← België

Arrest 243827 - Milieuvergunningen - 28/02/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 februari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.827 Rolnummer: A. 219995/VII-39746 Zaak: Arrest 243827 - Milieuvergunningen - 28/02/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-03-14 Raadplegingen: 77 - laatst gezien 2026-06-25 07:04 Fiche Arrest nr 243.827 van 28 februari 2019 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 243.827 van 28 februari 2019 in de zaak A. 219.995/VII-39.

  1. In zake : de GEMEENTE ASSE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sofie Albert kantoor houdend te 1000 Brussel Wolvengracht 38, bus 2 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jürgen Vanpraet en Yannick Peeters kantoor houdend te 8820 Torhout Oostendestraat 306 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de BVBA DE BRANDT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Thomas Eyskens en Sebastiaan De Meue kantoor houdend te 1000 Brussel Bischoffsheimlaan 33 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  2. Het beroep, ingesteld op 11 augustus 2016, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 10 juni 2016 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 3 december 2015, houdende de weigering van de milieuvergunning aan de BVBA De Brandt voor het verder uitbaten en veranderen van een kleigroeve (opvullen), gelegen aan de VII-39.746-1/17 Mollemseweg te Asse, gegrond wordt verklaard, de beroepen beslissing wordt opgeheven en de gevraagde vergunning onder voorwaarden wordt verleend. II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 17 oktober
  4. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 december
  5. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Sofie Albert, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Jürgen Vanpraet, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Thomas Eyskens, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. VII-39.746-2/17 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. III. Feiten 3.
  7. De inrichting waarvoor de bestreden milieuvergunning is verleend, is volgens het bij koninklijk besluit van 7 maart 1977 vastgestelde gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse gelegen in een gebied voor uitbreidingen van ontginningsgebieden met nabestemming agrarisch gebied. 3.
  8. Bij besluit van 3 september 1987 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Brabant aan de tussenkomende partij een milieuvergunning voor het verder uitbaten van een veldsteenbakkerij met kleigroeve voor een termijn van 10 jaar voor de steenbakkerij en voor een onbeperkte termijn voor de groeve. Met ingang van 19 juli 2010 wordt luidens artikel 44 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna: milieuvergunningsdecreet) bepaald dat de milieuvergunning voor de groeve vervalt uiterlijk 1 september
  9. De milieuvergunning wordt verleend onder de bijzondere voorwaarde dat “de kleilaag […] slechts ontgonnen [mag] worden tot op een diepte van maximaal 2,5 meter”, dat “de teelaarde, die voor de kleiontginning wordt afgegraven, […] ter plaatse [dient] gestapeld te worden” en dat “na beëindiging van de kleiontginning […] deze teelaarde gelijkmatig uitgespreid [dient] te worden over het afgegraven terrein zodat de nabestemming volgens het gewestplan van het betrokken terrein gerealiseerd wordt”. 3.
  10. De bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant verleent op 26 maart 1998 de vergunning aan de tussenkomende VII-39.746-3/17 partij voor het verder exploiteren en veranderen van de inrichting, zijnde de “steenbakkerij horend bij een kleigroeve”, voor een termijn “die eindigt op 1 september 2011 samenvallend met de einddatum van de termijn van de vergunning voor de kleiontginning”. 3.
  11. Het college van burgemeester en schepenen van de verzoekende partij verleent bij besluit 13 september 1999 aan de tussenkomende partij een stedenbouwkundige vergunning voor de kleiontginning onder de voorwaarde: “Ten aanzien van de uitvoering van de nabestemming wordt de voorwaarde bijgevoegd dat de bovenste 150 cm van de opvulling alleszins uit zuivere goede aarde (leemgrond, zoals de omgevende leemgrond) dient te bestaan, waarvan de bovenste 30 à 40 cm teelaarde. De afwerking van het terrein dient bovendien progressief te gebeuren”. 3.
  12. Bij de exploitatie van de kleiontginning wordt de bijzondere voorwaarde van de milieuvergunning van 3 september 1987 niet nageleefd. De afgegraven teelaarde wordt gebruikt in de steenbakkerij en dus niet voor de opvulling met het oog op de realisatie van de nabestemming agrarisch gebied. 3.
