← België

Arrest 244077 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 01/04/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 april 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.077 Rolnummer: A. 221068/IX-9421 Zaak: Arrest 244077 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 01/04/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-04-11 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-25 10:21 Fiche Arrest nr 244.077 van 1 april 2019 Openbaar ambt - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 244.077 van 1 april 2019 in de zaak A. 221.068/IX-9421 In zake: Eric BLOEMEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pascal Malumgré kantoor houdend te 3980 Tessenderlo Lichtveld 38/001 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Defensie -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 23 december 2016, strekt tot de nie- tigverklaring van “de weigeringsbeslissing van 26 oktober 2016 genomen door de Directeur-generaal Human Resources [...] die het advies bevestigd heeft van de beroepscommissie inzake de toekenning van een toelage aan militairen belast met informaticataken, nota DGHR MITS: 16-00318187”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge- diend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laat- ste memorie ingediend. IX-9421-1/20 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 december
  3. Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Pascal Malumgré, die verschijnt voor de verzoekende partij en majoor van het vliegwezen Maarten Kerckhofs, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördi- neerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoeker is beroepsonderofficier (niveau C) met de graad van adjudant-majoor bij Defensie. 3.
  6. Op 8 mei 2000 dient hij een aanvraag in tot het verkrijgen van de toelage ‘informaticus’ (hierna: de informaticatoelage) voor de periode van 8 februari 1999 tot 31 december 1999 (hierna: de periode 1999). Op voorstel van de aanvaardingscommissie beslist de chef De- fensie om de informaticatoelage niet aan verzoeker toe te kennen, omdat de aan- vraag “niet voldoet aan de gestelde voorwaarden”. Na beroep van verzoeker bevestigt de beroepscommissie dat “de premie niet kan worden verleend”. IX-9421-2/20 Verzoeker stelt tegen deze weigeringsbeslissing een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad van State (zaak A. 106.108/IX-2903). Op 5 september 2001 trekt de beroepscommissie haar voormelde beslissing in, waarna verzoekers beroep tot nietigverklaring bij arrest nr. 108.354 van 24 juni 2002 wordt verworpen wegens het teloorgaan van het voorwerp van het beroep. 3.
  7. Na verzoekers dossier opnieuw te hebben onderzocht, stelt de beroepscommissie voor om aan verzoeker de aangevraagde informaticatoelage niet te verlenen. De beslissing van de beroepscommissie refereert aan het “KB van 02 Jun 2000” en het “MB van 06 Jun 2000”. Daarmee wordt gedoeld op het toen geldende koninklijk besluit van 2 juni 2000 ‘houdende toekenning van een toelage aan militairen belast met informaticataken’ en de uitvoering daarvan bij ministe- rieel besluit van 6 juni
  8. Op 19 december 2001 sluit de chef van de Generale Staf zich aan bij dit voorstel van de beroepscommissie. Verzoeker stelt ook tegen deze weigeringsbeslissing een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad van State (zaak A. 117.536/IX-3245). Bij arrest nr. 207.209 van 6 september 2010 vernietigt de Raad van State de weigeringsbeslissing om aan verzoeker voor de periode 1999 de informaticatoelage toe te kennen. De Raad besluit tot de gegrondheid van het middel waarin verzoeker aanvoert dat deze beslissing is genomen met toepassing van besluiten die zijn uitgewerkt op grond van de bevoegdheidsdelegaties aan de Koning en de minister van Landsverdediging waarin is voorzien in artikel 11, §§ 2 en 3, van de wet van 20 mei 1994 ‘betreffende de geldelijke rechten van de militairen’, maar die afbreuk doen aan artikel 182 van de Grondwet. De Raad overweegt in dit verband: IX-9421-3/20 “
  9. Het Grondwettelijk Hof heeft in zijn arrest nr. 184/2009 van 12 novem- ber 2009 vastgesteld dat artikel 11, §§ 2 en 3, van de wet van 20 mei 1994 het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel miskent, doordat die regeling, in zoverre de wet zelf de kwalificaties niet bepaalt waarvan de toekenning van de erin be- oogde toelagen afhankelijk wordt gemaakt en in zoverre de wet de Koning machtigt om, op onbeperkte wijze, de minister van Landsverdediging toe te staan de hem verleende bevoegdheden uit te oefenen, op discriminerende wijze afbreuk doet aan de in artikel 182 van de Grondwet aan de militairen gewaar- borgde rechten. Die vaststelling geldt onverminderd voor de onderhavige zaak. [...]
  10. De vastgestelde ongrondwettigheid van de vermelde wettelijke bepaling tast de regelmatigheid aan van het koninklijk besluit van 2 juni 2000 en het ministerieel besluit van 6 juni 2000, die daarin hun noodzakelijke grondslag vinden. De bestreden beslissing, die deze besluiten op de situatie van de verzoeker toepast, is door dezelfde onwettigheid aangetast.” 3.
