id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 maart 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.861 Rolnummer: A. 220939/XIV-37262 Zaak: Arrest 243861 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 01/03/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-03-14 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-25 07:20 Fiche Arrest nr 243.861 van 1 maart 2019 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 243.861 van 1 maart 2019 in de zaak A. 220.939/XIV-37.262 In zake :
(2)het feit dat ieder lid van de NGROD tegelijkertijd kandidaat en kiezer is voor een zetel in de hoge raad, was bovendien de bedoeling van de wetgever: diezelfde bepaling voorziet immers dat verkozen NGROD-raadsleden bij voorkeur doorstromen om ook te gaan zetelen in de hoge raad. 12. In haar memorie van antwoord betwist de verwerende partij in de eerste plaats de ontvankelijkheid van het enige middel met twee excepties, die zij in haar laatste memorie integraal herneemt. In een eerste exceptie werpt de verwerende partij op dat het middel artikel 2, § 1, 3°, van het Besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: de algemene procedureregeling) schendt doordat niet wordt uiteengezet welke belangenschade de verzoekers ondervinden door de vermeende schending van artikel 11 van de wet van 19 december 1950. In een tweede exceptie stelt zij dat de verzoekers geen geoorloofd belang hebben bij het enige middel omdat zij, door de verkiezing van de afgevaardigden van de NGROD in de hoge raad uit te stellen, wetens artikel 38, tweede lid, van het koninklijk besluit van 26 december 2015 hebben miskend. Dit is een overtreding van artikel 3 van de Code der Plichtenleer van de Orde der Dierenartsen. De hoge raad werd verplicht de bestreden beslissing te nemen. Wat de gegrondheid van het enige middel betreft, handhaaft de verwerende partij haar standpunt dat artikel 38 van het koninklijk besluit van 26 december 2015 een vervaltermijn omvat. Uit het gegeven dat de genoemde bepaling geen precieze termijn bepaalt kan niet ipso facto worden afgeleid dat het geen vervaltermijn betreft. Voorts doet zij gelden dat uit de omstandigheid dat diezelfde bepaling geen sanctie verbindt aan het niet onverwijld verkiezen van de Nederlandstalige leden van de hoge raad, niet mag worden afgeleid dat het niet XIV-37.262-15/32 zou gaan om een vervaltermijn. Het volstaat dat er rechtsgevolgen worden verbonden aan het overschrijden van de termijn, hetgeen geenszins impliceert dat er een effectieve sanctie werd vastgesteld. Zij verwijst daartoe naar artikel 38, derde lid, van het genoemde koninklijk besluit dat voorziet in een oproep tot kandidaatstelling wanneer op de installatievergadering van de NGROD geen vertegenwoordigers konden worden aangesteld. De installatievergadering dient te worden opgevat als de uiterste termijn om tot aanduiding van de leden voor de hoge raad over te gaan. Wanneer nadien nog tot verkiezing zonder oproep tot kandidaatstelling wordt overgegaan, moet dat worden beschouwd als een overschrijding van een vervaltermijn. Zij meent dat dit ook voortvloeit uit de artikelen 37 en 38 van het genoemde koninklijk besluit dat rechtsgrond vindt in artikel 11 van de wet van 19 december 1950. Het is op de installatievergadering die wordt bijeengeroepen door de aftredende voorzitter, en voor het einde van het mandaat van het uittreden bureau, dat de NGROD de drie leden van het nieuwe bureau kiest om vervolgens over te gaan tot verkiezing van elk van de vijf leden die zullen zetelen in de hoge raad. Zij voegt eraan toe dat “[e]nkel in het geval het volkomen onmogelijk is om op dit ogenblik een vertegenwoordiger per provincie te benomen, moet worden gehandeld overeenkomstig artikel 38, derde lid, van het koninklijk besluit van 26 december 2015. Er is geen keuzemogelijkheid om op dit wettelijk bepaalde tijdstip de verkiezingen voor de hoge raad uit te stellen tot na het opnemen van hun functie binnen de NGROD. Na het verstrijken van die datum is het immers niet meer mogelijk om deze verkiezingen te doen plaatsvinden op initiatief van de uittredende voorzitter ten overstaan van het uittredende bureau dat borg staat voor de neutraliteit, de onafhankelijkheid en het wettig verloop van de verkiezingen. Die neutraliteit kan door het nieuwe bureau niet worden gewaarborgd wanneer ieder lid kandidaat en kiezer is. De artikelen 37 en 38 moeten onlosmakelijk samen worden gelezen. Wanneer de bepalingen los van elkaar worden gelezen leidt dat ertoe dat artikel 37 geen bestaansreden meer heeft. De Orde en zijn raden zouden afhankelijk zijn van de wil van een gewestelijke raad, die over een absoluut blokkeringsrecht zou XIV-37.262-16/32 beschikken en zelf zou kunnen bepalen wanneer