id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 maart 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.958 Rolnummer: A. 223918/XIV-37579 Zaak: Arrest 243958 - Politie (federale reglementen) - 18/03/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-03-22 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-25 08:35 Fiche Arrest nr 243.958 van 18 maart 2019 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Politie (federale reglementen) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 243.958 van 18 maart 2019 in de zaak A. 223.918/XIV-37.579 In zake : Herwig VAN DEN BERGH bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrick Van Der Straten kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 210 A/10 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGR/JUR/CTX gevestigd te 1050 Brussel Kroonlaan 145/A -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 4 december 2017, strekt tot de nietigverklaring van het koninklijk besluit van 9 oktober 2017 „tot wijziging van verschillende teksten inzake de bevordering tot de graad van hoofdcommissaris van politie‟. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. XIV-37.579-1/24 Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 november 2018, datum waarop de zaak in voortzetting is gesteld op 12 december 2018 om 10.30 uur. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Pieter Borms, die loco advocaat Patrick Van Der Straten verschijnt voor verzoeker, en attaché Ruben Goosens, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is commissaris van politie bij de Federale Politie. Hij is houder van het op 11 oktober 1985 behaalde brevet van kandidaat- politiecommissaris uitgereikt door het “studiecentrum voor de politie” van de stad Antwerpen, verleend overeenkomstig het koninklijk besluit van 12 april 1965 „betreffende het brevet van commissaris en adjunct-commissaris van politie.‟ (hierna: het koninklijk besluit van 12 april 1965). 3.
- Op 9 oktober 2017 wordt het koninklijk besluit „tot wijziging van verschillende teksten inzake de bevordering tot de graad van hoofd- commissaris van politie‟ genomen. XIV-37.579-2/24 Dit is het bestreden besluit. Het is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 25 oktober
- IV. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert in het verzoekschrift de schending aan van “het gelijkheidsbeginsel zoals verwoord in artikel 10 en 11 van de Grondwet, artikel 14 van het EVRM, artikel 1 van het 12de protocol bij het EVRM en artikel 26 BUPO-verdrag”, evenals een schending van het bij wet bekrachtigd artikel XII.IV.6 RPPol en artikel 18 van de wet van 26 april 2002 „houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten‟ (hierna: de wet van 26 april 2002), doordat artikel 3 van het bestreden besluit ten onrechte niet voorziet in een vrijstelling voor de aanvullende toelatingsproef voor personeelsleden van de geïntegreerde politie die beschikken over een brevet van officier van de gemeentepolitie bedoeld in het koninklijk besluit van 12 april
- Hij zet uiteen dat artikel 3 van het bestreden besluit voorziet in vier mogelijkheden wat de diplomavereiste betreft. Aangezien hij niet valt onder de eerste drie, moet hij bijgevolg deelnemen aan de aanvullende toelatingsproef. Nochtans vindt hij zich vergelijkbaar met de derde categorie, te weten die welke houder zijn van het diploma bedoeld in artikel 142sexies, vierde lid, van de wet van 7 december 1998 „tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus‟ (hierna: de wet van 7 december 1998), afgeleverd aan de laureaten van de basisopleiding van het officierskader. Volgens verzoeker wordt hij ten onrechte op een andere wijze behandeld dan die categorie, hetgeen hij toelicht in twee onderdelen. XIV-37.579-3/24 In een eerste onderdeel doet verzoeker gelden dat hij in het bezit is van een brevet van politieofficier dat hij behaalde toen hij nog voor de gemeente- politie werkte. Dat brevet is volgens hem zeker gelijkwaardig aan het diploma bedoeld in artikel 142sexies van de wet van 7 december
- Immers, houders ervan zijn vrijgesteld van de basisopleiding. Dat volgt uit artikel XII.IV.6, § 2, RPPol, zoals die bepaling werd ingevoegd door “de wet van 5 juli 2005” (lees: wet van 3 juli 2005 „tot wijziging van bepaalde aspecten van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse bepalingen met betrekking tot de politiediensten‟, hierna de wet van 3 juli 2005). Op dat ogenblik heeft volgens verzoeker de wetgever uitdrukkelijk het brevet van officier van de gemeentepolitie gevalideerd als evenwaardig aan de basisopleiding. Hij besluit dat hij enerzijds is vrijgesteld van de basisopleiding van het officierskader gelet op zijn brevet van officier, maar anderzijds wordt hij verplicht te slagen voor een aanvullende proef waarvan zij die de basisopleiding hebben gevolgd, worden vrijgesteld. Er is geen redelijke verantwoording voor de ongelijke behandeling ten opzichte van officieren die wel de basisopleiding moesten volgen omdat zij niet over een brevet van officier beschikten. In een tweede onderdeel doet verzoeker gelden dat hij eveneens is aangesteld in een functie niveau A en momenteel een functie uitoefent met als diplomavoorwaarden niveau A. Hij citeert hiertoe artikel 18 van de wet van 26 april 2002, luidens hetwelk, om in dienst te worden genomen in de graad van commissaris van politie, de kandidaat houder moet zijn van een diploma of studiegetuigschrift dat ten minste evenwaardig is met die welke in aanmerking worden genomen voor de indienstneming in de betrekking van niveau A bij de federale rijksbesturen. Verzoeker stelt dat hij is “aangesteld” als commissaris van politie sinds 1 april 2010 in een functie met als diplomavoorwaarde niveau A. Zijn collega‟s die de basisopleiding moesten volgen en ook een functie uitoefenen met als diplomavereiste A, krijgen nu vrijstelling van de bijkomende proef - en kunnen gewoon deelnemen aan de selectie - terwijl hem zonder enige redelijke verant- woording een bijkomende hindernis wordt opgelegd alvorens hij aan de selectie- procedure kan deelnemen. XIV-37.579-4/24 Verzoeker concludeert dat hij in het bezit is van een officiers- brevet dat hem vrijstelling verleende voor de basisopleiding voor officieren. Het succesvol afronden van die basisopleiding geeft vrijstelling voor de bijkomende toelatingsproef om toegang te krijgen tot de selectieprocedure voor het directie- brevet. Verzoeker wordt ten onrechte niet vrijgesteld van deze proef gelet op het evenwaardig karakter van zijn brevet met het diploma voor de basisopleiding van officieren. Bovendien oefent hij dezelfde functie uit, met niveau A diploma- voorwaarde, als de leden van de geïntegreerde politie die de basisopleiding voltooiden. Toch worden beide categorieën zonder redelijke verantwoording verschillend behandeld.