  11. Met verwijzing naar het gelijkluidende arrest nr. 207.206 van 6 september 2010 van de Raad van State en “[i]ngevolge het voormelde arrest van het Grondwettelijk Hof” heeft de wetgever het noodzakelijk geacht “teneinde de rechtszekerheid betreffende de rechten op een toelage voor informaticataken te garanderen [...] om de gewraakte bepalingen van het voormelde koninklijk [besluit van 2 juni 2000] en ministerieel besluit [van 6 juni 2000] op niveau van de wet te brengen” (memorie van toelichting bij het wetsontwerp ‘betreffende de toelage toegekend aan sommige militairen belast met informaticataken’, Parl.St. Kamer 2013-14, nr. 53-3493/001, 5). In het Belgisch Staatsblad van 6 juni 2014 wordt de wet van 15 mei 2014 ‘betreffende de toelage toegekend aan sommige militairen belast met informaticataken’ (hierna: de wet van 15 mei 2014) bekendgemaakt. Daarin zijn de voorwaarden bepaald waaronder de informaticatoelage wordt toegekend, evenals de grondslag en de wijze van vaststelling van het bedrag ervan. De uitvoering is gebeurd bij het reeds vernoemde koninklijk besluit van 2 juni 2000, zoals het werd gewijzigd bij koninklijk besluit van 22 juli 2014, en waarvan het opschrift thans luidt: “koninklijk besluit van 2 juni 2000 ‘betreffende de bevoegdheden toegewezen aan sommige overheden in IX-9421-4/20 het kader van de toepassing van de wet van 15 mei 2014 betreffende de toelage toegekend aan sommige militairen belast met informaticataken’” (hierna: het ko- ninklijk besluit van 2 juni 2000). 3.
  12. Ondertussen heeft verzoeker respectievelijk op 7 en 9 janua- ri 2002 een aanvraag ingediend tot het verkrijgen van de informaticatoelage voor de periodes van 1 januari 2001 tot 31 december 2001 en van 1 januari 2000 tot 31 december 2000 (hierna: de periodes 2000 en 2001). Op 7 november 2002 stemt de chef Defensie in met het voorstel van de beroepscommissie om aan verzoeker voor de periodes 2000 en 2001 geen informaticatoelage toe te kennen. Verzoeker stelt ook tegen deze weigeringsbeslissing een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad van State (zaak A. 135.501/IX-3773). Bij arrest nr. 182.460 van 28 april 2008 stelt de Raad van State de afstand van geding vast, aangezien verzoeker na de kennisneming van het au- ditoraatsverslag waarin de verwerping van het beroep werd voorgesteld geen verzoek tot voortzetting van de procedure heeft ingediend. 3.
  13. Op 26 februari 2015 worden de aanvragen van verzoeker tot het verkrijgen van de informaticatoelage voor de periodes 1999, 2000 en 2001 op- nieuw onderzocht door de aanvaardingscommissie, die daarover een negatief ad- vies geeft. 3.
  14. Met een brief van 26 maart 2015 deelt de chef van de ondersectie Joint Support van de divisie Beheer van de algemene directie Human Resources van Defensie aan verzoeker mee dat hij bij het opstellen van de lijst van de mili- tairen die aan de voorwaarden voor het verkrijgen van de informaticatoelage voldoen, het advies van de aanvaardingscommissie heeft gevolgd en dat verzoeker “niet [werd] weerhouden voor de toekenning van de toelage”. IX-9421-5/20 3.
  15. Verzoeker tekent op 8 april 2015 beroep aan tegen deze beslis- sing. 3.
  16. Op 10 juni 2015 geeft de beroepscommissie een negatief advies over dit beroep. De directeur-generaal Human Resources sluit zich op 24 juli 2015 daarbij aan. 3.
  17. Op 29 januari 2016 stelt verzoeker tegen de beslissing van de directeur-generaal Human Resources een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad van State (zaak A. 218.243/XIV-36.893). Op 2 mei 2016 beslist de directeur-generaal Human Resources om “de aangevochten weigeringsbeslissing[...] in te trekken”. Tevens vraagt hij aan de beroepscommissie om een nieuw advies te formuleren. Bij arrest nr. 236.105 van 13 oktober 2016 verwerpt de Raad van State het voormelde beroep wegens het teloorgaan van het voorwerp ervan. 3.
