← België

Arrest 244048 - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen - 28/03/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 maart 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.048 Rolnummer: A. 227131/VII-40469 Zaak: Arrest 244048 - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen - 28/03/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-04-08 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-25 09:48 Fiche Arrest nr 244.048 van 28 maart 2019 Sociale zaken en volksgezondheid - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 244.048 van 28 maart 2019 in de zaak A. 227.131/VII-40.

  1. In zake : XXXX Woonplaats kiezend te XXXX XXXX tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Koen Clonen kantoor houdend te 2600 Antwerpen Fruithoflaan 124, bus 14 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  2. Het beroep, ingesteld op 20 december 2018, strekt tot de nietigverklaring en schadevergoeding “omwille van visum beperking zonder mogelijkheid tot aangehoorde verdediging (zoals vermeld in art 41 van zelfde besluit), opzet en ouverte pesterij”. II. Verloop van de rechtspleging
  3. Bij arrest nr. 243.377 van 10 januari 2019 is de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. Verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. VII-40.469-1/8 Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag overeenkomstig artikel 93 en artikel 25/3 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: algemeen procedurereglement) opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 maart
  4. Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Verzoeker, die in persoon verschijnt, en advocaat Koen Clonen, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten
  6. De beslissing die het voorwerp lijkt te zijn van het beroep luidt als volgt: “Bij aangetekende brief van 21 juni 2018 gericht aan de provinciale geneeskundige commissie van West-Vlaanderen en ontvangen op 25 juni 2018, stelt dr. […] hoger beroep in tegen de beslissing van 6 juni 2018 van deze provinciale commissie, die met toepassing van art. 119 § 1, 2b van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen met eenparigheid van stemmen beslist zijn visum aan de volgende voorwaarden te koppelen: - Dr. […] moet zich intensief laten begeleiden door een psychiater of coach VII-40.469-2/8 naar keuze. Hij moet ten laatste tegen 4 juli 2018 schriftelijk of per mail aan de Provinciale Geneeskundige Commissie van West-Vlaanderen laten weten wie hij hiervoor gekozen heeft. - Dr. […] moet maandelijks een verslag van zijn behandelend psychiater of coach overmaken aan de Provinciale Geneeskundige Commissie van West-Vlaanderen. - Dr. […] mag niet werkzaam zijn als arts op de dienst spoedgevallen. - Dr. […] moet de Provinciale Geneeskundige Commissie van West-Vlaanderen inlichten alvorens hij een nieuwe tewerkstelling start. - Dr. […] moet de voorwaarde van de Provinciale Geneeskundige Commissie van West-Vlaanderen schriftelijk melden aan de hoofdarts van het ziekenhuis of de geneeskundige dienst waar hij werkzaam zal zijn en het bewijs van ontvangst overmaken aan de Provinciale Geneeskundige Commissie van West-Vlaanderen. - De hoofdarts moet 3-maandelijks een evaluatie/functioneringsverslag overmaken aan de Provinciale Geneeskundige Commissie van West-Vlaanderen. - Dr. […] is er zelf verantwoordelijk voor dat alle gevraagde verslagen tijdig de Provinciale Geneeskundige Commissie van West-Vlaanderen bereiken. - Dr. […] zal opnieuw uitgenodigd worden door de Provinciale Geneeskundige Commissie van West-Vlaanderen ten vroegste 4 maanden na deze beslissing, tenzij zich ander feiten hebben voorgedaan. - Zo aan één van deze voorwaarden niet voldaan wordt, kan de Provinciale Geneeskundige Commissie van West-Vlaanderen het visum van dr. […] intrekken. - Dr. […] kan tegen deze beslissing beroep aantekenen door middel van een aangetekend schrijven aan de Provinciale Geneeskundige Commissie van West-Vlaanderen en dit uiterlijk binnen de 14 dagen na ontvangst van de beslissing. Het beroep is niet opschortend. Dit hoger beroep is thans zonder voorwerp omdat de bestreden beslissing naar aanleiding van naderhand vastgestelde nieuwe feiten inmiddels werd vervangen door een opvolgende beslissing van dezelfde provinciale geneeskundige commissie van 3 oktober 2018 die met eenparigheid van stemmen van de aanwezige stemgerechtigde leden het visum van dr. […] met toepassing van voormeld art. 119 § 1, 2b intrekt voor onbepaalde tijd. De beslissing van 3 oktober 2018 werd aan dr. […] betekend op 9 oktober