  13. Door het terrein niet progressief op te vullen wordt de voorwaarde van de stedenbouwkundige vergunning van 13 september 1999 evenmin nageleefd. 3.
  14. De exploitatie van de steenbakkerij en de kleiontginning wordt stopgezet respectievelijk in 2014 en
  15. 3.
  16. Op 1 april 2015 dient de tussenkomende partij een aanvraag in voor het hernieuwen van de vergunning voor de bestaande inrichting evenals voor een verandering door wijziging en uitbreiding van de inrichting, meer bepaald voor “opvullen met niet-verontreinigde aarde” met het oog op “landschapsherstel over 5,87 ha door aanvulling met ca. 58.000 m³ zuivere gronden”. De aanvraag wordt ingedeeld onder de rubriek 60.2° van het besluit van de Vlaamse regering van VII-39.746-4/17 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna: Vlarem I). 3.
  17. De deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant (hierna: deputatie) weigert bij besluit van 3 december 2015 de gevraagde milieuvergunning te verlenen. De deputatie steunt de weigering op voormelde bijzondere vergunningsvoorwaarde waaruit wordt afgeleid dat de nabestemming van het terrein “op een lager niveau [mag] gerealiseerd worden dan tot op maaiveldniveau”. 3.
  18. De tussenkomende partij stelt tegen de weigeringsbeslissing administratief beroep in bij de Vlaamse regering op 15 januari
  19. 3.
  20. De afdeling Land en Bodembescherming, Ondergrond, Natuurlijke Rijkdommen van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie verleent een gunstig advies, de Vlaamse Milieumaatschappij een gunstig advies, de afdeling Milieuvergunningen van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie een voorwaardelijk gunstig advies, de afdeling Gebieden en Projecten van het departement Ruimte Vlaanderen een gunstig advies. De Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij geeft geen advies. De Gewestelijke Milieuvergunningscommissie verleent een voorwaardelijk gunstig advies. 3.
  21. De Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw verleent met het bestreden besluit van 10 juni 2016 de gevraagde vergunning voor een termijn van twee jaar mits een aantal voorwaarden. VII-39.746-5/17 IV. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie
  22. De verzoekende partij voert ter ondersteuning van haar belang aan dat de vergunde opvulling van de groeve “een impact op de natuurwaarden aldaar (impact op fauna en flora, erosie, enz.)” heeft en “een stukje cultuurhistorisch erfgoed van de gemeente door het afbreken van de steenbakkerij” verdwijnt. Zij stelt verder dat zij met betrekking tot de alternatieve route die in de bestreden beslissing is opgelegd “nooit haar opmerkingen [heeft] kunnen maken, terwijl dit vanzelfsprekend een belangrijke impact heeft op haar beleid”en dat “niet alle wegen die tot de nieuwe route behoren, hiertoe uitgerust” zijn wat “een impact op de veiligheid” heeft. Zij wijst erop dat zij overeenkomstig artikel 2 van het gemeentedecreet “dient te waken over de mogelijke impact die de aangevraagde milieuvergunning heeft op haar inwoners” en “dat op haar grondgebied geen milieu- of stedenbouwkundige vergunningen worden afgeleverd die een inbreuk uitmaken op haar beleid en de toepasselijke wetgeving”. Zij stelt dat de bestreden beslissing in belangrijke mate afwijkt van de adviezen van de Milieuraad, de Milieudienst, de gemeentelijke stedenbouwkundige ambtenaar en het college van burgermeester en schepenen die “allen betrekking [hadden] op het beleid van de gemeente”.
  23. De verwerende partij voert aan dat de verzoekende partij geen persoonlijk en rechtstreeks belang heeft bij haar beroep omdat zij “niet in concreto aannemelijk maakt persoonlijk te worden geraakt door de bestreden beslissing en zich beroept op een zeer vaag, algemeen en abstract belang” en omdat het om een vergunde inrichting klasse 1 gaat waarover de verzoekende partij geen vergunningverlenende of handhavende bevoegdheid heeft. Zij voegt toe dat het ingeroepen belang “niet te onderscheiden [valt] van de gezamenlijke individuele belangen van haar inwoners”. VII-39.746-6/17 Beoordeling
  24. Een gemeente heeft belang bij een annulatieberoep tegen een milieuvergunning die werd verleend voor een hinderlijke inrichting op de grens van het grondgebied van een aangrenzende gemeente, wanneer zij aannemelijk maakt dat haar beleid inzake milieu en ruimtelijke ordening wordt doorkruist.
