← België

Arrest 244015 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 22/03/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 maart 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.015 Rolnummer: A. 216462/IX-9516 Zaak: Arrest 244015 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 22/03/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-03-27 Raadplegingen: 667 - laatst gezien 2026-06-29 11:51 Versie(s): Vertaling FR Fiche Arrest nr 244.015 van 22 maart 2019 Openbaar ambt - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan Beslissing : heropening debatten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK ALGEMENE VERGADERING nr. 244.015 van 22 maart 2019 in de zaak A. 216.462/AV-142 In zake : Chretien MOORS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pascal Malumgré kantoor houdend te 3980 Tessenderlo Lichtveld 38/001 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Defensie -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 15 juli 2015, strekt tot de nietigverklaring van het koninklijk besluit nr. 786 van 25 mei 2015 ‘betreffende een verlenging van een schorsing bij ordemaatregel van een beroepsofficier’. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 241.905 van 26 juni 2018 is de zaak voorgelegd aan de eerste voorzitter van de Raad van State. Bij beschikking van 3 september 2018 heeft de eerste voorzitter de zaak verwezen naar de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting van de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak, die heeft plaatsgevonden op 11 december
  3. AV - 142n - 1/15 De partijen hebben een nota ingediend. Staatsraad Patricia De Somere heeft verslag uitgebracht. Advocaten Pascal Malumgré en Philippe Vande Casteele, die verschijnen voor verzoeker, en majoor Maarten Kerckhofs, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: de Raad van State-wet). III. Belang A. Vraagstelling
  4. In het tussenarrest nr. 241.905 van 26 juni 2018, dat de aanleiding was tot de verwijzing van de voorliggende zaak naar de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak, werd vastgesteld dat het vaste rechtspraak is dat het belang om de bestreden beslissing onwettig te horen verklaren, om vervolgens op grond van die uitspraak een vordering tot schadevergoeding voor de gewone rechter kracht bij te zetten, een belang is dat alleen als onrechtstreeks gekwalificeerd kan worden en niet volstaat voor de ontvankelijkheid van een annulatieberoep. Evenwel, aldus het tussenarrest, rijst de vraag “of ingevolge het invoegen, in artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, van de mogelijkheid voor de Raad van State om zelf een schadevergoeding tot herstel toe te kennen, een nieuwe juridische toestand is geschapen die desgevallend zou kunnen inhouden dat de voormelde vaste rechtspraak moet worden geëvalueerd”. AV - 142n - 2/15 B. Standpunt van de partijen
  5. Verzoeker, die een “vordering tot schadevergoeding” wenst in te stellen, doet in de eerste plaats gelden dat artikel 19 van de Raad van State-wet niet voorziet in de beperkingen van het “‘actueel belang’-leerstuk”. De eis van daadwerkelijke rechtshulp impliceert volgens hem het behoud van het aanvankelijke, rechtmatige belang “zelfs wanneer dit door de jaren heen uiteindelijk uitsluitend, zoniet hoofdzakelijk leidt tot het kunnen aantonen van een onwettigheid – en in beginsel dus van een fout – in hoofde van de overheid”. Verzoeker wijst erop dat volgens de Franse Raad van State het rechtens vereiste belang enkel aanwezig moet zijn bij het indienen van het verzoekschrift of bij de uitspraak. Dit is, aldus verzoeker, volkomen verantwoord vanuit het oogpunt van daadwerkelijke rechtshulp en geheel in overeenstemming met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (hierna: EVRM). Naar de mening van verzoeker is het leerstuk van het actueel belang ondertussen “ook ontkracht en herzien” door de wet van 25 juli 2008 ‘tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en de gecoördineerde wetten van 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit met het oog op het stuiten van de verjaring van de