id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 maart 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.920 Rolnummer: A. 215080/X-16157 Zaak: Arrest 243920 - Provinciale en lokale reglementen (behalve fiscaal) - 12/03/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-03-19 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-25 08:03 Fiche Arrest nr 243.920 van 12 maart 2019 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Provinciale en lokale reglementen (behalve fiscaal) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 243.920 van 12 maart 2019 in de zaak A. 215.080/X-16.
- In zake : de NV V.H.S – EUROP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Ilse Cuypers en An Valckenborgh kantoor houdend te 2600 Antwerpen Posthofbrug 6 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de GEMEENTE BEVEREN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Flamey kantoor houdend te 2018 Antwerpen Jan Van Rijswijcklaan 16 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 3 april 2015, strekt tot de nietigverklaring van: “De beslissing van de gemeente Beveren, zoals meegedeeld bij email van 6 februari 2015 van [R.R.], technisch medewerker van de dienst milieubescherming van de gemeente Beveren waarin verzoekende partij wordt verzocht al haar containers op het grondgebied van de gemeente Beveren te verwijderen, op straffe van inbeslagname.” II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 230.303 van 24 februari 2015 is de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. X-16.157-1/7 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Sofie De Doncker heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting van 23 november 2018, zitting waarop de zaak is uitgesteld naar de zitting die heeft plaatsgevonden op 7 december
- Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Advocaat An Valckenborgh, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaten Evi Mees en Glenn Declercq, die loco advocaat Peter Flamey verschijnen voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Sofie De Doncker heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Verzoekster recycleert gedragen kledij. Zij zegt op het grondgebied van de gemeente Beveren sedert 2001 drie kledingcontainers te hebben staan, op privéterrein. X-16.157-2/7 Bij besluit van 26 juni 2014 past de gemeenteraad het politiereglement aan. Overeenkomstig de nieuwe bepalingen 39.3 en 39.4 is de inzameling van textiel in containers op privéterrein toegankelijk voor het publiek, exclusief voorbehouden voor de erkende ophaler die door de opdrachthoudende vereniging Ibogem wordt aangeduid en zijn enkel de organisaties die de toelating hebben van het college van burgemeester en schepenen of Ibogem, waarmee zij een overeenkomst gesloten hebben, gemachtigd textielcontainers te plaatsen op privéterreinen toegankelijk voor het publiek, alsook op openbaar domein. Het gemeenteraadsbesluit van 26 juni 2014 wordt op 6 augustus 2014 bekendgemaakt. Met een brief van 17 juli 2014 deelt de verwerende partij aan verzoekster individueel mee dat de gemeenteraad op 26 juni 2014 besliste “dat vanaf 01/01/2015 de plaatsing van containers voor de inzameling van textiel exclusief is voorbehouden voor de door Ibogem aangeduide erkende ophaler”. Gevraagd wordt er rekening mee te houden dat containers voor de inzameling van textiel op het grondgebied van de gemeente, ook op privéterrein, uiterlijk vóór 1 januari 2015 verwijderd dienen te worden. Met een e-mail van 6 februari 2015 deelt een technisch medewerker van de dienst Milieubescherming aan verzoekster – die niet door de opdrachthoudende vereniging Ibogem werd aangeduid – mee wat volgt: “Zoals u reeds in een vorige mail (en via een schrijven) was medegedeeld mogen er vanaf 01/01/2015 enkel nog textielcontainers op ons grondgebied (zowel op openbaar domein als op privé domein) geplaatst worden door de organisatie die is aangesteld door onze intercommunale Ibogem. (zie artikel politiereglement in bijlage). Voor 2015 is dit Curitas geworden. Gezien er een kleine overgangstermijn is voorzien dient u al uw containers op ons grondgebied (ook op privé domein) te verwijderen uiterlijk voor 09/03/
- Momenteel staan er op verschillende locaties (Pareinpark – Horta te Beveren, Delhaize – Albert Panisstraat te Beveren,... ) nog containers van jullie. Respecteer deze uiterste termijn zeker want anders worden uw containers in beslag genomen!!!” X-16.157-3/7 IV. Ontvankelijkheid Standpunt van de partijen
- De verwerende partij betwist dat de bestreden beslissing een aanvechtbare rechtshandeling is. Zij argumenteert dat de e-mail van R.R. van 6 februari 2015 enkel en alleen de inhoud bevestigt van het gemeentelijk politiereglement zoals gewijzigd bij gemeenteraadsbesluit van 26 juni
- De wijziging werd verzoekster met een schrijven van 17 juli 2014 ter kennis gebracht. Bovendien werd door Ibogem een open aanbesteding georganiseerd waarbij in de opdrachtdocumenten zeer nadrukkelijk werd vermeld dat de geselecteerde inschrijver vanaf 1 januari 2015 exclusiviteit zou krijgen op het grondgebied van Beveren. Verzoekster heeft op geen enkel ogenblik geprotesteerd tegen de gewijzigde bepalingen van het gemeentelijk politiereglement, maar heeft integendeel haar kans gewaagd in het kader van de aanbestedingsprocedure. Volgens de exceptie grijpt verzoekster op “al te doorzichtige wijze” nu een e-mail van de milieudienst van 6 februari 2015 aan om te beweren dat zij “plots” tegen 9 maart 2015 haar containers zou moeten verwijderen. De e-mail wijst enkel op de toepassing van artikel 39.2 tot en met 39.4 van het politiereglement.
