← België

Arrest 244095 - Reglementen (economische zaken) - 02/04/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 april 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.095 Rolnummer: A. 217382/IX-9158 Zaak: Arrest 244095 - Reglementen (economische zaken) - 02/04/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-04-11 Raadplegingen: 115 - laatst gezien 2026-06-25 11:08 Fiche Arrest nr 244.095 van 2 april 2019 Economische zaken - Reglementen (economische zaken) Beslissing : Vernietiging bekendmaking Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 244.095 van 2 april 2019 in de zaak A. 217.382/IX-9158 In zake : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Mobiliteit, belast met Belgocontrol en de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bart Martel en Kristof Caluwaert kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 99 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jürgen Vanpraet en Yannick Peeters kantoor houdend te 8820 Torhout Oostendestraat 306 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 23 oktober 2015, strekt tot de nietigverklaring van de artikelen 2, 2° tot 4°, 3, 7, 9, 22, 1°, 23, 13°, 24, 25, 1° en 2°, 35, 1°, 36, 41, 44, 2°, 51, 52, 1°, 53, 54, 71, 90, 119, 132, 133, 170, 186 tot 214, 215, 221 tot 226, 228 en 229 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2015 „tot wijziging van regelgeving met betrekking tot het mobiliteitsbeleid, de openbare werken en het vervoer en het verkeersveiligheidsbeleid, wat betreft bevoegdheden, overgedragen in het kader van de zesde staatshervorming‟. IX-9158-1/187 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Auditeur Inge Vos heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij en de verzoekende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 3 december 2018. Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Kristof Caluwaert, die tevens loco advocaat Bart Martel verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Jürgen Vanpraet, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Inge Vos heeft een met dit arrest gedeeltelijk eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Regelgevend kader 3. De bestreden bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 juli 2015 „tot wijziging van regelgeving met betrekking tot het mobiliteitsbeleid, de openbare werken en het vervoer en het verkeersveiligheids- IX-9158-2/187 beleid, wat betreft bevoegdheden, overgedragen in het kader van de zesde staatshervorming‟ (hierna: het BVR van 10 juli 2015) brengen wijzigingen aan in oorspronkelijk federale rechtsregels betreffende aangelegenheden inzake mobiliteitsbeleid, openbare werken en vervoer en verkeersveiligheidsbeleid die bij de bijzondere wet van 6 januari 2014 „met betrekking tot de Zesde Staatshervorming‟ (hierna: de bijzondere wet Zesde Staatshervorming) aan de gewesten zijn overgedragen. De meeste van die bepalingen strekken ertoe om verwijzingen naar federale instanties te vervangen door of aan te vullen met verwijzingen naar de volgens de Vlaamse Regering thans bij het Vlaamse Gewest bevoegd geworden minister, personeelsleden of diensten. IV. Pleitnota 4. De verwerende partij heeft de laatste werkdag vóór de terechtzitting een pleitnota aan de Raad meegedeeld. 5. Het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 „tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State‟ voorziet niet in de mogelijkheid om een pleitnota als een processtuk neer te leggen. Het is de partijen echter wel toegestaan om nieuwe feiten die een invloed kunnen hebben op de ontvankelijkheid of de gegrondheid van het beroep, aan de Raad van State ter kennis te brengen. In zoverre de door de verwerende partij neergelegde pleitnota op dergelijke feiten betrekking heeft, kan ze dan ook bij de zaak worden betrokken. In zoverre de pleitnota geen betrekking heeft op dergelijke feiten, maar de neerslag vormt van de uiteenzetting ter zitting, wordt ze niet als een processtuk, maar als een loutere inlichting in aanmerking genomen. IX-9158-3/187 V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel 6. Het eerste middel is gericht tegen de artikelen 2, 2° tot 4°, 3, 7, 9, 22, 1°, 23, 13°, 24, 25, 1° en 2°, 35, 1°, 36, 41 en 44, 2°, van het BVR van 10 juli 2015 en omvat vier onderdelen. (

  1. a)Eerste middelonderdeel Standpunt van de partijen 7. In het eerste middelonderdeel, dat is gericht tegen de artikelen 2, 2° tot 4°, 3, 7, 24, 25, 1° en 2°, 35, 1°, en 44, 2°, van het BVR van 10 juli 2015, voert de verzoekende partij de schending aan van de bevoegdheidverdelende regels, in het bijzonder artikel 6, § 1, XII, 4°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 „tot hervorming der instellingen‟ (hierna: BWHI) en de federale residuaire bevoegdheid, in zoverre bij het BVR van 10 juli 2015 het vaststellen van de federale technische normen met het oog op inverkeerstelling wordt geregeld. Bij de artikelen 2, 2° tot 4°, 3, 7, 35, 1°, en 44, 2°, van het BVR van 10 juli 2015 wordt volgens de verzoekende partij een regeling getroffen die verband houdt met het vaststellen van de federale technische normen met het oog op inverkeerstelling, wat onmiskenbaar een bevoegdheid uitmaakt van de federale overheid. De gewesten zijn volgens haar enkel bevoegd voor het toezicht op de naleving van de federale technische voorschriften voor voertuigen met het oog op hun inverkeerstelling en de technische keuring van voertuigen die op de weg rijden met toepassing van de federale normen en dus niet voor het vaststellen van de technische voorschriften als dusdanig, noch om afwijkingen op de technische voorschriften te bepalen. Wat deze technische voorschriften betreft, wordt volgens haar overigens ook geen onderscheid gemaakt tussen algemene en aanvullende voorschriften, zoals dat met reglementen op het wegverkeer wel het geval is. IX-9158-4/187 Bij de bestreden artikelen 24 en 25, 1° en 2°, van het BVR van 10 juli 2015 worden wijzigingen aangebracht aan het koninklijk besluit van 15 maart 1968 „houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto‟s, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen‟ (hierna ook: het koninklijk besluit van 15 maart 1968). De gewijzigde bepalingen, die deel uitmaken van hoofdstuk 6 „Constructie‟ van het koninklijk besluit van 15 maart 1968, hebben betrekking op een aantal technische voorschriften inzake de (maximale) afmetingen en massa‟s van bepaalde voertuigen. Meer precies regelen ze de maximale hoogte van voertuigen die worden aangewend voor een openbare autobusdienst of voor een bijzondere stedelijke autobusdienst (artikelen 24 en 25, 2°) en de vervoerstoelating die is vereist om op de openbare weg te rijden voor bepaalde voertuigen die zijn bestemd voor het vervoer van goederen (artikel 25, 1°). Volgens de verzoekende partij hebben beide aangelegenheden, minstens gedeeltelijk, betrekking op (het bepalen van) de maximale afmetingen van voertuigen, met het oog op de veiligheid van het wegverkeer, wat een bevoegdheid is van de federale overheid. De verzoekende partij betwist niet