- In de memorie van wederantwoord repliceert verzoeker in wezen op de door de verwerende partij uiteengezette argumenten in de memorie van antwoord. Hij verduidelijkt vooreerst dat hij wel degelijk is benoemd in de graad van commissaris van politie en niet louter is aangesteld. Voorts wijst hij erop dat het beweerde verschil in toegang voor externen alleszins geen verantwoording kan zijn voor het gemaakte onderscheid en wijst hij er “ten overvloede” op dat het loutere feit dat toelatingsvoorwaarden van bepaalde opleidingen werden verstrengd - te dezen wat zijn brevet betreft -, geenszins tot gevolg heeft dat de daarvoor behaalde brevetten niet gelijkwaardig zijn. Ook benadrukt hij dat de gelijkwaardigheid met de basisopleiding van na de politiehervorming onweer- legbaar blijkt uit de vrijstelling van de opleiding die aan houders van het brevet van officier van gemeentepolitie wordt verleend en wijst hij erop dat het nog steeds mogelijk is om, op grond van anciënniteit en het slagen voor een kaderproef, binnen de politie te promoveren naar het officierskader zonder over de nodige diplomavereisten te beschikken. Inzake het verweer dat het loutere feit dat hij vrijgesteld werd van de basisopleiding niet wil zeggen dat zijn brevet als gelijkwaardig zou moeten worden beschouwd, doet verzoeker gelden dat uit de algemene vrijstelling van artikel XII.IV.6, § 2 RPPol nochtans duidelijk de intentie van de wetgever blijkt om de brevetten van de voormalige korpsen gelijk te stellen aan de basisopleiding XIV-37.579-5/24 van de geïntegreerde politie. Hij verwijst ter zake ook naar artikel 49 van het koninklijk besluit van 20 november 2001 „betreffende de basisopleiding van de personeelsleden van het operationeel kader van de politiediensten en houdende diverse overgangsbepalingen‟, waaruit hij afleidt dat de officieren van de voormalige gemeentepolitie, die onder meer waren bevorderd op basis van hun brevet van officier van gemeentepolitie, bij de overgang naar de geïntegreerde politie aldus werden “geacht de basisopleiding vereist voor de toegang tot het respectieve kader te hebben gevolgd”, alsook dat het de intentie van de regelgever was om de basisopleiding gelijk te stellen aan de voordien bestaande brevetten. Inzake het feit dat de basisopleiding wordt gelijkgesteld aan niveau A, wijst verzoeker erop dat de gelijkstelling met niveau A zoals voorzien in artikel 142sexies, vierde lid, van de wet van 7 december 1998, tot voor de wijziging door het bestreden besluit, de diplomahouders van die basisopleiding niet toeliet tot de toelatingsproeven zodat uit die uitsluiting volgt dat de basisopleiding geenszins als volledig evenwaardig met een universitaire opleiding werd beschouwd. Voorts benadrukt verzoeker de genese van het voornoemde artikel 142sexies, vierde lid: het opnemen van de waardering van de opleiding in de wetgeving gebeurde volgens verzoeker niet met als doel de opleiding hoger te kwalificeren dan de vroegere officiersbrevetten. Ze had enkel tot doel tegemoet te komen aan de verplichting tot het regelen van de essentiële aspecten van de opleiding. Zulks zou immers moeilijk verenigbaar zijn met het voornoemde artikel 49 van het koninklijk besluit van 20 november 2001 en artikel XII.IV.6, § 2 RPPol. Voorts benadrukt verzoeker dat hij met zijn brevet kon meedingen naar een betrekking voor niveau A, zodat het brevet eerst binnen de gemeentepolitie en nadien binnen de geïntegreerde politie wel degelijk als een brevet van niveau A was gevalideerd. Ook betwist hij uitgebreid dat hij met zijn brevet nooit hoofdcommissaris had kunnen worden. XIV-37.579-6/24
- In de laatste memorie betoogt verzoeker dat het wel degelijk noodzakelijk was om de gelijkwaardigheid wettelijk te verankeren, door vrijstel- ling te verlenen van de basisopleiding indien kandidaten over gelijkwaardige brevetten uit het verleden beschikten. Volgens hem wordt de vrijstelling niet toegekend omdat de opleiding niet gelijkwaardig was. Dat blijkt volgens hem enerzijds uit het feit dat houders van het brevet van kandidaat-commissaris worden behandeld alsof ze de basisopleiding reeds hebben gevolgd: ze zijn er immers van vrijgesteld en daarnaast werden ze ook vrijgesteld van de kaderproef. Hieruit blijkt volgens verzoeker dat er geen twijfel kan bestaan over de wil van de wetgever om de brevetten te waarderen op hetzelfde niveau als de basisopleiding. Anderzijds worden officieren van de voormalige gemeentepolitie die met dergelijke brevetten reeds zijn gepromoveerd, geacht de basisopleiding te hebben gevolgd. De vrij- stellingen zijn niet in de tijd beperkt noch in hun draagwijdte en nergens blijkt dat de vrijstelling van de basisopleiding enkel uitwerking zou hebben voor de promotie naar commissaris en niet voor latere promoties. Wat de verwijzing betreft naar artikel 18 van de wet van 26 april 2002, benadrukt verzoeker dat hij niet via die bepaling is gepromoveerd. Hij wijst er enkel op dat hij conform die bepaling een functie uitoefent waarvoor de externe toelatingsvoorwaarde niveau A is. Artikel 41 van de wet van 26 april 2002 bepaalt uitdrukkelijk dat de hoofdinspecteur die slaagt voor de kaderproef vrijgesteld is van de in artikel 18 van diezelfde wet bepaalde diplomavereisten, waaruit verzoeker afleidt dat de kaderproef met andere woorden de toelatingsvoorwaarde niveau A vervangt. Hij is evenwel ook vrijgesteld van die kaderproef, hetgeen volgens hem een bijkomende ondersteuning is van zijn stelling dat zijn brevet op niveau A moet worden gewaardeerd. Tot slot benadrukt verzoeker dat hij sinds 1 april 2010 en tot op heden de functie van commissaris van politie uitoefent. XIV-37.579-7/24 Beoordeling Vooraf
- Verzoeker meent dat, in essentie, artikel 3 van het bestreden besluit de door hem aangevoerde bepalingen miskent, doordat het inzake de toelating tot de promotieopleiding tot hoofdcommissaris van politie (hierna: de promotieopleiding) een verschil in behandeling in het leven roept tussen enerzijds de houders van het diploma bedoeld in artikel 142sexies van de wet van 7 december 1998 en anderzijds, de houders van het brevet van officier van de gemeentepolitie - zoals verzoeker - terwijl, eerste onderdeel, dat brevet op grond van artikel XII.IV.6 RPPol gelijkwaardig is aan het diploma bedoeld in artikel 142sexies, vierde lid, van de wet van 7 december 1998 en er geen redelijke verantwoording is voor een verschillende behandeling van beide categorieën en, tweede onderdeel, doordat hij sinds 1 april 2010 is aangesteld (nadien door verzoeker gecorrigeerd in benoemd) als commissaris van politie in een functie met als diplomavoorwaarde niveau A, terwijl beide categorieën op grond van artikel XII.IV.6 RPPol manifest gelijkwaardig zijn. Het past om eerst de toepasselijke regelgeving te onderzoeken. De relevante regelgeving
- Artikel 12 van de wet van 26 april 2002 stelt de algemene indienstnemingsvoorwaarden in het operationeel kader vast waaraan, te dezen, een kandidaat commissaris van politie moet voldoen. Eén ervan is houder zijn van het diploma of studiegetuigschrift vereist door artikel 18 van de wet van 26 april 2002 (art. 12, 8° van de wet van 26 april 2002). Het genoemde artikel 18, waarvan verzoeker de schending aanvoert, luidt: “Art.