  18. Op 9 september 2016 onderzoekt de beroepscommissie ver- zoekers aanvragen tot het verkrijgen van de informaticatoelage. Zij adviseert om verzoeker niet op te nemen in de lijst van militairen aan wie een toelage dient te worden toegekend. Zij is van oordeel dat “betrokkene op basis van het oorspron- kelijke dossier geen recht heeft op een toelage die wordt toegekend aan sommige militairen belast met informaticatoelagen [versta: informaticataken]”. De beroepscommissie steunt dit advies op de volgende analyse van verzoekers aanvragen: “a. Periodes van 08 Feb 99 t.e.m 08 Okt 99 en van 09 Okt 99 t.e.m 31 Dec 99 Op 8 mei 2000 heeft betrokkene een aanvraag ingediend tot het verkrijgen van een informaticatoelage voor de periodes van 8 februari 1999 tot 8 okto- ber 1999 en van 9 oktober 1999 tot 31 december
  19. IX-9421-6/20 Art 3, 2de lid van Ref 1 legt, naast de drie voorwaarden opgesomd in Art 2 van Ref 2 m.b.t. het uitoefenen van informaticataken, nog bijkomende voor- waarden op voor de militairen die geen ambt van informaticus uitoefenden: ‘Een motivering is vereist voor de militairen die geen ambt van informaticus uitoefenen. Deze motivering is gebaseerd op de volgende criteria: 1° geaffecteerd zijn geweest bij een cel van een stafsectie of van een korps die bevoegd is voor informatica, wat formeel moet erkend worden door een reglementaire tekst of door richtlijnen opgesteld door de militaire overheid die de door de Koning aangewezen overheid aanduidt, of wat uitdrukkelijk moet blijken uit de organieke tabellen; 2° een of meerdere informaticataken, bepaald in artikel 4, § 2, uitgeoefend hebben. Het uitoefenen van een ambt van informaticus blijkt uit de organieke tabellen van de krijgsmacht.’ De beroepscommissie dient vooreerst vast te stellen dat in casu uit geen enkele reglementaire tekst of richtlijn, zoals bepaald in voornoemd Art 3, 2de lid van Ref 1, blijkt dat betrokkene indertijd was toegewezen aan een ‘cel van een stafsectie of van een korps die bevoegd is voor informatica’. Hij maakte immers op basis van de organisatietabel van het Logistiek Bataljon van de Brigade (Log Bn Bde) in bijlage aan deze nota deel uit van de Sectie Elektronica van het Peloton Maintenance Mat (Module 053), waar hij de functie van keuronderofficier radiohersteller (code 445560205) uitoefende. Deze sectie was niet bevoegd voor informatica. In zijn aanvraag vermeldt betrokkene overigens zelf dat de functie ‘Specia- list Informatica Systemen Bn’ op de officiële organisatietabel nog ‘ter studie’ was, waarbij hij zelf refereert naar de nota GS6 Nr. 3664 van 12 januari
  20. Hiermee geeft betrokkene zelf aan dat er op het moment van zijn aanvraag geen officiële plaats voorzien was in zijn eenheid die kon aanzien worden als ‘cel van een stafsectie of van een korps die bevoegd is voor informatica’. In zijn aanvraagdossier verwijst hijzelf ook naar de nota GS6 – MEO Nr. 10772 van 27 januari 1999 om alsnog aan te tonen dat hij was toegewezen ‘aan een cel van een stafsectie of van een korps die bevoegd is voor informa- tica’. Uit deze nota blijkt evenwel enkel dat betrokkene zich kon inschrijven voor een vorming bestaande uit twee cursusmodules (GA 9600 en GA 9650) waar het accent ‘niet op het schrijven van programma’s (in bv. Cobol) ligt, maar wel op de eerste lijn steun voor het onderhoud van het netwerk, het correct gebruik van bureautica pakketten en de toepassingen die StLM oplegt (o.a. Patrol-New)’. Hierbij kan alvast opgemerkt worden dat het voorwerp van deze cursus dus alvast niet gericht is op informaticataken zoals bepaald in artikel 4 van Ref
  21. Uit deze blijkt dus ook niet dat betrokkene was toegewezen ‘aan een cel van een stafsectie of van een korps die bevoegd is voor informatica’. De voormelde nota van 27 januari 1999 vermeldt overigens expliciet: ‘De studie i.v.m. de nieuwe vorming OOffr LM zal pas eind 99 afgerond zijn. Dit houdt in dat de opleiding van de OOffr belast met informaticataken in de Bn thans nog niet definitief bepaald is.’ Bijgevolg voldoet betrokkene niet aan de hierboven geciteerde voorwaarde van Art 3, 2de lid van Ref
  22. b. Periodes van 01 Jan 00 t.e.m. 31 Dec 00 en van 01 Jan 01 t.e.m. 31 Dec 01 IX-9421-7/20 Op 7 en 9 januari 2002 heeft betrokkene ook een aanvraag ingediend om te kunnen genieten van een informaticatoelage voor de periode van 1 januari 2000 tot 31 december 2000 en van 1 januari 2001 tot 31 december 2001.

(1)In hoofdorde Op grond van Art 3, § 2, 2de lid, 1° van Ref 1 dient de beroepscommissie in de eerste plaats de administratieve geldigheid van deze aanvraag te bepalen. Artikel 2 van Ref 1 bepaalt: ‘Een toelage wordt toegekend aan de militairen die aan de drie volgende voorwaarden voldoen: 1° (…) 2° de vernietiging door de Raad van State hebben bekomen van een weige- ringsbeslissing betreffende de toekenning van de toelage, of een beroep bij de Raad van State hebben ingeleid binnen de termijnen bepaald in artikel 4 van het besluit van de regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State teneinde een nietigverklaring te bekomen van de toenmalige weigeringsbe- slissing betreffende de toekenning van de toelagen en dit beroep heeft geleid tot een verwerping door de Raad van State nadat de weigeringsbeslissing betreffende de toekenning van de toelage werd ingetrokken door het bestuur en er nog geen beslissing omtrent de toekenning van de toelage werd ge- nomen. 3° (...)’ Welnu, de beroepscommissie stelt vast dat betrokkene op 15 april 2003 een verzoekschrift bij de Raad van State heeft ingediend tot nietigverklaring van ‘de beslissing van de Defensiechef (nota HRE 02-074259 van 13 november 2002 (...)) waarbij hem de toekenning van een informaticatoelage wordt geweigerd’. Op 15 april 2003, bij arrest Nr 182.460, heeft de Raad van State de afstand van geding vastgesteld wat betreft de door betrokkene ingeleide procedure met voormeld verzoekschrift. Bijgevolg voldoet betrokkene niet aan de hierboven geciteerde voorwaarde van Art 2, 2de lid, 2° van Ref 1.