hij verkiezing houdt, zonder enige verhaalsmogelijkheid van de hoge raad. Een dergelijke redenering zou de werking van de hoge raad volledig lamleggen, wat niet de bedoeling kan zijn. In ondergeschikte orde doet de verwerende partij nog gelden dat indien wordt aanvaard dat een orgaan, te dezen de installatievergadering van 4 oktober 2016, er niet in slaagt een bepaalde opgelegde verplichting te vervullen, zulks mag worden uitgesteld tot de eerstvolgende vergadering, dan nog moet worden vastgesteld dat de verkiezing van de vijf leden van de hoge raad niet heeft plaatsgevonden op de eerstvolgende vergadering van 28 oktober 2016 “doch slechts op 15 november 2016”. In het licht van de wil van de regelgever om te voorzien in een “onmiddellijke verkiezing” dient te worden vastgesteld dat de verkiezing op 15 november 2016 minstens een overschrijding van de redelijke termijn betreft aangezien de laattijdige verkiezing louter is te wijten aan de houding van de verzoekers en de verkiezing daarnaast een dringend karakter vertoont. De hoge raad had in die omstandigheden geen andere mogelijkheid dan de bestreden beslissing te handhaven. De verwerende partij stelt voorts niet te kunnen instemmen met het standpunt dat, zo het onmogelijk was om de leden in de hoge raad te benoemen, toepassing moest worden gemaakt van artikel 38, derde lid, van het koninklijk besluit van 26 december 2015. Zij stelt dat artikel 38, derde lid, enkel van toepassing is “indien het effectief onmogelijk zou zijn om de leden van de hoge raad te verkiezen”. Het proces-verbaal van de vergadering van 4 oktober 2016 vermeldt nergens dat het onmogelijk was om per provincie een afgevaardigde voor de hoge raad aan te duiden onder de verkozen kandidaten van de NGROD. Er waren geen “interne strubbelingen” noch een gebrek aan kandidaten zoals blijkt uit de feitelijke omstandigheden. Het uitstel was er louter op gericht voorafgaandelijk overleg te plegen met de afgevaardigden van de Franstalige gewestelijke raad van de Orde. De hoge raad kon geen toepassing maken van artikel 38, derde lid, van het koninklijk besluit van 26 december 2015 en een oproep tot kandidaatstelling organiseren. Indien de hoge raad een XIV-37.262-17/32 dergelijke oproep had gelanceerd, had zij de genoemde reglementaire bepaling geschonden aangezien de mogelijkheid tot verkiezing wel degelijk voorhanden was. De verwerende partij stelt dat evenmin de stelling kan worden onderschreven dat, indien een gebeurlijke oproep tot kandidaatstelling geen resultaat oplevert, de gemengde raad van beroep in toepassing van artikel 9 van de wet van 19 december 1950 bevoegd zou zijn om op te treden. Artikel 9, tweede lid, van de wet van 19 december 1950 voorziet in een specifieke procedure om effectieve en plaatsvervangende leden bij zware inbreuken voorafgaand aan een tuchtstraf uit hun mandaat te doen ontzetten door de gemengde raad van beroep in het geval de hoge raad van oordeel is dat de inbreuk zodanig ernstig is dat het betrokken effectief of plaatsvervangend lid zijn mandaat niet kan blijven uitoefenen tot hij ingeval van een in kracht van gewijsde getreden tuchtrechtelijke veroordeling van rechtswege uit zijn mandaat wordt ontzet krachtens artikel 14, § 1, zevende lid, van de wet van 19 december 1950. De gemengde raad van beroep kan bij toepassing van die bepaling enkel uitspraak doen over de ontzetting van het betrokken lid uit zijn mandaat doch geenszins over het al dan niet verlengen van een mandaat; laat staan over de verkiezing van de leden van de hoge raad. Het kwam dan ook de hoge raad toe om, als hoogste orgaan binnen de Orde der dierenartsen, gepaste maatregelen te nemen om de goede dagelijkse werking van de Orde te verzekeren. Wat tot slot het argument van de verwerende partij betreft dat de bestreden beslissing steun vindt in het continuïteitsbeginsel verwijst zij naar haar eerdere procedurestukken en voegt nog toe dat de stelling dat het continuïteitsbeginsel een bestuurlijke noodhulp betreft, niet kan worden bijgetreden. Het genoemde beginsel kan wel degelijk worden aangewend om beslissingen te nemen in het belang van de goede werking van de openbare dienst waarvoor geen grondslag in de toepasselijke regelgeving is aan te wijzen en wanneer het bestuur te lang talmt met benoemingen en vernieuwingen van mandaten, hetgeen in casu het geval is. Zij voegt er nog aan toe dat gelet op de XIV-37.262-18/32 intenties van de verzoekers, namelijk “de politieke en communautaire doelstellingen” tot lamlegging, ontwrichting en tot splitsing van de Orde en zijn Raden, er, zonder de bestreden beslissing, geen dienstverlening binnen de Orde meer was geweest zodat men ook artikel 9, tweede lid, van de wet van 19 december 1950 gewoonweg niet zou