.
- In hun memorie van wederantwoord benadrukken verzoekers dat de letter van artikel 27 van de buurtwegenwet niet voor interpretatie vatbaar is, nu in de uitdrukkelijke bewoordingen ervan wordt gesteld dat de gemeenteraden gehouden zijn om “ten verzoeke van de deputatie” te beraadslagen over de afschaffing der buurtwegen. Beoordeling
- De Nederlandse vertaling van artikel 27, eerste lid, van de buurtwegenwet van 10 april 1841 luidt: “De gemeenteraden zijn gehouden om, ten verzoeke van de deputatie van de provinciale raad, te beraadslagen over de opening, de afschaffing, de wijziging of de verlegging van een buurtweg […]”.
- Zoals de Raad van State in herinnering heeft gebracht in het arrest Henrard, nr. 155.524 van 23 februari 2006, verhindert de in het vorige randnummer bedoelde bepaling niet dat een gemeente op grond van de grondwettelijk verankerde gemeentelijke autonomie het initiatief kan nemen om de procedure voor de opening, de afschaffing, de wijziging of de verlegging van een buurtweg te starten. Het enkele gegeven dat het in de overwegingen van het gemeenteraadsbesluit zo zou zijn voorgesteld dat de gemeenteraad reeds definitief heeft beslist over de gedeeltelijke afschaffing, kan de bestreden beslissingen – die genomen zijn door andere, meer bepaald de ter zake bevoegde overheden – niet vitiëren.
- Het achtste middel wordt verworpen. X-16.620-17/18 V. Conclusie
- De verwerping van alle aangevoerde middelen brengt mee dat het beroep hoe dan ook in zijn geheel moet worden verworpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 600 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro die verschuldigd is aan elk van de verwerende partijen. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zesentwintig februari 2019, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust X-16.620-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.812 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div