dat het Vlaamse Gewest, ingevolge de zesde staatshervorming, bevoegd is om de regels te bepalen inzake de maximale toegelaten massa van de voertuigen die gebruik maken van de openbare wegen. Deze bevoegdheidsoverdracht heeft tevens betrekking op (het bepalen van) de afmetingen en de signalisatie van de lading, zoals bedoeld in de artikelen 46 en 47 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 „houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg‟ (hierna ook: het koninklijk besluit van 1 december 1975). Uit niets blijkt echter dat het de bedoeling zou zijn geweest van de bijzondere wetgever om tevens de technische voorschriften inzake de (maximaal toegelaten) afmetingen van de voertuigen zelf over te dragen. De bestreden regeling kan volgens de verzoekende partij evenmin worden ingepast in de gewestbevoegdheid inzake de wegen en hun aanhorigheden, bedoeld in artikel 6, § 1, X, eerste lid, 1°, BWHI. De regels IX-9158-5/187 opgenomen in het koninklijk besluit van 15 maart 1968 hebben immers geen betrekking op het beheer of de bescherming van de wegeninfrastructuur, maar strekken ertoe technische voorschriften te bepalen op het vlak van de constructie, waaraan voertuigen moeten voldoen alvorens ze in het verkeer kunnen worden gebracht. Eventueel kan volgens de verzoekende partij worden aangenomen dat het Vlaamse Gewest, indien het dit zou wensen, zelf bepaalde regels zou kunnen aannemen die betrekking hebben op de (maximale) afmetingen van voertuigen, meer precies indien die regels er specifiek toe zouden strekken de verkeersinfrastructuur te beschermen tegen schade, wat hier echter niet het geval is. De artikelen 31, § 1, 4°, tweede lid, en 32bis, 1.1.3 en 2.1.2, tweede lid, van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 hebben immers betrekking op algemene technische voorschriften die ertoe strekken de verkeersveiligheid te bevorderen. 8. In haar memorie van antwoord wijst de verwerende partij op het onderscheid tussen de gewestbevoegdheid inzake de controle op de naleving van de technische voorschriften van de voertuigen en de technische keuring enerzijds en de federale bevoegdheden inzake de technische voorschriften/productnormen anderzijds. Met de opheffing van artikel 3, § 4, f), van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 door artikel 2, 3°, van het BVR van 10 juli 2015 regelt de verwerende partij geenszins de technische voorschriften. De voormelde regel bevat immers geen dwingend voorschrift waaraan voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn ontworpen en gebouwd, moeten voldoen. Het betreft daarentegen een regel die bepaalt hoe de controle op de naleving van de technische voorschriften zal geschieden, namelijk welke voertuigen onderworpen zijn aan de goedkeuring bedoeld in hoofdstuk 2 van het koninklijk besluit van 15 maart 1968. De bepaling voorziet louter erin dat “de autovoertuigen en hun aanhangwagens die uitsluitend rijden tussen de laad- en loskaaien, de opslagplaatsen, de hangars en de magazijnen gelegen binnen de zee- IX-9158-6/187 en rivierhavens” die voorheen uitgesloten waren van de goedkeuring bedoeld in hoofdstuk 2 van het koninklijk besluit van 15 maart 1968, voortaan wél onderworpen zijn aan de goedkeuring. Voorts is de verwerende partij ook bevoegd om de bestreden artikelen 2, 2° en 4°, 3, 7 en 44, 2°, aan te nemen die volgens haar wijzigingen aanbrengen aan de homologatie, die tot de bevoegdheid van de gewesten behoort. Artikel 35, 1°, van het BVR van 10 juli 2015 brengt wijzigingen aan in artikel 72, eerste lid, van het koninklijk besluit van 15 maart 1968, in die zin dat “de bevoegde Vlaamse instantie” voortaan, naast de federale minister van Verkeerswezen, bevoegd wordt om het gebruik van bepaalde kleuren of kleurencombinaties voor het schilderen van de buitenkant van de voertuigen te verbieden. Het loutere feit dat het voorschrift naar de vorm is opgenomen in hoofdstuk 7 „Inrichting‟ van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 betekent niet automatisch dat het om een technisch voorschrift gaat waarvoor de federale overheid bevoegd is. Het is de gemeenschappen en gewesten immers toegelaten om op grond van de hun toegewezen bevoegdheden zelf voorschriften te bepalen. Het bepalen van de herkenningskenmerken op voertuigen vormt een bevoegdheid die volgens haar inherent, accessoir is aan de bevoegdheden die aan de deelstaten zijn toegewezen. Voorts wijst zij erop dat artikel 72, eerste lid, van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 zo geïnterpreteerd kan worden dat de delegatie aan de bevoegde Vlaamse instantie enkel mogelijk is binnen de grenzen van de bevoegdheden van de gemeenschappen en gewesten en dat de bepaling aldus bevoegdheidsconform kan worden gelezen. In ondergeschikte orde, in zoverre – per impossibile – aangenomen zou worden dat de regel van artikel 72, eerste lid, van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 tot de bevoegdheid van de federale overheid zou behoren, dient volgens de verwerende partij hoe dan ook vastgesteld te worden dat IX-9158-7/187 voldaan is aan de voorwaarden van de impliciete bevoegdheden (artikel 10 BWHI). Aangezien het middel uitgaat van een verkeerde lezing van de bestreden artikelen 24 en 25, 2°, is het op dit punt volgens haar onontvankelijk. Minstens moet worden vastgesteld dat het middel op dit punt juridische grondslag mist. De verzoekende partij gaat er volgens haar immers verkeerdelijk van uit dat de artikelen 24 en 25, 2°, van het BVR van 10 juli 2015, respectievelijk artikel 31, § 1, 4°, eerste lid, en artikel 32bis, 2.1.2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 wijzigen. De artikelen 24 en 25, 2°, van het BVR van 10 juli 2015 wijzigen echter respectievelijk artikel 31, § 1, 4°, tweede lid, en artikel 32bis, 2.1.2, tweede lid, van het koninklijk besluit van 15 maart 1968. Ingevolge deze wijzigingen valt het aan het Vlaams agentschap Wegen en Verkeer (hierna: het agentschap) toe om de reisweg te bepalen voor openbare diensten of speciale stadsautobussen ten aanzien waarvan toelating gegeven wordt om af te wijken van de maximale hoogte van vier meter. Deze wijzigingen beogen de gewestelijke wegeninfrastructuur te beschermen en vinden hun grondslag in de gewestelijke bevoegdheid inzake de wegen en hun aanhorigheden (artikel 6, § 1, X, eerste lid, 1°, BWHI). Voorts is het middelonderdeel volgens de verwerende partij ongegrond in de mate dat het gericht is tegen artikel 25, 1°, van het BVR van 10 juli 2015. Deze bepaling vindt volgens de verwerende partij immers bevoegdheidsgrondslag in de gewestbevoegdheid inzake het toezicht op de naleving van de federale technische voorschriften voor voertuigen met het oog op hun inverkeerstelling, nu krachtens artikel 6, § 1, XII, 4°, BWHI de bevoegdheid inzake goedkeuring/homologatie van voertuigen werd overgedragen aan de gewesten. Deze gewestbevoegdheid inzake de goedkeuring van voertuigen omvat volgens de verwerende partij eveneens de bevoegdheid om de voorwaarden, andere dan technische voorschriften, te bepalen