(2)In ondergeschikte orde De beroepscommissie dient vast te stellen dat ook voor deze periode uit geen enkele reglementaire tekst of richtlijn, zoals bepaald in voornoemd Art 3, 2de lid van Ref 1, blijkt dat betrokkene indertijd was toegewezen aan een cel van een stafsectie of van een korps die bevoegd is voor informatica. Hij maakte immers ook in die periode deel uit van de Sectie Elektronica van het Peloton Maintenance (Module 053 010, code 5560), die niet bevoegd was voor infor- matica (cf. supra). Voor het overige kan verder verwezen worden naar de bespreking hierboven van de periodes van 8 februari 1999 tot 8 oktober 1999 en van 9 oktober 1999 tot 31 december 1999.” 3.12. Op 26 oktober 2016 gaat de directeur-generaal Human Resour- ces akkoord met dit advies. Hij beslist dat verzoeker niet wordt opgenomen in de lijst van militairen aan wie een toelage dient te worden toegekend. IX-9421-8/20 Dit is de bestreden beslissing. IV. Toepasselijke wettelijke bepalingen 4. Artikel 2 van de wet van 15 mei 2014 luidt als volgt: “Een toelage wordt toegekend aan de militairen die aan de drie volgende voorwaarden voldoen: 1° gedurende de periodes bepaald in artikel 5, § 1, eerste lid:
  1. a)belast waren met informaticataken, bepaald in artikel 4;
  2. b)hun functies voltijds hebben uitgeoefend;
  3. c)gemiddeld 80% van hun werktijd aan voornoemde informaticataken hebben besteed; 2° de vernietiging door de Raad van State hebben bekomen van een weige- ringsbeslissing betreffende de toekenning van de toelage, of een beroep bij de Raad van State hebben ingeleid binnen de termijnen bepaald in artikel 4 van het besluit van de regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, teneinde een nietigverklaring te bekomen van de toenmalige weigeringsbe- slissing betreffende de toekenning van de toelage, en dit beroep heeft geleid tot een verwerping door de Raad van State nadat de weigeringsbeslissing betreffende de toekenning van de toelage werd ingetrokken door het bestuur en er nog geen beslissing omtrent de toekenning van de toelage werd ge- nomen; 3° een aanvraag hebben ingediend vóór 31 januari 2002 tot het bekomen van de toelage.” Artikel 3, § 1, van de wet van 15 mei 2014 bepaalt: “De lijst van de militairen die aan de voorwaarden bepaald in artikel 2 be- antwoorden, wordt opgesteld door de door de Koning aangewezen overheid, na advies van de aanvaardingscommissie bedoeld in paragraaf 2. Een motivering is vereist voor de militairen die geen ambt van informaticus uitoefenen. Deze motivering is gebaseerd op de volgende criteria: 1° geaffecteerd zijn geweest bij een cel van een stafsectie of van een korps die bevoegd is voor informatica, wat formeel moet erkend worden door een re- glementaire tekst of door de richtlijnen opgesteld door de militaire overheid die de door de Koning aangewezen overheid aanduidt, of wat uitdrukkelijk moet blijken uit de organieke tabellen; 2° één of meerdere informaticataken, bepaald in artikel 4, § 2, uitgeoefend hebben. Het uitoefenen van een ambt van informaticus blijkt uit de organieke tabellen van de krijgsmacht. IX-9421-9/20 De lijst bedoeld in het eerste lid, moet het visum dragen van de inspecteur van Financiën.” Artikel 4 van de wet van 15 mei 2014 somt de informaticataken op die worden bedoeld in artikel 2 van diezelfde wet. Artikel 5 van de wet van 15 mei 2014 onderscheidt bij het be- palen van het bedrag van de informaticatoelage de periodes van 1 september 1998 tot en met 31 december 1998, van 1 januari 1999 tot en met 31 december 1999, van 1 januari 2000 tot en met 31 december 2000 en van 1 januari 2001 tot en met 31 december 2001. V. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel 5. Verzoeker voert in een enig middel de schending aan van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshande- lingen’ (hierna: de formelemotiveringswet), alsook “machtsoverschrijding”. Verzoeker betoogt dat de motivering van de bestreden beslissing in de eerste plaats verwijst naar het criterium bedoeld in artikel 3, § 1, tweede lid, 1°, van de wet van 15 mei 2014, namelijk “geaffecteerd zijn geweest bij een cel van een stafsectie of van een korps die bevoegd is voor informatica, wat formeel moet erkend worden door een reglementaire tekst of door de richtlijnen opgesteld door de militaire overheid die de door de Koning aangewezen overheid aanduidt, of wat uitdrukkelijk moet blijken uit de organieke tabellen”. Volgens verzoeker wordt in artikel 3 van het koninklijk besluit van 2 juni 2000 de minister van Landsverdediging aangewezen als de overheid die bevoegd is voor het aanduiden van de militaire overheid die bevoegd is voor het opstellen van de reglementaire tekst of van de richtlijnen die deze formele erkenning inhouden. Er kan echter alleen maar worden vastgesteld, zo vervolgt verzoeker, dat