  7. […] Dr. […] heeft op 17 oktober 2018 tegen voormelde beslissing van 3 oktober 2018 hoger beroep ingesteld bij aangetekend schrijven aan de provinciale geneeskundige commissie van West-Vlaanderen. Bij aangetekend schrijven van 14 november 2018, aan de post toevertrouwd op 20 november 2018, werd dr. […] opgeroepen om voor de Nederlandstalige kamer van de Geneeskundige Commissie van Beroep te verschijnen op 7 december
  8. Hij is op de zitting verschenen en werd er door de Geneeskundige Commissie van Beroep gehoord. VII-40.469-3/8 […] Na de beslissing van 3 oktober 2018 werd door prof. dr. C. Bervoets, die door dr. […] op grond van de eerste voorwaarde gesteld in de beslissing van 6 juni 2018, werd gekozen als begeleidend psychiater, een advies neergelegd […]. In de periode van 10 tot en met 26 oktober 2018 stuurde dr. […] een aantal mails naar de Geneeskundige Commissie van Beroep. Ze zijn in het tweede dossier opgenomen onder de nummers 41 tot en met
  9. Daaronder bevinden zich 3 mails ontvangen van prof. dr. C. Bervoets: - Op 10 oktober 2018 schreef deze, als reactie op het bericht van dr. […] dat hij beroep ging aantekenen tegen de beslissing van 3 oktober 2018, dat hij zijn reactie begreep maar dat hij, in alle eerlijkheid, dacht dat verder beroep weinig zin had; - Op 11 oktober om 8u40 schreef hij aan dr. […] dat coaching geen zin had en dat hij overtuigd was dat de provinciale geneeskundige commissie een juiste beslissing had genomen; - Op 11 oktober 2018 om 18u35 schreef hij te vinden dat Dr. […] te ziek was om te werken. […] Het college van deskundigen, wier deskundigenverslag op 28 april 2018 […] werd neergelegd, was niet in de gelegenheid kennis te nemen van het advies van prof. dr. C. Bervoets en evenmin van het feit dat dr. […], in strijd met de in de beslissing van 6 juni 2018 van de geneeskundige commissie van West-Vlaanderen opgelegde voorwaarden, op 1 augustus 2018 in de dienst spoedgevallen van het AZ Alma te Eeklo ging werken en daardoor verwikkeld geraakte in een nieuwe procedure voor de geneeskundige commissie van West-Vlaanderen. Alvorens ten gronde te beslissen acht de Geneeskundige Commissie van Beroep het aangewezen dat het college van deskundigen kennis zou nemen van deze aanvullende gegevens en, na desgevallend de bijkomende onderzoeken te hebben gedaan die zij nodig achten, een aanvullend advies uit te brengen over de vraag of dr. […] thans voldoet aan de vereiste fysieke of psychische geschiktheden om, zonder risico’s, de uitoefening van zijn beroep voort te zetten. OM DEZE REDENEN, DE GENEESKUNDIGE COMMISSIE VAN BEROEP, Bij meerderheid van stemmen, Stelt vast dat het hoger beroep van 21 juni 2018 zonder voorwerp is. Verklaart het hoger beroep van 17 oktober 2018 ontvankelijk. Bepaalt bij tussenbeslissing dat het dossier voor kennisneming van het advies van prof. C. Bervoets en van de verdere evolutie van het dossier na hun advies van 28 april 2018, wordt overgemaakt aan het college van deskundigen voor aanvullend advies. Bepaalt dat het visum van dr. […] beperkt wordt tot het volgen van de opleiding in de verzekeringsgeneeskunde in de context van de uitvoering van zijn aangenomen stageplan en in het kader waarvan hij bij zijn patiëntencontacten steeds wordt begeleid door een andere erkende arts. Bepaalt dat dr. […] zijn stagemeester dient in te lichten van voormelde VII-40.469-4/8 visumbeperking en de Geneeskundige Commissie van Beroep een schriftelijk bewijs hiervan dient over te leggen. Bepaalt dat dr. […] vóór 1 maart 2019 een verslag van de stagemeester over het verloop van de opleiding aan de Geneeskundige Commissie van Beroep moet laten geworden”. IV. Ontvankelijkheid van het beroep
  10. Het verzoekschrift bij de Raad van State moet overeenkomstig artikel 2, § 1, 3°, van het algemeen procedurereglement een uiteenzetting van “de middelen” bevatten. Onder een middel wordt verstaan de voldoende duidelijke omschrijving van een geschonden geachte rechtsregel én van de wijze waarop de bestreden beslissing die rechtsregel schendt. Een verzoekschrift dat geen ontvankelijke middelen bevat is zelf onontvankelijk. Die onontvankelijkheid kan niet naderhand, buiten de beroepstermijn, worden goedgemaakt.