  25. Te dezen zet de verzoekende partij omstandig uiteen dat de bestreden beslissing haar beleid inzake milieu en ruimtelijke ordening raakt.
  26. De verwerende partij gaat in haar exceptie hieraan voorbij.
  27. De exceptie wordt verworpen. V. Onderzoek van de middelen Eerste middel Standpunt van de partijen
  28. De verzoekende partij voert de schending aan van de artikelen 2, 4°, en 27 van het milieuvergunningsdecreet juncto artikel 6bis van Vlarem I, en het zorgvuldigheidsbeginsel. Zij betoogt dat de vergunde exploitatie van de kleigroeve reeds in 2014 werd stopgezet zodat geen sprake is van een bestaande inrichting. Van een bestaande activiteit was reeds op het ogenblik van indiening van de vergunningsaanvraag geen sprake meer. Bovendien wordt enkel nog een vergunning aangevraagd die de vergunningsaanvrager indeelt onder rubriek 60 van Vlarem I, zijnde het “geheel of gedeeltelijk opvullen van groeven, graverijen, uitgravingen en andere putten, met inbegrip van waterplassen en vijvers”. Voor dergelijke rubriek was eertijds nooit een vergunning afgeleverd. De voorgaande VII-39.746-7/17 vergunningen voor de inrichting betroffen enkel andere rubrieken. Het is ook geenszins de bedoeling om de groeve nog verder te gaan exploiteren. Geen van de oorspronkelijk vergunde rubrieken is in de huidige aanvraag begrepen. Het lijkt er zodoende op dat een aanvraag diende te worden gedaan voor een nieuwe inrichting. Van enige hernieuwing, dit is het opnieuw aanvragen van één of meerdere rubrieken die reeds het voorwerp hebben uitgemaakt van een uitgereikte vergunning die nog loopt, is geen sprake. Het staat dan ook vast dat het voorwerp van de aanvraag zoals opgenomen in het aanvraagdossier misleidend is, wat ook blijkt uit de bestreden beslissing, die de verdere exploitatie van de groeve eveneens vergunt terwijl deze reeds is stopgezet en niet wordt aangevraagd. Over de verdere uitbating van de groeve is ook niets terug te vinden in de bestreden beslissing. Enkel de impact van de aangevraagde opvulling wordt beoordeeld. De beslissing is aldus op onzorgvuldige wijze genomen en had moeten besluiten dat de vergunningsaanvrager een misleidende aanvraag indiende. Het betreft wel degelijk een aanvraag voor een nieuwe inrichting. Hierdoor bestaat de mogelijkheid dat de aanvraag personen, die kennis namen van de aanvraag tijdens het openbaar onderzoek, op het verkeerde been heeft gezet, alsook adviesverlenende instanties heeft doen geloven dat er weinig tot niets zou wijzigen ten aanzien van de huidige situatie op de terreinen. Door het verkeerde voorwerp aan te geven op het aanvraagformulier en in de verklarende nota, kan hiermee geen rekening worden gehouden en moet deze aanvraag zonder voorwerp worden gekwalificeerd door de Raad van State. Er zal in elk geval een nieuwe vergunning dienen te worden aangevraagd eens de basisvergunning voor de verandering verstreken is. Dit is op 1 september
  29. Zodoende zal het Vlaamse Gewest als vergunningverlener in elk geval bij een nieuwe beoordeling deze vergunning dienen af te wijzen bij gebrek aan voorwerp.