vordering tot schadevergoeding ten gevolge van een beroep tot vernietiging bij de Raad van State’ (hierna: de wet van 25 juli 2008). De wet benadrukt het wezenlijk belang van de legaliteitscontrole door de Raad van State, door er de burgerrechtelijke verjaringsregels op af te stemmen. Tevens moet, zo betoogt verzoeker, “terdege aandacht” worden besteed aan de toepassing van de artikelen 6 en 13 van het EVRM en de artikelen 13 en 160 van de Grondwet, net als aan de weerslag van artikel 144, tweede lid van de Grondwet en artikel 11bis van de Raad van State-wet. Verwijzend naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 17 juli 2018 inzake Vermeulen, meent verzoeker dat volgens het Hof “de toepassing van het jurisprudentieel leerstuk van het actueel belang artikel 6 EVRM schendt”. Hoe dan ook is door het aannemen van artikel 144, tweede lid, van de Grondwet juncto het invoegen van de mogelijkheid voor de Raad van State om zelf een AV - 142n - 3/15 schadevergoeding tot herstel toe te kennen “een nieuwe juridische situatie geschapen die inhoudt dat de […] vaste rechtspraak (inzake het ‘actueel belang’- leerstuk) des te meer moet worden verlaten”. Aangezien de herstelvordering kan worden ingediend “uiterlijk zestig dagen na de kennisgeving van het arrest waarbij de onwettigheid werd vastgesteld”, gaat het niet op om de verzoekende partij actueel belang te ontzeggen om reden dat zij nog geen herstelvordering heeft ingediend. Besluitend wijst verzoeker erop dat de bestreden ordemaatregel hem heeft belet een beroepswerkzaamheid uit te oefenen en dat, als deze maatregel onrechtmatig werd opgelegd, hij gerechtigd is een schadevergoeding te verkrijgen voor het nadeel dat hij heeft opgelopen tijdens de periode waarin hij verwijderd werd uit de openbare dienst. Dit nadeel kan geldelijk begroot worden. Het gegeven dat de bestreden beslissing geen definitief moreel nadeel meer berokkent, belet niet dat ze een moreel nadeel berokkend heeft, waarvoor een recht is ontstaan op een schadevergoeding die geldelijk begroot kan worden.
  6. De verwerende partij, van haar kant, is van mening dat verzoeker, gelet op de uitgevoerde regularisaties van de periode van de schorsing bij ordemaatregel, geen actueel belang meer heeft bij de gevorderde nietigverklaring. Immers is op grond van artikel 188 juncto 189 van de wet van 28 februari 2007 ‘tot vaststelling van het statuut van de militairen en kandidaat- militairen van het actief kader van de krijgsmacht’ de periode van schorsing bij ordemaatregel “omgezet in een periode van ‘in werkelijke dienst’”: “Concreet betekent dit dat verzoeker het verschil in wedde terugbetaald heeft gekregen voor zijn periode van schorsing bij ordemaatregel en dat alles m.b.t. verzoekers schorsing bij ordemaatregel is verdwenen uit [zijn] persoonlijk dossier. De periode van schorsing bij ordemaatregel staat bijvoorbeeld niet langer vermeld in zijn stamboekuittreksel.” AV - 142n - 4/15 C. Beoordeling Het toepasselijke kader
  7. Een nietigverklaring is een bijzondere vorm van rechtsherstel die erin bestaat de bestreden rechtshandeling retroactief uit het rechtsverkeer te doen verdwijnen, wat de overheid er in bepaalde gevallen toe moet, minstens kan, aanzetten om een nieuwe beslissing te nemen.
  8. Gelet op artikel 19, eerste lid, van de Raad van State-wet, kan het beroep tot nietigverklaring bedoeld bij artikel 14 van deze wet, voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State worden gebracht “door elke partij welke doet blijken van een benadeling of van een belang”. Die vereiste is erop gericht de rechtszekerheid te dienen en een goede rechtsbedeling te verzekeren. Het staat aan de Raad van State te oordelen of de verzoekende partij die een zaak voor de Raad brengt, doet blijken van een belang bij haar beroep. De Raad van State dient er over te waken dat het belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast (GwH 30 september 2010, nr. 109/2010, B.4.3; EHRM 17 juli 2018, Vermeulen t. België, §§ 42 e.v.). Het belang moet niet alleen bestaan bij het instellen van het beroep maar moet voortduren tot aan de sluiting van het debat.
