id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 maart 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.061 Rolnummer: A. 227668/XIV-37972 Zaak: Arrest 244061 - Uitleveringen - 29/03/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-04-01 Raadplegingen: 78 - laatst gezien 2026-06-25 10:03 Fiche Arrest nr 244.061 van 29 maart 2019 Vreemdelingen - Uitleveringen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 244.061 van 29 maart 2019 in de zaak A. 227.668/XIV-37.972 In zake: Daler LUKMANOV bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Frank Scheerlinck kantoor houdend te 9000 Gent Recollettenlei 41 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bernard Derveaux kantoor houdend te 1000 Brussel Verenigingstraat 28 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 20 maart 2019, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de minister van Justitie van 26 februari 2019 waarbij de uitlevering van verzoeker aan de regering van de Russische Federatie wordt toegestaan. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. XIV-37.972-1/22 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 maart 2019, om 14.00 uur. Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaten Pieterjan Van Muysen en Frank Scheerlinck, die verschijnen voor verzoeker, en advocaat Bernard Derveaux, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Met een verzoek van 17 december 2015, meegedeeld met een diplomatieke nota van de ambassade van de Russische Federatie van 24 december 2015, vraagt het parket generaal van de Russische Federatie de uitlevering van verzoeker, van Nederlandse nationaliteit, op grond van een aanhoudingsbevel van 25 april 2013, gegeven door de rechtbank van het district Tverskoy, regio Moskou. Het uitleveringsverzoek is gedaan overeenkomstig Het Europees verdrag betreffende de uitlevering, opgemaakt te Parijs op 13 december 1957 (hierna: de Europese uitleveringsovereenkomst). 3.2. De raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent verklaart het voornoemde aanhoudingsbevel uitvoerbaar met een beschikking van 12 februari 2016. De kamer van inbeschuldigingstelling van het hof van beroep te Gent bevestigt deze beslissing met een arrest van 26 april 2018. XIV-37.972-2/22 3.4. Het Hof van Cassatie verwerpt op 26 juni 2018 het door verzoeker ingestelde cassatieberoep. 3.5. Verder brengt de kamer van inbeschuldigingstelling van het hof van beroep te Gent op 24 juli 2018 een zonder beperkingen of voorwaarden gunstig advies uit over het verzoek tot uitlevering van verzoeker. 3.6. Vermits verzoeker een onderdaan is van een lidstaat van de Europese Unie heeft de verwerende partij op 30 juli 2018 de zogenaamde “Petruhhin-melding” gedaan aan het Nederlandse Ministerie van Justitie en Veiligheid dat op 11 december 2018 te kennen heeft gegeven dat Nederland niet wenst extraterritoriale rechtsmacht uit te oefenen ten aanzien van de strafbare feiten waarvoor de Nederlandse verzoeker in de Russische Federatie wordt vervolgd. 3.7. Op 26 februari 2019 staat de minister van Justitie de uitlevering toe van verzoeker aan de regering van de Russische Federatie wegens de feiten op grond waarvan de uitlevering is gevraagd. Er wordt vermeld dat het specialiteitsbeginsel van toepassing is. Dit is de bestreden beslissing. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden 4. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. XIV-37.972-3/22 V. Ernst van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 5. Verzoeker ontleent een eerste middel aan een “schending van de motiveringsverplichting zoals vervat in artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: de wet van 29 juli 1991) en als algemeen rechtsbeginsel in samenhang gelezen met een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel”. In een eerste middelonderdeel betoogt verzoeker in essentie dat de verwerende partij een beroep heeft gedaan op de informatie die haar 4 jaar geleden werd verstrekt, te weten met het verzoek tot uitlevering van 24 december 2015, en dat zij bij het nemen van de bestreden beslissing heeft nagelaten om enige bijkomende inlichtingen te verkrijgen omtrent de stand van zaken van de Russische strafprocedure (zoals de mogelijkheid dat een bij verstek gewezen vonnis is tussengekomen, in welk geval geen uitlevering meer kan plaatsvinden). In dat geval komt de beschikking van de raadkamer te vervallen en kan er geen uitlevering meer plaatsvinden met het oog op de strafvervolging; minstens had dan aan de Nederlandse autoriteiten een andere mededeling plaatsgevonden waartoe verzoeker verwijst naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het HvJEU) van 13 november 2018 inzake Denis Raugevicius t. Finland. Aldus is de verwerende partij tekort geschoten in haar verplichting om te komen tot een correcte feitenvergaring. De bestreden beslissing is niet op een