  30. De verwerende partij repliceert dat de verzoekende partij geen belang heeft bij dit middel. De verzoekende partij voert aan dat het aangevraagde onterecht als een verandering van een bestaande inrichting wordt beschouwd en dat dit als een nieuwe inrichting diende te worden beschouwd. De tussenkomende partij heeft voor het bekomen van het opvullen van de kleiputten een VII-39.746-8/17 milieuvergunningsaanvraag klasse 1 ingediend, net zoals dat het geval is voor een nieuwe inrichting. De verzoekende partij heeft aldus geen belang bij dit middel. In ondergeschikte orde wijst de verwerende partij erop dat ten tijde van het verlenen van de laatste vergunning voor de exploitatie van de site, vergunning van 26 maart 1998, nog geen vergunningsplicht bestond voor de huidige rubriek 60 van Vlarem I, die pas bij besluit van 31 mei 2002 werd ingevoerd. De uitbreiding waarin de bestreden beslissing voorziet, heeft meer in het bijzonder betrekking op de rubriek 60 van Vlarem I (“Geheel of gedeeltelijk opvullen met niet-verontreinigde uitgegraven bodem en niet verontreinigde bagger- en ruimingspecie van groeven, graverijen, uitgravingen en andere putten, met inbegrip van waterplassen en vijvers”). Anders dan de verzoekende partij voorhoudt, betreft het bestreden besluit aldus weldegelijk een hernieuwing en uitbreiding van een geldende vergunning. Te dezen werd de vergunning van 26 maart 1998, die geldig was tot 1 september 2016, veranderd. De feitelijke omstandigheid dat de kleiontginning zelf korte tijd voordien werd stopgezet, neemt uiteraard niet weg dat het om een vergunde inrichting gaat in de zin van artikel 2, 4°, van het milieuvergunningsdecreet. Aldus faalt de argumentatie van de verzoekende partij ook op dat punt. De verzoekende partij kan evenmin worden gevolgd waar ze aangeeft dat de bestreden beslissing onterecht als een uitbreiding van een bestaande inrichting werd bestempeld, terwijl deze als een nieuwe inrichting diende te worden bestempeld. Niet alleen heeft de verzoekende partij hierbij geen belang, ook de argumentatie is juridisch onjuist. Opdat sprake is van een “verandering” van een bestaande inrichting in de zin van artikel 2, 4°, van het milieuvergunningsdecreet volstaat het dat de inrichting over een milieuvergunning beschikt. Ook een wijziging van de aard en de vergunde rubrieken wordt volgens vaste rechtspraak van Uw Raad als een verandering in de zin van artikel 2, 4°, van het milieuvergunningsdecreet beschouwd. Dit geldt te meer aangezien de opvulling van de kleigroeve (rubriek 60) verband houdt met de exploitatie van de bij de milieuvergunning van 26 maart 1998 vergunde exploitatie van de VII-39.746-9/17 “steenbakkerij horend bij een kleigroeve”. Aangezien het voorwerp van de vergunning betrekking heeft op de opvulling van de kleigroeve, diende zij in de bestreden beslissing aldus de hinder en de effecten op de mens en milieu vanuit dat oogpunt te beoordelen. Verder kan de verzoekende partij ook niet worden gevolgd waar ze stelt dat de aanvrager een misleidende aanvraag indiende die de verwerende partij diende af te wijzen. De aanvraag bepaalt zeer duidelijk dat de aanvrager zijn milieuvergunning wenste uitgebreid te zien, zodat hij in de mogelijkheid zou zijn om de kleiputten op te vullen met 58.000 m³ niet-verontreinigde aarde over 5,87 ha, zoals blijkt uit de pagina’s 8 en 9 van de aanvraag. De verzoekende partij spreekt aldus het dossier tegen waar ze stelt dat de aanvraag misleidend zou zijn. Uit de vermeldingen in de rubrieken D1-D4 blijkt immers zeer duidelijk dat de aanvraag het vergunnen beoogt van het opvullen van de kleiputten. Zelfs indien zou worden aangenomen dat de vergunningsaanvraag