  9. Om als toereikend te worden beschouwd, moet het belang onder meer rechtstreeks zijn en de verzoekende partij een voordeel verschaffen dat voldoende direct verband houdt met de finaliteit van een nietigverklaring, namelijk het doen verdwijnen van de bestreden rechtshandeling uit de rechtsorde. AV - 142n - 5/15 Onvoldoende om een nietigverklaring van de bestreden beslissing te kunnen verkrijgen, is dan ook het belang van een verzoekende partij dat in de loop van de annulatieprocedure is geëvolueerd naar nog uitsluitend een belang bij het onwettig horen verklaren van die beslissing om de toekenning van een schadevergoeding – door de rechtbanken van de rechterlijke orde, die daartoe zelf de eventuele fout van de overheid kunnen vaststellen – te faciliteren.
  10. Dit kan van aard zijn bezwaren op te roepen in het geval waarin de omstandigheden waaruit het verlies van het belang van de verzoekende partij voortvloeit haar niet kunnen worden aangerekend, en de verzoekende partij om die reden de gevorderde nietigverklaring afgewezen ziet worden én geen onderzoek geniet van de middelen die zij aanvoerde.
  11. Sinds de herziening van artikel 144 van de Grondwet en de invoeging van artikel 11bis in de Raad van State-wet is voortaan ook aan de Raad van State een schadevergoedingsbevoegdheid toegekend. Hiermee is beoogd om tegemoet te komen aan de kritiek dat de Raad van State in het annulatiecontentieux slechts de keuze heeft tussen vernietigen en niet vernietigen, en om een meer finale geschillenbeslechting mogelijk te maken. Gelet op dit nieuw ingevoegde artikel 11bis van de Raad van State-wet kan voortaan de Raad van State op verzoek van “[e]lke verzoekende of tussenkomende partij die de nietigverklaring van een akte, een reglement, of een stilzwijgend afwijzende beslissing vordert met toepassing van artikel 14, § 1 of § 3 [van de Raad van State-wet]” en die een nadeel heeft geleden vanwege de onwettigheid van de akte, een schadevergoeding tot herstel toekennen ten laste van de steller van de handeling.
  12. De toewijzing van deze schadevergoedingsbevoegdheid brengt voor de Raad van State de verplichting mee zich effectief van de nieuwe bevoegdheid te kwijten telkens hem daar ontvankelijk om gevraagd wordt. De vordering tot schadevergoeding tot herstel kan samen met, of hangende, het AV - 142n - 6/15 beroep tot nietigverklaring worden ingesteld, dan wel binnen zestig dagen na de kennisgeving van het arrest waarin de onwettigheid werd vastgesteld.
  13. In alle gevallen is voor de toekenning van de schadevergoeding tot herstel vereist dat er een onwettigheid wordt vastgesteld in een arrest van de Raad van State dat uitspraak doet over een beroep tot nietigverklaring bedoeld in artikel 14, § 1 of § 3, van de Raad van State-wet.
  14. Werd geen vordering tot schadevergoeding tot herstel aangespannen in de loop van de procedure tot nietigverklaring, dan moet die vordering, om ontvankelijk te zijn, worden ingesteld “zestig dagen na de kennisgeving van het arrest [over een beroep tot nietigverklaring] waarbij de onwettigheid werd vastgesteld” – wat veronderstelt dat een dergelijk arrest reeds voorhanden is (artikel 11bis, tweede lid, van de Raad van State-wet; artikel 25/3 van het algemeen procedurereglement).
  15. Wordt daarentegen de vordering tot schadevergoeding tot herstel samen met, of hangende, het beroep tot nietigverklaring ingesteld, dan moet om evidente reden nog geen arrest voorhanden zijn waarin de onwettigheid van de bestreden beslissing wordt vastgesteld. Ook heeft dan het instellen van die vordering – zoals blijkt uit de arresten van de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak nrs. 241.865 en 241.866 van 21 juni 2018 – tot gevolg de mogelijkheden van de Raad van State om in het kader van het beroep tot nietigverklaring uitspraak te doen, te verruimen.