zorgvuldige wijze voorbereid zodat de verwerende partij de op haar rustende zorgvuldigheidsplicht, heeft miskend en daardoor, evenzo, de op haar rustende motiveringsplicht. In het tweede middelonderdeel voert verzoeker aan dat de verwerende partij de Nederlandse autoriteiten enkel hebben ingelicht omtrent het bestaan van een Russisch uitleveringsverzoek en deze autoriteiten niet om advies XIV-37.972-4/22 hebben gevraagd inzake de uitlevering. Daarnaast blijkt uit de bestreden beslissing niet dat alle documenten, ontvangen van de Russische Federatie, aan de Nederlandse autoriteiten werden overgemaakt. Zo blijkt enkel dat informatie werd verstrekt omtrent het bestaan van het uitleveringsverzoek, maar kan daaruit geenszins worden afgeleid dat de Nederlandse autoriteiten op de hoogte waren van de inhoud van het uitleveringsverzoek of van de bijgevoegde documenten. Dit is volgens verzoeker nochtans cruciaal, aangezien op grond van deze informatie zou kunnen blijken dat de handelingen van verzoeker enkel werden gesteld op Nederlands grondgebied en Nederland bijgevolg mogelijks wel de strafvervolging ten aanzien van verzoeker zou overnemen. Opdat de Nederlandse overheid aldus een geïnformeerde beslissing kan nemen, volstaat het volgens verzoeker aldus niet om louter kennis te geven van het bestaan van het uitleveringsverzoek, maar dient het uitleveringsverzoek met alle bijhorende stukken eveneens te worden overgemaakt. Beoordeling 6. Op grond van artikel 1 van de Uitleveringswet van 15 maart 1874 (hierna: de Uitleveringwet) kan de uitlevering van een vreemdeling worden toegestaan, hetzij omdat de vreemdeling door de buitenlandse rechterlijke autoriteiten wordt vervolgd als dader, mededader of medeplichtige wegens overtreding van de strafwet, hetzij omdat hij gezocht wordt voor de tenuitvoerlegging van een straf of maatregel. 7. Te dezen is de Belgische Staat door de Russische Federatie aangezocht omwille van een tegen verzoeker uitgevaardigd aanhoudingsbevel van 25 april 2013 en beoogt het uitleveringsverzoek uitsluitend de (verdere) vervolging van verzoeker voor bepaalde in het strafwetboek van de Russische Federatie omschreven drugsgerelateerde feiten. Zoals de verwerende partij in haar nota opmerkt, blijkt uit het door haar overgelegde aangehaalde uittreksel van de Russische Grondwet (http://www.supcourt.ru/fr/documents/constitution/) dat artikel 123, lid 2 ervan uitdrukkelijk bepaalt dat beklaagden nooit bij verstek kunnen worden veroordeeld door de Russische rechtbanken, tenzij uitzonderingen XIV-37.972-5/22 bepaald in de federale wet. De strafvervolging in de Russische Federatie is bijgevolg opgeschort totdat verzoeker is overgeleverd. Bovendien bepaalt artikel 78.3 van het Russische Strafwetboek dat de verwerende partij eveneens aanhaalt (http://www.legislationonline.org/documents/section/criminalcodes/coun try/7). dat de verjaring wordt opgeschort wanneer de verdachte zich onttrekt aan het onderzoek. Verzoeker betwist zulks niet. Aangezien verzoeker zich wetens en willens heeft onttrokken aan het onderzoek van de Russische autoriteiten, is overeenkomstig artikel 78.3 van het Russische strafwetboek de vervolging en de verjaringstermijn opgeschort. Op grond van de voorafgaande bepalingen, gaat de Raad van State er derhalve in deze stand van het geding van uit dat er geen rechterlijke uitspraak is tussengekomen en diende de verwerende partij aldus niet te informeren naar de stand van zaken inzake de strafvordering en een eventuele veroordeling. Verzoeker toont trouwens ook niet aan dat er inmiddels enige rechterlijke uitspraak zou zijn tussengekomen, waardoor hij niet meer zou kunnen worden uitgeleverd. 8. Wat het tweede middelonderdeel betreft, blijkt uit de bestreden beslissing en de stukken van het administratief dossier dat de Belgische autoriteiten (meer bepaald de FOD Justitie) met een brief van 30 juli 2018 - waarin uitdrukkelijk wordt verwezen naar het arrest Petruhhin van 6 september 2016 van het Hof van Justitie - het Nederlandse ministerie van Justitie en Veiligheid op de hoogte hebben gebracht omtrent het bestaan van het Russische uitleveringsverzoek en de Nederlandse autoriteiten op afdoende wijze informatie hebben verstrekt. In de genoemde brief wordt mededeling gedaan van de historiek en achtergrond, met vermelding van de feiten waarvan verzoeker wordt verdacht en de afgebakende tijdsperiode waarin zij zich hebben voorgedaan, de kwalificatie ervan naar Russisch en Belgisch recht, en met de mededeling dat de formaliteiten en de voorwaarden van de uitlevering blijkens de afgesloten gerechtelijke uitleveringsprocedure zijn vervuld. Door aldus te handelen lijkt de verwerende partij te hebben voldaan aan de op haar rustende informatieplicht, vervat in genoemde arrest Petruhhin van 6 september 2016. Na meerdere herinneringen van XIV-37.972-6/22 Belgische zijde liet het