dergelijke reglemen- taire tekst of richtlijnen uitgaande van de door de minister van Landsverdediging IX-9421-10/20 aangewezen overheid ontbreken. Het is voor hem “dan ook niet duidelijk op welke wijze het ontbreken van reglementaire tekst of van richtlijnen opgesteld door de militaire overheid die de door de Koning aangewezen overheid aanduidt kan die- nen als grondslag voor de bestreden weigeringsbeslissing”. Volgens verzoeker gaat de bestreden beslissing niet in op het criterium bedoeld in artikel 3, § 1, tweede lid, 2°, van de wet van 15 mei 2014, namelijk “één of meerdere informaticataken, bepaald in artikel 4, § 2, uitgeoefend hebben”, en erkent ze aldus impliciet dat hij beantwoordt aan dit criterium. Verzoeker wijst er ook op dat “de weigering van de informati- catoelage [...] in [het] verloop van de tijd, uitgaande van eenzelfde aanvraag en op grond van dezelfde gegevens, op zeer uiteenlopende wijzen [werd] geformuleerd”. Hij zet deze grief nader uiteen ten aanzien van de beslissing van de chef van de Generale Staf van 19 december 2001, de beslissing van “de aanvaardingscom- missie” (versta: de chef van de ondersectie Joint Support van de divisie Beheer van de algemene directie Human Resources) van 26 maart 2015, de beslissing van de directeur-generaal Human Resources van 24 juli 2015 die gesteund is op het advies van de beroepscommissie van 10 juni 2015 en, ten slotte, de bestreden beslissing van de directeur-generaal Human Resources van 26 oktober 2016. Geen van deze beslissingen is volgens verzoeker behoorlijk gemotiveerd zoals voorgeschreven door de formelemotiveringswet. Met betrekking tot de laatstgenoemde beslissing argumenteert hij: “De weigeringsbeslissing van 26 oktober 2016 is opnieuw ingegeven door de plaats waar verzoeker de uitgevoerde taken heeft uitgeoefend. Zoals ten aanzien van de beslissing van 30 november 2015 werd opgemerkt bestaat er geen reglementaire tekst of richtlijnen opgesteld door de militaire overheid die de door de Koning aangewezen overheid aanduidt, houdende de formele erkenning van een affectatie bij een cel van een stafsectie of van een korps die bevoegd is voor informatica. IX-9421-11/20 Wat betreft de aanduiding in de organieke tabellen dient opgemerkt te worden dat deze tabellen nooit correct zijn of geweest zijn. Verzoeker zou op de OT geplaatst zijn in de Sectie Elektronica van het Peloton Mat (module 53), die niet bevoegd zou zijn voor informatica. Verzoeker heeft deze functie evenwel nooit vervuld. Dit kan gestaafd wor- den door de evaluatienota’s van die periode, waarop de werkelijk uitgeoefende functie vermeld is, naast de te bereiken en bereikte objectieven. Deze objec- tieven waren steeds gerelateerd aan informaticataken. Tal van personen verkeerden in dezelfde toestand als verzoeker ten aanzien van hun aanwijzing in de OT. Dit is te verklaren door het feit dat de functie ISR Bn toen nog nergens op OT stond. Tal van personen die op OT geen functie uitoefenden die omschreven werd als een functie die informaticataken inhield, hebben wel de toelage voor in- formaticataken ontvangen. De bestreden beslissing is bijgevolg discriminatoir, omdat andere personen die in dezelfde omstandigheden verkeerden, de toelage wel hebben gekregen, met name: - [P.D.], zelfde eenheid, maar andere compagnie: was toen ondergeschikte van verzoeker wat betreft het uitvoeren van informaticataken. Heeft wel de informaticatoelage gekregen, met de goedkeuring van dezelfde korpscom- mandant als in dossier van verzoeker; - [H.C.] van bataljon Bvr/5Li, een gelijkwaardige eenheid binnen dezelfde brigade: heeft voor een identieke functie en met dezelfde vorming de toelage wel ontvangen. De aangevochten akte vermeldt geen reden waarom aan verzoeker de in- formaticatoelage geweigerd wordt, die aan andere militairen toegekend werd op basis van een identiek dossier.” Verzoeker stelt voorts: “De bestreden beslissing put een argument, om te stellen dat niet voldaan is aan de gestelde voorwaarden om in aanmerking te komen voor de informati- catoelage, uit het feit dat de Raad van State op 15 april 2003 de afstand van het geding zou hebben vastgesteld wat betreft de procedure die door verzoeker werd ingeleid ten aanzien van de weigeringsbeslissing van 13 november 2002. Er dient vooreerst opgemerkt te worden dat de Raad van State op die datum geen uitspraak [heeft] gedaan inzake een procedure die verzoeker zou ingeleid hebben bij de Raad van State. Voorts bepaalt de wet van 15 mei 2014 in artikel 2 dat opdat een aanvraag ontvankelijk zou zijn de aanvrager de vernietiging van EEN weigeringsbeslis- sing betreffende de toekenning van de toelage van de Raad van State moet bekomen hebben. Het bewuste artikel vermeldt niet dat voor elke weigeringsbeslissing van de Raad van State een vernietiging moet bekomen