  16. Weliswaar zal het instellen van de vordering tot schadevergoeding tot herstel in de loop van de annulatieprocedure niet kunnen beletten dat wanneer de verzoekende partij het belang bij de gevorderde nietigverklaring heeft verloren, deze nietigverklaring door de Raad van State wordt afgewezen. Maar het instellen van de vordering tot schadevergoeding tot herstel plaatst de Raad van State in voorkomend geval wel voor de verplichting om niettemin – voor zover het ingestelde annulatieberoep initieel ontvankelijk was en voor zover het verlies van het belang niet het gevolg is van een handeling AV - 142n - 7/15 die zij zelf heeft gesteld of heeft nagelaten te stellen en die haar persoonlijk verwijtbaar is – een onderzoek van de middelen te verrichten en de eventuele onwettigheid van de bestreden beslissing vast te stellen voor zover dat nodig is om over de ingediende vordering tot schadevergoeding tot herstel uitspraak te kunnen doen.
  17. Aldus verschaft het nieuwe artikel 11bis van de Raad van State- wet aan een verzoekende partij, wier belang in de annulatieprocedure buiten haar tekortkoming om evolueerde van een belang bij de nietigverklaring naar nog alleen een belang om de bestreden beslissing onwettig te horen verklaren met het oog op het verkrijgen van een schadevergoeding, het nodige instrument om toch nog een beoordeling door de Raad van State te verkrijgen van de middelen die zij in het kader van haar annulatieberoep aanvoerde.
  18. Heeft een verzoekende partij die niet meer van een belang bij de nietigverklaring doet blijken geen vordering tot toekenning van een schadevergoeding tot herstel ingesteld in de loop van de annulatieprocedure, dan zal zij van de Raad van State geen beoordeling van haar middelen mogen verwachten louter met het oog op het faciliteren van de eventuele toekenning van een schadevergoeding. Opdat immers de Raad van State ertoe bevoegd zou zijn om in het kader van het annulatieberoep tegen een rechtshandeling louter de (on)wettigheid van die rechtshandeling na te gaan ten behoeve van de toewijzing van een schadevergoeding, moet hij ook effectief een vordering in die zin ter behandeling voorgelegd hebben gekregen. Zo niet, gaat de Raad van State zijn bevoegdheid en het voorwerp van de enige vordering die bij hem is ingesteld – een vordering tot nietigverklaring – te buiten.
  19. In dit licht komt de categorie van de verzoekende partijen die om aan hen niet-verwijtbare redenen zonder belang bij een annulatie zijn geworden maar die hangende de annulatieprocedure tevens een vordering tot schadevergoeding tot herstel hebben ingesteld, fundamenteel verschillend voor AV - 142n - 8/15 van de categorie van de verzoekende partijen die eveneens om niet-verwijtbare redenen zonder belang bij een annulatie zijn geworden en die in de loop van de annulatieprocedure de Raad van State niét om een schadevergoeding tot herstel hebben gevraagd. De eerste verzoekende partijen stellen, door het indienen van een vordering tot schadevergoeding tot herstel tijdens de annulatieprocedure, de Raad van State in de gelegenheid om niettegenstaande hij geen nietigverklaring meer zal uitspreken bij gebrek aan een actueel belang ter zake, alsnog de aangevoerde middelen te onderzoeken in zoverre dit nodig is voor een uitspraak over de vordering tot schadevergoeding tot herstel die eveneens bij hem is ingediend en door hem beslecht moet worden. De laatstgenoemde verzoekende partijen hebben ervoor gekozen om dat niet te doen, door meer bepaald geen vordering tot schadevergoeding tot herstel in de loop van hun beroep tot nietigverklaring in te dienen. De mogelijke ongelijke behandeling van deze laatste verzoekende partijen is bijgevolg enkel het resultaat van hun eigen beslissing om er niet voor te opteren een vordering tot schadevergoeding tot herstel in de loop van hun beroep tot nietigverklaring in te dienen.