hebben kunnen toepassen bij gebrek aan een wettige en geldige samenstelling van de hoge raad en in afwezigheid van vertegenwoordiging van de Vlaamse provincies. Beoordeling Betreffende de exceptie van niet-ontvankelijkheid van het enige middel 13. De verwerende partij betwist in haar memorie het belang van de verzoekers bij het door hen aangevoerde enige middel. Als zij in het auditoraatsverslag daarover kan lezen dat deze excepties ter zake ongegrond zijn en zij daarin geen reden ziet om vervolgens in haar laatste memorie hierop nog inhoudelijk te reageren doch ermee volstaat te verwijzen naar haar eerdere procedurestukken die in dit kader als integraal hernomen mag worden beschouwd, begrijpt de Raad van State uit die proceshouding dat de verwerende partij zich niet langer tegen de ontvankelijkheid van het middel verzet. 14. De exceptie wordt verworpen. Betreffende de gegrondheid van het enige middel 15. De voor het voorliggende beroep relevante normatieve bepalingen zijn de artikelen 11, eerste lid, van de wet van 19 december 1950 en 37 en 38 van het koninklijk besluit van 26 december 2015. Het genoemde artikel 11, eerste lid, van de wet van 19 december 2015 luidt: “Art. 11. De hoge raad van de Orde der dierenartsen van België wordt verkozen door de leden der gewestelijke raden van de Orde, volgens onderstaande regels:
- a)De gewestelijke raad van de Orde omvattende de provinciën Antwerpen, XIV-37.262-19/32 Limburg, Oost-Vlaanderen, West-Vlaanderen en het Nederlandstalig gedeelte van Brabant, verkiest vijf leden op de wijze bepaald bij koninklijk besluit;
- b)Hetzelfde geldt voor de raad van de Orde omvattende de provinciën Henegouwen, Luik, Luxemburg, Namen en het Franstalig gedeelte van Brabant;
- c)Elke der provinciën en gedeelten van provinciën waarvan sprake in dit artikel moet in de hoge raad van de Orde vertegenwoordigd zijn onder de tien aldus verkozen leden.” De artikelen 37 en 38 van het koninklijk besluit van 26 december 2015 bepalen: “Art. 37. Bij het verstrijken van de termijn bepaald bij artikel 35 betreffende het beroep tegen de verkiezingen van de raden, en ten minste acht werkdagen vóór het einde van het mandaat van het uittredend bureau, vergadert de nieuwe raad op initiatief en onder het voorzitterschap van de aftredende voorzitter. Art. 38. Op deze vergadering kiest de nieuwe raad in zijn schoot de drie leden van zijn bureau: eerst de voorzitter, daarna de ondervoorzitter en ten slotte de secretaris. Bij afzonderlijke stemmingen gaat hij daarna over tot de verkiezing van elk van de vijf leden van de Hoge Raad van de Orde van de Dierenartsen, die geroepen zijn om in de schoot van deze raad de vijf provincies die de omschrijving van de gewestelijke raad vormen, te vertegenwoordigen. Indien het onmogelijk is om onder de verkozen kandidaten (effectief of plaatsvervangend) van de gewestelijke raden een vertegenwoordiger van een provincie te benoemen, zal er oproep tot kandidaatstelling worden gedaan onder de leden van de lijst van de Orde van de Dierenartsen van deze provincie en zal er worden overgegaan tot verkiezing van deze afgevaardigde door de leden van de bevoegde gewestelijke raad.” 16. Uit artikel 11, eerste lid, van de wet van 19 december 1950 volgt dat de leden van de hoge raad van de Orde der dierenartsen worden verkozen door de leden van de gewestelijke raden van die Orde. Voor de provincies aan Nederlandstalige zijde van het land is dat de NGROD (zie artikel 4 van de wet van 19 december 1950). Aldus behoort het bepalen van de Nederlandstalige leden van de hoge raad tot de prerogatieven van de NGROD, waarbij deze de regels uiteengezet in voornoemd artikel 11 en het koninklijk besluit van 26 december 2015 dient toe te passen. Uit het geciteerde artikel 38 van het koninklijk besluit van 26 januari 2015 blijkt meer in het bijzonder dat de leden van de hoge raad door en (in beginsel) in de schoot van, te dezen, de NGROD worden aangeduid. Pas XIV-37.262-20/32 indien blijkt dat het “onmogelijk” is om binnen de NGROD kandidaten te vinden derwijze dat iedere provincie die onder de NGROD ressorteert, binnen de hoge raad vertegenwoordigd zou zijn, wordt met toepassing van artikel 38, derde lid, een oproep gedaan tot kandidaatstelling onder de leden van de lijst van de Orde van de dierenartsen van de (betrokken) ontbrekende provincies en zal er worden overgegaan tot verkiezing van deze afgevaardigde(