Nederlandse ministerie van Justitie en Veiligheid uiteindelijk op 11 december 2018 weten dat het geen extraterritoriale rechtsmacht wenst uit te oefenen ten aanzien van de strafbare feiten waarvoor verzoeker in de Russische Federatie wordt vervolgd. Uit dit antwoord blijkt dat de Nederlandse autoriteiten niet hebben verzocht om aanvullende informatie, doch - integendeel - zich voldoende geïnformeerd wisten om met kennis van zaken te oordelen of ze al dan niet hun extraterritoriale bevoegdheid wensten uit te oefenen. Volledigheidshalve, kan verzoeker niet worden gevolgd in zijn standpunt dat, indien de Nederlandse autoriteiten hadden geweten dat door verzoeker enkel handelingen werden gesteld op Nederlands grondgebied, zij mogelijks wel de strafvervolging zouden hebben overgenomen. In de door de minister van Justitie aan het Nederlandse ministerie van Justitie en Veiligheid gerichte schrijven van 30 juli 2018 wordt immers uitdrukkelijk gewag gemaakt van de omstandigheid dat verzoeker kon worden geïdentificeerd als een vanuit Nederland opererende actieve organisator van transporten met het oog op verdeling van drugs in Rusland ten behoeve van een criminele organisatie waarin hij een leidende rol zou hebben gespeeld. Voor zover verzoeker stelt dat de Nederlandse autoriteiten zijn Nederlandse raadsman hebben aangeschreven met de mededeling dat zij geen kennis hebben van enig verzoek tot advies, blijkt uit de stukken die verzoeker zelf bijbrengt dat hij effectief op 4 december 2018 een “verzoek tot het geven van een negatief advies terzake uitlevering naar Rusland” heeft gericht aan het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken, en dat het ministerie van Buitenlandse Zaken daarop met een schrijven van 17 januari 2018 inderdaad antwoordde dat het niet gebruikelijk was dat de autoriteiten van de aangezochte staat, de lidstaat waarvan de opgeëiste persoon onderdaan is (te dezen Nederland) om advies vragen omtrent de uitlevering. Zoals hiervoor reeds is gebleken hebben de Belgische autoriteiten met een brief van 30 juli 2018 met verwijzing naar het arrest Petruhhin de bevoegde Nederlandse dienst (waarvan te dezen niet wordt betwist dat dit het ministerie van Justitie en Veiligheid
- is)ingelicht omtrent het uitleveringsverzoek teneinde te vernemen of Nederland zijn extraterritoriale rechtsmacht wenste uit te XIV-37.972-7/22 oefenen. De verwijzing naar een brief van een ander ministerie, dat inderdaad geen dergelijke verzoeken behandelt, is dan ook niet relevant. 9. Het eerste middel is in zijn beide onderdelen, niet ernstig B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 10. Verzoeker ontleent een tweede middel aan een schending van de “artikelen 1 en 7 van de Uitleveringswet en artikel 10 van het Europees Uitleveringsverdrag in samenhang gelezen met de wetsbepalingen aangaande de verjaring (artikel 21 V.T. Sv. e.v.)”. Verzoeker betoogt in wezen dat de verwerende partij de principes van het Belgische strafrecht miskent door te oordelen dat de verjaringstermijn tien jaar zou bedragen en aldus in abstracto beoordeeld dient te worden. Aldus wordt ook het vereiste van de dubbele strafbaarstelling zoals vervat in artikel 1 van de Uitleveringswet miskend. Immers, wanneer de feiten waarvoor hij wordt vervolgd voor de Belgische gerechten zouden worden behandeld, zouden deze door de correctionele rechtbank worden beoordeeld. De feiten die worden voorgelegd aan de correctionele rechtbank hebben immers een verjaringstermijn van vijf jaar (artikel 21, eerste lid, 4° van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering). Volgens verzoeker kan door de verwerende partij niet worden betwist dat er een automatisch mechanisme van correctionalisering wordt toegepast voor de onderhavige kwalificatie van de feiten. Hij verwijst daartoe naar het arrest nr. 148/2017 van 21 december 2017 van het Grondwettelijk Hof. Volgens verzoeker moet het mechanisme van de correctionalisering worden beschouwd als een middel om de bevoegde rechtbank te bepalen, wat “evident” ook gevolgen heeft op de categorisering van de misdrijven. Wanneer verzoeker voor deze feiten vervolgd zou worden in België, staat het vast dat hij voor de correctionele rechtbank dient te verschijnen en dat de feiten aldus een gecorrectionaliseerde misdaad uitmaken. De verjaringstermijn voor dit soort misdrijf bedraagt vijf jaar, wat tot gevolg heeft dat de feiten in België XIV-37.972-8/22 niet vervolgd kunnen worden, gelet op het intreden van de verjaring, wat vervolgens tot het verval van de strafvordering leidt. Daarenboven merkt verzoeker op dat door het hanteren van een louter abstract criterium bij de beoordeling van de verjaring, de verwerende partij een bijkomende ongelijkheid creëert tussen EU-onderdanen enerzijds en Belgische onderdanen anderzijds. Immers wanneer een Belgische onderdaan, die voor dezelfde feiten als