zijn. Gelet op het feit dat het arrest nr. 207.209 van 6 september 2010 de beslissing van 19 december 2001 van de Chef van de Generale Staf waarbij aan verzoeker IX-9421-12/20 een informaticatoelage geweigerd werd, is voldaan aan de ontvankelijkheids- voorwaarde voorzien in artikel 2 van de wet van 15 mei 2014. Om de redenen die hiervoor vermeld worden, dient wederom besloten te worden dat de bestreden beslissing niet behoorlijk gemotiveerd is in de zin van de wet van 29 juli 1991 en bovendien als discriminatoir dient beschouwd te worden. Uit wat voorafgaat blijkt de onwil van verwerende partij om aan verzoeker de toelage toe te kennen waar hij met recht en reden aanspraak op maakt, wat blijkt uit de verklaringen van zijn toenmalige korpscommandant. Telkens worden andere redenen opgegeven die niet afdoende zijn. De motivering van een akte moet de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en deze overwegingen moeten afdoende zijn. De in de bestreden beslissing ingeroepen motivering is bijgevolg niet af- doende, gaat voorbij aan de werkelijkheid, is discriminatoir en is aangetast door machtsoverschrijding.” 6. In zijn memorie van wederantwoord benadrukt verzoeker dat de korpscommandant uitdrukkelijk bevestigde dat hij exclusief tewerkgesteld was als “‘lokaal netwerk manager’ in de volle betekenis van de taakomschrijving”. Vol- gens verzoeker is het duidelijk dat hij op het ogenblik van de uitvoering van de informaticataken waarvoor hij de informaticatoelage heeft aangevraagd, geaffec- teerd was bij een eenheid en dat hij aldaar een informaticataak uitoefende. Het gaat volgens hem niet op dat de verwerende partij hem nu de informaticatoelage ontzegt op grond van voorwaarden die zijn bepaald bij de wet van 15 mei 2014. Er dient immers rekening te worden gehouden met de voorwaarden die van toepassing waren op het ogenblik dat de informaticataken werden uitgevoerd, dit wil zeggen tijdens de periode van 8 februari 1999 tot 31 december 2001. Dit geldt volgens verzoeker des te meer nu de wet van 15 mei 2014 tot stand is gekomen na “een eerdere nietigverklaring door de Raad van State” en niet kan worden uitgesloten dat de verwerende partij de voorwaarden voor de toekenning van de informatica- toelage in de voornoemde wet zodanig heeft geformuleerd dat partijen zoals ver- zoeker niet meer of nog slechts zeer moeilijk in aanmerking komen voor de toe- kenning van een dergelijke toelage. Ten slotte stelt verzoeker dat de verwerende partij volledig ten onrechte verwijst naar arrest nr. 182.460 van 28 april 2008 van de Raad van State, IX-9421-13/20 waarbij een afstand van geding werd vastgesteld, maar géén afstand van de rechtsvordering. 7. In zijn laatste memorie laat verzoeker nog gelden dat de bestre- den beslissing discriminatoir is, omdat ten tijde van de oorspronkelijke aanvragen de betrokken militair in aanmerking kwam voor de informaticatoelage indien de uitgevoerde informaticataken meer dan 80% van de werktijd in beslag namen, “hetgeen in casu het geval is geweest”, terwijl de verwerende partij “voor perso- nen, zoals verzoeker […] nieuwe andere criteria, in het leven heeft geroepen”. Beoordeling 8. Voor zover verzoeker in het middel “machtsoverschrijding” aanvoert, moet de verwerende partij worden bijgevallen dat de uiteenzetting van het middel niet verduidelijkt wat daaronder in dit geval moet worden verstaan en op welke wijze de wettigheid van de bestreden beslissing daardoor is aangetast. Het middel is dan ook onontvankelijk in de mate dat het “machtsoverschrijding” aanvoert. 9.1. Verzoeker is van oordeel dat de bestreden beslissing de forme- lemotiveringsplicht schendt, doordat ze “in de eerste plaats” verwijst naar artikel 3, § 1, tweede lid, 1°, van de wet van 15 mei 2014, terwijl er geen enkele reglemen- taire tekst of richtlijn bestaat betreffende de affectatie bij een cel van een stafsectie of korps die bevoegd is voor informatica. 9.2. Er bestaat tussen de partijen geen betwisting over dat verzoeker tijdens de periodes waarvoor hij de informaticatoelage heeft aangevraagd, geen ambt van informaticus bekleedde. Deze vaststelling is als zodanig niet onbe- staanbaar met de verklaring van de korpscommandant dat verzoeker voltijds in- formaticataken heeft uitgevoerd. IX-9421-14/20 Krachtens artikel 3, § 1, tweede lid, van de wet van 15 mei 2014 vergt het opnemen van de militairen die geen ambt van informaticus bekleedden in de lijst van diegenen die voor de informaticatoelage in aanmerking komen, een motivering die steunt op twee criteria. Vooreerst dient er een affectatie geweest te zijn bij een cel van een stafsectie of van een korps bevoegd voor informatica. Voorts dient de betrokkene één of meerdere informaticataken zoals bedoeld in artikel 4 van de wet van 15 mei 2014 uitgeoefend te hebben. Verzoeker