  20. De verschillende behandeling leidt ook niet tot onevenredige gevolgen. Een verzoekende partij die een vordering tot schadevergoeding tot herstel instelt tijdens de procedure tot nietigverklaring kan gelet op artikel 11bis, voorlaatste lid, van de Raad van State-wet “geen burgerlijke aansprakelijkheidsvordering meer instellen om het herstel van hetzelfde nadeel te bekomen”. Mocht dan ook de Raad van State, indien deze verzoekende partij haar belang in de loop van het annulatieberoep verliest, ook al gebeurde dat om redenen die haar niet aan te rekenen zijn, zich ertoe beperken dat beroep te verwerpen bij gebrek aan belang zonder nog een onderzoek van de eventuele onwettigheid van de aangevochten rechtshandeling te verrichten, dan zou die AV - 142n - 9/15 verzoekende partij met betrekking tot een eventuele schadevergoeding verstoken zijn van een volwaardige toegang tot een rechter. Een verzoekende partij daarentegen die hangende haar beroep tot nietigverklaring geen vordering tot schadevergoeding instelt, blijft na de uitspraak over het beroep tot nietigverklaring ten minste over de mogelijkheid beschikken om een schadevergoeding bij de rechtbanken van de rechterlijke orde op te eisen. Het wordt, voorts, niet beweerd en het is ook niet evident dat een verzoekende partij die een schadevergoeding via de rechtbanken van de rechterlijke orde nastreeft minder waarborgen en een geringere rechtsbescherming geniet dan een verzoekende partij die met betrekking tot dezelfde geleden schade een vordering tot schadevergoeding tot herstel bij de Raad van State indient. De concrete zaak
  21. De met het voorliggende annulatieberoep bestreden ordemaatregel is beëindigd geworden en berokkent verzoeker, zoals vastgesteld in het tussenarrest nr. 241.905, geen definitief moreel nadeel meer dat nog bijkomend door een nietigverklaring kan worden verholpen. Tevens werd zijn wedde geregulariseerd.
  22. Om de ordemaatregel alsnog te doen vernietigen argumenteert verzoeker, in het algemeen, dat de ontvankelijkheidsvereiste van een “actueel” belang achterwege moet worden gelaten, zoals in Frankrijk het geval zou zijn. De vereiste zou ten andere reeds “ontkracht en herzien” zijn door de wet van 25 juli
  23. Als reeds overwogen, beoogt de vereiste van een (actueel) belang bij het verkrijgen van een nietigverklaring, zoals door de Raad van State afgeleid uit artikel 19, eerste lid, van de Raad van State-wet, de rechtszekerheid en een goede rechtsbedeling. Weliswaar mogen de beperkingen waartoe die vereiste leidt niet het recht op toegang tot een rechter in zijn kern aantasten en AV - 142n - 10/15 moeten ze daarom evenredig zijn met de vermelde oogmerken, maar deze evenredigheid kan niet a priori worden uitgesloten. Ze hangt af van de concrete bijzonderheden eigen aan de procedure in haar geheel beschouwd.
  24. Ten onrechte meent verzoeker dat de wet van 25 juli 2008 ertoe zou nopen de vereiste van een actueel belang bij het verkrijgen van een nietigverklaring te verlaten. Onder meer beoogde de wetgever met die wet, aldus het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 148/2018 van 8 november 2018, te vermijden dat de rechtzoekende die een beroep tot nietigverklaring instelt bij de Raad van State verplicht zou zijn, ten bewarende titel, een vordering tot schadevergoeding in te stellen bij de burgerlijke rechter om de verjaring van die vordering te vermijden. Precies omdat de Raad van State ook nog na de wet de mogelijkheid blijft hebben om een beroep tot nietigverklaring te verwerpen zonder de grond van de zaak te hebben onderzocht, “met name wanneer de verzoeker, om redenen buiten zijn wil, zijn belang om in rechte te treden verliest tijdens het geding”, bevindt het Grondwettelijk Hof in zijn voormeld arrest het artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek, zoals het door de wet van 25 juli 2008 is aangevuld, in strijd met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het geen verjaringstuitende werking toekent aan de bij de Raad van State ingestelde beroepen die niet tot een vernietigingsarrest leiden.