- Om in dienst genomen te worden in de graad van commissaris van politie moet de kandidaat houder zijn van een diploma of studiegetuigschrift dat ten minste evenwaardig is met die welke in aanmerking worden genomen voor de indienstneming in de betrekkingen van niveau A bij de federale rijksbesturen. XIV-37.579-8/24 De minister kan, bij een met redenen omklede beslissing, een aantal vacatures voorbehouden voor de houders van een diploma of getuigschrift of voor degenen die de voorwaarden vervullen die hij specificeert.” Voorts bepaalt artikel 142sexies, eerste en vierde lid, van de wet van 7 december 1998 „tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus‟ het volgende: “Art. 142sexies. De basisopleiding wordt, behoudens een vervroegde al dan niet vrijwillige beëindiging, afgesloten met een eindexamen. De aspiranten die slagen voor dit eindexamen en geschikt worden bevonden door de jury behalen een diploma, uitgereikt door de betrokken politieschool en gehomologeerd door de Minister van Binnenlandse Zaken of de door hem aangewezen overheid. […] Het diploma voor de basisopleiding van het officierskader is evenwaardig met de diploma‟s welke in aanmerking worden genomen voor de aanwerving in de betrekkingen van niveau A bij de federale rijksbesturen.” Deze bepaling handelt over het einddiploma van de basisop- leidingen verstrekt door de politiescholen, alsmede over de titels en brevetten en het opleidingsniveau daarvan.
- Deel XII RPPol, bekrachtigd door artikel 131 van de programmawet van 30 december 2001, bevat het overgangsrecht, dit wil zeggen de bepalingen die noodzakelijk worden geacht om de leden van de op 31 maart 2001 bestaande politiediensten op 1 april 2001 in het nieuwe systeem te integreren (RvS (A.V.) 13 maart 2002, nr. 104.652, Creemers e.a.). Deel XII vormt, luidens het toenmalige Arbitragehof in zijn arrest nr. 111/2003 van 17 september 2003 (punt B.7), een geheel waarbij een essentiële fase van de oprichting van de nieuwe politie tot stand wordt gebracht, namelijk de integratie in een nieuw korps van politieambtenaren met zeer uiteenlopende statuten. Het door verzoeker geschonden geachte artikel XII.IV.6 RPPol is ingevoegd bij artikel 13 van de wet van 3 juli
- Het luidt: “Art. XII.IV.
- - §
- Zijn volledig vrijgesteld van de basisopleiding van het middenkader, met inbegrip van de daaraan gekoppelde examens en opleidingsstages, de personeelsleden van het basiskader : 1° die houder zijn van het brevet van officier van de gemeentepolitie bedoeld XIV-37.579-9/24 in het koninklijk besluit van 12 april 1965 betreffende het brevet van kandidaat-commissaris en adjunct-commissaris van politie of in artikel 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 25 juni 1991 houdende de algemene bepalingen betreffende de opleiding van de officieren van gemeentepolitie, de voorwaarden tot benoeming in de graad van officier van de gemeentepolitie en de voorwaarden tot aanwerving en benoeming in de graad van aspirant-officier van de gemeentepolitie of van het brevet van hoofdonderofficier bedoeld in artikel 28, § 1, van het koninklijk besluit van 1 april 1996 betreffende de bevordering tot de graad van adjudant bij de rijkswacht; 2° die houder zijn van het brevet van inspecteur van politie bedoeld in het koninklijk besluit van 13 juli 1989 betreffende de opleiding en de bevordering tot de graden van inspecteur en hoofdinspecteur van politie alsmede van het brevet van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 13 juli 1989 betreffende het brevet van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, uitgereikt aan sommige leden van de gemeentepolitie. §
- Zijn volledig vrijgesteld van de basisopleiding van het officierskader, met inbegrip van de daaraan gekoppelde examens en opleidingsstages: 1° de personeelsleden van het middenkader die houder zijn van het brevet van officier van de gemeentepolitie bedoeld in het koninklijk besluit van 12 april 1965 betreffende het brevet van kandidaat-commissaris en adjunct-commissaris van politie of in artikel 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 25 juni 1991 houdende de algemene bepalingen betreffende de opleiding van de officieren van gemeentepolitie, de voorwaarden tot benoeming in de graad van officier van de gemeentepolitie en de voorwaarden tot aanwerving en benoeming in de graad van aspirant-officier van de gemeentepolitie of van het brevet van hoofdonderofficier bedoeld in artikel 28, § 1, van het koninklijk besluit van 1 april 1996 betreffende de bevordering tot de graad van adjudant bij de rijkswacht; 2° de gewezen afdelingsinspecteurs die de loonschaal M5.2 genieten; 3° de personeelsleden die de loonschaal M6 genieten; 4° de personeelsleden die de loonschaal M7 of M7bis genieten. §
- De personeelsleden bedoeld in § 2 zijn vrijgesteld van de kaderproef bedoeld in artikel 41 van de wet van 26 april 2002 houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten. §
- De in § 2, 3°, bedoelde vrijstelling geldt vanaf 1 april 2004 en die bedoeld in § 3 vanaf 1 april 2006.” Krachtens artikel 48, 2°, van de wet van 3 juli 2005 had artikel 13 uitwerking met ingang van 1 april