in de voorliggende zaak zou worden vervolgd, in een andere lidstaat zou verblijven die wordt aangezocht door een derde land om over te gaan tot uitlevering en de Belgische overheid zou beslissen om de extraterritoriale rechtsmacht uit te oefenen en de strafvervolging verder te zetten ten aanzien van deze onderdaan, zou komen vast te staan dat de verjaring voor de feiten waarop het uitleveringsverzoek betrekking heeft, is ingetreden. Beoordeling 11. Verzoeker voert de schending aan van de voorwaarde van dubbele strafbaarstelling/vervolgbaarheid bij uitlevering, zoals die onrechtstreeks is vervat in artikel 7 van de Uitleveringswet en artikel 10 van het Europees Uitleveringsverdrag waaruit voortvloeit dat niet tot uitlevering wordt overgegaan zo sedert het ten laste gelegde feit, de vervolgingen of de beoordeling, de verjaring van de strafvordering of van de straf naar Belgisch recht is bereikt. De strafbaarstelling in België van de feiten waarvoor uitlevering wordt gevraagd, moet worden beoordeeld volgens de mogelijkheid die feiten te vervolgen op grond van de naar Belgisch recht eraan te geven delictsomschrijving. Het vereiste van de dubbele strafbaarheid - zoals het vereiste van vervolgbaarheid waarbij dat vereiste een correlarium vormt van het eerste - moet derhalve enkel in abstracto worden beoordeeld. Het volstaat met andere woorden dat het feit strafbaar en vervolgbaar is in België wat, zoals verder nog blijkt, inhoudt dat ook de beoordeling van de verjaringstermijn in abstracto moet gebeuren. Er dient aldus geen rekening te worden gehouden met onder meer rechtvaardigingsgronden, schulduitsluitings- of verschoningsgronden, enzovoort. XIV-37.972-9/22 Hetzelfde lijkt te moeten gelden wat de mogelijkheid betreft om de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd, te correctionaliseren. Immers, krachtens artikel 1, eerste lid, van de wet van 4 oktober 1867 ‘op de verzachtende omstandigheden’ (hierna: de wet van 4 oktober 1867) berust de beoordeling van de verzachtende omstandigheden, geval per geval, bij het rechtsprekende college, bij de rechtsmachten belast met het onderzoek en bij het openbaar ministerie, waarbij artikel 1, tweede lid, van diezelfde wet ter zake de motiveringsplicht oplegt, wat inhoudt dat de verzachtende omstandigheden in de arresten en vonnissen worden medegedeeld en waarbij, krachtens artikel 2, tweede lid, van dezelfde wet, de rechtstreekse dagvaarding wegens een gecorrectionaliseerde misdaad door het openbaar ministerie eveneens dient te gebeuren met mededeling in casu van de verzachtende omstandigheden. De omstandigheid dat, zoals verzoeker aanvoert, “in bijna alle gevallen” de feiten zoals deze waarvoor de uitlevering gevraagd wordt, zouden worden gecorrectionaliseerd, houdt nog niet in dat het in alle gevallen ook daadwerkelijk gebeurt en al evenmin dat de bodemrechter daar ook in alle gevallen aan gebonden is. Zo kan de correctionele rechtbank zich onbevoegd verklaren ten aanzien van de verzachtende omstandigheden of de grond van verschoning wanneer zij is geadieerd met toepassing van artikel 2, tweede lid, van de wet van 4 oktober 1867 (cfr. artikel 3, tweede lid, van diezelfde wet). 12. De verwijzing door verzoeker naar het arrest nr. 148/2017 van 21 december 2017 van het Grondwettelijk Hof doet er niet anders over oordelen, integendeel. In zijn arrest oordeelt het Hof dat de in die zaak bestreden (en inmiddels vernietigde) regeling die een (quasi) “automatische” correctionalisering beoogde, (cfr. de wet van 5 februari 2016 ‘tot wijziging van het strafrecht en de strafvordering en houdende diverse bepalingen inzake justitie’ (hierna: de wet van 5 februari 2016)), niet kon worden gebillijkt, reden waarom het Hof het in die regeling beoogde (quasi-) automatisme overigens heeft vernietigd. Overigens gaat het niet op, om de door de afdeling Wetgeving van de Raad van State geuite kritiek XIV-37.972-10/22 op sommige bestaande praktijken aan te wenden teneinde, zoals verzoeker in zijn verzoekschrift tracht te doen, die bekritiseerbare praktijken vervolgens tot regel te verheffen. Hoe dan ook, door de vernietiging door het genoemde arrest van de bij de wet van 5 februari 2016 ingevoerde regeling wordt teruggevallen op de oude regeling (zoals die hiervoor bondig is weergegeven), wat inhoudt dat de onderzoeksgerechten en het openbaar ministerie weliswaar steeds beschikken over de mogelijkheid om in een concreet geval een misdaad te “correctionaliseren” door verzachtende omstandigheden aan te nemen, maar daartoe nooit verplicht zijn en, indien zij daartoe in een concreet geval wel besluiten, de verplichting hebben dat te motiveren. Naar Belgisch recht zijn verschillende kwalificaties van toepassing op de feiten waarvoor om verzoekers uitlevering wordt verzocht. Verzoeker maakt hoe dan ook niet duidelijk welke kwalificaties gecorrectionaliseerd