id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 maart 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.963 Rolnummer: A. 222517/XIV-37452 Zaak: Arrest 243963 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 18/03/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-03-25 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-25 08:31 Fiche Arrest nr 243.963 van 18 maart 2019 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : heropening debatten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 243.963 van 18 maart 2019 in de zaak A. 222.517/XIV-37.452 In zake : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de staatssecretaris voor Asiel en Migratie, thans de minister van Asiel en Migratie woonplaats kiezend te 1000 Brussel Antwerpsesteenweg 59 b WTC II bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Carmenta Decordier kantoor houdend te 9041 Gent-Oostakker Orchideestraat 61A tegen : XXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Martine De Raedemaeker kantoor houdend te 2800 Mechelen Augustijnenstraat 10 bij wie woonplaats wordt gekozen ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 22 juni 2017, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 187.053 van 19 mei 2017 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. II. Verloop van de rechtspleging
- Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking nr. 12.512 van 31 juli
- Verweerder heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie- procedure bij de Raad van State’. XIV-37.452-1/8 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 september
- Staatsraad Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. Advocaat Brecht Heirman, die loco advocaat Carmenta Decordier verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Daan Lernout, die loco advocaat Martine De Raedemaeker verschijnt voor verweerder, zijn gehoord. Eerste auditeur Marijke Sterck heeft een advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Verweerder dient op 28 april 2016 een aanvraag in voor het verkrijgen van een verblijfskaart als familielid van een burger van de Unie, met name als echtgenoot van een Belgische vrouw. Op 26 oktober 2016 neemt de staatssecretaris voor Asiel en Migratie in hoofde van verweerder een beslissing tot weigering van verblijf van meer dan drie maanden met bevel om het grondgebied te verlaten. Verweerder stelt op 1 december 2016 tegen deze beslissing een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vernietigt de voornoemde beslissing van 26 oktober 2016 met een arrest van 19 mei
- Dit is het bestreden arrest. XIV-37.452-2/8 IV. Onderzoek van de middelen Enig middel Uiteenzetting van het middel
- De verzoekende partij werpt in een enig middel de schending op van de artikelen 39/2, § 2, 39/65 en 40ter, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet), van artikel 149 van de Grondwet en van “het algemeen rechtsbeginsel van de jurisdictionele motiveringsplicht waaraan deze (grond)wetsbepalingen uitdrukking geven”. De verzoekende partij voert in een eerste middelonderdeel aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest erkent dat de tegemoetkoming voor personen met een handicap (hierna: de TVG), zeker voor wat de inkomensvervangende tegemoetkoming (hierna: de IVT) betreft, valt onder de sociale bijstand doch vervolgens motiveert dat zulks op zich niet volstaat om te kunnen besluiten dat geen rekening kan worden gehouden met deze bestaansmiddelen in het kader van artikel 40ter van de vreemdelingenwet. Nochtans blijkt uit artikel 40ter van de vreemdelingenwet, gelezen samen met de parlementaire voorbereiding, dat geen rekening kan worden gehouden met inkomsten verkregen uit sociale bijstand. De verzoekende partij citeert artikel 40ter van de vreemdelingenwet zoals het gold op het ogenblik van de aanvankelijk bestreden beslissing en zoals het voordien was gewijzigd met de wet van 8 juli 2011 ‘tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de wet van 8 juli 2011). Volgens de verzoekende partij blijkt uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 8 juli 2011 dat de Belgische wetgever een bestaansmiddelenvoorwaarde heeft willen stellen om te voorkomen dat personen na een aanvraag tot gezinshereniging ten laste zouden vallen van de openbare overheden en blijkt uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 4 mei 2016 ‘houdende diverse bepalingen inzake asiel en migratie en tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde XIV-37.452-3/8 andere categorieën van vreemdelingen’ (hierna: de wet van 4 mei 2016) nergens dat die primaire bekommernis van de Belgische wetgever moest worden teruggeschroefd. De verzoekende partij benadrukt dat, zelfs indien zou worden vastgesteld dat de TVG niet onder de door artikel 40ter van de vreemdelingenwet uitdrukkelijk uitgesloten bestaansmiddelen kan worden begrepen, artikel 40ter van de vreemdelingenwet uitdrukkelijk voorschrijft dat bij de beoordeling van de bestaansmiddelenvoorwaarde rekening moet worden gehouden met de aard en de regelmatigheid van de aangetoonde bestaansmiddelen. Te dezen is in de aanvankelijk bestreden beslissing rekening gehouden met de aard van de voorgelegde inkomsten, om te besluiten dat niet werd aangetoond dat de Belgische referentiepersoon beschikt over toereikende, stabiele en regelmatige bestaansmiddelen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen beperkt zich in het bestreden arrest evenwel tot de vaststelling dat de TVG niet onder de uitdrukkelijk uigesloten bestaansmiddelen kan worden begrepen, zonder te beoordelen of, rekening houdend met de ratio legis van artikel 40ter van de vreemdelingenwet, op redelijke wijze kon worden besloten dat de TVG omwille van haar aard niet in aanmerking kan worden genomen. De verzoekende partij vervolgt dat naar luid van artikel 40ter van de vreemdelingenwet alle vormen van “financiële maatschappelijke dienstverlening” moeten worden uitgesloten en dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ten onrechte de door artikel 40ter van de vreemdelingenwet uitgesloten “middelen verkregen uit financiële maatschappelijke dienstverlening” verengd tot de maatschappelijke dienstverlening zoals gedefinieerd in artikel 1 van de organieke wet van 8 juli 1976 ‘betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn’ (hierna: de OCMW-wet). In de OCMW-wet komt nergens de term “financiële maatschappelijke dienstverlening” voor zodat dit begrip moet worden geïnterpreteerd in zijn bredere betekenis, zijnde elke vorm van financiële ondersteuning of hulp, die door de maatschappij of de Belgische Staat wordt verleend aan personen die er aanspraak op kunnen maken. De verzoekende partij voert in een tweede middelonderdeel aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest enerzijds overweegt dat de TVG, minstens de IVT, onbetwistbaar werd uitgesloten door het oude artikel 40ter van de vreemdelingenwet en anderzijds overweegt dat de wetgever naast een verbetering van de “technische, wetgevingstechnische en taalkundige fouten” ook een inhoudelijke wijziging van artikel 40ter van de vreemdelingenwet beoogde. Zij acht de motivering van het XIV-37.452-4/8 bestreden arrest intern tegenstrijdig doordat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen uiteindelijk beslist dat de TVG door het nieuwe artikel 40ter niet werd uitgesloten bij de beoordeling van de bestaansmiddelenvoorwaarde.
- In de memorie van wederantwoord herhaalt de verzoekende partij het middel. Waar verweerder in de memorie van antwoord stelt dat “de aanvullende bijstandsstelsels” niet meer zijn opgenomen in de huidige versie van artikel 40ter van de vreemdelingenwet en dat de TVG niet meer zou kunnen worden uitgesloten bij de beoordeling van de bestaansmiddelenvoorwaarde, acht de verzoekende partij de ratio legis wel degelijk dienend bij de interpretatie van de huidige tekst van het voornoemde artikel 40ter. Beoordeling
- De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt in het bestreden arrest “dat de IVT noch onder het begrip ‘financiële maatschappelijke dienstverlening’, noch onder de overige in artikel 40ter opgesomde begrippen ter uitsluiting van inkomen dat in aanmerking mag genomen worden, kan worden ondergebracht”.
- Naar luid van artikel 40ter, § 2, tweede lid, 1° van de vreemdelingenwet, zoals het luidde op het ogenblik van de aanvankelijk bestreden beslissing, wordt bij de beoordeling van de bestaansmiddelen van de Belgische referentiepersoon “geen rekening gehouden met de middelen verkregen uit het leefloon, de financiële maatschappelijke dienstverlening, de kinderbijslagen en toeslagen, de inschakelingsuitkeringen en de overbruggingsuitkering”. Op zich kan uit deze bepaling niet duidelijk worden afgeleid of de wetgever de IVT al dan niet heeft willen uitsluiten van de bestaansmiddelen waarmee rekening mag worden gehouden in hoofde van de Belgische referentiepersoon.