waaronder een goedkeuring om het voertuig op de openbare weg te mogen brengen, toegekend wordt. IX-9158-8/187 Artikel 25, 1°, van het BVR van 10 juli 2015 houdt volgens de verwerende partij daarenboven ook verband met de gewestbevoegdheid inzake de wegen en hun aanhorigheden, bedoeld in artikel 6, § 1, X, eerste lid, 1°, BWHI. Op grond van de machtiging in artikel 32bis, 1.1.3, van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 kan het agentschap immers voorwaarden opleggen aan voertuigen van klasse III om schade aan de verkeersinfrastructuur tegen te gaan. De gewestbevoegdheid inzake de wegen en hun aanhorigheden omvat onder meer de bevoegdheid om alle maatregelen te nemen ter bescherming van de verkeersinfrastructuur tegen schade, zo ook om bepalingen inzake afmetingen aan te nemen. Daarenboven vindt artikel 25, 1°, van het BVR van 10 juli 2015 volgens haar ook een bevoegdheidsgrondslag in de gewestbevoegdheid betreffende de regelgeving inzake maximaal toegelaten massa en massa‟s over de assen van de voertuigen die gebruik maken van de openbare wegen, evenals de ladingzekerheid en de afmetingen en de signalisatie van de lading (artikel 6, § 1, XII, 3°, BWHI). Deze bevoegdheid omvat onder meer de regels inzake de maximaal toegelaten massa van al dan niet beladen voertuigen en slepen en de regels inzake de massa‟s over de assen van de voertuigen opdat deze zich op de openbare weg zouden mogen begeven. Aangezien het gewijzigde punt 1.1.3 van artikel 32bis van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 betrekking heeft op de massa‟s en afmetingen van voertuigen, valt het ook binnen die bevoegdheid. 9. In haar memorie van wederantwoord stelt de verzoekende partij dat door artikel 3, § 4, f), van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 op te heffen, wordt teruggekomen op een afwijking van de toepasselijke federale technische voorschriften. Een dergelijke regeling valt niet binnen de bevoegdheid van de gewesten inzake het toezicht op de naleving van de federale technische voorschriften van de voertuigen. Ook mag volgens haar niet uit het oog worden verloren dat de vrijstelling van de goedkeuring voor de autovoertuigen en hun aanhangwagens die uitsluitend rijden tussen de laad- en loskaaien, de opslag- plaatsen, de hangars en de magazijnen gelegen binnen de zee- en rivierhavens, IX-9158-9/187 betrekking heeft op een zeer specifieke categorie van voertuigen. De vrijstelling houdt volgens haar verband met het feit dat het geenszins zeker is dat deze voertuigen bestemd zijn om in het verkeer te worden gebracht in België (of enig ander land van de Europese Unie). Door de afwijking op te heffen wijzigt de verwerende partij volgens haar aldus de technische voorschriften waaraan deze voertuigen moeten voldoen. Een en ander zou ook strijdig zijn met de doelstelling van de bijzondere wetgever. Inzake de bestreden artikelen 2, 2° en 4°, 3, 7 en 44, 2°, voert zij een gelijkaardige argumentatie. Volgens de verzoekende partij komt het uitsluitend de federale overheid toe om de werkingssfeer van (onderdelen van) het koninklijk besluit van 15 maart 1968 te bepalen. Inzake het bestreden artikel 35, 1°, verliest de verwerende partij volgens haar uit het oog dat artikel 72, eerste lid, van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 een algemene draagwijdte heeft en alvast geen onderscheid maakt al naargelang het type voertuig. De in artikel 72, eerste lid, van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 opgenomen verbodsbepaling strekt ertoe een algemeen technisch voorschrift vast te stellen, met het oog op de bevordering van de verkeersveiligheid. De verwerende partij kan dan ook niet worden gevolgd wanneer zij stelt dat een dergelijke bevoegdheid “inherent” zou zijn aan de bevoegdheden die aan de gewesten zijn toegewezen. In zoverre de gewesten óók bevoegd zouden zijn om op te treden in deze aangelegenheid, had de verwerende partij minstens een eigen regeling moeten aannemen, in plaats van een bestaande federale norm te wijzigen. Voorts wijst zij erop dat de argumenten inzake een eventueel beroep op de impliciete bevoegdheden reeds bij voorbaat zijn weerlegd door de afdeling Wetgeving van de Raad van State, wier conclusie volgens haar nog steeds overeind blijft. Voorts neemt de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord akte van het standpunt van de verwerende partij dat de bestreden artikelen 24 en 25, 2°, van het BVR van 10 juli 2015 enkel wijzigingen aanbrengen IX-9158-10/187 aan de leden van artikel 31, § 1, 4°, en artikel 32bis, 2.1.2, van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 die betrekking hebben op de reisweg van openbare of bijzondere stedelijke autobusdiensten, waarvan kan worden aangenomen dat ze beogen de gewestelijke wegeninfrastructuur te beschermen en dus hun grondslag vinden in de gewestelijke bevoegdheid inzake de wegen en hun aanhorigheden ex artikel 6, § 1, X, eerste lid, 1°, BWHI. Inzake artikel 25, 1°, van het BVR van 10 juli 2015 merkt zij op dat deze bepaling betrekking heeft op de “algemene specificaties” van voertuigen van klasse III. Om op de openbare weg te rijden moeten deze voertuigen een vervoerstoelating hebben, die volgens de bestreden bepaling zou worden verleend door het bevoegde agentschap van de verwerende partij. Het is voor de verzoekende partij evenwel een raadsel hoe een vervoerstoelating, op grond waarvan een specifiek voertuig wordt toegelaten op de openbare weg te rijden, in verband kan worden gebracht met de bevoegdheid van de gewesten inzake de controle op de naleving van de technische voorschriften van de voertuigen met het oog op hun inverkeerstelling. Een vervoerstoelating is alvast niet hetzelfde als een inverkeerstelling. Bovendien gaat het ook niet om het “toezicht” op de naleving van de federale technische voorschriften. Het bestreden artikel 25, 1°, kan volgens haar evenmin worden ingepast in de gewestbevoegdheid inzake de wegen en hun aanhorigheden, bedoeld in artikel 6, § 1, X, eerste lid, 1°, BWHI. Punt 1.1.3 van artikel 32bis van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 heeft immers geen betrekking op het beheer of de bescherming van de wegeninfrastructuur, maar strekt ertoe (afwijkingen