zouden kunnen worden, laat staan of ze alle gecorrectionaliseerd worden en waarvan de beoordeling trouwens toekomt, in voorkomend geval, aan het rechtsprekende college, de rechtsmachten belast met het onderzoek en het openbaar ministerie. Gelet op wat voorafgaat, valt in de huidige stand van het geding de Raad van State het standpunt bij dat de feiten waarvoor te dezen de uitlevering van verzoeker wordt gevraagd, in abstracto overeenkomstig de Belgische strafwet als misdaden zijn te kwalificeren en de “correctionalisering” tot wanbedrijf - zij moge dan al naar verzoeker stelt, veelvuldig worden toegepast - geen automatisme is. De verjaringstermijn bedraagt te dezen dan ook tien jaar en geen vijf jaar zoals voor wanbedrijven het geval is. 13. Aangezien niet in alle gevallen tot correctionalisering wordt overgegaan en de regeling waarbij een automatische correctionalisering werd beoogd door het Grondwettelijk Hof werd vernietigd, lijkt er al evenmin sprake van een ongelijkheid tussen een Belg en een EU-burger van een andere lidstaat dan de Staat waaraan de uitlevering wordt gevraagd. XIV-37.972-11/22 In de mate verzoeker aangeeft dat wat een mogelijke ongelijkheid bij de beoordeling van de verjaring van de strafvordering betreft, “het stellen van een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof dan wel het Hof van Justitie, mogelijk [zou] zijn”, moet verzoeker worden bijgetreden dat het stellen van een prejudiciële vraag niet bestaanbaar is met het te dezen uiterst dringende karakter van de voorliggende schorsingsprocedure die hij heeft ingeleid. 14. Het tweede middel is in zijn geheel genomen, niet ernstig. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 15. Verzoeker ontleent een derde middel aan de schending van artikel 2bis van de Uitleveringswet, gelezen in samenhang met de zorgvuldigheidsplicht en de motiveringsplicht zoals vervat in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 doordat in de bestreden beslissing wordt gesteld dat de door verzoeker aangereikte schendingen van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 juni 1950 te Rome en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (hierna: het EVRM) een zeer algemene strekking hebben en niet in concreto aannemelijk worden gemaakt, terwijl niets wordt gemotiveerd “omtrent de systematische schending van artikel 5 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens”. Verzoeker stelt vast dat de bestreden beslissing bepaalt dat hij enkel in zeer algemene bewoordingen verwees naar potentiële schendingen van zijn fundamentele rechten. De door hem aangereikte informatie geeft echter een inzicht in de praktijken waar hij aan zal worden onderworpen van zodra hij wordt uitgeleverd. Verzoeker verwijst dienaangaande naar het arrest Zheberin t. Rusland van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM), waarin geoordeeld werd dat er sprake is van een systematische schending doordat het een weerkerende praktijk van voorlopige hechtenis betreft. Wanneer een dergelijke systematische schending wordt aangetoond, kan de verwerende partij bezwaarlijk volstaan met het argument dat dit louter algemene informatie betreft, die niet van toepassing is op XIV-37.972-12/22 verzoeker. Bovendien en ofschoon het mogelijk is dat verzoeker in Rusland in voorlopige hechtenis zal worden gehouden en aldus zijn rechten overeenkomstig artikel 5, § 3 van het EVRM geschonden worden, heeft de verwerende partij geen enkele toets verricht naar een eventuele schending van artikel 5 EVRM, niettegenstaande hij daarvan reeds gewag maakte in het kader van de jurisdictionel exequaturprocedure “in zijn memorie voor het Hof van Cassatie”. Beoordeling 16. Krachtens artikel 2bis, tweede lid, van de Uitleveringswet kan uitlevering niet worden toegestaan wanneer er ernstige risico’s bestaan dat de persoon, indien hij wordt uitgeleverd, in de verzoekende Staat wordt onderworpen aan een flagrante rechtsweigering of aan foltering of onmenselijke en onterende behandeling. De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 verplichten de administratieve overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze. Het afdoend karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de XIV-37.972-13/22 feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen. 17. Verzoeker zet niet uiteen op welke wijze de zorgvuldigheidsplicht zou zijn geschonden, zodat deze grief niet ontvankelijk is. Wat de formele motiveringsplicht betreft zoals die ligt vervat in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991, stelt de Raad van State voorshands vast dat naar aanleiding van het - voorafgaand aan de bestreden beslissing - te verstrekken advies door de kamer van inbeschuldigingstelling verzoeker in de door hem neergelegde conclusie alleen maar een middel heeft opgeworpen betreffende de verjaring van de strafvordering. Voorts, los van