- De toelichting bij deze bepaling luidt (Parl. St. Kamer, 2004-2005, nr. 51 1680/001, 15): “Vooreerst voegt het ontworpen artikel 13, met het oog op de rechtszekerheid en de leesbaarheid, een nieuw artikel in in het RPPol. Dat nieuwe artikel bevat een overzicht van de gebrevetteerden en categorieën van personeel die een volledige vrijstelling genieten van de basisopleiding voor overgang naar het middenkader (§ 1) en/of het officierskader (§ 2) zo zij toch nog zouden wensen deel te nemen aan XIV-37.579-10/24 de vergelijkende proeven voor sociale promotie. Wie zich immers batig weet te rangschikken bij die proeven heeft vervolgens een statutaire zekerheid op snelle bevordering. De § 3 van het nieuwe artikel geeft verder aan wie bovendien ook vrijgesteld is van de kaderproef voor de overgang naar het officierskader.” Als inleiding op de artikelsgewijze bespreking in de Kamer- commissie, licht de bevoegde minister het volgende toe (Parl. St. Kamer, 2004-2005, nr. 51 1680/004, 28): “[…] Deze valorisatie betreft de volgende in de schoot van de vroegere korpsen behaalde brevetten: - voor het basiskader: de gebrevetteerden officier van de gemeentelijke politie, de houders van het brevet van adjudant van de rijkswacht en de houders van het brevet van inspecteur en van OGP van de gemeentelijke politie; - voor het middenkader: de gebrevetteerden officier van de gemeentelijke politie, de houders van het brevet van adjudant van de rijkswacht, diegenen die de dubbele hoedanigheid van OGP en OBP hebben en de personeelsleden die in aanmerking komen voor de „rode loper‟. De valorisatie houdt in: een totale vrijstelling van de opleiding die toegang geeft tot de hogere graad, een vrijstelling van de kaderproef om over te gaan naar het hoger kader, een gereserveerd quotum van 25% voor de toegang tot het officierenkader bij de jaarlijkse vergelijkingsexamens maar ook - en vooral - de toegang tot het hoger kader bij mobiliteit zonder de vereiste aanwezigheidstermijn in zijn huidige bediening. Zelfs een lid van het basiskader dat een universitair diploma heeft of 12 jaar anciënniteit, kan solliciteren voor een bediening van officier. Deze valorisatie wordt geregeld bij de artikelen 13, 15, 17 en 24 van het wetsontwerp.” Artikel XII.IV.6 RPPol maakt voorts deel uit van de overgangsbepalingen met betrekking tot deel IV van het RPPol, dat betrekking heeft op “de aanwerving, de selectie en de opleiding.” Het past in de bij wet van 3 juli 2005 ingevoegde regeling betreffende de valorisatie van eertijds verworven brevetten. Ter zake overwoog het Grondwettelijk Hof inzake die valorisatie- regeling het volgende (GwH 11 oktober 2006, nr. 149/2006, punt B.9.4.): “B.9.
- De bestreden artikelen 13, 15, 17, 20, 21 en 24 strekken in hoofdzaak ertoe in nieuwe valorisatieregels inzake de brevetten te voorzien. Aldus beoogt de wetgever volgens de voormelde parlementaire voorbereiding gevolg te geven aan de gedeeltelijke vernietiging van artikel XII.VII.15 RPPol door het arrest nr. 102/2003, verbeterd bij de beschikking van 14 juli
- De valorisatie van de brevetten wordt op substantiële wijze uitgebreid, mede in het voordeel van de houders van een brevet van officier van de gemeentepolitie : XIV-37.579-11/24 - zij worden volledig vrijgesteld van de basisopleiding van het middenkader en van het officierskader, met inbegrip van de daaraan gekoppelde examens en opleidingsstages (artikel 13); - zij worden vrijgesteld van de kaderproef, bedoeld in artikel 41 van de wet van 26 april 2002 houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten (artikel 13); - zij krijgen, zonder aanwezigheidsvoorwaarde in de huidige betrekking, toegang tot het hogere kader bij mobiliteit (artikel 15 met betrekking tot het middenkader en artikel 17 met betrekking tot het officierskader); - zij worden opgenomen in een quotum van 25 pct. van de vacatures voor bevordering door overgang naar het officierskader (artikel 24). Gelet op die valorisatieregels heeft de wetgever het vernietigde artikel XII.VII.15, § 3, eerste lid, 1°, a), RPPol voor een periode van vijf jaar hersteld (artikel 20), namelijk van 1 april 2001 tot en met 31 maart 2006 (artikel 48, 2°). Vanaf 1 april 2006 vervangt artikel 21 de voormelde herstelde bepaling (artikel 48, 5°). Vanaf die datum zal een nieuwe valorisatieregel gelden „voor de brevetten die een gedeeltelijke vrijstelling van de basisopleiding tot het middenkader impliceren, namelijk een gereserveerd quotum van 5 % bij de ingangsproeven‟ (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1680/001, p. 17).” Uit wat voorafgaat volgt dat artikel XII.IV.6 RPPol een overgangsbepaling is betreffende deel IV van het RPPol en dat de voor 1 april 2001 door de leden van de op 31 maart 2001 bestaande politiediensten behaalde brevetten, worden gevaloriseerd in de zin dat de houders ervan volledig zijn vrijgesteld van de, te dezen relevant zijnde, basisopleiding van het officierskader, met inbegrip van de daaraan gekoppelde examens en opleidingsstages (artikel 13), alsook van de kaderproef. Verzoeker is houder van het brevet van officier van de gemeentepolitie bedoeld in artikel XII.VII.6, § 2, 1° RPPol. Verzoeker spreekt de verwerende partij evenwel niet tegen waar die stelt dat verzoeker op 1 april 2001 binnen de Federale Politie werd benoemd als hoofdinspecteur met bijzondere specialisatie en tewerkgesteld binnen de federale gerechtelijke politie, alsook dat hij op grond van artikel XII.VII.18 RPPol “automatisch” werd benoemd tot commissaris van politie. Meer bepaald kon de hoofdinspecteur van politie, lid van de algemene directie gerechtelijke politie van de Federale Politie, die op de datum van de inwerkingtreding van dat artikel de loonschaal M5.2, M6, M7 of M7bis genoot, worden bevorderd tot de graad van commissaris van politie, indien hij geen XIV-37.579-12/24 evaluatie “onvoldoende” geniet en voor zover de in artikel XII.VII.18 RPPol bedoelde proportionaliteit wordt nageleefd. Diplomavereisten worden hierbij niet gesteld. Deze bevordering in het overgangsrecht behoort tot wat gemeenzaam de “rode loper” is genoemd. Concreet betreft het de mogelijkheid voor de personeelsleden van de hoogste middenkaders van de voormalige politiekorpsen om op termijn te kunnen overgaan naar het hogere kader, zijnde het officierskader.