  2. op)technische voorschriften te bepalen op het vlak van de constructie, waaraan voertuigen moeten voldoen alvorens ze op de openbare weg mogen worden gebracht. Ten slotte kan de bestreden regeling volgens haar ook niet worden ingepast in de gewestelijke bevoegdheid inzake “maximaal toegelaten massa en massa‟s over de assen van de voertuigen die gebruik maken van de IX-9158-11/187 openbare wegen, evenals de ladingzekering en de afmetingen en de signalisatie van de lading” in de zin van artikel 6, § 1, XII, 3°, BWHI. Op grond van die bepaling kunnen de gewesten weliswaar een regeling treffen inzake maximale massa of de afmetingen van de lading, maar zijn zij niet bevoegd om de (maximale) afmetingen van de voertuigen die op de openbare weg mogen rijden te regelen. Welnu, punt 1.1.3 van artikel 32bis van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 heeft precies betrekking op de maximale massa of afmetingen van de voertuigen van klasse III. 10.1. In haar laatste memorie stelt de verwerende partij dat wat artikel 25, 1°, van het BVR van 10 juli 2015 betreft, het auditoraatsverslag kan worden bijgevallen waar besloten wordt dat het middel ongegrond is onder voorbehoud van de volgende interpretatie: “Wat de bepaling van de voorwaarden door het Agentschap betreft, geldt dit slechts onder het voorbehoud van een bevoegdheidsconforme interpretatie dat het gaat om andere dan federale technische voorschriften, zoals de verwerende partij zelf aangeeft in haar memorie van antwoord, behoudens indien aannemelijk kan worden gemaakt dat zij in hoofdzaak strekken tot bescherming van de verkeersinfrastructuur tegen schade en aldus gegrond kunnen worden op de gewestbevoegdheid inzake „de wegen en hun aanhorigheden‟, bedoeld in artikel 6, § 1, X, eerste lid, 1° BWHI.” 10.2. Wat artikel 35, 1°, van het BVR van 10 juli 2015 betreft, betwist de verwerende partij niet dat de verzoekende partij op grond van haar bevoegdheid om de technische voorschriften voor voertuigen te bepalen, het gebruik van bepaalde kleuren op voertuigen mag verbieden. Dit is met name het geval wanneer het verbieden van de kleur of kleurencombinatie voor het schilderen van de buitenkant van een voertuig ertoe strekt de verkeersveiligheid te garanderen en te bevorderen. Waar artikel 72, eerste lid, van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 erin voorziet dat de federale minister van Verkeerswezen of zijn gemachtigde het gebruik van bepaalde kleuren of kleurencombinaties kan verbieden, werd de verwijzing naar de federale minister om die reden dan ook behouden. IX-9158-12/187 Volgens de verwerende partij kan het standpunt echter niet gevolgd worden dat het gewijzigde artikel 72, eerste lid, van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 altijd onmiskenbaar betrekking zou hebben op het vaststellen van een algemeen technisch voorschrift met betrekking tot de verkeersveiligheid. Deze federale bevoegdheid om bepaalde kleuren of kleurencombinaties te verbieden met het oog op het bevorderen van de verkeersveiligheid belet naar het oordeel van de verwerende partij niet dat de gemeenschappen en gewesten het gebruik van bepaalde kleuren of kleurencombinaties kunnen verbieden ten aanzien van bepaalde voertuigen in het kader van de eigen bevoegdheid en accessoir hieraan. Het verbod om een kleur of kleurencombinatie te gebruiken is niet in alle gevallen een technisch voorschrift met betrekking tot de verkeersveiligheid. Zulk een verbod kan eveneens verband houden met de uitoefening van een gewest- of gemeenschapsbevoegdheid. Zo oordeelde de Raad van State in arrest nr. 226.741 van 13 maart 2014 (in het kader van een vordering tot schorsing) dat de gewesten op grond van de hun overeenkomstig artikel 6, § 1, X, eerste lid, 8°, BWHI toegewezen bevoegdheid inzake “het gemeenschappelijk stads- en streekvervoer, met inbegrip van de bijzondere vormen van geregeld vervoer, het taxivervoer en het verhuren van auto‟s met chauffeur” bevoegd zijn om artikel 75 van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 op te heffen. Dit artikel 75 bepaalde onder meer dat geen publiciteit mocht worden gevoerd op de buitenste ruiten van “de voor het bezoldigd vervoer van personen of voor hiermede gelijkgesteld gratis vervoer gebezigde auto‟s”. In voornoemd arrest wordt in dit verband gesteld: “Artikel 75 van het KB Technische Eisen bevat evenwel op het eerste gezicht geen bepalingen die ertoe strekken de verkeersveiligheid te bevorderen. Veeleer wordt beoogd, zo lijkt, het comfort van de reizigers te verhogen door het aanbrengen van publiciteit op de buitenste ruiten van de voertuigen te verbieden en dienstaankondigingen op de ruiten slechts toe te IX-9158-13/187 laten wanneer die het uitzicht van de reizigers niet belemmeren. In de nota aan de Vlaamse Regering (…) wordt aldus op het eerste gezicht terecht vastgesteld dat het „tot de bevoegdheid van het Vlaamse Gewest [behoort] de bepaling van het KB technische eisen op te heffen aangezien ze inhoudelijk geen technische eis betreft, maar wel een bepaling die is ingegeven vanuit het comfort voor de reizigers en dus onlosmakelijk verbonden is met de dienstverlening door De Lijn.” Bij arrest nr. é.914 van 24 februari 2016 heeft de Raad van State dat schorsingsarrest ook effectief bevestigd in het kader van de vernietigingsprocedure. Zoals de verwerende partij bevoegd kan worden geacht om in artikel 75 van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 er onder meer in te voorzien dat geen publiciteit mag worden gevoerd op de buitenste ruiten van “de voor het bezoldigd vervoer van personen of voor hiermede gelijkgesteld gratis vervoer gebezigde auto‟s”, kan zij bevoegd worden geacht om in het kader van de eigen bevoegdheid bepaalde kleuren of kleurencombinaties te verbieden. Een verbod op het gebruik van bepaalde kleuren of kleurencombinaties strekt er niet steeds toe om de verkeersveiligheid te bevorderen. Zo kan een dergelijk verbod ingegeven zijn door het beleid van de verwerende partij om de herkenbaarheid te vergroten van specifieke voertuigcategorieën ten aanzien waarvan de verwerende partij bevoegd is om het gebruik van een bepaalde kleur op te leggen. Zo zou de verwerende partij bijvoorbeeld een gebod om een bepaalde kleur te gebruiken als herkenningskenmerk van bepaalde voertuigen (bijvoorbeeld van geregeld vervoer, taxi‟s, …) kunnen combineren met een verbod voor vergelijkbare voertuigen om dergelijke kleuren te gebruiken. Het opleggen van een kleur of een kleurencombinatie ten aanzien van de bussen van het gemeenschappelijk stads- en streekvervoer zou bijvoorbeeld gepaard kunnen gaan met een verbod voor andere bussen om dezelfde kleuren of kleurencombinaties te gebruiken. IX-9158-14/187 Een dergelijk verbod strekt er louter toe om de herkenbaarheid van de specifieke voertuigcategorie te vergroten en heeft geen uitstaans met technische voorschriften met betrekking tot de verkeersveiligheid. Het staat buiten kijf dat de gemeenschappen en gewesten bevoegd zijn om herkenningskenmerken van voertuigen te bepalen in de uitoefening van de eigen bevoegdheden. Zo zijn de gewesten op grond van artikel 6, § 1, X, eerste lid, 8°, BWHI ook bevoegd om de kleur te bepalen waarin de voor het onbezoldigd vervoer van personen aangewende voertuigen aan de buitenkant moeten worden geschilderd, zoals bijvoorbeeld de voertuigen voor het leerlingenvervoer of het werknemersvervoer. Hetzelfde geldt ten aanzien van de bijzondere vormen van geregeld vervoer, het taxivervoer en het verhuren van voertuigen met bestuurder. Zo moet worden aangenomen dat de gewesten op grond van hun bevoegdheid inzake de reglementering inzake het vervoer van gevaarlijke goederen en uitzonderlijk vervoer over de weg (artikel 6, § 1, X, eerste lid, 13°, BWHI) bevoegd zijn om de kleur van de voertuigen bestemd voor dit vervoer te bepalen. Dit is inherent aan de bevoegdheid