← België

Arrest 243999 - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen - 21/03/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 maart 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.999 Rolnummer: A. 226393/VII-40404 Zaak: Arrest 243999 - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen - 21/03/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-03-28 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-25 09:04 Fiche Arrest nr 243.999 van 21 maart 2019 Sociale zaken en volksgezondheid - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 243.999 van 21 maart 2019 in de zaak A. 226.393/VII-40.

  1. In zake : Marc DRIESEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Vande Moortel kantoor houdend te 9000 Gent Groot-Brittanniëlaan 12-18 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het RIJKSINSTITUUT VOOR ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING (RIZIV) -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  2. Het cassatieberoep, ingesteld op 9 oktober 2018, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de Nederlandstalige Kamer van beroep, ingesteld bij de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle (DGEC) van het RIZIV van 10 september 2018, houdende uitspraak over het beroep tegen de beslissing van de Kamer van eerste aanleg van 20 april
  3. II. Verloop van de rechtspleging
  4. Bij beschikking van 6 november 2018 is het cassatieberoep toelaatbaar verklaard. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend die op 29 december 2018 aan verzoeker ter kennis werd gebracht. VII-40.404-1/3 Op 19 februari 2019 heeft de hoofdgriffier, op verzoek van de auditeur, aan de partijen de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 15, § 1, van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State. De partijen hebben niet gevraagd om te worden gehoord. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Beoordeling
  6. Naar luid van artikel 21, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, stelt de Raad van State het ontbreken van het vereiste belang vast als de verzoekende partij de termijn voor het toesturen van de memorie van wederantwoord niet eerbiedigt. Bij het versturen aan verzoeker van een kopie van de memorie van antwoord, heeft de hoofdgriffier melding gemaakt van het genoemde artikel 21, tweede lid, van de wetten op de Raad van State en van artikel 15, § 1, van voormeld koninklijk besluit. Verzoeker heeft geen memorie van wederantwoord aan de griffie toegestuurd binnen de termijn van dertig dagen gesteld in artikel 14 van voormeld koninklijk besluit.
  7. Er dient te worden vastgesteld dat het vereiste belang om de gevorderde vernietiging te verkrijgen, ontbreekt. VII-40.404-2/3 BESLISSING
  8. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  9. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van eenentwintig maart tweeduizend negentien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-40.404-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.999 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.