- Luidens artikel 3, tweede lid, 1°, a), van de wet van 26 april 2002 is de graad van hoofdcommissaris van politie de hiërarchisch hoogste graad van het officierskader. Luidens het derde lid van die bepaling, vormen die de hogere officieren. Op grond van artikel 4 van diezelfde wet vormen de graden van de hogere officieren voor de toepassing van de regels inzake de bevordering, een gradengroep te onderscheiden van de, te dezen relevant zijnde, gradengroep van “de overige officieren.” Verzoeker behoort derhalve tot de gradengroep van de “overige officieren”. De artikelen 32 en 33 van de wet van 26 april 2002, in de versie zoals die gold op het ogenblik van het nemen van het thans bestreden besluit, hebben betrekking op de bevordering door verhoging in graad van de personeelsleden van het operationeel kader. Ze luidden: “Afdeling
- - De bevordering door verhoging in graad of klasse Onderafdeling
- - De bevordering door verhoging in graad van de personeels- leden van het operationeel kader. Art.
- Tot de graad van hoofdcommissaris van politie kan worden bevorderd, de commissaris van politie die : 1° ten minste negen jaar kaderanciënniteit heeft in het officierskader; 2° houder is van het door de Koning bepaald diploma; 3° houder is van het door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad bepaalde directiebrevet; 4° geen laatste evaluatie met de eindvermelding „onvoldoende‟ heeft; 5° geen zware tuchtstraf heeft opgelopen die nog niet is uitgewist. Art.
- De bevordering in de graad van hoofdcommissaris van politie wordt verleend aan de commissaris van politie die voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 32 en die overeenkomstig de door de Koning bepaalde regels inzake mobiliteit wordt benoemd in een vacante betrekking van hoofdcommissaris van politie of die wordt aangewezen voor een mandaat bedoeld in artikel 66, eerste lid.” XIV-37.579-13/24 In de memorie van toelichting bij het wetsontwerp dat leidde tot de wet van 26 april 2002, is betreffende deze bepalingen het volgende gesteld (Parl. St. Kamer 2001-2002, nr. 50 1683/001, 13): “Die artikelen regelen de bevordering door verhoging in graad in het operationeel kader. Die beperkt zich tot één geval, met name de overgang van de graad van commissaris van politie naar de graad van hoofdcommissaris van politie. Dit kan niet verwonderen gezien het voormeld concept van het functioneel gezag. De diplomavereiste moet steeds worden toegepast in het licht van de bepalingen van de bijlage 1 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel, wat de delegatie aan de Koning verklaart. De houders van een diploma van de basisopleiding van het officierskader, zoals bedoeld in artikel 142sexies, vierde lid, van de wet van 7 december 1998, ingevoegd bij de wet van 31 mei 2001, en die geen houder zijn van een universitair diploma voor een opleiding van ten minste vier jaar, noch houder zijn van een diploma van het examen niveau 1 van SELOR voldoen aldus niet aan die diplomavereiste. De houders van het directiebrevet, geldig ad vitam eternam, kunnen tot hoofdcommissaris worden bevorderd op voorwaarde dat zij, via mobiliteit, worden benoemd in een vacante betrekking van hoger officier of dat zij worden aangewezen voor een mandaat van het niveau van hoger officier. In de mate waarin de toegang tot het directiebrevet op een doordachte manier zal worden beperkt, met name in functie van de omkaderingsbehoeften, zullen de houders van dit brevet in elk geval daadwerkelijk de mogelijkheid hebben bevorderd te worden tot de graad van hoofdcommissaris van politie. Vermits de mandaten van de categorieën 1 en 2 ook open staan voor niet-hoger officieren, spreekt het voor zich om de bevordering in de graad van hoofdcommissaris van politie enkel toe te kennen aan de officieren die zijn aangewezen voor een mandaat van ten minste categorie 3 […].” Artikel VII.II.4 RPPol, zoals dat is bekrachtigd bij artikel 136 van de wet van 26 april 2002, luidde op het ogenblik van het nemen van het bestreden besluit: “Art. VII.II.
- Kan tot de graad van hoofdcommissaris van politie worden bevorderd, de commissaris van politie die : 1° ten minste negen jaar kaderanciënniteit heeft in het officierskader; 2° houder is van een diploma of een studiegetuigschrift dat toegang geeft tot het niveau A in het federaal openbaar ambt of geslaagd is voor de door het selectiebureau van de federale overheid (SELOR) georganiseerde examens voor overgang naar het niveau A in het federaal openbaar ambt; 3° houder is van het door Ons bepaalde directiebrevet.” Uit wat voorafgaat volgt dat, op het ogenblik van het nemen van het bestreden besluit, artikel 32 van de wet van 26 april 2002, samengelezen met het bij de wet van 26 april 2002 bekrachtigde artikel VII.II.4 RPPol, de XIV-37.579-14/24 bevorderingsvoorwaarden bepaalden tot de graad van hoofdcommissaris van politie en dat die thans zijn bepaald door artikel 32 van de wet van 26 april
- Eveneens blijkt dat verzoeker, op het ogenblik van het nemen van het bestreden besluit, niet voldeed aan de diploma- of studiegetuigschriftvereiste als bevorde- ringsvoorwaarde. In het debat ter terechtzitting werd evenwel door verzoeker ook het artikel 19 van de wet van 19 juli 2018 “tot wijziging van diverse bepalingen die betrekking hebben op de politiediensten en betreffende de Romeinse instellingen” betrokken. Dit vervangt het hiervoor aangehaalde artikel 32, 2° van de wet van 26 april 2002 als volgt: “Art.