betwist niet het standpunt van de verwerende partij in haar memorie van antwoord dat het gaat om “twee specifieke cumulatieve voor- waarden waaraan militairen, die geen ambt van informaticus uitoefenen, moeten voldoen”. Luidens artikel 3, § 1, tweede lid, 1°, van de wet van 15 mei 2014 kan de erkenning van een affectatie bij een cel van een stafsectie of van een korps bevoegd voor informatica, niet alleen blijken uit “een reglementaire tekst of […] de richtlijnen opgesteld door de militaire overheid die de door de Koning aange- wezen overheid aanduidt”, maar ook uit “de organieke tabellen”. In de bestreden beslissing wordt vastgesteld dat uit geen enkele reglementaire tekst of richtlijn blijkt dat verzoeker toentertijd was toegewezen aan een cel van een stafsectie of van een korps bevoegd voor informatica. Integendeel maakte hij blijkens de organisatietabel deel uit van een sectie die niét bevoegd was voor informatica en oefende hij aldaar de functie van radiohersteller uit. Met zijn grief betreffende het ontbreken van een reglementaire tekst of richtlijn dienaangaande bevestigt verzoeker wezenlijk de vaststelling van de bestreden beslissing dat er geen reglementaire tekst, noch richtlijn bestaat waaruit blijkt dat hij de vereiste affectatie had. Hij voert niet aan dat een dergelijke reglementaire tekst of richtlijn had moeten bestaan. IX-9421-15/20 Verzoeker gaat er bovendien aan voorbij dat zijn affectatie bij een cel van een stafsectie of van een korps bevoegd voor informatica ook kon blijken uit de organieke tabellen, maar dat in de bestreden beslissing uitdrukkelijk wordt vastgesteld dat hij, blijkens de organisatietabel van het bataljon Logistiek, geaffecteerd was bij een sectie die niét bevoegd was voor informatica. De bestreden beslissing motiveert met deze vaststellingen af- doende waarom verzoeker niet voldoet aan de voorwaarde bepaald in artikel 3, § 1, tweede lid, 1°, van de wet van 15 mei 2014 voor het verkrijgen van de informatica- toelage. 9.3. Verzoeker betwist weliswaar dat de organieke tabellen correct waren en hij stelt dat hij nooit de functie vermeld in de organisatietabel heeft uit- geoefend, wat volgens hem wordt gestaafd door zijn evaluatienota’s waarin de werkelijk uitgeoefende functie is vermeld, naast de te bereiken doelstellingen die steeds aan informaticataken waren gerelateerd. Dat de organieke tabellen niet correct zouden zijn geweest, is evenwel niet meer dan een loutere bewering van verzoeker, die door de verwe- rende partij in haar memorie van antwoord wordt weersproken aan de hand van organisatietabellen die zij als stavingsstukken neerlegt. Uit die stukken blijkt dat verzoeker tijdens de betrokken periodes in de functie van keuronderofficier ra- diohersteller geaffecteerd was bij de sectie Elektronica van het peloton Mainte- nance Mat van het bataljon Logistiek. In die stukken kan niet worden gelezen dat de sectie Elektronica bevoegd was voor informatica. Voorts blijkt uit de door verzoeker overgelegde evaluatienota’s dat, in tegenstelling tot wat hij beweert, de functie van keuronderofficier radiohersteller tijdens de betrokken periodes ook de “[u]itgeoefende functie” was. Op het argument van verzoeker dat uit die evalua- tienota’s blijkt dat hij doelstellingen moest bereiken voor informaticagerelateerde taken, antwoordt de verwerende partij terecht dat dit de voorwaarde van artikel 3, § 1, tweede lid, 2°, van de wet van 15 mei 2014 betreft, maar geen afbreuk doet aan de vaststelling dat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 3, § 1, IX-9421-16/20 tweede lid, 1°, van diezelfde wet, nu hij niet geaffecteerd was bij een cel van een stafsectie of van een korps bevoegd voor informatica. 10. In zijn memorie van wederantwoord voert verzoeker aan dat het niet opgaat dat de informaticatoelage hem nu wordt geweigerd op grond van voorwaarden die werden bepaald bij de wet van 15 mei 2014. Hij stelt dat de aanvragen moeten worden beoordeeld op grond van de voorwaarden die van toe- passing waren tijdens de periodes dat hij de informaticataken uitvoerde. Hij voegt er nog aan toe dat niet kan worden uitgesloten dat de voorwaarden zodanig ge- wijzigd zijn dat de aanvragen niet meer of slechts zeer moeilijk kunnen worden ingewilligd. Daargelaten dat verzoeker deze grief niet in zijn inleidend ver- zoekschrift, maar laattijdig en derhalve niet ontvankelijk pas in zijn memorie van wederantwoord aanvoert, kan ze hoe dan ook niet worden bijgevallen. De verwe- rende partij is er immers toe gehouden de voorwaarden die zijn bepaald bij de wet van 15 mei 2014 na te leven. De insinuatie van verzoeker dat de voorwaarden strenger zijn gemaakt om de aanvragen gemakkelijker te kunnen weigeren, mist daarenboven feitelijke grondslag, aangezien in die voorwaarden reeds was voor- zien bij het ministerieel besluit van 6 juni 2000 ‘tot uitvoering van het koninklijk besluit van 2 juni 2000 houdende toekenning van een toelage aan militairen belast met informaticataken’, dat in arrest nr. 207.209 van 6 september 2010 van de Raad van State onwettig werd bevonden wegens schending van artikel 182 van de Grondwet. 