  11. Het verzoekschrift bevat onder meer de volgende uiteenzettingen: “Daarop nodigde de PGC West-Vlaanderen me 3 oktober 2018 terug uit, en dit ondanks de brief van 17 juli 2018; Het had kunnen zijn om zich te verontschuldigen wegens de tot dan reeds toegediende schade (ik had nog meer uren dienst staan in Eeklo) en verdachtmakingen. Dat draaide echter anders uit. Triomfantelijk zei de ondervoorzitter me ‘Ge doet het TOCH’ (onderliggend: ‘nu hebben we hem’) en werd m’n visum unaniem ingetrokken. Stuk 2 toont hier de moedwillig gespannen valstrik, waarvan het motief van die moedwilligheid tot nu niet kon besproken worden, en waarbij kan gesteld dat zolang dit niet kan, de rechten op verdediging noodzakelijkerwijze niet of tenminste uitgesproken onvoldoende werden in ogenschouw genomen […]. […] Ondertussen werd ik wel gezien door de commissie van beroep 7 december 2018 […]. Het weze duidelijk dat ze in hun besluitvorming, en dat ondanks het feit dat beslissing PGC West-Vlaanderen van 3 oktober een pure en louter strafmaat is, niet buiten het kader van stuk 3 wilden uitkomen (ik kan enkel nog ptn zien onder supervisie van een andere arts). Ik kan dus stellen dat zoals in artikel 41 beschreven, ik onvoldoende tot geen recht op verdediging (de tijd hiervoor nodig tot nu te kort blijkt (ik moet het antwoord van de Orde Oost-Vlaanderen 10/1/19 afwachten)) heb kunnen waarnemen en daardoor schade lijd […]. VII-40.469-5/8 Ik vraag ten stelligste hieromtrent gehoord te zullen worden (artikel 11/2) (artikel 71). Ik vind dat artikel 41 me voldoende argument geeft om een prompt terugwijzen van het dossier naar de commissie beroep te bepleiten”.
  12. Verzoeker uit verschillende kritieken tegen verschillende beslissingen zonder dat duidelijk is wat het voorwerp van het beroep is. Dit gebrek aan duidelijk voorwerp verhindert om een duidelijk middel te achterhalen. Hij spreekt wel over recht van verdediging en een niet nader bepaald artikel 41, maar maakt niet duidelijk of hij de schending hiervan inroept, laat staan dat hij duidelijk maakt op welke wijze het recht van verdediging en artikel 41 zijn geschonden.
  13. De uiteenzetting van verzoeker is te dezen vaag en algemeen zonder aanduiding of omschrijving van de geschonden geachte rechtsregel of het geschonden geachte rechtsbeginsel noch van de wijze waarop deze naar het oordeel van verzoeker werden geschonden bij het nemen van de bestreden beslissing. De toelichting die verzoeker ter terechtzitting verschaft brengt evenmin duidelijkheid.
  14. Het beroep is bijgevolg niet ontvankelijk.
  15. Vermits korte debatten volstaan om te komen tot de bovenvermelde conclusie, kan in het huidige geval de zaak op grond van artikel 93 van het algemeen procedurereglement definitief worden beslecht. V. Schadevergoeding tot herstel
  16. Een verzoek tot schadevergoeding tot herstel als bedoeld in artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State komt maar aan de orde indien in het arrest dat uitspraak doet over de gevorderde nietigverklaring een onwettigheid wordt vastgesteld. Artikel 25/3 van het algemeen procedurereglement bepaalt in § 3 dat “[i]dien geen onwettigheid wordt vastgesteld, […] het arrest dat VII-40.469-6/8 de procedure tot nietigverklaring afsluit, eveneens het verzoek om schadevergoeding tot herstel af[wijst]”. Aangezien het ingestelde beroep tot nietigverklaring als onontvankelijk wordt verworpen en de Raad bijgevolg niet tot een vaststelling van onwettigheid komt, kan van de toekenning van een schadevergoeding geen sprake zijn.
  17. Gelet op artikel 70, § 1, vijfde lid, van het algemeen procedurereglement, dient het rolrecht en de bijdrage die verband houden met het verzoek tot schadevergoeding tot herstel aan verzoeker te worden terugbetaald. BESLISSING
  18. De Raad van State verwerpt het beroep.
  19. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 40 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro verschuldigd aan de verwerende partij. Het onverschuldigde rolrecht met bijdrage in verband met het verzoek tot schadevergoeding tot herstel, begroot op 220 euro, wordt terugbetaald aan verzoeker.
  20. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt. VII-40.469-7/8 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achtentwintig maart tweeduizend negentien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-40.469-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.048 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.243.377 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.