id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 februari 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.831 Rolnummer: A. 225506/VII-40309 Zaak: Arrest 243831 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 28/02/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-03-14 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-25 07:06 Fiche Arrest nr 243.831 van 28 februari 2019 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 243.831 van 28 februari 2019 in de zaak A. 225.506/VII-40.
- In zake : de NV PDF CONSTRUCT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Pieter-Jan Defoort en Saartje Spriet kantoor houdend te 8020 Oostkamp Hertsbergsestraat 4 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN OOST-VLAANDEREN -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 21 juni 2018, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb/A/1718/0817 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 8 mei 2018 in de zaak 1617/RvVb/0176/A. II. Verloop van de rechtspleging
- Een beschikking van 12 juli 2018 verklaart het cassatieberoep toelaatbaar. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. VII-40.309-1/7 Auditeur Joke Goris heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State (hierna: cassatieprocedurebesluit). De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend teneinde te worden gehoord. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 24 januari
- Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Saartje Spriet, die verschijnt voor de verzoekende partij, is gehoord. Auditeur Joke Goris heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Met een besluit van 22 september 2016 weigert de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen (hierna: deputatie) aan de verzoekende partij een verkavelingsvergunning te verlenen “voor het verkavelen van een grond in 21 percelen”. 3.
- Het bestreden arrest verwerpt de vordering van de verzoekende partij tot vernietiging van de vergunningsbeslissing. VII-40.309-2/7 IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
- De verzoekende partij heeft ter zitting een “pleitnota” ingediend. Het cassatieprocedurebesluit voorziet na de kennisgeving van het auditoraatsverslag niet in de mogelijkheid om een pleitnota als processtuk neer te leggen.
- De neergelegde pleitnota is derhalve geen ontvankelijk processtuk.
- Voor zover ze evenwel de neerslag vormt van de uiteenzetting van de verzoekende partij ter terechtzitting, wordt ze niet als een processtuk, maar als een loutere inlichting in aanmerking genomen. V. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoekende partij voert de schending aan van de artikelen 4.3.1, § 1 en § 2, en 4.2.25, eerste lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), de artikelen 41 en artikel 162, tweede lid, 2°, van de Grondwet, de artikelen 2 en 42 van het Gemeentedecreet, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen juncto artikel 149 van de Grondwet: “doordat de [RvVb] in het bestreden arrest onder verwijzing naar het opschrift en het beschikkend gedeelte van de gemeenteraadsbeslissing stelt dat er geen twijfel over kan bestaan dat de gemeenteraad heeft besloten om de goedkeuring omtrent de wegenis te weigeren én doordat de RvVb stelt dat de beoordeling van de (andersluidende) overwegingen van de gemeenteraadsbeslissing een beoordeling omtrent de wettigheid van de gemeenteraadsbeslissing betreft, waaromtrent de deputatie niet bevoegd is terwijl uit het overwegend gedeelte van de gemeenteraadsbeslissing blijkt dat de gemeenteraad de wegenis en tracé gunstig beoordeelt, maar de aanvraag VII-40.309-3/7 enkel weigert om redenen van goede ruimtelijke ordening waarvoor de gemeenteraad niet bevoegd is én terwijl volgens vaste rechtspraak de overwegingen en het beschikkend gedeelte van een beslissing steeds als één geheel dienen begrepen te worden én terwijl uit de parlementaire voorbereiding bij de toenmalige Stedenbouwwet (commissieverslag) blijkt dat de vergunningverlenende overheid enkel gebonden is door de gemeenteraadsbeslissing voor de beoordeling inzake uitrusting en tracé van de weg”. Zij licht toe dat zij in haar eerste middel voor de RvVb heeft gesteld “dat het de deputatie toekomt om de punten waarover de gemeenteraad geen bevoegdheid heeft, maar toch uitspraak heeft over gedaan in haar beoordeling, als overtollige motieven buiten beschouwing te laten en enkel rekening te houden met de punten waarover de gemeenteraad wel bevoegdheid heeft. Die andere motieven maken de gemeenteraadsbeslissing niet onwettig, zoals de RvVb ten onrechte stelt, maar zijn gewoon niet bindende suggesties of overwegingen. […] De RvVb leidt ten onrechte af uit het beschikkende gedeelte dat in artikel 1 spreekt over een weigering, dat de vergunningverlenende overheid hierdoor gebonden was. Dit klopt niet. Zoals gezegd heeft de wetgever het bindende karakter van de gemeenteraadsbeslissing