- n)door de leden van de bevoegde gewestelijke raad, te dezen, opnieuw, de NGROD. 17. Met de bestreden beslissing heeft de hoge raad zijn samenstelling evenwel zelf en geheel eenzijdig bepaald, buiten de bijzondere procedureregeling om, en zulks voor de (volle) mandaatperiode 2016-2019. Hij besliste immers om zijn op dat ogenblik bestaande samenstelling langs Nederlandstalige zijde te behouden en dat “de huidige vertegenwoordigers van die provincies in hun functie worden verlengd voor een mandaat van 3 jaar.” De hoge raad blijkt aldus de wettelijk en reglementair bepaalde (voorbehouden) bevoegdheid van de NGROD om langs Nederlandstalige zijde de samenstelling van de hoge raad te bepalen, te hebben miskend en blijkt daarmee de hem wel uitdrukkelijk toegekende bevoegdheden te buiten te zijn gegaan. In de bestreden beslissing, genomen op 13 oktober 2016 zoals die bij e-mail van 11 november 2016 aan de verzoekers ter kennis is gebracht en waarbij een uittreksel van het verslag van de vergadering van de hoge raad van 13 oktober 2016 is gevoegd, met name punt “2.) Resultaat van de verkiezingen voor de Orde”, voert de hoge raad twee motieven aan ter verantwoording van het voorbijgaan aan de procedure zoals die door de hiervoor aangehaalde regelgeving wordt voorgeschreven: “Resultaat van de verkiezingen voor de Orde: […] Met betrekking tot de verkiezingen voor de vertegenwoordigers bij de Hoge Raad van de 5 provincies die de kieskring vormen van de NGROD, blijkt uit de notulen van de vergadering van 4 oktober 2016 dat ze regelmatig werden georganiseerd maar dat noch Dr. [G.B.], kandidaat vertegenwoordiger van de provincie Antwerpen, noch Dr. [D.], kandidaat vertegenwoordiger van de XIV-37.262-21/32 provincie Limburg een absolute meerderheid hebben behaald en daarom niet verkozen werden. Bij gebrek aan bevestigde kandidaturen, kon ook geen vertegenwoordiger voor de andere 3 provincies (Vlaams-Brabant, West-Vlaanderen, Oost-Vlaanderen), worden verkozen. De Hoge Raad stelt vast dat, gelet op de onmogelijkheid om vertegenwoordigers aan te duiden voor de provincies die de kieskring uitmaken van de NGROD, er geen beroep werd gedaan op andere kandidaturen. Daarom en gelet op • het feit dat het koninklijk besluit van 26 december 2015 tot vaststelling van de voorwaarden en nadere regels van de verkiezingen bij de Orde der Dierenartsen niet toelaat de verkiezing van de leden van de Hoge Raad uit te stellen (art. 37 en 38); • de noodzaak zonder onderbreking het functioneren van de Hoge Raad te verzekeren en in het bijzonder de taken omschreven in art. 11 van de wet van 19 december 1950 tot oprichting van een Orde der Dierenartsen en in art. 5 en 9 van de wet van 28 augustus 1991 op de uitoefening van de diergeneeskunde; beslist de Hoge Raad dat de huidige vertegenwoordigers van die provincies in hun functie worden verlengd voor een mandaat van 3 jaar.” 18. In zoverre de verwerende partij zich beroept eensdeels op de onmogelijkheid om vertegenwoordigers aan te duiden voor de provincies die de kieskring uitmaken van de NGROD omwille van “het feit dat het koninklijk besluit van 26 december 2015 […] niet toelaat de verkiezing van de leden van de Hoge Raad uit te stellen (art. 37 en 38)” en, anderdeels, op het beginsel van de continuïteit van de openbare dienst teneinde “de noodzaak zonder onderbreking het functioneren van de Hoge Raad te verzekeren”, kan zij niet worden bijgetreden. Vooreerst dient te worden vastgesteld dat zij er niet in slaagt aan te tonen noch redelijkerwijze aannemelijk te maken waarom de artikelen 37 en 38 van het eerdergenoemde koninklijk besluit zich niet zouden verdragen, binnen de grenzen van de redelijkheid, met een in de tijd beperkt uitstel van de verkiezing van de leden voor de hoge raad. Dergelijk uitstel staat overigens niet gelijk met - zoals de verwerende partij in haar laatste memorie ten onrechte laat uitschijnen -, een uitstel “naar een onbepaalde datum” of een uitstel sine die. Anders dan de verwerende partij dat ziet is het niet vereist dat die aanduiding noodzakelijk geschiedt op de installatievergadering van de nieuw samengestelde gewestelijke raad (te dezen de NGROD). Het hiervoor aangehaalde artikel 38, XIV-37.262-22/32 derde lid, van het koninklijk besluit van 26 januari 2015 maakt geen gewag van enige specifieke termijn noch van een vervaltermijn. Dit artikel voorziet wel de volgorde waarin de nieuw verkozen gewestelijke raad bepaalde verrichtingen dient uit te voeren zonder evenwel te vereisen dat, op straffe van bevoegdheidsverlies voor de NGROD, het enige geldige tijdstip om de leden van de hoge raad te verkiezen het ogenblik van de installatievergadering zelf zou zijn. Deze bepaling verbindt geen enkele sanctie, noch een verval van bevoegdheid aan het niet “onverwijld” verkiezen van de Nederlandstalige leden van de hoge raad door de gewestelijke raad. Dat neemt niet weg, zoals steeds bij kiesaangelegenheden, dat de leden van de hoge raad zo diligent mogelijk en alvast binnen een redelijke termijn moeten worden aangeduid. Er kan echter redelijkerwijze niet worden