in werkelijkheid de aanvraag inhoudt van een nieuwe vergunning en niet de hernieuwing en verandering van een bestaande vergunning, moet nog steeds worden vastgesteld dat de verzoekende partij niet aantoont dat dit een verschil zou hebben uitgemaakt voor de beoordeling van de hinderlijkheid van de inrichting. In beide gevallen gaat het immers om een inrichting die volgens de indelingslijst van Vlarem I is ingedeeld als een klasse 1-inrichting. In de onderhavige zaak toont de verzoekende partij niet aan dat een andere juridische kwalificatie van de milieuvergunningsaanvraag een verschil zou hebben uitgemaakt voor de beoordeling van de hinderlijkheid van de inrichting. Met betrekking tot het zorgvuldigheidsbeginsel merkt de verwerende partij op dat bij de totstandkoming van de bestreden beslissing in geen enkel opzicht sprake geweest is van welke miskenning dan ook van de belangen van de personen die in het kader van het openbaar onderzoek het dossier kwamen inkijken en eventueel hun bezwaren hebben geuit en evenmin van misleiding. VII-39.746-10/17
  31. De verzoekende partij dupliceert dat zij gehinderd kan worden door de geplande uitbating van de inrichting. Bij het gegrond bevinden van het middel zal de bestreden vergunning onwettig worden verklaard en zal de inrichting niet kunnen worden geëxploiteerd zodat zij belang heeft bij het middel. Zij wijst er verder op dat bij de wijziging van de indelingslijst niet onmiddellijk een nieuwe vergunning moet worden aangevraagd, maar dat de bestaande vergunning haar geldigheid behoudt. Het is evenwel niet zo dat de opvulling van de kleigroeve in de milieuvergunning van 26 maart 1998 is opgenomen. Deze vergunning betreft louter de ontginning. Deze vaststelling toont aan dat er van enige vernieuwing of verlenging van de eerder verleende vergunning uit 1998 geen sprake is. Evenmin is verwezen naar de opvullingsvoorwaarde, zoals voorzien in de ontginningsvergunning uit
  32. De aanvraag betreft evenmin een “uitbreiding” nu door de nieuw opgenomen activiteit onder rubriek 60 er geenszins sprake is van “het vergroten in capaciteit, in drijfkracht of in oppervlakte”. Het klopt dat de locatie voor deze nieuwe inrichting dezelfde is als de locatie van deze nieuwe inrichting tot opvulling van de kleigroeve, doch verder gaat de overeenstemming niet. De opvulling is een nieuwe activiteit waarvoor vergunning werd aangevraagd, en bovendien de enige overblijvende activiteit op het terrein, nadat alle activiteiten van de steenbakkerij reeds sinds 2014 zijn stopgezet. Het is geenszins zo dat na elke stopgezette exploitatie van een steenbakkerij bij een kleigroeve, deze groeve opnieuw moet worden opgevuld. Het verband is minder vanzelfsprekend dan voorgesteld door de verwerende en tussenkomende partij. Het feit dat het Oppervlaktedelfstoffendecreet de opvulplicht verbindt aan de ontginningsactiviteiten en de navolgende financiële zekerheid die is gelegd, doet niets af aan de regelgeving en de verplichtingen ingevolge het milieuverguninningsdecreet en Vlarem I en II die eigen doelstellingen en plichten bevatten. Thans is de bestreden beslissing de enige milieuvergunning die de opvulling kan dekken. Zonder ontginning is er inderdaad nooit vraag naar opvulling, maar deze opvulling op zichzelf is geen absolute noodzaak. Het feit dat de tussenkomende partij nagelaten heeft de voorwaarde van de stedenbouwkundige vergunning na te komen, spreekt de noodzaak van de opvulling tegen. Er kan niet anders dan besloten worden dat de eerdere VII-39.746-11/17 milieuvergunning gebruikt wordt om alsnog na stopzetting van de activiteiten nog gedurende enkele jaren financieel wel te varen bij de opvulling van de groeve.
