← België

Arrest 243860 - Politie - 01/03/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 maart 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.860 Rolnummer: A. 217081/XIV-36683 Zaak: Arrest 243860 - Politie - 01/03/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-03-11 Raadplegingen: 75 - laatst gezien 2026-06-25 07:19 Fiche Arrest nr 243.860 van 1 maart 2019 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Politie Beslissing : heropening debatten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 243.860 van 1 maart 2019 in de zaak A. 217.081/XIV-36.683 In zake : Jiri BAERT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Johan Van Kelst kantoor houdend te 2000 Antwerpen Tolstraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de STAD ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Karel De Schoenmaeker en Thomas De Donder kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 270 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 28 september 2015, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de korpschef van de lokale politie Antwerpen van 5 augustus 2015 waarbij verzoeker bij ordemaatregel wordt herplaatst naar de dienst Gerechtelijke Afhandeling. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 241.760 van 12 juni 2018 wordt het debat in de zaak heropend en wordt het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat gelast met het aanvullend onderzoek. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een aanvullend verslag opgesteld. XIV-36.683-1/16 De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 januari
  3. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Johan Van Kelst, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Helen Franco, die loco advocaten Karel De Schoenmaeker en Thomas De Donder verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten
  5. De feiten zijn uiteengezet in het tussenarrest nr. 241.760 van 12 juni
  6. Er wordt naar verwezen. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging Regelmatigheid van de memorie van antwoord en de laatste memorie van de verwerende partij
  7. De lokale politiezone Antwerpen is een “eengemeentezone” (artikel 1 van het koninklijk besluit van 28 april 2000 „houdende de indeling van XIV-36.683-2/16 het grondgebied van de provincie Antwerpen in politiezones‟), zodat de rechtspersoon de stad Antwerpen is. Ten tijde van het indienen van de memorie van antwoord en van de laatste memorie, bepaalde artikel 193, § 1, eerste lid van het gemeentedecreet van 15 juli 2005 dat het college van burgemeester en schepenen de gemeente vertegenwoordigt in gerechtelijke gevallen. Hieruit volgt dat alle procedurestukken dienen uit te gaan van het college van burgemeester en schepenen. Te dezen vermelden de memorie van antwoord en de laatste memorie uitdrukkelijk dat ze uitgaan van “de korpschef van de lokale politie Antwerpen” en niet van de stad Antwerpen. Beide processtukken gaan bijgevolg niet uit van het college van burgemeester en schepenen. Ze gaan derhalve uit van een niet-bevoegde persoon. Er ligt evenmin een uittreksel van de notulen van het college van burgemeester en schepenen voor, waaruit zou kunnen blijken dat het college zijn akkoord heeft betuigd met de (verzending van) de betrokken memories. Uit wat voorafgaat, volgt dat ambtshalve de memorie van antwoord en de laatste memorie uitgaande van de korpschef, uit het debat worden geweerd. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  8. Verzoeker voert in het verzoekschrift de schending aan van artikel 44 van de wet van 7 december 1998 „tot organisatie van een geïntegreerde XIV-36.683-3/16 politiedienst, gestructureerd op twee niveaus‟ (hierna: de wet van 7 december 1998) en van het non bis in idem-beginsel. In een eerste onderdeel doet hij gelden dat artikel 44 van de wet van 7 december 1998 is geschonden doordat de bestreden beslissing geen ordemaatregel betreft, maar een verdoken tuchtsanctie. Volgens hem staat het vast dat de bestreden beslissing de intentie heeft hem te bestraffen en dat zij niet enkel het herstel van de goede werking van de dienst boogt. In een eerste argument doet verzoeker gelden dat de nagestreefde remediëring niet zozeer betrekking heeft op de goede werking van de dienst, maar wel op zijn persoon: de herplaatsing wordt immers ingegeven door de vermeende noodzaak hem strikt op te volgen. Ten aanzien van het belang van de dienst