  25. Voor het overige beroept verzoeker zich voor een nietigverklaring op de eis van daadwerkelijke rechtshulp, waarbij hij verwijst naar de artikelen 6 en 13 van het EVRM en 13 en 160 van de Grondwet, op de leer van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 17 juli 2018 inzake Vermeulen, en op artikel 11bis van de Raad van State-wet. Volgens hem impliceert de eis van daadwerkelijke rechtshulp het behoud van het aanvankelijk rechtmatig belang, ook wanneer dit belang er uiteindelijk, door het verstrijken van de jaren, nog alleen of hoofdzakelijk op neerkomt een AV - 142n - 11/15 onwettigheid te kunnen aantonen, en staat noch het feit dat de nodige financiële en administratieve regularisaties zijn uitgevoerd, noch het feit dat de bestreden beslissing geen definitief moreel nadeel meer berokkent, een schadevergoeding in de weg.
  26. Het recht op toegang tot een rechter is een onderdeel van het recht op een eerlijk proces en wordt onder meer gewaarborgd door artikel 13 van de Grondwet en artikel 6 van het EVRM. Zoals het voormelde arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens inzake Vermeulen in herinnering brengt, mogen de voorwaarden van ontvankelijkheid van een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State er niet toe leiden dat ze het recht op toegang in de kern aantasten, wat het geval is wanneer deze voorwaarden niet evenredig zijn ten aanzien van het nagestreefde doel. In dit verband dient de Raad van State de annulatieprocedure in haar geheel te beoordelen en in het bijzonder rekening te houden met de eventuele invloed van de duur ervan op het verlies van het belang van een verzoekende partij.
  27. In de voorliggende zaak heeft het tijdsverloop tot gevolg gehad dat de verwerende partij de bestreden beslissing intussen feitelijk heeft herroepen, door de effecten ervan ongedaan te maken. Dat verklaart ook waarom verzoeker in wezen nog alleen op de nietigverklaring van de bestreden beslissing aandringt om de onwettigheid van de beslissing te horen vaststellen, met het oog op het verkrijgen van een schadevergoeding.
  28. Als hiervóór gezegd, beschikt voortaan een verzoekende partij in een dergelijk geval, waarin haar initiële belang bij de nietigverklaring is overgegaan naar nog slechts een belang om de bestreden beslissing onwettig te horen verklaren met het oog op het verkrijgen van een schadevergoeding, over de mogelijkheid van het indienen van een vordering tot schadevergoeding tot herstel op grond van artikel 11bis van de Raad van State-wet om in het kader van haar AV - 142n - 12/15 annulatieberoep toch nog de door haar aangevoerde middelen beoordeeld te zien worden. Deze mogelijkheid is te dezen zelfs expliciet onder de aandacht van verzoeker gebracht met een e-mailbericht van de Raad van State van 24 oktober 2018, omdat er pas zeer recent – met de arresten van de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak nrs. 214.865 en 241.866 van 21 juni 2018 – voldoende klaarheid is gekomen over de impact van artikel 11bis van de Raad van State-wet op de mogelijkheden van de Raad van State om in het annulatiecontentieux uitspraak te doen.
  29. Uit het voorgaande volgt dat, rekening houdend met alle bijzonderheden van de procedure en het proces in zijn geheel beschouwd, een afwijzing van de vordering van verzoeker tot nietigverklaring van de bestreden beslissing om reden dat hij, ten gevolge van omstandigheden die hem niet kunnen worden verweten, zonder belang erbij is geworden, zijn toegang tot de rechter niet op disproportionele wijze belemmert. Verzoeker kan immers, met het instrument waarin artikel 11bis van de Raad van State-wet voorziet, zelf adequaat inspelen op de veranderde omstandigheden en zijn belang, gelet op de gewijzigde inzet van het geschil, vrijwaren.