uitgesloten - en alvast niet op grond van de te dezen toepasselijke regelgeving - dat indien een orgaan, om welke omstandigheden ook, er niet in slaagt op haar eerste vergadering een bepaalde opgelegde verrichting te vervullen (te dezen de verkiezing van de Nederlandstalige leden van de hoge raad), deze verrichting wordt uitgesteld, desgevallend in voortzetting, naar een eerstvolgende vergadering van dat orgaan, zolang de - in concreto te beoordelen - redelijke termijneis, wordt geëerbiedigd. Hoe dan ook slaagt de verwerende partij er niet in de Raad van State ervan te overtuigen dat een uitstel zoals te dezen tot de vergadering van 15 november 2016, dit is omstreeks 5 weken na de installatievergadering onredelijk is. Bovendien, zelfs in de hypothese - die de Raad van State niet bijtreedt - dat een uitstel van 5 weken om binnen de schoot van de NGROD de leden aan te duiden die zullen zetelen in de hoge raad onredelijk zou zijn, kan die vaststelling in geen geval afbreuk doen aan de verplichting om alsdan toepassing te maken van de in artikel 38, derde lid, vermelde procedure die voorschrijft dat een (externe) oproep moet worden gelanceerd onder de leden van de lijst van de Orde van de dierenartsen van de (ontbrekende) provincie(
- s)opdat de NGROD vervolgens overgaat tot verkiezing van deze afgevaardigde(n). Het is pas nadat zou blijken dat de NGROD weigert om aan die procedure medewerking te verlenen en zijn opgedragen opdracht te vervullen, dat gewag kan worden gemaakt van onwilligheid (zie hierna). Artikel 38 kan echter niet worden gelezen als een instrument waarbij een ander XIV-37.262-23/32 orgaan van de Orde der dierenartsen de wettelijke bevoegdheid van de gewestelijke raad zou kunnen overnemen. Enkel indien zelfs na het toepassen van voornoemd artikel 38, laatste lid, een duurzame ontwrichting van de NGROD en onwilligheid om tot een vergelijk inzake de verkiezing van de leden van de hoge raad te komen, zouden komen vast te staan, lijkt het mogelijk dat een ander daartoe door de wet aangewezen orgaan ingrijpt om het behoorlijk functioneren van de betrokken gewestelijke raad te herstellen. Krachtens artikel 9 van de wet van 19 december 1950 is de gemengde raad van beroep - niet de hoge raad - bevoegd om op te treden tegen handelingen of uitspraken die de eerbaarheid of integriteit van de Orde der dierenartsen aantasten. Het genoemde artikel 9, tweede lid, bepaalt dat zware inbreuken tegen wetten en reglementen betreffende de Orde der dierenartsen, tegen het procedurereglement, handelingen of uitspraken die de eerbaarheid of integriteit die de Orde moet genieten zouden kunnen aantasten, handelingen zijn die kunnen leiden tot de ontzetting uit het mandaat van effectief of plaatsvervangend lid. De beslissing daartoe behoort tot de bevoegdheid van de gemengde raad van beroep die bij beslissing van de hoge raad wordt gevat. In dat licht is het ook onjuist te stellen, zoals de verwerende partij in haar laatste memorie doet, dat “de Orde en zijn Raden totaal afhankelijk zouden zijn van de gewestelijke raad, die […], over een absoluut blokkeringsrecht zou beschikken en zelf zou kunnen bepalen wanneer hij de verkiezing houdt, zonder enige verhaalsmogelijkheid van de Hoge Raad, aangezien de Hoge Raad niet kan worden ingesteld overeenkomstig de wet van 19 december 1950”. Die ongenuanceerde uitspraak miskent overigens de (werkelijke) draagwijdte van het continuïteitsbeginsel waarop de verwerende partij zich precies beroept (zie infra, punt 21). Slotsom is dat moet worden vastgesteld dat de in het koninklijk besluit van 26 december 2015 uitgewerkte procedureregeling niet de betekenis heeft die de verwerende partij eraan toekent. Anders dan de verwerende partij meermaals doet gelden in haar memorie van antwoord en in haar laatste memorie XIV-37.262-24/32 blijkt dus niet dat de hoge raad geen enkele andere keuze meer had dan het mandaat van haar uittredende leden zelf te verlengen voor een volledige mandaattermijn van drie jaar. 19. Ten overvloede, bemerkt de Raad van State dat de verwerende partij - het moge dan nog “in ondergeschikte orde” zijn -, in haar laatste memorie niet ernstig kan aanvoeren dat de in artikel 38, derde lid, bedoelde oproep tot kandidaatstelling en verkiezing van de kandidaten door de NGROD, hoe dan ook geen toepassing kon vinden omdat die bepaling “enkel van toepassing is indien het effectief onmogelijk zou zijn om de leden van de hoge raad te verkiezen” om vervolgens voor te houden dat die situatie zich in de feiten niet heeft voorgedaan (p. 14-15). Ter adstructie dat die situatie van “effectieve onmogelijkheid” zich niet heeft voorgedaan verwijst zij naar het verslag van de installatievergadering van de NGROD van 4 oktober 2016 dat “nergens