geeft de verwerende partij eerder algemene beschouwingen, terwijl de specifieke motivering daarentegen, wel betrekking heeft op zijn persoon en op de hem opgelegde bestraffing, met name de striktere opvolging die noodzakelijk zou zijn ten gevolge van de hem verweten feiten. In een tweede argument betoogt verzoeker dat de bestreden beslissing een groter nadeel berokkent dan nodig om de goede werking van de dienst te herstellen en dat om twee redenen. Vooreerst wordt verzoeker herplaatst naar een zuiver administratieve functie - de dienst Gerechtelijke Afhandeling - die in schril contrast staat tot de functie van teamleider bij de lokale recherche binnen de gerechtelijke zuil. Verzoeker betoogt dat hij een loopbaan van vijftien jaar heeft binnen de gerechtelijke zuil, waarin hij steeds recherchefuncties uitoefende, een solide beroepsreputatie opbouwde en waarin hij steeds goede evaluaties kreeg. Hij ziet zich thans gesanctioneerd door zijn overplaatsing buiten de gerechtelijke zuil en van een verantwoordelijke functie als teamleider, naar een zuiver uitvoerende en administratieve functie. Ten tweede wijst verzoeker erop dat hij het recht op de bijkomende toelage gerechtelijke zuil verliest, zijnde een toelage die een volledig onderdeel is van zijn wedde en 1.338,63 euro bedraagt. Volgens hem kan hij niet worden overgeplaatst met een aanzienlijk weddeverlies als gevolg, wat volgens verzoeker niet in verhouding staat tot de vrijwaring van de goede werking van de dienst. Verzoeker concludeert dat, alle voornoemde redenen samengenomen, het ontegensprekelijk vaststaat dat het dragende motief van de bestreden beslissing het XIV-36.683-4/16 oogmerk is om hem te bestraffen. Een ordemaatregel moet beperkt blijven tot wat nodig is om de verstoring van de orde weg te nemen en alles wat daarboven gaat, moet als een bestraffing worden beschouwd. Aangezien de verwerende partij op basis van artikel 44 van de wet van 7 december 1998 enkel ordemaatregelen mag treffen en geen tuchtmaatregelen, is die bepaling geschonden. In het tweede onderdeel zet verzoeker uiteen dat, “zoals blijkt uit de uiteenzetting onder het eerste onderdeel”, de bestreden beslissing een verdoken tuchtmaatregel is terwijl de feiten waarvoor die werd opgelegd, dezelfde zijn als die waarvoor hem reeds een tuchtstraf werd opgelegd. Dezelfde feiten mogen geen tweemaal worden gesanctioneerd, zodat de schending van het non bis in idem-beginsel vaststaat.
  9. In de memorie van wederantwoord repliceert verzoeker op de repliek van de verwerende partij in de memorie van antwoord. Hij antwoordt vooreerst dat niet het belang van de dienst centraal staat, maar wel zijn verwijdering omdat hij door zijn handelen een vertrouwensbreuk zou hebben veroorzaakt. Dat wordt volgens hem nog versterkt doordat in de memorie van antwoord de bestreden beslissing verder wordt verantwoord door te stellen dat verzoeker “de facto” schriftvervalsing heeft gepleegd bij het gebruik van het dienstvoertuig. Voorts stelt verzoeker zich de vraag waaruit de mogelijke conflicten zouden blijken. Ook kan hij de verwerende partij helemaal niet volgen in haar standpunt als zou de herplaatsing van verzoeker noodzakelijk zijn ter vrijwaring van de reputatie van het volledige politiekorps, daarbij andermaal verwijzend naar de mogelijke schriftvervalsing. Als dat standpunt zou worden gevolgd, dan heeft dit betrekking op het sanctioneren van hem, hetgeen verzoeker detailleert. De verwerende partij gaat volgens verzoeker nog verder: zij stelt dat de geloofwaardigheid van verzoeker als rechercheur - zelfs van een volledig onderzoek - wordt aangetast, hetgeen hij bekritiseert. Evenmin geeft de verwerende partij er zich rekenschap van dat haar standpunt inzake de geloofwaardigheid van verzoeker ongerijmd is, hetgeen blijkt uit zijn huidige functie. Wat het verlies van het recht op de bijkomende toelage gerechtelijke zuil XIV-36.683-5/16 betreft, wijst hij erop dat die een onderdeel is van zijn wedde en geen toelage of vergoeding die wordt toegekend uit hoofde van zijn functie. In zijn laatste memorie erkent verzoeker dat hij de toelage nog steeds ontvangt, doch hij veronderstelt dat die betaling geschiedt hangende de voorliggende procedure. Beoordeling Eerste onderdeel
  10. Verzoeker voert in het eerste onderdeel aan dat artikel 44 van de wet van 7 december 1998 is geschonden doordat de bestreden ordemaatregel een “verdoken tuchtsanctie” is.