- In artikel 32 van dezelfde wet wordt de bepaling onder 2° vervangen als volgt : „2° houder is van een diploma of studiegetuigschrift dat ten minste evenwaardig is met die welke in aanmerking worden genomen voor de aanwerving in de betrekkingen van niveau A bij de federale Rijksbesturen of die geslaagd is voor de door het selectiebureau van de federale overheid SELOR georganiseerde examens voor overgang naar het niveau A in het federaal openbaar ambt of die houder is van het diploma bedoeld in artikel 142sexies, vierde lid, van de wet, afgeleverd aan de laureaten van de basisopleiding van het officierskader of die geslaagd is voor een door de Koning bepaalde aanvullende toelatingsproef;”. Uit de wetsgeschiedenis (Parl. St. Kamer, 2017-2018, nr. 54 3089/0012, 14) blijkt dat deze wijzigende bepaling “beoogt om voortaan ook commissarissen van politie zonder universitair diploma en zonder het vereiste SELOR-brevet tot de bevordering in de graad van hoofdcommissaris van politie toe te laten. Het betreft de commissarissen van politie die de basisopleiding voor het officierskader „en régime‟ hebben gevolgd en de commissarissen van politie die geslaagd zijn voor de door de Koning bepaalde aanvullende toelatingsproef.” Voorts heft artikel 33, eerste lid, 2°, van de wet van 19 juli 2018 artikel VII.II.4 RPPol met ingang van 31 augustus 2018 op. Anders dan hoe verzoeker het zag ter terechtzitting van 8 november 2018 - wat hij ook finaal erkent ter terechtzitting van 12 december XIV-37.579-15/24 2018 - is deze bepaling niet de wettelijke verankering van het hierna geciteerde artikel 3 van het bestreden besluit. Artikel 19 van de wet van 19 juni 2018 heeft immers betrekking op de bevorderingsvoorwaarden tot hoofdcommissaris van politie en niet op de voorwaarden om toegelaten te worden tot de promotieop- leiding.
- Het koninklijk besluit van 12 oktober 2006 „tot bepaling van het directiebrevet dat vereist is voor de bevordering tot de graad van hoofd- commissaris van politie‟ (hierna: het koninklijk besluit van 12 oktober 2016) geeft uitvoering aan de bevorderingsvoorwaarde bepaald in het hiervoor geciteerde artikel 32, 3° van de wet van 26 april
- Het stelt de nadere regels vast voor één enkele van de vereisten bepaald voor de bevordering tot de graad van hoofd- commissaris van politie, namelijk het behalen van een “directiebrevet”. Het thans bestreden besluit wijzigt op substantiële wijze het koninklijk besluit van 12 oktober
- Het in het voorliggende geschil centraal staande artikel 3 van het bestreden besluit luidt: “Art.
- Artikel 5 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : „Art.
- Om te worden toegelaten tot de promotieopleiding HCP moet de kandidaat : 1° ten minste zeven jaar kaderanciënniteit in het officierskader hebben; 2° houder zijn van een diploma of studiegetuigschrift dat ten minste even- waardig is met die welke in aanmerking worden genomen voor de aanwerving in de betrekkingen van niveau A bij de federale Rijksbesturen, zoals opgenomen in de bijlage I van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel, of geslaagd zijn voor de door het selectiebureau van de federale overheid SELOR georganiseerde examens voor overgang naar het niveau A in het federaal openbaar ambt of houder zijn van het diploma bedoeld in artikel 142sexies, vierde lid, van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, afgeleverd aan de laureaten van de basisopleiding van het officierskader of geslaagd zijn voor de in artikel 5/1 bedoelde aanvullende toelatingsproef; 3° indien het een personeelslid van de federale politie betreft, ten minste gedurende zes maanden een betrekking van commissaris van politie binnen de lokale politie hebben uitgeoefend of, indien het een personeelslid van de lokale politie betreft, ten minste gedurende zes maanden een betrekking van commissaris van politie binnen de federale politie hebben uitgeoefend. Het volgen van de basisopleiding van het officierskader wordt niet beschouwd als de uitoefening van een betrekking van commissaris van politie; 4° geslaagd zijn in de kennisproef bedoeld in artikel 11; 5° door de jury geschikt zijn bevonden op grond van : XIV-37.579-16/24 a) de kennisproef bedoeld in artikel 11; b) het onderzoek van de professionele vaardigheden bedoeld in artikel 16; c) het resultaat van de in artikel 16/1 bedoelde proeven tot meting van de potentialiteit en de vaardigheid inzake management van de kandidaat; d) het interview bedoeld in artikel
- De in het eerste lid, 1°, 2°, en 3°, bedoelde voorwaarden, moeten vervuld zijn op de uiterste datum van indiening van de kandidaatstellingen.” Deze bepaling stelt de voorwaarden vast om te worden toege- laten tot de promotieopleiding van hoofdcommissaris van politie. Dit is, luidens artikel 1, 4°, van het koninklijk besluit van 12 oktober 2006, “de promotieopleiding tot het behalen van het directiebrevet”. Verzoeker valt niet onder één van de eerste drie categorieën bepaald in artikel 5, eerste lid, 2° van het koninklijk besluit van 12 oktober 2006, zoals vervangen bij het bestreden besluit. Hij wordt aldus slechts toegelaten tot de promotieopleiding indien hij is geslaagd voor de aanvullende toelatingsproef. Die aanvullende proef is als volgt geregeld in artikel 5/1 van het koninklijk besluit van 12 oktober 2006, zoals ingevoegd door artikel 4 van het bestreden besluit: “Art. 5/
- Om te worden toegelaten tot de aanvullende toelatingsproef moet de kandidaat benoemd zijn in de graad van commissaris van politie. De in het eerste lid bedoelde aanvullende toelatingsproef wordt door de directie van het personeel van de federale politie georganiseerd en beoogt de analytische, conceptuele en synthesevaardigheden van de kandidaten te beoordelen. De aanvullende toelatingsproef bestaat uit twee delen : 1° een proef inzake de cognitieve vaardigheden; 2° een syntheseoefening en een commentaarverhandeling. Enkel de kandidaten die ten minste 50 % voor de proef inzake de cognitieve vaardigheden hebben behaald, worden toegelaten tot het deel „syntheseoefening en commentaarverhandeling‟. Onverminderd artikel 5, worden de kandidaten die ten minste 50 % voor het deel „syntheseoefening en commentaarverhandeling‟ hebben behaald, toegelaten tot de selectieprocedure bedoeld in de artikelen 9 en volgende. De kandidaat die ten minste 50 % heeft behaald voor het deel „syntheseoefening en commentaarverhandeling‟ is definitief vrijgesteld van de aanvullende toelatingsproef.” De schending van de grondwettelijke regels van de gelijkheid en de niet-discriminatie XIV-37.579-17/24