  33. De tussenkomende partij doet gelden dat de verzoekende partij geen belang heeft bij het huidige middel, nu zij niet benadeeld is door de beweerde ingeroepen onregelmatigheden, die evenmin een invloed hebben gehad op de draagwijdte van de bestreden beslissing of de bevoegdheid van de verwerende partij om deze te stellen. De artikelen 27 van het milieuvergunningsdecreet en 6bis van Vlarem I voorzien in een afwijkende procedure, waarbij de overheid op eenvoudige wijze akte van deze verandering kan nemen, doch deze procedure werd in casu niet gevolgd. De tussenkomende partij heeft de standaardprocedure voorzien in hoofdstuk II van het milieuvergunningsdecreet en de artikelen 5 en 6 van Vlarem I gevolgd. Zelfs indien de aanvraag gekwalificeerd diende te worden als de exploitatie van een nieuwe inrichting, moest dezelfde aanvraagprocedure (als in geval van een aanvraag voor een nieuwe exploitatie) gevolgd worden. Bovendien is de inhoudelijke beoordeling van een aanvraag voor een nieuwe exploitatie, dan wel de verandering ervan, minstens in de voorliggende zaak, identiek. De verzoekende partij betwist dit ook niet. Zij heeft ten gevolge van de vermeende onwettigheid geen enkel nadeel geleden, en ontbeert dus het vereiste belang. Verder heeft de verzoekende partij evenmin belang bij de ingeroepen schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en de beweerde “misleiding” die het gevolg zou zijn geweest van de kwalificatie van de aanvraag als verandering. De bestreden beslissing omvat enkel de uitbreiding van de op dat moment bestaande milieuvergunning “met de opvulling met 58.000 m³ niet-verontreinigde aarde over 5,87 ha” (rubriek 60 op de indelingslijst). In zoverre het middel veronderstelt dat de milieuvergunning voor de verdere ontginning van klei is toegekend, berust dit op een onjuiste premisse. Bovendien betwist de verzoekende partij niet dat de verwerende partij te dezen niet is misleid. Deze vaststelling volstaat om de kritiek met betrekking tot een beweerde misleiding in hoofde van derden af te wijzen als overtollige kritiek die in ieder geval de Vlaamse minister niet op een dwaalspoor heeft gebracht. Daarnaast toont zij evenmin aan dat zijzelf werd benadeeld of misleid, zoals ook moge blijken uit het advies dat zijzelf heeft gegeven in eerste VII-39.746-12/17 aanleg. In zoverre de gemeente aanvoert dat de mogelijkheid bestaat dat andere personen of instanties misleid zijn, beroept zij zich op de hypothetische benadeling van niet nader bepaalde derden, hetgeen niet volstaat om aan de belangenvereiste te voldoen. De verzoekende partij beschikt aldus niet over het vereiste persoonlijke en zekere belang bij het middel, waardoor het onontvankelijk moet worden geacht. Met betrekking tot de inhoud van dit middel, sluit de repliek van de tussenkomende partij in essentie aan bij het verweer van de verwerende partij. Tevens wijst de tussenkomende partij erop dat geenszins een nieuwe inrichting wordt opgestart, het betreft een vergunde kleigroeve die wordt veranderd in de zin van artikel 2, 4°, van het milieuvergunningsdecreet. Dit geldt des te meer nu de opvulling waarvan sprake slechts vergunningsplichtig werd in
  34. Het is kennelijk onredelijk om deze opvullingsactiviteiten, zoals deze thans wel milieuvergunningsplichtig zijn, te beschouwen als een autonome (en dus nieuwe) inrichting, die geheel losstaat van de milieuvergunningsplichtige ontginningsactiviteit. Dit geldt des te meer nu het Oppervlaktedelfstoffendecreet de opvulplicht verbindt aan de ontginningsactiviteiten, reden waarom de tussenkomende partij ook financiële zekerheden heeft moeten stellen. De opvulling van de kleigroeve is dermate nauw verbonden met de vergunde ontginningsactiviteit, dat niet valt in te zien hoe de opvullingsactiviteit een autonome, nieuwe inrichting kan zijn. De opvulling is een onlosmakelijk rechtstreeks gevolg van de ontginningsactiviteit. Zowel uit de aanvraag als uit de bestreden beslissing blijkt duidelijk dat deze enkel betrekking heeft op de uitbreiding van de bestaande vergunningen met rubriek 60 van de indelingslijst, de opvulling van de kleigroeve. De vraag naar het vereiste belang nog daargelaten, wordt niet aangetoond dat de verwerende partij hiermee onzorgvuldig heeft gehandeld. De verzoekende partij beweert zelf niet te zijn misleid, en kan evenmin een ander concreet “slachtoffer” aantonen. VII-39.746-13/17 Beoordeling
  35. Met de bestreden beslissing wordt “de vergunning verleend voor het verder uitbaten en veranderen van een kleigroeve (opvullen)”. Aldus wordt naar aanleiding van de aanvraag overeenkomstig artikel 18, § 3, van het milieuvergunningsdecreet samengelezen met artikel 39, § 1, van Vlarem I, in de versies ten tijde van het nemen van de bestreden beslissing, de “hernieuwing van een vergunning” toegestaan.