  11. Artikel 44 van de wet van 7 december 1999 verleent aan de korpschef de rechtsgrond om maatregelen te nemen om de goede werking van het korps te verzekeren. Hij kan aldus, mits naleving van de desbetreffende regels van het RPPol, een politieambtenaar herplaatsen, en dit desgevallend bij ordemaatregel. Daarmee beweegt hij zich niet in de toepassingssfeer van de tuchtregeling, maar blijft hij binnen de opdracht die het voornoemde artikel 44 hem geeft, te weten met individuele beslissingen de dagelijkse werking van de dienst verzekeren. Vermits verzoeker met de bestreden beslissing wordt aangewezen voor een nieuwe betrekking, dient deze aanwijzing voorts te worden gekwalificeerd als een herplaatsing in de zin van Deel VI, Titel II, Hoofdstuk V, van het RPPol. Artikel VI.II.86 RPPol maakt, met betrekking tot de herplaatsing van het personeel, de korpschef bevoegd.
  12. De formele motivering van de bestreden beslissing is weergegeven in het tussenarrest nr. 241.760 van 12 juni 2018 (punt 3.3). Hieruit blijkt dat verzoeker is herplaatst bij ordemaatregel. Die maatregel wordt formeel gemotiveerd vanuit de verstoring van de goede werking van de dienst. De XIV-36.683-6/16 bestreden beslissing dient zich derhalve aan als een overplaatsing bij ordemaatregel die is genomen omwille van het gedrag van verzoeker. Wanneer een verzoeker aanvoert dat een opgelegde maatregel die zich als een ordemaatregel aandient, in werkelijkheid een verkapte tuchtmaatregel is, komt het aan hem toe om het voor de Raad van State aannemelijk te maken dat, ondanks de schijn van het tegendeel, de bestreden beslissing er uitsluitend of hoofdzakelijk toe strekt hem te bestraffen wegens disciplinaire tekortkomingen. Tot het bestaan van een dergelijke, niet-veruitwendigde bedoeling, kan niet worden besloten op grond van loutere subjectieve gevoelens van verzoeker. Integendeel dient verzoeker met verwijzing naar concrete omstandigheden aannemelijk te maken dat het determinerend motief van de ordemaatregel erin bestaat hem te bestraffen. De argumenten die verzoeker in dat verband in het verzoekschrift aanvoert, zijn dubbel. Ze worden hierna onderzocht.