de vraag of diezelfde formelemotiveringsplicht inhoudt dat de minister van Justitie moet antwoorden op argumenten die verzoeker in een conclusie tijdens de exequaturprocedure heeft ontwikkeld en daargelaten de vraag of in bevestigend geval, het niet volstaat dat impliciet of expliciet uit de formele motivering van de bestreden beslissing blijkt dat de argumentatie van verzoeker in de besluitvorming werd betrokken derwijze dat hieruit minstens impliciet kan worden afgeleid waarom de argumenten in het algemeen niet werden aanvaard, faalt de kritiek in de feiten. Anders dan wat verzoeker voorhoudt, blijkt immers in de eerste plaats dat in de aanhef van de bestreden beslissing wordt verwezen niet alleen naar het gunstige advies van de kamer van inbeschuldigingstelling maar ook naar de doorgelopen exequaturprocedure, inclusief het verwerpingsarrest van het Hof van Cassatie gewezen na het door verzoeker ingestelde cassatieberoep tegen het exequaturarrest van 27 april 2017 dat het door hem ingestelde hoger beroep tegen de aanvankelijke exequaturbeschikking ongegrond heeft bevonden. 18. Bovendien wordt in de bestreden beslissing uitdrukkelijk en omstandig ingegaan op de door verzoeker in algemene zin geuite potentiële XIV-37.972-14/22 schending van artikel 3 van het EVRM of het bestaan van een ernstig of reëel risico op flagrante rechtsweigering. Los van het gegeven dat in het uitleveringsverzoek uitdrukkelijk wordt bevestigd en verzekerd dat verzoeker de rechten zal kunnen genieten die hij kan ontlenen aan de artikelen 3 en 5 van het EVRM, wordt in de bestreden beslissing onder de punten 27 e.v. hieromtrent uitvoerig gemotiveerd en onder meer gesteld dat het bestaan van een ernstig of reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM of het bestaan van een ernstig of reëel risico op flagrante rechtsweigering niet enkel aantoonbare algemene - en actuele - omstandigheden over de mensenrechtensituatie in de verzoekende staat vergt, doch ook specifieke en actuele gegevens over de opgeëiste persoon en zijn concrete situatie. Met de verwerende partij dient te worden vastgesteld dat verzoeker op geen enkel ogenblik - naast gegevens van algemene strekking - elementen heeft aangehaald die zouden aantonen dat er in zijn concreet geval een risico zou zijn op een schending van de door hem ingeroepen rechten. De enkele verwijzing naar het genoemde arrest Zheberin t. Rusland zonder aannemelijk te maken dat hij in geval van uitlevering in dezelfde of gelijkaardige concrete omstandigheden zal belanden, volstaat daartoe niet. Het Hof van Cassatie wees hem eerder om die reden ook van zijn cassatiemiddel af. Ook in het kader van het voorliggende kort geding toont verzoeker niet aan dat de door hem aangebrachte informatie, rapporten en krantenartikelen in verband kunnen worden gebracht met zijn zaak. Evenmin brengt hij in de huidige stand van de zaak elementen aan, zoals in de bestreden beslissing reeds werd vastgesteld, die eventueel zouden kunnen wijzen op “politieke” invloeden op of dergelijke motieven voor de vervolging. Hij toont ook thans niet aan dat hij na zijn uitlevering niet over adequate mogelijkheden zou beschikken om voor de bevoegde Russische gerechtelijke instanties zijn verdediging ten aanzien van de concrete aanklacht te voeren of dat hij op onwettige wijze en langer dan nodig door de Russische autoriteiten zal worden vastgehouden, te meer nu weliswaar de strafvervolging jegens verzoeker is opgeschort wat niet inhoudt dat het XIV-37.972-15/22 strafonderzoek nopens de feiten waarbij meerdere personen zijn betrokken, niet is voortgegaan. 19. Het derde middel is in zoverre het ontvankelijk is, niet ernstig. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel 20. In een vierde middel, ontleend aan de schending van de formelemotiveringsplicht zoals vervat in artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 en van het zorgvuldigheidsbeginsel, gelezen in samenhang met een schending van artikel 2 van de Uitleveringswet, zet verzoeker uiteen dat de verwerende partij verkeerdelijk aanneemt dat de feiten die verzoeker ten laste worden gelegd, in Rusland zouden zijn gepleegd. Verzoeker betoogt dat de verwerende partij er ten onrechte van uitgaat dat de feiten gepleegd zouden zijn in Rusland, terwijl op grond van de stukken blijkt dat hij enkel handelingen heeft gesteld buiten het grondgebied van de Russische Federatie. In het licht van artikel 2 van de Uitleveringswet is het nochtans van belang te weten welke handelingen verzoeker worden verweten en waar deze handelingen hebben plaatsgevonden aangezien een uitlevering niet zou kunnen plaatsvinden wanneer het misdrijf buiten het grondgebied van de verzoekende Staat gepleegd zou zijn. Opdat de verwerende partij aldus een uitlevering zou kunnen toestaan, dient het feit gepleegd te zijn op het grondgebied van de verzoekende Staat. Alwaar