  30. De verzoekende partij heeft ook effectief van dat instrument gebruik gemaakt door vóór de sluiting van het debat bij de Raad van State een vordering tot schadevergoeding tot herstel op grond van artikel 11bis van de Raad van State-wet in te dienen.
  31. Geconcludeerd wordt dat verzoeker zijn belang bij de nietigverklaring van de bestreden ordemaatregel verloren heeft, ook bekeken in het licht van de in randnummer 3 bedoelde “mogelijkheid voor de Raad van State om zelf een schadevergoeding tot herstel toe te kennen”. In het kader van het annulatieberoep, dat ontvankelijk was op de dag waarop het werd ingesteld en gezien het verlies aan actueel belang de AV - 142n - 13/15 verzoekende partij niet verwijtbaar is, blijven wel nog de aangevoerde middelen tot nietigverklaring te onderzoeken en de eventuele onwettigheid van de ordemaatregel vast te stellen in zoverre dit onderzoek en de vaststelling nodig zijn om over de gevorderde schadevergoeding tot herstel uitspraak te kunnen doen. BESLISSING
  32. De Raad van State heropent het debat.
  33. De zaak wordt wat het onderzoek van de middelen met het oog op de berechting van de vordering tot schadevergoeding tot herstel betreft, verwezen naar de IXde kamer. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tweeëntwintig maart tweeduizend negentien, door de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, die was samengesteld uit: Roger Stevens, eerste voorzitter, Dierk Verbiest, kamervoorzitter, Jacques Vanhaeverbeek, kamervoorzitter, Johan Lust, kamervoorzitter, Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Geert Debersaques, kamervoorzitter, Colette Debroux, kamervoorzitter, Simone Guffens, kamervoorzitter, Imre Kovalovszky, kamervoorzitter, Pascale Vandernacht, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, Luc Cambier, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, Pierre Barra, staatsraad, AV - 142n - 14/15 Diane Déom, staatsraad, Yves Houyet, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, Frédéric Gosselin, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, Nathalie Van Laer, staatsraad, Marc Joassart, staatsraad, bijgestaan door Gregory Delannay, hoofdgriffier. De hoofdgriffier De eerste voorzitter Gregory Delannay Roger Stevens AV - 142n - 15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.015 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2015:ARR.232.638 ECLI:BE:RVSCE:2018:ARR.241.905 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.468 geciteerd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.552 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.642 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.816 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.881 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.939 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.179 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.180 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.181 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.182 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.234 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.400 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.566 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.662 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.773 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.995 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.259.996 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.168 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.283 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.637 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.867 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.868 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.869 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.915 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.918 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.039 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.131 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.134 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.247 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.277 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.307 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.314 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.315 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.341 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.342 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.499 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.500 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.597 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.605 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.696 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.728 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.756 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.261.781 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.261.991 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.123 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.126 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.127 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.129 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.229 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.230 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.231 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.330 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.406 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.452 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.481 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.482 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.493 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.680 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.681 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.682 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.683 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.742 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.827 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.837 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.846 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.847 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.848 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.850 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.853 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.985 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.990 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.992 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.994 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.262.995 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.035 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.093 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.211 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.212 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.225 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.240 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.241 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.270 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.289 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.326 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.475 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.476 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.570 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.613 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.614 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.617 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.618 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.619 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.663 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.664 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.724 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.733 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.767 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.793 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.794 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.847 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.886 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.887 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.263.957 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.052 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.288 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.446 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.447 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.483 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.503 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.509 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.511 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.696 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.712 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.725 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.741 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.744 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.759 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.760 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.761 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.786 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.791 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.801 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.802 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.803 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.810 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.902 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.981 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.264.982 ECLI:BE:RVSCE:2025:ARR.265.049 ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.395 ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.533 ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.644 ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.645 ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.703 ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.794 ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.925 ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.927 ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.930 ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.933 ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.265.934 ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.043 ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.045 ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.097 ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.098 ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.099 ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.100 ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.101 ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.423 ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.432 ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.461 ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.690 ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.718 ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.719 ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.735 ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.736 ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.737 ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.773 ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.774 ECLI:BE:RVSCE:2026:ARR.266.855 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.