  13. Waar verzoeker als eerste argument aanvoert dat de intentie om te bestraffen blijkt uit het gegeven dat de herplaatsing is ingegeven door de noodzaak om hem strikt op volgen, wordt vastgesteld dat er in de bestreden beslissing sprake is van een attitude van verzoeker die totaal niet overeenstemt met een integere uitvoering van de recherchefunctie - die een zekere zelfstandigheid en verantwoordelijkheid alsook een onberispelijk en integer gedrag vereisen - en dat verzoeker door zijn gedrag het vertrouwen heeft verloren om deze functie uit te oefenen en dat hij een negatieve invloed heeft op de werksfeer en de motivatie van de teamleden op de werkvloer. Die vaststellingen doen blijken dat het verzoekers gedrag op zich is dat de korpschef heeft aangezet tot het nemen van de ordemaatregel. Ze staven derhalve de verstoring van de goede werking van de dienst en de ordemaatregel strekt ertoe die te herstellen. In die concrete omstandigheden kan het oordeel van de korpschef in de bestreden beslissing dat “de voorgedane feiten […] immers leiden tot een vertrouwensbreuk en [aan]tonen dat een strikte opvolging van [verzoeker] aangewezen is” in XIV-36.683-7/16 redelijkheid worden ingepast in het oogmerk van de korpschef om de goede werking van de dienst te herstellen. Er is derhalve geen reden om in het “strikter” opvolgen van verzoeker een bestraffende bedoeling te zien.
  14. Waar verzoeker, als tweede argument, aanvoert dat de bestreden beslissing hem meer lasten oplegt dan nodig voor de goede werking van de dienst, komt het aan de Raad van State binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht, niet toe om zelf een beoordeling te maken van de omvang van het schadeverwekkend effect van de bestreden beslissing. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de korpschef is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of hij die correct heeft beoordeeld en of op grond daarvan, binnen de perken van de redelijkheid tot het besluit kan worden gekomen dat de herplaatsing van verzoeker niet meer lasten oplegt dan nodig voor de goede werking van de dienst. In de mate dat verzoeker vooreerst aanvoert dat hij is overgeplaatst van een functie van teamleader naar een zuivere administratieve functie bij de gerechtelijke afhandeling en buiten de gerechtelijke zuil, toont die herplaatsing wel aan dat verzoeker een functie met een andere inhoud uitoefent, maar dat betekent evenwel op zich nog niet dat het enkele feit van het uitoefenen van die nieuwe functie meer schade berokkent dan nodig is om de goede werking van de dienst te herstellen. Van belang ter beoordeling daarvan is ook het niet-betwiste gegeven dat de herplaatsing is gebeurd in een functie in overeenstemming met verzoekers graad en dat verzoeker niet beweert dat er een andere functie van zijn niveau vacant was waarnaar hij had kunnen worden herplaatst en die hem minder nadeel zou hebben opgelegd, terwijl ze op dezelfde of gelijkwaardige wijze de goede werking van de dienst zou hebben gediend. Ter beoordeling van de vraag of de bestreden beslissing meer schade toebrengt dan nodig, is het immers wezenlijk om in die beoordeling ook het gegeven te betrekken of de verwerende partij over alternatieven beschikte die minder nadelig zouden zijn voor verzoeker. Niet blijkt dat verzoeker zulks aanvoert of aannemelijk maakt. XIV-36.683-8/16 In de mate dat verzoeker ten tweede aanvoert dat hij de bijkomende toelage “gerechtelijke zuil” verliest, betekent zulks op zich evenmin dat de ordemaatregel meer schade berokkent dan nodig is om de goede werking van de dienst te herstellen. Het feit dat een herplaatsing bepaalde bijzondere lasten met zich meebrengt, met inbegrip van financiële gevolgen zoals bijvoorbeeld hogere verplaatsingsonkosten ingevolge de grotere afstand tussen woonplaats en werk, of het verlies van bepaalde toelagen verbonden met de functie of de betrekking, betekent nog niet dat hij een tuchtmaatregel wordt. Te dezen