die aan de gewesten is toegewezen. Hetzelfde geldt ook wanneer de Vlaamse Gemeenschap in het kader van de gemeenschapsbevoegdheid inzake het beleid inzake mindervaliden (artikel 5, § 1, II, 4°, BWHI) het vervoer van mindervaliden regelt. Ook hier is het inherent aan de toegewezen bevoegdheid dat het uitzicht van de voertuigen bepaald wordt door de Vlaamse Gemeenschap. Telkens is het aanbrengen van herkenningskenmerken op de voertuigen, met inbegrip van kleur, ingegeven door de specificiteit van het betrokken voertuig en draagt het bij tot de effectiviteit van het deelstatelijk beleid en bijgevolg ook tot de uitoefening van de hun door of krachtens de Grondwet toegewezen bevoegdheden. Het gaat om bijkomende eisen die geen afbreuk doen aan de federale technische eisen. Waar artikel 35, 1°, van het BVR van 10 juli 2015 artikel 72, eerste lid, van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 aldus in die zin wijzigt dat IX-9158-15/187 naast de minister van Verkeerswezen of zijn gemachtigde voortaan ook de bevoegde Vlaamse instantie, elk wat hem of haar betreft, het gebruik van bepaalde kleuren of kleurencombinaties voor het schilderen van de buitenkant van de voertuigen kan verbieden, kan aldus niet a priori worden gesteld dat het steeds en altijd “onmiskenbaar” om een technische eis met betrekking tot de verkeersveiligheid zou gaan die tot de bevoegdheid van de federale overheid behoort. Er dient geval per geval te worden nagegaan of het verbod tot het gebruik van een bepaalde kleur of kleurencombinatie een technische eis is, dan wel inherent is aan de uitoefening van een gemeenschaps- of gewestbevoegdheid. Bijgevolg dient te worden vastgesteld dat artikel 72, eerste lid, van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 zo geïnterpreteerd kan worden dat de delegatie aan de bevoegde Vlaamse instantie enkel mogelijk is binnen de grenzen van de bevoegdheden van de gemeenschappen en gewesten en dat de bepaling aldus bevoegdheidsconform gelezen kan worden. 11.1. In haar laatste memorie stelt de verzoekende partij vast, wat het bestreden artikel 25, 1°, betreft, dat de in het auditoraatsverslag voorgestelde “grondwetsconforme” interpretatie niet kan worden bijgevallen. De in punt 1.1.3, tweede lid, van artikel 32bis van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 bedoelde vervoerstoelating wordt per definitie toegekend aan voertuigen die de maximale massa of afmetingen overschrijden en waarvoor dus een individuele afwijking op de toepasselijke federale technische voorschriften is vereist. Welnu, het valt enkel aan de federale overheid toe om een regeling te treffen inzake de afwijking van de federale technische voorschriften. Een dergelijke regeling kan ook niet worden ingepast binnen de bevoegdheid van de gewesten inzake de bescherming van de wegeninfrastructuur. IX-9158-16/187 11.2. De verzoekende partij is het oneens met het in het auditoraatsverslag ingenomen standpunt inzake de draagwijdte van de artikelen 2, 2° tot 4°, 3 en 7 van het BVR van 10 juli 2015. De verzoekende partij betwist niet dat in de parlementaire voorbereiding van de bijzondere wet Zesde Staatshervorming werd toegelicht dat het toezicht op de naleving van de federale technische voorschriften voor voertuigen met het oog op hun inverkeerstelling, “in elk geval” betrekking heeft op de bepalingen van hoofdstuk 2 van het voormelde koninklijk besluit. De verduidelijking die is opgenomen in de parlementaire voorbereiding bij de bijzondere wet Zesde Staatshervorming dat de bevoegdheid slechts geldt “voor zover de bepalingen van dit hoofdstuk geen betrekking hebben op de inschrijving van voertuigen, noch op de productnormen” (Parl.St. Senaat 2012-13, nr. 5-2232/1, 143) is noodzakelijk in de praktijk. In het koninklijk besluit van 15 maart 1968 dat, toen het vastgesteld werd, paste in een nationale regelgevende context, zijn immers reeds vele wijzigingen aangebracht, waarbij niet steeds de structuur van dit besluit werd gerespecteerd. Het gevolg hiervan is dat de plaats van een artikel binnen de structuur van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 hoogstens een indicatie kan geven van de aard en de draagwijdte van de betrokken bepaling, maar dat het finaal geen doorslaggevend element is voor de bevoegdheidsrechtelijke kwalificatie ervan. Bovendien lijkt er verwarring te zijn ontstaan omtrent de precieze draagwijdte van de begrippen „goedkeuring‟ en „homologatie‟ van voertuigen en de concrete gevolgen hiervan op (de toepassing van) de federale technische voorschriften die van toepassing zijn op bepaalde categorieën van voertuigen. De goedkeuring of homologatie van voertuigen is de procedure waarbij wordt nagegaan of een welbepaald voertuig voldoet aan de op dat voertuig van toepassing zijnde technische voorschriften, die alle zijn voorgeschreven vanuit veiligheidsoverwegingen en overwegingen inzake de bescherming van het leefmilieu. Pas indien de voertuigen hieraan voldoen, krijgen ze een goed- IX-9158-17/187 keuringscertificaat van de toezichthoudende instantie. Dit is principieel een vereiste waaraan moet zijn voldaan om in het verkeer op de openbare weg te worden gebracht. Hiermee wordt dus in wezen vermeden dat onveilige, vervuilende voertuigen in het verkeer worden gebracht. Indien de goedkeuringsinstantie oordeelt dat aan deze technische voorschriften is voldaan, dan wordt een goedkeuringscertificaat verleend. In het licht van de huidige bevoegdheidsverdeling betekent dit dat: - de federale overheid bevoegd is voor het vaststellen van de technische voorschriften voor voertuigen met het oog op hun inverkeerstelling. Dit betekent dat zij niet alleen de technische eisen vaststelt waaraan voertuigen moeten voldoen, maar dat zij tevens het toepassingsgebied van de goedkeuring moet kunnen bepalen. Het toepassingsgebied van de goedkeuring bepaalt immers welke voertuigen aan de federale technische voorschriften moeten voldoen. Het (al dan niet) uitsluiten van voertuigen van het toepassingsgebied van de goedkeuring betekent met andere woorden dat deze voertuigen (al dan niet) moeten beantwoorden aan de technische voorschriften waarin is voorzien in hoofdstuk 2 van het koninklijk besluit van 15 maart 1968; - de gewesten bevoegd zijn voor “het toezicht op de naleving van de technische federale voorschriften voor voertuigen met het oog op hun inverkeerstelling” (Parl. St. Senaat 2012-13, nr. 5-2232/1, 143), wat betrekking heeft op de eigenlijke controle, de eigenlijke verificatie of een voertuig beantwoordt aan de technische voorschriften die, ingevolge de vermelding ervan in hoofdstuk 2 van het koninklijk besluit van 15 maart 1968, op dit voertuig van toepassing zijn. Het komt echter niet aan de gewesten toe te bepalen welke voertuigen al dan niet onderworpen zijn aan goedkeuring. Bepalen welke voertuigen onderworpen zijn aan goedkeuring impliceert immers dat de gewesten zouden bepalen aan welke technische voorschriften deze voertuigen al dan niet moeten beantwoorden. Volgens de verzoekende partij heeft het „omschrijven van het