- De grondwettelijke regels van de gelijkheid en de niet- discriminatie, zoals vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, vereisen dat allen die zich in eenzelfde toestand bevinden op gelijke wijze worden behandeld. Het gelijkheidsbeginsel belet dat er een willekeurig onderscheid wordt gemaakt tussen burgers. De grondwettelijke regels van de gelijkheid en de niet- discriminatie sluiten niet uit dat een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Dezelfde regels verzetten er zich overigens tegen dat categorieën van personen, die zich ten aanzien van de aangevochten maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoor- ding bestaat. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdende met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen. Het gelijkheids- beginsel is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van even- redigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. De verzoekende partij die de schending van het gelijkheids- beginsel opwerpt, moet dit met concrete en precieze gegevens in haar verzoek- schrift aantonen. XIV-37.579-18/24 Eerste onderdeel: het bezit van het brevet van officier van de gemeentepolitie
- Het bestreden besluit maakt als toelatingsvoorwaarde tot de promotieopleiding een onderscheid tussen enerzijds de kandidaten die houder zijn van, samengevat, een diploma of getuigschrift van universitair niveau of gelijkwaardig (artikel 5, 2° van het koninklijk besluit van 16 oktober 2006, drie eerste hypotheses) en de overige kandidaten die hiervan niet getuigen (artikel 5, 2° van het koninklijk besluit van 16 oktober 2006, laatste hypothese). Die laatsten, waartoe verzoeker behoort, moeten deelnemen aan de aanvullende toelatingsproef, waarvan de inhoud nader is bepaald in artikel 5/1 van het koninklijk besluit van 16 oktober 2006 (en ingevoegd bij artikel 4 van het bestreden besluit). Verzoeker wenst zich, als houder van het brevet van officier van de gemeentepolitie bedoeld in het koninklijk besluit van 12 april 1965, vergeleken te zien met de kandidaten die houder zijn van het diploma bedoeld in artikel 142sexies, vierde lid, van de wet van 7 december 1998 en die dus op grond van dat diploma voldoen aan de betrokken toelatingsvoorwaarde tot de promotieopleiding.
- Het brevet waarover verzoeker beschikt is geen diploma dat, op grond van enige regelgevende bepaling, evenwaardig is met de diploma‟s welke in aanmerking worden genomen voor de aanwerving in de betrekkingen van niveau A bij de federale rijksbesturen. Anders dan hoe verzoeker het ziet, is het brevet evenmin gelijkwaardig aan het diploma bedoeld in artikel 142sexies. Uit de hiervoor uiteengezette wetsgeschiedenis blijkt immers dat de in artikel XII.IV.6 RPPol bepaalde valorisatie van de brevetten, als overgangsmaatregel, ertoe strekte om bij de oprichting van de geïntegreerde politie op 1 april 2001, de integratie in een nieuw korps mogelijk te maken van politieambtenaren met zeer uiteenlopende statuten en om aldus de houders ervan die lid zijn van een middenkader zoals verzoeker, de mogelijkheid te bieden over te gaan naar het officierskader zonder XIV-37.579-19/24 dat zij hiertoe de in de nieuwe rechtspositieregeling bepaalde voorwaarden moeten vervullen, met name het volgen van de basisopleiding voor het officierskader met inbegrip van de daaraan gekoppelde examens, opleidingsstages en kaderproef. Niet blijkt dat de wetgever, met het vrijstellen van deze voorwaarden inzake de bevordering door overgang van het lagere kader naar het officierskader, ook een gelijkwaardigheid beoogde van het brevet op grond waarvan die kadersprong mocht gebeuren, met het diploma dat na de inplaatsstelling van de geïntegreerde politie, door de laureaten van de basisopleiding voor het officierskader wordt behaald. De valorisatie bij overgangsmaatregel en de eruit volgende vrijstellingen inzake de bevordering door overgang van kader, gaat aldus niet zover dat die vrijstelling gelijkwaardig is met, of moet zijn aan het behalen van een diploma waarvan de wetgever heeft bepaald dat het evenwaardig is aan de diploma‟s welke in aanmerking worden genomen voor de aanwerving in de betrekkingen van niveau A bij de federale rijksbesturen. De valorisatie bij overgangsmaatregel van de oude brevetten en inzonderheid de erin begrepen vrijstelling, houdt derhalve niet in dat verzoeker aldus houder is geworden van een titel die, net als het diploma bedoeld in artikel 142sexies van de wet van 7 december 1998, evenwaardig is aan een diploma of getuigschrift van universitair niveau. Die gelijkwaardigheid inzake de waarde tussen verzoekers brevet en het diploma over de basisopleiding blijkt evenmin uit artikel 49 van het koninklijk besluit van 20 november 2001 en dat los van de vraag of verzoeker dit argument voor het eerst op ontvankelijke wijze kon opwerpen in de memorie van wederantwoord. Anders dan hoe verzoeker het immers ziet, kan niet uit die bepaling worden afgeleid dat hij geacht kan worden “de basisopleiding vereist voor de toegang tot het respectieve kader te hebben gevolgd”. Uit die bepaling blijkt enkel dat, bij overgangsmaatregel, “de leden van de gemeentepolitie, de gerechtelijke politie bij de parketten of de rijkswacht die, bij toepassing van de artikelen XII.II.15, XII.II.25 en XII.II.31 RPPol, worden opgenomen in, hetzij het XIV-37.579-20/24 basiskader, hetzij het officierskader, geacht [worden] te hebben voldaan aan de basisopleiding vereist voor de toegang tot het respectieve kader.” Ze geeft derhalve geen ruimere inhoud aan de (hiërarchisch hogere) bepalingen uit deel XII van het RPPol en in het bijzonder aan artikel XII.IV, 6, § 2 RPPol op grond waarvan aan verzoeker vrijstelling voor de basisopleiding wordt verleend. De mogelijke verschillende behandeling van verzoeker die inhoudt dat hij dient te slagen in de aanvullende toelatingsproef is bijgevolg enkel het resultaat van het gegeven dat verzoeker geen houder is van een titel van universitair niveau of gelijkwaardig.