is het verlies van de betrokken toelage, met een (bruto) jaarlijks bedrag van 1.338, 63 euro niet-geïndexeerd, een gevolg van het niet-betwiste feit dat verzoeker in zijn oorspronkelijke betrekking op grond van artikel XII.XI.21, § 1, RPPol die bijkomende toelage genoot en dat dit recht erop definitief wordt beëindigd “vanaf het ogenblik dat [verzoeker] de betrekking verlaat of dat een einde wordt gesteld aan de detachering zonder onmiddellijk te worden herplaatst, gedetacheerd of ter beschikking gesteld van een dienst die recht geeft op die toelage” (art. XII.XI.21, § 3, RPPol). Het recht hebben op deze toelage is derhalve onmiskenbaar verbonden aan het uitoefenen van een betrekking binnen een van de diensten bedoeld in artikel XII.X1.21, § 1, eerste lid, RPPol, zijnde de zogenaamde “gerechtelijke zuil”, maar is geen onderdeel van de wedde in de zin van artikel XI.I.3, 3° RPPol. Te dezen houdt de bestreden beslissing terdege een herplaatsing in van verzoeker buiten de gerechtelijke zuil, maar uit de bestreden beslissing blijkt dat zulks is ingegeven door het feit dat het opnemen van een recherchefunctie in de lokale politie onmogelijk is geworden. Voorts blijkt verzoeker, zoals reeds is bemerkt, te zijn herplaatst in een functie die in overeenstemming is met zijn graad. Er is voorts geen weddeverlies en verzoeker geeft geen inzicht in zijn eigen wedde met inbegrip van eventuele andere toelagen, en de (al dan niet) substantiële impact van het verlies van de toelage op zijn levensstandaard. Voorts geeft verzoeker niet aan dat, zoals reeds is bemerkt, er een andere functie van zijn niveau (buiten de uitoefening van de recherchefunctie) vacant was waarnaar hij had kunnen worden herplaatst en die hem minder nadeel zou hebben opgelegd of waarbij de financiële last kon worden vermeden of beperkt en die op dezelfde of gelijkwaardige wijze de goede werking van de dienst zou hebben gediend. In deze context getuigt het XIV-36.683-9/16 enkele gegeven dat verzoeker de bijkomende toelage gerechtelijke zuil verliest, in redelijkheid niet dat de korpschef verzoeker heeft willen bestraffen.
  15. Uit wat voorafgaat volgt dat de argumenten die verzoeker aangeeft, alleen dan wel samengenomen, niet volstaan om te besluiten dat de herplaatsing een bestraffende maatregel is. Aldus doet verzoeker niet blijken dat de korpschef zijn bevoegdheid bepaald in artikel 44 van de wet van 7 december 1998 heeft overschreden.
  16. In zoverre dat verzoeker in de memorie van wederantwoord en in de laatste memorie nieuwe of aanvullende argumenten en kritieken aanvoert, toont verzoeker niet aan dat hij deze niet reeds in zijn verzoekschrift had kunnen ontwikkelen. Aldus geeft verzoeker op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan zijn middel. Ze kunnen derhalve niet tot nietigverklaring leiden. In de mate dat het geen nieuwe of aanvullende argumenten betreffen, vallen ze samen met hetgeen hiervoor is uiteengezet. Ze leiden in dat geval evenmin tot het gegrond bevinden van het middelonderdeel.
  17. Het eerste middelonderdeel is ongegrond. Tweede onderdeel
  18. Verzoeker ontwikkelt het tweede onderdeel vanuit de hypothese dat de bestreden beslissing een verkapte tuchtmaatregel is. Uit de behandeling van het eerste onderdeel blijkt evenwel dat die niet wordt bijgevallen. Nu niet blijkt dat zowel de aan verzoeker opgelegde tuchtstraf als de bestreden beslissing van bestraffende aard zijn, is er geen schending van het door verzoeker ingeroepen algemeen rechtsbeginsel. Overigens bemerkt de Raad van State dat verzoeker uit het oog verliest dat op het ogenblik dat de ordemaatregel werd bevolen, hij nog niet bestraft was vermits de zware tuchtstraf die volgens hem voor identieke feiten of feiten die in hoofdzaak dezelfde zijn werd XIV-36.683-10/16 opgelegd, dateert van 22 september
  19. Er kon hoe dan ook op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing geen schending bestaan van het non bis in idem.