  36. Blijkens het aanvraagformulier werd echter afgezien van een aanvraag tot hernieuwing van de vergunning voor de opslag van 20 ton steenkool, de rubrieken 15.1.1 (stalplaats voor vier andere dan personenwagens), 17.3.6.1.b (opslag van 2.400 liter stookolie), 17.3.9.1 (één verdeelslang), 18.1.2° (groeven/graverijen), 20.3.5.a.2.b (geïnstalleerde drijfkracht van 136,15 kW), 30.1.2 (mechanische activiteiten van 136,15 kW) en 30.9 (veldsteenbakkerij). De aanvraag betreft volgens het aanvraagformulier louter de hernieuwing van de vergunning voor de rubriek 60.2°.
  37. Zoals de tussenkomende partij het in haar administratief beroepschrift zelf heeft geformuleerd is haar vergunde aanvraag bijgevolg een “nieuwe aanvraag (rubriek 60)”. Immers de, volgens de bestreden beslissing hernieuwde, bestaande vergunning heeft geen betrekking op de rubriek 60.2° waarvoor de aanvraag werd ingediend, maar wel op de rubrieken waarvan uitdrukkelijk werd afgezien de hernieuwing aan te vragen.
  38. Deze vaststelling geldt des te meer nu blijkt uit de bijzondere voorwaarde van de bestaande vergunning dat op het vergunde terrein zelf afgegraven teelaarde diende ter plaatse gestapeld te worden en na de beëindiging van de kleiontginning gelijkmatig over het vergunde terrein diende uitgespreid te worden met het oog op de realisatie van de nabestemming volgens het gewestplan. VII-39.746-14/17 De bestreden vergunning laat de opvulling van het terrein toe met door transport aangebrachte niet-verontreinigde gronden van infrastructuurwerken in de regio.
  39. Deze met de bestreden beslissing vergunde activiteit kan in deze omstandigheden niet beschouwd worden als een hernieuwing van de vergunning voor kleiontginning met de onlosmakelijk verbonden en niet-nageleefde voorwaarde van het stapelen van de op het terrein afgegraven teelaarde en het nadien uitspreiden ervan over het terrein.
  40. De conclusie is dat de bestreden beslissing een nieuwe inrichting en niet de hernieuwing van een bestaande inrichting heeft vergund.
  41. De in het middel aangevoerde bepalingen van het milieuvergunningsdecreet en Vlarem I, in de toepasselijke versies, en die betrekking hebben op de hernieuwing van een vergunde inrichting, zijn aldus geschonden.
  42. De verzoekende partij heeft wel degelijk belang bij dit middel aangezien na de vernietiging van de bestreden beslissing de verwerende partij opnieuw uitspraak zal moeten doen over het bij haar ingestelde administratief beroep tegen de weigering door de deputatie van het verlenen aan de tussenkomende partij van de hernieuwing van de vergunning voor een inrichting wier activiteiten werden beëindigd en daarbij de motieven voor de vernietiging van de thans bestreden milieuvergunning in acht zal moeten nemen. Zulks betekent dat de verwerende partij de aangevraagde activiteit niet kan beoordelen als een hernieuwing van de voormelde vergunning maar enkel als een activiteit voor een nieuwe inrichting. Het middel is gegrond. VII-39.746-15/17 BESLISSING
  43. De Raad van State vernietigt het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 10 juni 2016 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 3 december 2015, houdende de weigering van de milieuvergunning aan de BVBA De Brandt voor het verder uitbaten en veranderen van een kleigroeve (opvullen), gelegen aan de Mollemseweg te Asse, gegrond wordt verklaard, de beroepen beslissing wordt opgeheven en de gevraagde vergunning onder voorwaarden wordt verleend.
  44. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.
  45. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro verschuldigd aan de verzoekende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. VII-39.746-16/17 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achtentwintig februari tweeduizend negentien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-39.746-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.827 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.