- Verzoekster antwoordt hierop dat slechts met de e-mail van 6 februari 2015 voor de eerste maal concreet is gevraagd om de containers te verwijderen. Voorts gaat de bestreden beslissing haars inziens verder dan het politiereglement doordat erin besloten wordt dat de containers die niet worden verwijderd in beslag genomen zullen worden en doordat een termijn tot 9 maart 2015 wordt vooropgesteld. De bestreden beslissing werkt het politiereglement nader uit. Ze is ook “pas genomen na nieuwe gegevens, met name nadat de eerder uitgeschreven aanbesteding werd toegekend aan een andere speler op de markt”. X-16.157-4/7 Aangezien de betrokken bepalingen van het politiereglement onwettig zijn, kan er volgens verzoekster des te minder sprake zijn van een loutere uitvoering “van dit onwettige, en dus onbestaande reglement”. Ten slotte meent verzoekster dat in ’s Raads arrest nr. 230.303 van 24 februari 2015 al impliciet aanvaard werd dat de bestreden beslissing “wel degelijk” een aanvechtbare handeling is. Beoordeling
- Om ontvankelijk met een annulatieberoep bij de Raad van State bestreden te kunnen worden moet de bestreden handeling erop gericht zijn een rechtsgevolg te doen ontstaan of te beletten dat het tot stand komt.
- Te dezen lijdt het voor de Raad van State geen twijfel dat R.R. met zijn e-mail van 6 februari 2015 geen eigen rechtsgevolgen heeft beoogd. In de eerste plaats herinnert de e-mail aan het op 26 juni 2014 gewijzigde politiereglement waardoor de plaatsing van textielcontainers op privéterrein principieel verboden is voor anderen dan de door Ibogem aangeduide erkende ophaler. In de tweede plaats wordt in de e-mail erop gewezen dat verzoekster niet de aangeduide erkende ophaler is. Zoals verzoekster ook al uit een brief van 17 juli 2014 kon vernemen, dient zij in dat geval haar containers, ook op privéterrein, in principe tegen 1 januari 2015 te verwijderen. In dit licht laat de bestreden e-mail zich niet anders kwalificeren dan, wezenlijk, als een loutere uitvoeringsmaatregel, die als zodanig niet vatbaar is voor vernietiging. Noch het feit dat in de e-mail een korte bijkomende respijttermijn wordt verschaft, noch het feit dat er de waarschuwing in verband met een eventuele inbeslagname in wordt geuit, kunnen dat beslissend logenstraffen. X-16.157-5/7
- Voorts doet het voor de kwalificatie van de e-mail als aanvechtbaar of niet-aanvechtbaar evenmin ter zake of de nieuwe bepalingen van het politiereglement onwettig zijn, zoals verzoekster meent. Ook al zouden die bepalingen met toepassing van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing worden gelaten, het brengt niet mee dat de e-mail van 6 februari 2015, waarmee alleen maar een uitvoeringsmaatregel genomen wil zijn, van de weeromstuit geacht zou moeten worden ertoe te strekken eigen en nieuwe rechtsgevolgen te doen ontstaan.
- Het arrest nr. 230.303 van 24 februari 2015, ten slotte, verwerpt de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de bestreden beslissing omdat “alvast” één van de twee grondvoorwaarden voor een schorsing – de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid – niet is vervuld. Dat in ieder geval deze grondvoorwaarde niet vervuld is, sluit niet uit dat er ook nog een ontvankelijkheidsprobleem kan zijn. In het kader van een vordering tot schorsing komt het voor, meer nog, is het zelfs gebruikelijk dat er geen onderzoek van de ontvankelijkheid gebeurt indien niet aan de grondvoorwaarden voor een schorsing voldaan is.
- De exceptie is gegrond. Het beroep is onontvankelijk. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep tot nietigverklaring.
- De Raad van State verwijst verzoekster in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op het rolrecht van 200 euro en een aan de verwerende partij verschuldigde rechtsplegingsvergoeding van 700 euro. Het door verzoekster teveel gekweten rolrecht ten bedrage van 200 euro wordt haar terugbetaald. X-16.157-6/7 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 12 maart 2019, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust X-16.157-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.920 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2015:ARR.230.303 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div