- Het bekritiseerde verschil in behandeling berust op een objectief criterium van onderscheid, namelijk het al dan niet houder zijn van het diploma bedoeld in artikel 142sexies, vierde lid van de wet van 7 december 1998 dat, zoals hiervoor is gebleken, evenwaardig is met de diploma‟s welke in aanmerking worden genomen voor de aanwerving in de betrekkingen van niveau A bij de federale rijksbesturen. De houders ervan voldoen op grond van hun diploma aan één van de in artikel 5 van het koninklijk besluit van 12 oktober 2006 bepaalde toelatingsvoorwaarden tot de promotieopleiding, terwijl de overige kandidaten zoals verzoeker, geslaagd moeten zijn voor de in artikel 5/1 van het voornoemde besluit nader bepaalde aanvullende toelatingsproef. De keuze van de verwerende partij om de commissarissen van politie die geen houder zijn van het voormelde diploma, te onderwerpen aan die aanvullende toelatingsproef, steunt op een pertinent criterium van onderscheid in het licht van de doelstellingen van de betrokken regeling. Het doel van de promotieopleiding is het kunnen verwerven van het directiebrevet dat toegang biedt tot de graad van hoofdcommissaris van politie, die de hiërarchisch hoogste graad is van het officierskader en een eigen gradengroep vormt. Het slagen in de promotieopleiding geeft derhalve de laureaten ervan uitzicht op het bevorderd worden of aangewezen worden in de hoogste ambten en mandaten bij de geïntegreerde politie. In deze context en gelet op de bijzondere vereisten die aan XIV-37.579-21/24 hoofdcommissarissen van politie moeten worden gesteld, is het derhalve niet onredelijk te eisen dat enkel tot de promotieopleiding worden toegelaten, de commissarissen van politie die hetzij daadwerkelijk houder zijn van een diploma van universitair of gelijkwaardig niveau, hetzij indien dat niet het geval zou zijn, doen blijken van de, voorafgaand geteste, vereiste vaardigheden om die te kunnen volgen. Het verschil in behandeling van beide categorieën brengt voorts geen onevenredige gevolgen met zich mee. Zoals nader is bepaald in het door het bestreden besluit ingevoegde artikel 5/1 van het koninklijk besluit van 16 oktober 2006 beoogt die aanvullende toelatingsproef de analytische, conceptuele en synthesevaardigheden van de kandidaat te beoordelen. Zij bestaat uit twee delen: een proef inzake de cognitieve vaardigheden enerzijds en een syntheseoefening en een commentaarverhandeling anderzijds. Degene die hierin slaagt, wordt toege- laten tot de promotieopleiding onder dezelfde overige toelatingsvoorwaarden als die welke wel houder is van een titel van universitair niveau of gelijkwaardig. Verzoeker betoogt niet, noch maakt aannemelijk dat het onderwerpen aan die proeven van de kandidaten die geen houder zijn van het in artikel 146sexies, vierde lid van de wet van 7 december 1998 bepaalde diploma, onredelijk is om te beoordelen of zij in het licht van het doel van de promotieopleiding, kunnen worden toegelaten tot de promotieopleiding. Tweede onderdeel: de aanstelling in een functie niveau A
- In de mate dat verzoeker erop wijst dat hij is benoemd als commissaris van politie en een functie uitoefent met als diplomavoorwaarde niveau A, blijkt uit wat voorafgaat dat verzoeker geenszins houder is van een titel van universitair niveau of gelijkwaardig. Aangezien het hiervoor pertinent is bevonden dat van een kandidaat tot de promotieopleiding mag worden geëist dat hij daadwerkelijk houder is van een dergelijke titel en zo neen, dat hij slaagt voor de aanvullende toelatingsproef, doet de enkele omstandigheid dat verzoeker naar hij stelt, een functie uitoefent met als diplomavereiste niveau A, niet blijken dat hij XIV-37.579-22/24 hierdoor houder is van een dergelijk diploma of titel. Het feit dat verzoeker, naar hij stelt, een functie van niveau A uitoefent, betekent voorts niet dat hij hierdoor zou voldoen aan de in artikel 18 van de wet van 26 april 2002 bepaalde indienstnemingsvoorwaarde in het operationeel kader die moeten vervuld zijn in hoofde van de (externe) kandidaat-commissaris van politie, te meer dat, uit wat hiervoor is gesteld, de Raad van State bemerkt dat verzoeker is bevorderd door overgang naar kader op grond van een “rodeloper”-benoeming zonder dat hij daartoe moest voldoen aan die toelatingsvoorwaarde. Overige argumenten ontwikkeld in de latere procedurestukken
- Met de voor het eerst in de memorie van wederantwoord en de laatste memorie aangevoerde argumenten kan tot slot alleen al wegens de laattijdige aanvoering ervan, geen rekening worden gehouden. De schending van de overige aangevoerde bepalingen
- Wat de aangevoerde schending betreft van de overige geschonden geachte bepalingen, wordt er geen specifieke argumentatie opge- bouwd, zodat deze grieven geacht moeten worden ofwel samen te vallen met wat hiervóór al is besproken, ofwel niet ontvankelijk te zijn. Conclusie
- Het enige middel is voor zover ontvankelijk, ongegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigver- klaring, begroot op een rolrecht van 200 euro. XIV-37.579-23/24 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achttien maart tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-37.579-24/24 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.958 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div