toepassingsgebied‟ van de goedkeuring dus wel degelijk een concrete weerslag op de (al dan niet) toepasselijkheid van de federale technische voorschriften. De IX-9158-18/187 vaststelling dat de eenheid van de federale technische voorschriften te dezen niet in het gedrang zou komen, aangezien de litigieuze bepaling geen betrekking heeft op de inhoudelijke vaststelling ervan, kan dan ook niet worden bijgevallen. Wat het bestreden artikel 2, 2°, betreft, moet worden vastgesteld dat de beoogde wijziging van artikel 3 van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 tot gevolg heeft dat voortaan het Vlaamse Gewest bevoegd wordt om te beoordelen welk materieel dient te worden beschouwd als “zijnde van speciale constructie” en waarop bijgevolg de voorschriften vermeld in hoofdstuk 2 van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 niet van toepassing zijn. Dit houdt in dat de verwerende partij voortaan kan bepalen of dit materieel dient te beantwoorden aan de in hoofdstuk 2 van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 vermelde technische voorschriften, wat ontegensprekelijk neerkomt op het vaststellen van de technische voorschriften voor voertuigen. Het bestreden artikel 2, 3°, heeft tot gevolg dat “de autovoertuigen en hun aanhangwagens die uitsluitend rijden tussen de laad- en loskaaien, de opslagplaatsen, de hangars en de magazijnen gelegen binnen de zee- en rivierhavens, overeenkomstig de bepalingen van een hiervoor [verleende] gemeentelijke machtiging” voortaan wel onderworpen zijn aan goedkeuring. Doordat deze voertuigen worden opgenomen binnen de werkingssfeer van hoofdstuk 2 van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 zullen ze voortaan moeten beantwoorden aan de federale technische voorschriften van voormeld hoofdstuk 2. Het is nochtans enkel de federale overheid die bevoegd is om de technische voorschriften voor voertuigen te bepalen met het oog op hun inverkeerstelling. Dat deze voertuigen door de federale overheid werden uitgezonderd van de goedkeuring – en dus in wezen van het voldoen aan de in hoofdstuk 2 van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 vermelde technische voorschriften – houdt onder meer verband met het feit dat deze voertuigen niet verplicht dienen te worden ingeschreven bij de Dienst voor Inschrijvingen van Voertuigen (hierna: DIV). Het gaat dan ook om voertuigen die niet altijd kunnen beantwoorden aan de federale technische voorschriften, reden waarom deze IX-9158-19/187 voertuigen slechts uitzonderlijk gebruikt kunnen worden op de openbare weg, namelijk in de mate dat ze zich begeven tussen laad- en loskaaien, de opslagplaatsen, de hangars en de magazijnen gelegen binnen zee- en rivierhavens. Het bestreden artikel 2, 4°, heeft tot gevolg dat de prototypes van voertuigen niet onderworpen zijn aan de individuele goedkeuring overeenkomstig hoofdstuk 2 van het koninklijk besluit van 15 maart 1968. Dergelijke prototypes zijn niet onderworpen aan de federale technische voorschriften vermeld in hoofdstuk 2 van het koninklijk besluit van 15 maart 1968, maar mogen enkel worden gebruikt op de openbare weg onder de voorwaarden bepaald door de bevoegde overheid. Artikel 3, § 5, van het koninklijk besluit van 15 maart 1968, dat door het bestreden artikel 2, 4°, wordt gewijzigd, bepaalt aldus dat de bevoegde overheid de op prototypes van toepassing zijnde voorwaarden – met inbegrip van de technische voorschriften – vaststelt om te worden gebruikt op de openbare weg. Dit valt onder de federale bevoegdheid inzake het vaststellen van de federale technische voorschriften voor voertuigen met het oog op hun inverkeerstelling. Het bestreden artikel 3 wijzigt artikel 3bis, § 10, van het koninklijk besluit van 15 maart 1968, als gevolg waarvan de voorwaarden voor de EG-goedkeuring van landbouw- of bosbouwtrekkers worden bepaald door het Vlaamse Gewest. De technische voorschriften inzake landbouw- of bosbouwtrekkers werden van oudsher bepaald in het koninklijk besluit van 26 februari 1981 „houdende uitvoering van de richtlijnen van de Europese Gemeenschappen betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan, landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen, hun bestanddelen alsook hun veiligheidsonderdelen‟. Bij de omzetting van richtlijn 2007/46/EG in het koninklijk besluit van 15 maart 1968, werd de huidige bepaling opgenomen in artikel 3bis. Zodoende werden de technische voorschriften voor de EG-goedkeuring van landbouw- en bosbouwtrekkers (die zijn bepaald in diverse Europese richtlijnen) inhoudelijk omgezet in het koninklijk besluit van 15 maart 1968, in plaats van deze per referentie om te zetten in het voormelde koninklijk besluit van 26 februari 1981. Intussen werd de basisrichtlijn betreffende de IX-9158-20/187 goedkeuring van landbouw- en bosbouwtrekkers (richtlijn 2003/37/EG) opgeheven en vervangen door verordening (EU) nr. 167/2013. De verzoekende partij ontkent niet dat de eigenlijke controle of aan deze technische voorschriften is voldaan en of de landbouw- en bosbouwtrekkers desgevallend een EG-goedkeuring mogen krijgen inderdaad een gewestelijke bevoegdheid is. Dat is echter niet wat met de bestreden bepaling wordt gedaan. Ingevolge de bestreden wijziging zal voortaan de verwerende partij – en dus niet de federale overheid – immers kunnen bepalen aan welke technische voorschriften landbouw- of bosbouwtrekkers moeten voldoen om een EG-goedkeuring te kunnen verkrijgen. Het bestreden artikel 7 wijzigt artikel 8, § 5, zesde lid, van het koninklijk besluit van 15 maart 1968. Volgens deze laatste bepaling moet de wijziging aan een voertuig, waardoor dit niet meer overeenstemt met het verleende goedkeuringscertificaat – hetgeen betekent dat dit voertuig werd gewijzigd op een punt waaraan het dient te beantwoorden aan specifieke technische voorschriften – worden goedgekeurd. Aangezien dit normaliter een wezenlijk punt van het voertuig betreft, wordt gevraagd dat de initiële fabrikant van dit voertuig zijn instemming verleent met deze wijziging, als hij deze niet zelf uitvoerde. In bepaalde gevallen is er echter in voorzien dat de fabrikant geen instemming moet verlenen met de wijziging van het voertuig. Welnu, het bepalen dat geen instemming van de fabrikant is vereist voor andere verbouwingen dan die welke zijn bedoeld in het vierde en het vijfde lid, is niets meer dan het regelen van de technische voorschriften waaraan de verbouwing precies moet voldoen om te worden goedgekeurd door een gewestelijke goedkeuringsinstantie, wat een federale bevoegdheid is gebleven. De verzoekende partij is het ook oneens met het standpunt inzake de draagwijdte van artikel 44, 2°, van het bestreden besluit van 10 juli 2015. IX-9158-21/187 Naar analogie met wat werd vermeld inzake de draagwijdte van de artikelen 2, 2° tot 4°, 3 en 7 van het bestreden besluit van 10 juli 2015, kan ook hier niet worden aangenomen dat het bepalen van de werkingssfeer van de goedkeuring tot de bevoegdheid van de gewesten behoort. De verzoekende partij wijst erop dat artikel 3, § 