- Met de wet van 4 mei 2016 werd artikel 40ter, § 2, tweede lid, 1° van de vreemdelingenwet in die zin gewijzigd dat de met de wet van 8 juli 2011 ingevoegde woorden “de middelen verkregen uit aanvullende bijstandsstelsels, met name het leefloon en de aanvullende gezinsbijslagen, alsook de financiële maatschappelijke dienstverlening en de gezinsbijslagen” als niet in aanmerking te nemen bestaansmiddelen werden vervangen door XIV-37.452-5/8 de woorden “de middelen verkregen uit het leefloon, de financiële maatschappelijke dienstverlening, de kinderbijslagen en toeslagen, de inschakelingsuitkeringen en de overbruggingsuitkering”. Er wordt sedert de wijziging door de wet van 4 mei 2016 dus niet meer verwezen naar de “aanvullende bijstandsstelsels”. Zoals in het bestreden arrest wordt aangegeven, blijkt uit de parlementaire stukken niet specifiek waarom het begrip “aanvullende bijstandsstelsels” werd weggelaten noch welke de precieze inhoud is van het nieuw ingevoerde begrip “financiële maatschappelijke dienstverlening”. Wel beoogde het ontwerp dat tot de wet van 4 mei 2016 heeft geleid “de technische, wetgevingstechnische en taalkundige fouten [te] verbeteren die door de Senaat (‘dienst Wetsevaluatie’) aan het licht zijn gebracht in de wet van 8 juli 2011 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen inzake de voorwaarden voor gezinshereniging” en ook “de bepalingen van de wet van 15 december 1980 inzake de familieleden van een Belg in overeenstemming te brengen met het arrest nr. 121/2013 van 26 september 2013 van het Grondwettelijk Hof, door een onderscheid te maken tussen de Belgen die gebruik hebben gemaakt van hun recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de Europese Unie en de Belgen die daar geen gebruik van hebben gemaakt”. Bijgevolg kan voor de vraag of de IVT al dan niet onder de in artikel 40ter van de vreemdelingenwet bedoelde uit te sluiten bestaansmiddelen valt, meer bepaald onder de categorie “financiële maatschappelijke dienstverlening”, nog steeds worden teruggegrepen naar de ratio legis van de wet van 8 juli
- De hoofdindiener van de amendementen nr. 162 en 169, die tot de wijziging van de artikelen 10 en 40ter van de vreemdelingenwet met de wet van 8 juli 2011 hebben geleid, heeft betreffende het bewijs van stabiele, voldoende en regelmatige bestaansmiddelen in hoofde van de referentiepersoon verklaard dat gehandicapte personen “om humanitaire redenen” buiten beschouwing worden gelaten (Parl. St. Kamer 2010-2011, DOC 53-443/018, 10). Verder heeft de hoofdindiener van deze amendementen verklaard dat “bij de berekening van het totale inkomen geen rekening [wordt] gehouden met het leefloon en de gezinsbijslag, in tegenstelling tot bijvoorbeeld andere bronnen van inkomsten, zoals het gewaarborgd inkomen voor bejaarden en de tegemoetkomingen voor gehandicapten” (Parl. St. Kamer 2010-2011, DOC 53-443/018, 189). Tot slot heeft de XIV-37.452-6/8 hoofdindiener van die amendementen tijdens de plenaire zitting van de Kamer van Volksvertegenwoordigers waarop de in de commissie aangenomen tekst werd behandeld, verklaard dat, wat de voldoende bestaansmiddelen betreft, “bijstand voor gehandicapten […] wel in aanmerking [komt]” (Parl. Hand. Kamer, 26 mei 2011, 65).
- Bovendien heeft de Belgische Staat voor het Grondwettelijk Hof in een zaak waarin de bepalingen betreffende gezinshereniging uit de wet van 8 juli 2011 werden aangevochten zelf uitdrukkelijk verklaard dat “de tegemoetkomingen aan gehandicapten en de ouderdomspensioenen […] in aanmerking [worden] genomen voor de berekening van de inkomsten van de gezinshereniger” (GwH, nr. 121/2013 van 26 september 2013, 17).
- Uit het voorgaande blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest op wettige wijze heeft besloten dat artikel 40ter van de vreemdelingenwet niet toelaat de IVT uit te sluiten van de bestaansmiddelen waarmee rekening mag worden gehouden in hoofde van de Belgische referentiepersoon. In het licht van deze vaststelling is de verwijzing door de verzoekende partij naar de inhoud van artikel 1 van de OCMW-wet niet relevant. Het eerste onderdeel van het enige middel is derhalve ongegrond. V. Aanvullend onderzoek
- Het auditoraat heeft zijn onderzoek over de zaak beperkt tot het onderzoek van het eerste onderdeel van het enige middel, waarvan blijkt dat dit niet leidt tot een definitieve oplossing van het geschil. Er is dan ook reden om het auditoraat te gelasten met een aanvullend verslag over de zaak. BESLISSING
- De Raad van State heropent het debat.
- De Raad van State gelast het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat met het aanvullend onderzoek. XIV-37.452-7/8 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achttien maart tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, met bijstand van Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-37.452-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.963 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.424 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div