vermeldt dat het onmogelijk was om per provincie een afgevaardigde voor de hoge raad aan te duiden onder de verkozen kandidaten”, evenals naar de feitelijke omstandigheden waaruit blijkt dat “er geen gebrek aan kandidaten was” maar dat het uitstel van de verkiezing er “louter op gericht was voorafgaandelijk overleg te plegen met de afgevaardigden van de Franstalige gewestelijke raad van de Orde” en, tot slot, dat het feit dat er geen onmogelijkheid tot verkiezing bestond, door de hoge raad ook wordt uiteengezet in de “bestreden beslissing”, waaruit ze vervolgens citeert. De “bestreden beslissing” waaruit de verwerende partij citeert betreft evenwel slechts een “communiqué” dat door de uittredend voorzitter van de NGROD op 13 oktober 2016 aan alle dierenartsen is verstuurd, samen met een - waartegen de verzoekers uitdrukkelijk hebben geprotesteerd - verslag van de installatievergadering van de NGROD op 4 oktober 2016. In dat “communiqué” kan worden gelezen dat “[h]et PV van de verkiezingen op datum van 4 oktober niet [vermeldt] dat het onmogelijk was om per provincie een afgevaardigde voor de HR aan te duiden onder de verkozen kandidaten van de NGROD. De HR stelt vast dat op heden de termijn om tot nieuwe verkiezingen over te gaan verstreken is” en dat “[b]ij ontstentenis van afgevaardigden bij de HR aangeduid door de NGROD (voor alle Vlaamse provincies) en gelet op de noodzakelijke continuïteit XIV-37.262-25/32 van de openbare dienstverlening moet de Nederlandstalige sectie van de HR in zijn huidige samenstelling voor de termijn van 3 jaar blijven zetelen”. Die verklaringen in het genoemde “communiqué” en in de laatste memorie staan nochtans haaks niet alleen op wat de verwerende partij in haar memorie van antwoord (p. 28) heeft uiteengezet doch, meer nog, op de vaststellingen van de hoge raad in zijn zitting van 13 oktober 2016. In de bestreden beslissing zoals die aan de verzoekers ter kennis is gebracht (zie supra, punt 17) op 11 november 2016 en het verslag van de vergadering van de hoge raad van 13 oktober 2016 waarop de bestreden beslissing is genomen, kan immers worden gelezen dat de bestreden beslissing is genomen vertrekkende vanuit de vaststelling dat “gelet op de onmogelijkheid om vertegenwoordigers aan te duiden voor de provincies die de kieskring uitmaken van de NGROD, er geen beroep werd gedaan op andere kandidaturen”. De toelichting in een communiqué of in de laatste memorie vermag uiteraard geen afbreuk te doen aan wat in de bestreden beslissing en het verslag van de vergadering van de hoge raad van 13 oktober 2016 is gesteld. Daarenboven in zoverre de verwerende partij met dat ultiem verweer zou betrachten de vastgestelde onmogelijkheid niet langer toe te schrijven aan de “onmogelijkheid om vertegenwoordigers aan te duiden voor de provincies die de kieskring uitmaken van de NGROD” doch aan de onwilligheid van de verzoekers om medewerking te verlenen aan het aanduiden van leden voor de hoge raad teneinde hun (al dan niet vermeende) “politieke en communautaire” agenda te realiseren waarbij een “lamlegging” van de Orde wordt beoogd met het oog op de splitsing ervan, mist het evenzeer doel omdat in dat geval niet voorbij kan worden gegaan aan hetgeen is bepaald in het hogergenoemde artikel 9, tweede lid, van de wet van 19 december 1950 en dat nog steeds toepassing moet worden gemaakt van artikel 38, derde lid (oproep tot kandidaatstelling) zodat de bestreden beslissing in die argumentatie evenmin steun kan vinden. 20. Evenzo mist het verweer zijn doel waar de verwerende partij in haar memorie van antwoord en in haar laatste memorie nog aanvoert, ter adstructie van het feit dat het “in casu absoluut niet mogelijk was en is om een XIV-37.262-26/32 opvolger voor de uittredende leden van de Hoge Raad aan te stellen”, dat de verkiezing door de NGROD van eerste, derde en vierde verzoeker als leden van de hoge raad op 15 november 2016 “ongeldig” is gebeurd. Een argument geput uit de beweerde ongeldigheid van de verkiezing die heeft plaatsgevonden op 15 november 2016 (dit is dus na de bestreden beslissing van 13 oktober 2016), betreft een post factum gegeven dat onmogelijk (mede) aan de bestreden beslissing ten grondslag heeft kunnen liggen zodat de Raad van State er geen rekening mee kan houden. Het betreft een element van verweer dat hoogstens als exceptie relevant zou kunnen zijn - en dat door de verwerende partij ook als dusdanig wordt ingeroepen - doch waarvan hiervoor is gebleken dat dit het functioneel belang van de verzoekers bij de nietigverklaring van de bestreden beslissing onverlet laat. Er is geen reden om, bij het onderzoek van de gegrondheid van het enige middel, hierover anders te oordelen. 