3bis, van het koninklijk besluit van 10 oktober 1974 „houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de bromfietsen, de motorfietsen en hun aanhangwagens moeten voldoen‟ (hierna ook: het koninklijk besluit van 10 oktober 1974) betrekking heeft op voertuigen die eigenlijk niet beantwoorden aan de in het koninklijk besluit van 10 oktober 1974 opgenomen technische voorschriften, maar die bij wijze van uitzondering toch in het verkeer kunnen worden gebracht, bijvoorbeeld omdat deze voertuigen of toebehoren een verbetering inzake constructie uitmaken of omdat ze goedgekeurd werden volgens regels, welke gelijkwaardig zijn aan of een beter resultaat opleveren dan de in deze reglementering vervatte regels. Aangezien de federale overheid bevoegd is gebleven voor het vaststellen van de technische voorschriften voor voertuigen met het oog op hun inverkeerstelling, moet worden aangenomen dat het ook – en enkel en alleen – aan de federale overheid toevalt om te bepalen of de technische voorschriften waaraan het voertuig voldoet, en die in dit geval dus niet conform zijn met de in het koninklijk besluit van 10 oktober 1974 bepaalde technische voorschriften, gelijkwaardig zijn aan of een verbetering zijn van de vigerende technische voorschriften. Beoordeling 12.1. In het eerste middelonderdeel, dat is gericht tegen de artikelen 2, 2° tot 4°, 3, 7, 24, 25, 1° en 2°, 35, 1°, en 44, 2°, van het BVR van 10 juli 2015, voert de verzoekende partij de schending aan van de bevoegdheidverdelende regels, in het bijzonder artikel 6, § 1, XII, 4°, BWHI en de federale residuaire bevoegdheid, in zoverre bij de voormelde bepalingen het vaststellen van de IX-9158-22/187 federale technische normen met het oog op de inverkeerstelling wordt geregeld. 12.2. De voornoemde artikelen 2, 2° tot 4°, 3, 7, 24, 25, 1° en 2°, en 35, 1°, maken deel uit van hoofdstuk 1 van het BVR van 10 juli 2015, dat het koninklijk besluit van 15 maart 1968 „houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto‟s, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen‟ wijzigt. Artikel 44, 2°, maakt deel uit van hoofdstuk 2 van het BVR van 10 juli 2015, dat het koninklijk besluit van 10 oktober 1974 wijzigt. 12.3. Bij artikel 6, § 1, XII, 4°, BWHI, zoals dat is ingevoegd bij artikel 25 van de bijzondere wet Zesde Staatshervorming, wordt aan de gewesten opgedragen, wat het verkeersveiligheidsbeleid betreft, “het toezicht op de naleving van de technische federale voorschriften voor voertuigen met het oog op hun inverkeerstelling en de technische keuring van voertuigen die op de weg rijden in toepassing van de federale normen, met dien verstande dat de natuurlijke en rechtspersonen gevestigd in een gewest vrij zijn om hun voertuig te laten controleren in een centrum voor technische keuring dat in een ander gewest is gelegen”. In de parlementaire voorbereiding van de bijzondere wet Zesde Staatshervorming wordt deze bevoegdheidsoverdracht als volgt toegelicht (Parl.St. Senaat 2012-13, nr. 5-2232/1, 142-144): “6. Overheveling van de controle op de naleving van de technische voorschriften van de voertuigen en de technische keuring van voertuigen naar de gewesten
  3. a)Overheveling naar de gewesten van de controle op de naleving van de technische voorschriften van de voertuigen De veiligheid van het voertuig is één van de pijlers van het verkeersveiligheidsbeleid. Het toezicht is belangrijk voor het milieu en de verkeersveiligheid, vooral inzake zwaar vervoer (emissies, remmen, banden en stabiliteit). Dit voorstel van bijzondere wet hevelt het toezicht op de naleving van de technische federale voorschriften voor voertuigen met het oog op hun inverkeerstelling over aan de gewesten. Het betreft de materie bedoeld in elk geval in hoofdstuk II van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto‟s, hun aanhangwagens, hun onderdelen en IX-9158-23/187 hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen, voor zover de bepalingen van dit hoofdstuk geen betrekking hebben op de inschrijving van voertuigen, noch op de productnormen. De inschrijving van voertuigen en de productnormen blijven immers tot de bevoegdheid van de federale overheid behoren. In de mate dat de op de voertuigen toepasselijke technische voorschriften federaal blijven, is de controle op de technische voorschriften voor voertuigen die is uitgevoerd in een gewest automatisch geldig in de andere gewesten, aangezien de technische voorschriften krachtens dewelke de voertuigen zijn gecontroleerd door een gewest noodzakelijkerwijze dezelfde zijn als deze die worden toegepast in de andere gewesten.
  4. b)Overheveling naar de gewesten van de technische keuring van voertuigen Deze overdracht volgt de logica van het voorstel van bijzondere wet „houdende institutionele maatregelen‟ dat eerder in de Senaat werd ingediend (Parl.St., Senaat, zitting 2007-2008, nr. 4-602/1) en waarover de Raad van State een advies heeft uitgebracht op 10 april 2008 (advies nr. 44.234/AV). De veiligheid van het voertuig is één van de pijlers van het verkeersveiligheidsbeleid. Het toezicht is belangrijk voor het milieu en de verkeersveiligheid, vooral inzake zwaar vervoer (emissies, remmen, banden en stabiliteit). Dit voorstel van bijzondere wet beoogt de bevoegdheid inzake de technische keuring van voertuigen over te dragen aan de gewesten. De gewesten worden dus bevoegd om de technische keuring van de in het verkeer gebrachte voertuigen uit te voeren om na te gaan of ze conform zijn met de federale technische voorschriften en eisen die erop van toepassing zijn. De specifieke technische voorschriften en eisen worden momenteel hoofdzakelijk bepaald in Europese richtlijnen. Het federale niveau blijft bevoegd voor de productnormen en de inschrijving van de voertuigen. Er wordt afgesproken dat elke natuurlijke persoon en rechtspersoon de technische keuring van zijn voertuig kan laten uitvoeren in een keuringscentrum van het gewest van zijn keuze, ongeacht zijn woonplaats. Nadat de technische keuring is uitgevoerd, is ze uiteraard automatisch geldig op het grondgebied van alle drie de gewesten. Zo zal bijvoorbeeld een burger die zijn technische keuring in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest heeft laten uitvoeren, geen nieuwe technische keuring moeten laten uitvoeren in het Vlaamse of het Waalse Gewest om geldig te kunnen rijden op het grondgebied van die twee gewesten. Met andere woorden, de gewesten erkennen automatisch de geldigheid van de technische keuring die op het grondgebied van een van die gewesten is uitgevoerd. Wat de technische keuring van voertuigen betreft, gaat het over de materies die in elk geval in de volgende teksten worden geregeld: - het ministerieel besluit van 10 augustus 1947 betreffende de inrichting van de technische controle der automobielen; - hoofdstuk 4 van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto‟s, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen; - het koninklijk besluit van 23 december 1994 tot vaststelling van de erkenningsvoorwaarden en de regeling van de administratieve