over de zaak der wegen uitdrukkelijk willen beperken tot het tracé en de uitrusting van de weg, en niet voor andere punten waarover de gemeenteraad zich eventueel zou uitspreken (zonder bevoegdheid). Volgens vaste rechtspraak dienen de overwegingen en het beschikkend gedeelte van een beslissing steeds als één geheel te worden begrepen. […] In het overwegend of motiverend gedeelte worden de redenen opgenomen die de beslissing in feite en in rechte verantwoorden. Concreet moet de beslissing omtrent de uitrusting en tracé in het beschikkend gedeelte dus gelezen worden in het licht van de overwegingen van de beslissing. Het bestreden arrest, waarin wordt besloten dat er geen twijfel over kan bestaan dat de gemeenteraadsbeslissing een weigeringsbeslissing vormt en dat de deputatie bijgevolg terecht heeft geoordeeld dat een legaliteitsbelemmering voorlag, is dan ook duidelijk onjuist. Dat de gemeenteraad een weigering heeft uitgesproken is correct, maar het is niet correct dat die weigering is gesteund op overwegingen die bindend zijn voor het college, met name het tracé of de uitrusting van de weg. De kritiek van de gemeenteraad, die geleid heeft tot het negatieve beschikkende gedeelte, had VII-40.309-4/7 betrekking op het verkavelingsconcept. De gemeenteraad is niet bevoegd om het college op dit punt te binden. Er was dus geen legaliteitsbelemmering voor het college om de vergunning te verlenen, hoogstens een opportuniteitskwestie”. Beoordeling
- Het middel dat het voor de RvVb aangevoerde eerste middel herneemt, is niet gericht tegen het bestreden arrest. Het dwingt bovendien de Raad van State tot een beoordeling van de zaak zelf waarvoor hij overeenkomstig artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet bevoegd is. Het middel is dan ook onontvankelijk.
- Het arrest van de RvVb moet overeenkomstig artikel 149 van de Grondwet met redenen worden omkleed. De aan de RvVb opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren, heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet -al ware die redengeving verkeerd of onwettig- die hem ertoe brengt de beslissing te nemen. Alleen een gemis aan motivering -of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven- maakt een schending uit van de aan de rechter opgelegde motiveringsverplichting. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.
- Het bestreden arrest verwerpt het eerste middel van de verzoekende partij op grond van -samengevat- volgende overwegingen: - uit de toepasselijke versie van artikel 4.2.25 VCRO “volgt dat een verkavelingsvergunning met nieuwe wegenis niet kan worden verleend indien VII-40.309-5/7 geen voorafgaande gunstige beslissing voorligt van de gemeenteraad inzake de wegenis”; - “de gemeenteraad [heeft] in haar zitting van 18 april 2016 […] besloten om haar goedkeuring te weigeren aan de wegenis - tracé en uitrusting - van de aangevraagde verkaveling”; - “of de gemeenteraad op deugdelijke wijze heeft besloten om [zijn] goedkeuring te weigeren, betreft een vraag naar de wettigheid van de beslissing van de gemeenteraad en is te onderscheiden van de vraag welke beslissing de gemeenteraad heeft genomen, een goedkeuringsbeslissing dan wel een weigeringsbeslissing”; - “zelfs indien de stelling van de verzoekende partij zou kunnen gevolgd worden […] dan nog zou daar enkel uit afgeleid kunnen worden dat de gemeenteraadsbeslissing tegenstrijdige motieven/beschikkingen bevat, doch niet dat de gemeenteraad een goedkeuringsbeslissing heeft genomen”; - “de beoordeling van de wettigheid van de gemeenteraadsbeslissing is een bevoegdheid die buiten de bevoegdheid valt van de vergunningverlenende overheden”; - “het gegeven dat de bevoegdheid van de gemeenteraad een zaak van openbare orde is, doet geen afbreuk aan de voorgaande conclusie. Overigens is de bevoegdheid van de vergunningverlenende overheden dat evenzeer”; - “de verwijzing door de verzoekende partij naar de parlementaire voorbereiding van de stedenbouwwet [kan evenmin] tot een andere conclusie” leiden omdat die passus enkel de verdeling van de bevoegdheid tussen het college van burgemeester en schepenen en de gemeenteraad bevestigt en bovendien “bevestigt […] dat het college van burgemeester en schepenen „gebonden‟ is door de gemeenteraadsbeslissing „voor die punten‟ waarmee duidelijk het tracé en de uitrusting van de wegenis wordt bedoeld. De beslissing van de gemeenteraad „voor het tracé en de uitrusting van de wegenis‟ in onderliggende zaak is precies een weigeringsbeslissing”.
- Het middel dat de motieven van het bestreden arrest bekritiseert omdat ze onjuist zouden zijn, wordt verworpen. VII-40.309-6/7 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achtentwintig februari tweeduizend negentien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-40.309-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.831 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div