21. Evenmin kan het nemen van de bestreden beslissing door de niet-bevoegde hoge raad worden gerechtvaardigd door te verwijzen naar het beginsel van de continuïteit van de openbare dienst. Een toepassing van het beginsel van de continuïteit van de openbare dienst als bevoegdheidsgrondslag voor de hoge raad, is te dezen niet aan de orde. Immers, het (ongeschreven) continuïteitsbeginsel, afgeleid uit de vereiste van de permanentie van de staatsfunctie, kan slechts als rechtsgrond worden ingeroepen wanneer er geen expliciete wettelijke regeling voorhanden is. Het genoemde rechtsbeginsel kan in beginsel dan ook niet contra legem worden ingeroepen, te dezen tegen een uitdrukkelijke bevoegdheidsregeling in, tenzij in uitzonderlijke omstandigheden, om de werking van de staatsfunctie of openbare dienst te vrijwaren en het beginsel kan al zeker niet primeren op een uitdrukkelijke regeling die in het bijzonder de vrijwaring van de continuïteit van de dienst beoogt. Zoals hiervoor is uiteengezet, is te dezen niet gebleken dat geen XIV-37.262-27/32 toepassing kon worden gemaakt van de uitdrukkelijke regeling zoals die is voorzien in (artikel 38 van) het koninklijk besluit van 26 december 2015. De verwijzing van de verwerende partij naar rechtspraak die aanvaardt dat een uittredend mandaathouder tijdelijk belast blijft met het uitoefenen van zijn functie totdat conform de geldende normatieve bepalingen in zijn plaatsvervanging is voorzien, is niet dienstig. Het wordt niet betwist dat, krachtens het beginsel van de continuïteit van de openbare dienst, de uittredende mandataris of het uittredend lid van een bestuursorgaan zitting blijft hebben na het verstrijken van zijn mandaat doch, uiteraard, en niet langer dan noodzakelijk is, om volgens de toepasselijke normatieve bepalingen in zijn vervanging te voorzien. Met de verzoekers moet echter worden vastgesteld dat een beroep op het beginsel van de continuïteit van de openbare dienst steeds in de tijd beperkt dient te zijn, tot de strikt noodzakelijke tijd om de continuïteit te verzekeren. De noodzaak om in het kader van het belang van de Orde der dierenartsen beslissingen te kunnen blijven nemen, noodzaak die aan de basis ligt van de jurisprudentiële constructie die het beginsel van de continuïteit van de openbare dienst uiteindelijk is, zou te dezen tot gevolg kunnen hebben dat de “oude” samenstelling van de hoge raad verder rechtsgeldig beslissingen kan blijven nemen zolang er geen nieuwe vertegenwoordigers in de hoge raad worden verkozen. Dit beginsel biedt echter geen rechtsgrond voor de hoge raad om proprio motu de NGROD terzijde te schuiven en eenzijdig zijn samenstelling langs Nederlandstalige zijde tot aan de volgende driejaarlijkse verkiezingen te bepalen. Die handelwijze kent aan het beginsel van de continuïteit van de openbare dienst een draagwijdte toe die dat beginsel kennelijk niet heeft. 22. In de mate de verwerende partij nog aanvoert dat de aanhef van het koninklijk besluit van 26 december 2015 verwijst naar artikel 11, eerste lid, van de wet van 19 december 1950, zodat het “manifest onjuist” is dat de bestreden beslissing artikel 11 miskent, leidt deze bewering nergens toe. Daargelaten de vraag of het genoemde artikel 11, al dan niet gelezen in samenhang met artikel 108 van de Grondwet, artikel 38 van het koninklijk besluit van 26 december 2015 tot rechtsgrond strekt, zegt dat nog niets over de XIV-37.262-28/32 wettigheid van de bestreden individuele bestuurshandeling of de overeenstemming ervan met die genoemde bepalingen. 23. Conclusie moet dan ook zijn dat de verwerende partij er niet in slaagt haar wederrechtelijke handelwijze afdoende te verantwoorden noch in de bestreden beslissing zelf, noch - in zoverre dergelijke post factum toelichting al zou kunnen worden aanvaard - in haar verweerstukken. Er wordt vastgesteld dat de bestreden beslissing de door de verzoekende partijen ingeroepen bepalingen schendt. 24. De verzoekers hebben als leden van de NGROD belang bij deze vaststelling. De nietigverklaring van de bestreden beslissing leidt er immers toe dat de prerogatieven van het orgaan waartoe zij behoren worden gevrijwaard (zie supra, punt 7 tot 10). 