  20. Het tweede middelonderdeel is ongegrond. Conclusie
  21. Het eerste middel is ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  22. Verzoeker voert in het verzoekschrift de schending aan van de hoorplicht. Hij zet uiteen dat hij werd uitgenodigd om schriftelijk zijn verweer en/of verzoek om te worden gehoord in te dienen ten laatste op 30 juli 2015, maar dat de beslissing tot herplaatsing reeds vaststond op 25 juli
  23. Op 25 en 26 juli 2015 ontving hij immers e-mails van de dienst Gerechtelijke Afhandeling waarmee de verlofregeling voor de maand “september 2015” wordt meegedeeld en waarbij hij ook reeds in de verlofregeling werd ingepland. Hoewel verzoeker, naar hij stelt buiten zijn wil, geen gebruik heeft kunnen maken van zijn recht om te worden gehoord, staat aldus reeds bij voorbaat vast dat het recht om te worden gehoord of het indienen van een schriftelijk verweer toch zonder enig gevolg zou zijn gebleven. Indien niet reeds zou vaststaan dat hij wordt overgeplaatst, zou hij die communicatie inzake de verlofregeling uiteraard niet hebben ontvangen. Nochtans moet de hoorplicht derwijze worden georganiseerd dat verzoeker op een nuttige wijze zijn standpunt kan doen kennen. Dat verzoeker zijn verweer niet zou doen gelden, kon ten vroegste op 31 juli 2015 vaststaan. Aangezien de overplaatsing reeds duidelijk vaststond op 25 juli 2015, besluit verzoeker dat hij zijn standpunt niet op nuttige wijze heeft kunnen doen kennen. XIV-36.683-11/16 In de memorie van wederantwoord zet verzoeker uiteen dat, in zoverre de verwerende partij stelt dat de meegedeelde vakantieplanning een gevolg is van de kans die bestond dat verzoeker zou worden herplaatst en om te vermijden dat verzoeker anders voor voldongen feiten zou worden geplaatst wat de vakantieregeling van september en oktober 2015 betreft, repliceert verzoeker dat de verwerende partij op die wijze diametraal tegen de stukken ingaat, aangezien het de vakantieplanning voor het jaar 2016 betreft. Verzoeker stelt zich de vraag hoe hierbij sprake kan zijn van de noodzaak tot het anticiperen van zijn mogelijke komst als bij de opmaak van de planning voor het jaar 2016 al rekening wordt gehouden met zijn komst? Dit gebeurt volgens hem enkel en alleen omdat reeds bij voorbaat vaststaat dat verzoeker met zekerheid zal worden overgeplaatst. Dat de vakantieplanning niet door de korpschef werd opgesteld, noch op zijn vraag, wil de verzoekende partij nog aanvaarden, doch dat neemt niet weg dat de nieuwe leidinggevenden met zekerheid wisten dat verzoeker naar hun dienst zou komen, zoniet zou verzoeker uiteraard niet in de vakantieplanning van 2016 worden opgenomen. Verzoeker verwijst tot slot en ten overvloede naar een tekstbericht dat hij op 2 juli 2015 heeft ontvangen en stelt vast dat de persoon die werd vermeld in dat tekstbericht, daadwerkelijk ook als zijn opvolger werd aangesteld. Minstens stond begin juli 2015 reeds met zekerheid vast dat verzoeker zou worden overgeplaatst. In zoverrre de verwerende partij stelt