in België de ubiquiteitsleer bestaat die zou inhouden dat wanneer één constitutief bestanddeel van het misdrijf plaatsvond in België, de Belgische rechter bevoegd is, brengt niet met zich dat eenzelfde leer wordt gehanteerd in de Russische Federatie. Hetzelfde geldt voor de leer van de ondeelbaarheid. XIV-37.972-16/22 Beoordeling 21. Artikel 2 van de Uitleveringswet bepaalt dat wanneer de misdaad die aan het verzoek ten grondslag ligt, buiten het grondgebied van de verzoekende partij is begaan, de regering, voor zover ter zake wederkerigheid bestaat, de vervolgde vreemdeling, slechts kan uitleveren in de gevallen waarin de Belgische wet de vervolging van die misdrijven, buiten het Belgische grondgebied gepleegd, toelaat. De verwerende partij lijkt op het eerste gezicht terecht aan te voeren dat het haar niet toekomt in concreto na te gaan of verzoeker schuldig is aan de tenlasteleggingen, dan wel of hij effectief kan worden bestraft. Te dezen blijkt uit het uitleveringsverzoek (en de bestreden beslissing) dat de Russische autoriteiten verzoeker willen vervolgen als lid van een criminele organisatie (dader/mededader). Uit de hem ten laste gelegde feiten blijkt dat hij weliswaar buiten de Russische Federatie verbleef, doch dat hij actief meewerkte aan de activiteiten van de (mede door hem) georganiseerde criminele bende voor de illegale import (en verspreiding) in de Russische Federatie van ruim 203,5 kg hasj. De verwerende partij heeft dat overigens ook zo meegedeeld aan de Nederlandse autoriteiten in haar brief van 30 juli 2018 (cfr. het eerste middel). In de bestreden beslissing wordt nog vastgesteld dat hij heeft meegewerkt aan het concrete project in de Russische Federatie door zijn aanvoer te organiseren vanuit Nederland. Dat dergelijke feiten strafbaar zijn, wordt door verzoeker op het eerste gezicht niet betwist. Het betreft aldus grensoverschrijdende feiten. De vaststelling dat blijkbaar andere personen ter plaatse in Moskou actief waren om de drugs te stockeren, te verdelen, te verkopen en de opbrengsten terug te doen vloeien, doet daaraan geen afbreuk. De vaststelling dat verzoeker heeft meegewerkt, met dien verstande dat hij een leidende rol zou hebben opgenomen aan de invoer van de verdovende middelen en de verspreiding ervan in de regio Moskou, volstaat derhalve op het eerste gezicht om verzoeker te kunnen vervolgen op de plaats waar de verdovende middelen zouden worden verspreid en te koop XIV-37.972-17/22 gesteld, meer bepaald in de Russische Federatie. Daargelaten nog dat moet worden vastgesteld dat verzoeker deze grief tijdens de gerechtelijke exequaturprocedure, waarin wordt nagegaan of aan de (formele en inhoudelijke) uitleveringsvoorwaarden is voldaan, niet heeft uitgewerkt noch hierover enig gewag heeft gemaakt tijdens de uitleveringsprocedure, maakt hij ook thans niet aannemelijk noch toont hij aan dat volgens het Russische strafrecht de feiten, waarvoor zijn uitlevering wordt gevraagd, niet strafbaar zouden zijn omdat verzoekers aandeel daarin zich niet in Rusland situeert. Hoe dan ook kan verzoeker steeds de onbevoegdheid van de Russische rechter opwerpen in het kader van zijn verdediging aldaar. Er kan in deze stand van het geding dan ook geen schending van de ingeroepen formelemotiveringsplicht noch van artikel 2bis van de Uitleveringswet worden aangenomen. 22. Het vierde middel is niet ernstig. E. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel 23. Een vijfde middel, tot slot, is ontleend aan de schending van “de motiveringsverplichting zoals vervat in de artikelen 2 en 3 van de [w]et van 29 juli 1991 […] en als algemeen rechtsbeginsel, in samenhang gelezen met een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel”. Verzoeker betoogt in wezen dat in de bestreden beslissing niet op afdoende wijze rekening wordt gehouden met het privé- en gezinsleven van verzoeker, zoals vervat in artikel 8 van het EVRM. De bestreden beslissing houdt een proportionaliteitsbeoordeling in van een inbreuk op artikel 8 van het EVRM. Verzoeker stelt dat de verwerende partij ervan uitgaat dat zijn gezinsleven al geruime tijd te situeren is in Nederland en eraan voorbij gaat dat zijn kinderen die hij heeft met zijn ex-partner, in België verblijven en dat zij ook de reden zijn XIV-37.972-18/22 waarom hij “op regelmatige tijdstippen” in België verblijft. Dit blijkt zowel uit de verklaring die werd bijgebracht tijdens de exequaturprocedure voor de kamer van inbeschuldigingstelling als uit zijn beknopt verhoor bij de onderzoeksrechter op 21 november 2015 waarin hij te kennen gaf dat hij drie kinderen heeft met zijn vriendin doch er niet mee samenwoont. Verzoeker stelt dat de verwerende partij deze vaststellingen niet in overweging heeft genomen bij het nemen van de bestreden beslissing, minstens werden geen voorwaarden voorzien die garanderen dat verzoekers’ recht op