25. Het enige middel is gegrond. VI. Verzoek tot toepassing van artikel 35/1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State 26. De verzoekers vragen dat in het arrest tot nietigverklaring van de bestreden beslissing zou worden bepaald welke maatregelen moeten worden genomen om de onwettigheid die heeft geleid tot de nietigverklaring te verhelpen. Meer bepaald vragen zij “dat duidelijk wordt opgelegd dat ingevolge de nietigverklaring van de bestreden beslissing de verwerende partij ertoe gehouden is de wettigheid van de beslissing van de NGROD van 15 november 2016 tot verkiezing van de leden van de Hoge Raad […] die zij nooit heeft aangevochten voor de Raad van State of op een andere wijze - te erkennen en de bij deze beslissing verkozen leden toe te laten hun mandaat als lid van de Hoge Raad onmiddellijk en ten volle uit te oefenen, met o.a. aanwezigheidsrecht vanaf de eerstvolgende vergadering van de Hoge Raad na het tussen te komen arrest.” Zij stellen, en halen daartoe twee voorvallen aan, “te vrezen dat - zelfs na een XIV-37.262-29/32 nietigverklaring van de bestreden beslissing - de Hoge Raad alsnog de wettigheid van de voormelde beslissing van 15 november 2016 zal blijven miskennen en op basis daarvan de verkozen leden de toegang tot de Hoge Raad zal weigeren.” Beoordeling 27. Artikel 35/1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State luidt: “Art. 35/1. Op verzoek van één der partijen, ten laatste in de laatste memorie, verduidelijkt de afdeling bestuursrechtspraak in de motieven van haar arrest houdende nietigverklaring, de maatregelen die moeten worden genomen om de onwettigheid die heeft geleid tot deze nietigverklaring te verhelpen.” Uit de wetsgeschiedenis van deze bepaling blijkt dat deze bevoegdheid voortvloeit uit het idee dat, “wanneer te verwachten valt dat een arrest uitvoerings- of interpretatieproblemen dreigt te veroorzaken door de complexiteit van de zaak”, de partijen kunnen vragen “dat in hetzelfde arrest wordt verduidelijkt hoe de tenuitvoerlegging ervan wordt gefaciliteerd.” Deze verduidelijkingen omvatten “de nodige uitleg betreffende de inhoud van het gezag van gewijsde om aan de onregelmatigheden te remediëren die tot de nietigverklaring hebben geleid” (Parl. St. Senaat, 2012-13, nr. 5-2277/1, 26). 28. Te dezen maken de verzoekers niet aannemelijk dat te verwachten valt dat het arrest uitvoerings- of interpretatieproblemen dreigt te veroorzaken door de complexiteit van de zaak. Bovendien is het vernietigingsmotief duidelijk in het arrest uiteengezet, wat de verwerende partij moet toelaten tegemoet te komen aan de vastgestelde gebreken zodat bijkomende preciseringen zich niet opdringen. Dit betekent ook dat uit het vernietigingsmotief evenzo duidelijk voortvloeit zonder dat verdere precisering zich opdringt, dat de verzoekers het mandaat of de mandaten in de NGROD en de hoge raad waarin zij effectief verkozen zijn, waarvan de verkiezingsuitslag definitief is geworden en in zoverre zij daarin niet op regelmatige wijze zijn geschorst of ontzet, moeten kunnen opnemen en uitoefenen met alle daaraan XIV-37.262-30/32 verbonden prerogatieven, met inachtneming uiteraard van de geldende wettelijke en reglementaire bepalingen. Anders evenwel dan de verzoekers lijken te veronderstellen omvat artikel 35/1 van de gecoördineerde wetten, anders dan het geval is met artikel 36 van diezelfde gecoördineerde wetten, geen mogelijkheid om enige injunctie of verbod op te leggen, noch de mogelijkheid om een wettigheidsbrevet af te leveren omtrent beslissingen van de NGROD die niet eens het voorwerp hebben uitgemaakt van het voorliggend vernietigingsberoep. 29. Het verzoek om toepassing te maken van artikel 35/1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State wordt afgewezen. VII. Anonimisering 30. De verzoekers vragen de anonimisering van het arrest, bij de publicatie ervan. Luidens artikel 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 7 juli 1997 ‘betreffende de publicatie van de arresten en de beschikkingen van niet-toelaatbaarheid van de Raad van State’ kan bij de publicatie van de beschikking of van het arrest de identiteit van natuurlijke personen, op uitdrukkelijk verzoek van een natuurlijke persoon die partij is bij een geschil dat bij de Raad van State aanhangig is, worden weggelaten. De vraag wordt ingewilligd. XIV-37.262-31/32 BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt de beslissing van de hoge raad van de Orde der dierenartsen van 13 oktober 2016, waarbij deze besliste dat haar (zetelende) leden die de provincies Antwerpen, Limburg, Oost-Vlaanderen, West-Vlaanderen en het Nederlandstalig gedeelte van Brabant vertegenwoordigen, in hun functie worden verlengd voor een mandaat van drie jaar. De Raad van State verwerpt het beroep voor het overige. 2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 1600 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 840 euro, die verschuldigd is aan de verzoekers. 3. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekers weggelaten. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van een maart tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-37.262-32/32 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.861 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.238.096 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div