dat verzoeker om een heroverweging had kunnen verzoeken, repliceert verzoeker met de vraag hoe hij ernstig kon overwegen een heroverweging te vragen indien blijkt dat de ordemaatregel al blijkt vast te staan vooraleer nog maar een voorstel van ordemaatregel wordt betekend? Als de hoorplicht al op dergelijk flagrante wijze wordt geschonden, bestaat de enige remediëring in het adiëren van de Raad van State en kan verzoeker zijn heil niet zoeken in een heroverweging. Op grond van de repliek van de verwerende partij op het vierde middel, waarin die ter verantwoording van de beslissing verwijst naar de stukken 3a en 3b van het dossier, doet verzoeker tot slot gelden dat die stukken ten aanzien van hem verborgen werden gehouden en hem voor het eerst worden meegedeeld in het kader van de voorliggende procedure. Hij stelt dat, ten aanzien XIV-36.683-12/16 van de aanwending van die stukken, verzoeker werd geschaad in zijn recht te worden gehoord omdat hij er geen nuttig verweer heeft tegen kunnen laten gelden. In zoverre de verwerende partij verzoeker passiviteit en inertie verwijt ten aanzien van een personeelslid dat in ziekteverlof is, werpt verzoeker op dat de verwerende partij misschien toch had kunnen overwegen dat de ziekte van verzoeker de oorzaak van zijn inertie zou kunnen zijn. In de laatste memorie herhaalt verzoeker zijn argumenten dat de verwerende partij in het geheel niet geloofwaardig is en verwijst hij naar het sms-bericht van 2 juli 2015 dat de bevestiging vormt van het feit dat bij voorbaat vaststond dat het horen van verzoeker niet meer dan een schijnvertoning was. Volgens hem zal de Raad van State vaststellen dat de verwerende partij de aanstelling van verzoekers opvolger voorafgaand aan het voorstel van ordemaatregel, geenszins ontkent en dat van een overheid kan worden verwacht “dat zij standpunt inneemt ten aanzien van elementen die zij acht niet met de werkelijkheid te stroken.” Het stilzwijgen van de verwerende partij kan dan ook niet anders worden beschouwd dan de bevestiging van verzoekers feitenrelaas. In die context is het weinig ernstig te beweren dat in de geschetste omstandigheden rekening zou zijn gehouden met het verweer van verzoeker. Beoordeling
  24. Uit het voorstel tot herplaatsing (zie het tussenarrest nr. 241.760 van 12 juni 2018, punt 3.2.) blijkt dat verzoeker, indien hij niet akkoord ging met dat voorstel en/of zijn standpunt naar voor wilde brengen, uitdrukkelijk werd uitgenodigd een verweerschrift en/of een verzoek te worden gehoord in te dienen en dat ten laatste op 30 juli
  25. Hij heeft dit evenwel nagelaten.
  26. Verzoeker stelt evenwel dat hij niet in de mogelijkheid was zijn standpunt op nuttige wijze voor te dragen. Uit de e-mails die hij op 25 en 26 juli 2015 van de dienst Gerechtelijke Afhandeling ontving, blijkt immers dat op 25 juli XIV-36.683-13/16 2015 al vaststond dat hij zou worden herplaatst, zodat reeds bij voorbaat vaststond dat het recht om te worden gehoord toch zonder enig gevolg zou zijn gebleven.