11. Verzoeker zet voorts uiteen dat de opeenvolgende beslissingen die in de loop der jaren over zijn aanvragen werden genomen, op uiteenlopende wijzen werden gemotiveerd. Het valt helemaal niet in te zien hoe deze vaststelling kan leiden tot het besluit dat de bestreden beslissing de formelemotiveringsplicht schendt. De formelemotiveringsplicht, zoals ze is bepaald in de formelemotiveringswet, houdt IX-9421-17/20 in dat de motieven die de beslissing in feite en in rechte schragen uitdrukkelijk in de beslissing moeten worden vermeld en dit op een afdoende wijze. De omstan- digheid dat voorgaande beslissingen over dezelfde aanvragen op andere motieven werden gesteund, kan als zodanig niet aantonen dat de bestreden beslissing niet afdoende formeel is gemotiveerd. 12.1. Verzoeker betoogt dat de bestreden beslissing discriminatoir is, omdat de informaticatoelage wel werd toegekend aan andere personen die in de- zelfde omstandigheden verkeerden. Zo verwijst verzoeker naar P.D. die tot de- zelfde eenheid behoorde, maar tot een andere compagnie, en zijn ondergeschikte was voor het uitvoeren van informaticataken. P.D. heeft de informaticatoelage wel gekregen, met de goedkeuring van dezelfde korpscommandant als in het dossier van verzoeker. Verzoeker verwijst ook naar H.C. van bataljon Bvr/5Li, een ge- lijkwaardige eenheid binnen dezelfde brigade, die voor een identieke functie en met dezelfde vorming de toelage wel heeft gekregen. Verzoeker beoogt in zoverre klaarblijkelijk ook de schending van het gelijkheidsbeginsel in te roepen. 12.2. De verwerende partij weerspreekt dit standpunt van verzoeker omstandig in haar memorie van antwoord en zij legt stavingsstukken neer. Zo blijkt dat P.D. een ander Mos-nummer en met andere woorden een andere specia- liteit had dan verzoeker en dat hij als onderofficier toegewezen was aan een andere cel dan verzoeker. Wat H.C. betreft, blijkt uit diens aanvragen eveneens dat hij een andere specialiteit had dan verzoeker en dat hij tot een andere eenheid behoorde, waar hij geen identieke functie uitoefende als verzoeker. Tevens blijkt dat aan H.C. de toekenning van de informaticatoelage voor de periodes 2000 en 2001 werd geweigerd. Verzoeker repliceert daarop niet in het minst in zijn memorie van wederantwoord. Er kan dan ook niet worden aangenomen dat deze collega’s van IX-9421-18/20 hem, wat de aangevraagde informaticatoelage betreft, zich in een gelijke toestand bevonden. Er kan derhalve ook geen sprake zijn van een schending van het gelijkheidsbeginsel. 13. Verzoeker meent, met betrekking tot zijn aanvraag van de in- formaticatoelage voor de periodes 2000 en 2001, dat de bestreden beslissing ten onrechte het motief vermeldt van de afstand van geding, aangezien artikel 2 van de wet van 15 mei 2014 niet vereist dat de betrokkene voor elke weigeringsbeslissing een vernietiging van de Raad van State moet hebben verkregen. Eén vernietiging van een weigeringsbeslissing volstaat, aldus verzoeker. Met de verwerende partij moet evenwel worden vastgesteld dat de voorwaarde van artikel 2, 2°, van de wet van 15 mei 2014 een weigeringsbe- slissing betreft met betrekking tot de in het geding zijnde aanvraag van de infor- maticatoelage. Voor de periodes 2000 en 2001 heeft verzoeker respectievelijk op 9 en 7 januari 2002 aanvragen ingediend, die geweigerd werden bij beslissing van de chef Defensie van 7 november 2002. Tegen deze beslissing heeft verzoeker een beroep tot nietigverklaring ingesteld bij de Raad van State. Bij arrest nr. 182.460 van 28 april 2008 heeft de Raad van State de afstand van geding vastgesteld. Deze afstand van geding beantwoordt niet aan het vereiste van artikel 2, 2°, van de wet van 15 mei 2014, namelijk een vernietiging van de wei- geringsbeslissing hebben verkregen of een beroep hebben ingesteld dat werd verworpen omdat de weigeringsbeslissing werd ingetrokken. De bestreden beslissing mocht er wat verzoekers aanvragen van de informaticatoelage voor de periodes 2000 en 2001 betreft, dan ook van uitgaan IX-9421-19/20 dat niet voldaan was aan de voorwaarde van artikel 2, 2°, van de wet van 15 mei 2014. 14. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, in geen enkel op- zicht gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op 200 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 1 april 2019, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-9421-20/20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.077 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.