familie- en gezinsleven kan worden uitgeoefend wanneer hij aan Rusland uitgeleverd wordt hoewel de verzoekende staat “[is] gekend om zijn verdwijningen en het moeilijke contact van gedetineerden met hun naasten”. De motiveringsverplichting is geschonden door op gebrekkige wijze in zeer algemene zin te stellen dat een uitlevering niet disproportioneel is, zonder dat dit wordt afgewogen aan de concrete omstandigheden van de zaak. De verwerende partij schendt dan ook de motiveringsverplichting en de zorgvuldigheidsverplich- ting in het licht van artikel 8 van het EVRM. Beoordeling 24. Verzoeker voert geen schending aan van artikel 8 van het EVRM als zodanig. Uit de stukken van het administratief het dossier blijkt dat verzoeker niet (vast) verblijft in België, doch enkel - naar eigen zeggen – er regelmatig zijn ex-partner zou bezoeken, waarmee hij beweert 3 kinderen te hebben. Verzoeker toont zulk verblijf overigens niet aan. Verzoeker verwijst voorts nog naar een verklaring van zijn (ex-)vriendin, zijnde een e-mail waarin zij met een enkele zin beweert dat verzoeker “een biologische vader [is] van mijn kinderen”. Voorts blijkt niet dat er een juridische band bestaat tussen verzoeker en de kinderen van zijn (ex-)vriendin. Uit de stukken die verzoeker thans bijbrengt blijkt evenmin dat hij in België verblijft en de intentie heeft om hier vaak te zijn voor de personen waarvan hij stelt dat het zijn kinderen zijn. Uit een door verzoeker bijgebracht stuk blijkt voorts dat hij heeft verklaard dat hij niet samenwoont met zijn vriendin waarmee hij “een LAT-relatie” heeft, dat hij woont XIV-37.972-19/22 en werkt in Nederland en er een supermarkt zou willen beginnen. Daarover oordeelde de kamer van inbeschuldigingstelling reeds dat verzoeker niet concreet aannemelijk maakt dat hij de biologische vader zou zijn van de drie kinderen, laat staan aantoont dat hij ermee een affectieve band zou hebben of zelfs maar een gezinsleven zou hebben mee opgebouwd. Na die beoordeling door de kamer van inbeschuldigingstelling heeft verzoeker in het kader van de uitleveringsprocedure daaromtrent niet meer geargumenteerd, zodat prima facie de verwerende partij in de bestreden beslissing, bij gebrek aan enig concreet beoordelingselement, haar onderzoek mocht beperken tot de weinige, voorliggende elementen. Een schending van de zorgvuldigheidsplicht wordt in de huidige stand van de procedure niet aannemelijk gemaakt. 25. Voorts blijkt uit de motieven van de bestreden beslissing dat wel degelijk rekening is gehouden met verzoekers gezinssituatie. Zo wordt in de bestreden beslissing onder punt 21 uitvoerig ingegaan op zijn (voorgehouden) familiale situatie. Daarin wordt onder meer gewezen op het feit dat artikel 8 van het EVRM geen absoluut recht beschermt omdat het tweede lid van die bepaling uitzonderingen toelaat op het privé- en gezinsleven, waarbij de uitlevering een legitieme uitzondering vormt. In de bestreden beslissing wordt voorts gewezen op vaste rechtspraak van het EHRM dat in uitleveringszaken slechts uitzonderlijk een schending van het recht op familieleven vaststelt. De bestreden beslissing wijst er tevens op dat de enige te onderzoeken factor de proportionaliteit van de uitlevering als inbreuk op het familieleven is, waarbij tevens in acht is genomen dat de opgeëiste persoon het voorwerp uitmaakt van vervolging wegens zeer ernstige, georganiseerde transnationale misdrijven die een grote impact op de volksgezondheid hebben. Verzoeker blijkt voorts geen inspanningen te hebben gedaan noch te doen om aan te tonen dat in zijn concreet geval er sprake is van een dergelijke uitzonderlijke schending van artikel 8 van het EVRM. Er kan in deze stand van de procedure geen schending van de formelemotiveringsplicht vervat in de wet van 29 juli 1991 worden vastgesteld. XIV-37.972-20/22 Anders dan hoe verzoeker het ziet, is tot slot de formelemotiveringsplicht geen algemeen rechtsbeginsel, zodat een onderzoek vanuit dat oogpunt niet ontvankelijk is. 26. Het vijfde middel is niet ernstig. Conclusie 27. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. VI. Kosten 28. Wat de vraag van de verwerende partij tot toekenning van een rechtsplegingsvergoeding betreft wordt de bijdrage in de betaling van de kosten bepaald in het arrest waarin uitspraak wordt gedaan over het beroep tot nietigverklaring. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. XIV-37.972-21/22 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negenentwintig maart tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Kaat Leus, wnd. kamervoorzitter, staatsraad bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De wnd. voorzitter Johan Pas Kaat Leus XIV-37.972-22/22 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.061 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.851 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div