  27. De kwestieuze e-mails gaan niet uit van de korpschef, maar van een medewerker “Noodhulp Gerechtelijke Afhandeling”. Ze betreffen het aanleggen door die medewerker van een “excell file” van (een deel van) de vakantieplanning
  28. Uit de bewuste berichten kan inderdaad worden afgeleid dat (medewerkers van) de dienst waarnaar verzoeker op 5 augustus 2015 uiteindelijk door de korpschef wordt herplaatst, kennis had van de plannen van de korpschef om verzoeker naar die dienst te herplaatsen. Er kan hieruit evenwel niet op ondubbelzinnige wijze worden afgeleid dat op dat ogenblik, in hoofde van de korpschef, reeds een definitieve beslissing voorlag. Vooreerst blijkt niet uit die e-mailberichten dat de korpschef zich in die zin heeft uitgelaten naar de ontvangende dienst toe. Anders dan hoe verzoeker het ziet, blijkt uit die berichten evenmin dat, “indien niet reeds zou vaststaan dat verzoeker wordt overgeplaatst, [dan] zou hij deze communicatie uiteraard niet [hebben] ontvangen.” De Raad van State bemerkt immers dat voorafgaand aan die e-mails, de korpschef ingevolge de betekening aan verzoeker van het voorstel tot herplaatsing, reeds op 15 juli 2015 ondubbelzinnig het plan had geuit verzoeker over te plaatsen naar de dienst Gerechtelijke Afhandeling. In het licht van de uit artikel 44, tweede lid van de wet van 7 december 1998 volgende verantwoordelijkheid van de korpschef om in te staan voor de leiding, de organisatie en de verdeling van de taken binnen het lokaal politiekorps en de uitvoering van het beheer van dit korps, kan in redelijkheid worden aangenomen dat de korpschef de ontvangende dienst bevraagt of inlicht omtrent zijn plan om verzoeker over te plaatsen - zodat die dienst kennis heeft van dat plan - doch zonder dat hieruit op ondubbelzinnige wijze moet blijken dat op dat ogenblik in hoofde van de korpschef reeds een definitieve beslissing voorlag. Hoe het ook weze, zelfs al zou verzoeker uit het feit dat een medewerker van de ontvangende dienst verzoeker betrekt in de vakantieplanning van 2016, besluiten dat de definitieve beslissing reeds was genomen, toont verzoeker niet aan dat hij in zijn recht om gehoord te worden is beperkt, aangezien hij deze e-mails in zijn verweer had kunnen betrekken. Verzoeker heeft evenwel, om de redenen die hem XIV-36.683-14/16 eigen zijn, zulks niet gedaan. Met de in het voorstel tot herplaatsing opgenomen uitnodiging om te horen, heeft de korpschef aldus voldaan aan de op hem rustende verplichting tot horen. Verzoeker heeft dus wel degelijk de mogelijkheid gekregen om een nuttig verweer te voeren. In zoverre dat verzoeker in de memorie van wederantwoord ter adstructie van het middel zich beroept op een tekstbericht van 2 juli 2015, heeft verzoeker dat tekstbericht niet gevoegd bij zijn verzoekschrift. Hij toont ook niet aan dat hij daartoe niet in de mogelijkheid was. Bijgevolg kan er wegens laattijdigheid geen rekening mee worden gehouden noch met de voor het eerst in de memorie van wederantwoord erop gesteunde kritiek op de bestreden beslissing. In zoverre verzoeker het middel uitbreidt naar het feit dat hij geen nuttig verweer heeft kunnen laten gelden inzake de stukken 3a en 3b, volgt uit wat voorafgaat dat verzoeker om redenen die hem eigen zijn, geen verweer heeft ingediend tegen het voorstel tot herplaatsing. In die concrete omstandigheden kan hij derhalve thans niet met goed gevolg aanvoeren dat hij niet gehoord werd omtrent bepaalde stukken uit het tijdens de procedure door de verwerende partij overgelegde administratief dossier, nu blijkt dat hij in elk geval heeft nagelaten enig verweer te voeren inzake het voorstel tot herplaatsing.
  29. Het tweede middel is ongegrond. VI. Aanvullend onderzoek
  30. Het auditoraat heeft zijn onderzoek van de zaak beperkt tot de hiervoor besproken middelen, waarvan blijkt dat ze niet leiden tot een definitieve oplossing van het geschil. Er is dan ook reden om het auditoraat te gelasten met een aanvullend verslag over de zaak. XIV-36.683-15/16 BESLISSING
  31. De Raad van State heropent het debat.
  32. De Raad van State gelast het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat met het aanvullend onderzoek. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van een maart tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-36.683-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.860 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.760 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.246.214 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.