controle van de instellingen belast met de controle van de voertuigen; - het koninklijk besluit van 1 september 2006 houdende invoering van de technische controle langs de weg van bedrijfsvoertuigen die ingeschreven zijn in België of in het buitenland; - het koninklijk besluit van 1 september 2006 betreffende de inning en de consignatie van een som bij het vaststellen van sommige inbreuken inzake de technische eisen waaraan elk voertuig voor vervoer te land, de onderdelen ervan, evenals het veiligheidstoebehoren moeten voldoen; - het koninklijk besluit van 26 april 2007 tot vaststelling van de retributies voor de dekking der kosten van controle betreffende de instellingen IX-9158-24/187 belast met de technische controle; - de ministeriële omzendbrief van 13 januari 2012 houdende indexering van de bedragen van de door de erkende instellingen voor autokeuringen te innen vergoedingen, de belasting over de toegevoegde waarde inbegrepen.” Uit de voormelde parlementaire voorbereiding van de bijzondere wet Zesde Staatshervorming blijkt dat de bevoegdheid van de gewesten inzake het toezicht op de naleving van de federale technische voorschriften voor voertuigen (artikel 6, § 1, XII, 4°, BWHI) “in elk geval” de materie bedoeld in hoofdstuk 2 „Goedkeuring‟ van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 betreft, “voor zover de bepalingen van dit hoofdstuk geen betrekking hebben op de inschrijving van voertuigen, noch op de productnormen”, alsook de materie bedoeld in hoofdstuk 4 „Technische controle‟ van dit koninklijk besluit. Dat houdt evenwel niet in dat de bevoegdheid van de gewesten beperkt zou zijn tot hetgeen in de voormelde hoofdstukken 2 en 4 van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 wordt geregeld. In zoverre bij dat koninklijk besluit technische eisen worden opgelegd voor bijvoorbeeld de constructie (hoofdstuk 6) en de inrichting (hoofdstuk 7) van voertuigen, zijn de gewesten bevoegd om de naleving van die voorschriften te regelen. Ook vermogen zij, op grond van hun bevoegdheid inzake de maximaal toegelaten massa en de massa‟s over de assen, de lading van voertuigen te regelen (hoofdstuk 3 van het voormelde koninklijk besluit). De bevoegdheid van de gewesten om toe te zien op de naleving van de federale technische voorschriften, veronderstelt evenwel dat de federale overheid voorafgaandelijk die voorschriften heeft bepaald, zo niet zou een goedkeuring door de bevoegde instantie van een gewest immers mogelijk neerkomen op het bepalen van de technische voorschriften waaraan moet worden voldaan, hetgeen een federale bevoegdheid is. Daarbij moet worden aangenomen dat de federale technische voorschriften op de naleving waarvan de gewesten toezicht houden, niet in het koninklijk besluit van 15 maart 1968 zelf opgenomen dienen te zijn. IX-9158-25/187 De aan de gewesten overgedragen toezichtsbevoegdheid wijkt af van het zogenaamde verticaliteitsbeginsel waarbij de overheid aan wie de regel- geving in een aangelegenheid is toegewezen, ook belast is met de tenuitvoer- legging en de controle ervan. Op dit punt wordt dit aldus doorbroken. Bovendien blijkt de bijzondere wetgever zelfs inhoudelijke beperkingen te hebben gesteld aan de uitvoering van deze toezichtsbevoegdheid en de organisatie ervan in de mate dat de BWHI uitdrukkelijk bepaalt dat de natuurlijke en rechtspersonen gevestigd in een gewest vrij zijn om hun voertuig te laten controleren in een centrum voor technische keuring dat in een ander gewest is gelegen. 12.4. Met de artikelen 2, 2° tot 4°, 3 en 7 van het BVR van 10 juli 2015 worden wijzigingen aangebracht in hoofdstuk 2 „Goedkeuring‟ van het koninklijk besluit van 15 maart 1968. Die goedkeuring bestaat overeenkomstig artikel 3, § 1, van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 uit de verificatie van de overeenstemming van het voertuig, type voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid met de voorschriften van het koninklijk besluit van 15 maart 1968, hetzij door de afgifte van het “EG” of nationale goedkeuringscertificaat, hetzij door de verificatie van de overeenstemming van het voertuig, type, systeem, onderdeel of technische eenheid met het goedkeuringscertificaat dat eraan zou zijn toegekend door een andere lidstaat. Wat landbouw- en bosbouwtrekkers betreft, wordt in artikel 3bis van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 mutatis mutandis in een gelijkvormige goedkeuring voorzien. Aangenomen wordt dat voormelde bepalingen die wijzigingen aanbrengen in hoofdstuk 2 „Goedkeuring‟ vallen binnen de bevoegdheid van de gewesten, tenzij zou worden aangetoond dat ze betrekking hebben op het bepalen van technische voorschriften, op de inschrijving van voertuigen of op de productnormen. IX-9158-26/187 Dat wordt door de verzoekende partij echter voor geen van deze bepalingen die deel uitmaken van hoofdstuk 2 voldoende aannemelijk gemaakt. 12.5.1. Bij artikel 2, 2° tot 4°, van het BVR van 10 juli 2015 wordt artikel 3 van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 gewijzigd. In voornoemd artikel 3 wordt het toepassingsgebied van hoofdstuk 2 omschreven. Zo wordt aangegeven wanneer de bepalingen van hoofdstuk 2 betreffende de goedkeuring van toepassing zijn op de typegoedkeuring of individuele goedkeuring van de aldaar vermelde voertuigen of systemen, onderdelen of technische eenheden ervan en op welke voertuigen de bepalingen van hoofdstuk 2 niet van toepassing zijn. Met de wijzigingen bij artikel 2 van het BVR van 10 juli 2015 aan voornoemd artikel 3 wordt echter niet geraakt aan de “toepassingssfeer” van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 in zijn geheel. Die wordt immers vastgesteld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 dat deel uitmaakt van hoofdstuk 1 van dit koninklijk besluit. 12.5.2. De opheffing van artikel 3, § 4, f), van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 bij artikel 2, 3°, van het BVR van 10 juli 2015 heeft tot gevolg dat daardoor de in artikel 3, § 4, f), van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 vermelde voertuigen die voorheen niet aan “goedkeuring” onderworpen waren, voortaan wel aan goedkeuring worden onderworpen in het Vlaamse Gewest. Het wijzigen van het toepassingsgebied van de goedkeuring in hoofdstuk 2 van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 brengt evenwel niet met zich mee dat daardoor inhoudelijk technische voorschriften worden vastgesteld of gewijzigd. Als er federale technische voorschriften bestaan voor deze voertuigen, zullen die voertuigen voortaan in het Vlaamse Gewest aan deze federaal bepaalde voorschriften worden getoetst. Evenmin heeft de opheffing van artikel 3, § 4, f), betrekking op de inschrijving van voertuigen. IX-9158-27/187 In de voormelde parlementaire voorbereiding heeft de bijzondere wetgever trouwens uitdrukkelijk de materie geregeld in hoofdstuk 2 als overgedragen materie aangeduid, behoudens twee uitdrukkelijk vermelde uitzonderingen. De omschrijving van het toepassingsgebied van de in hoofdstuk 2 bepaalde goedkeuring wordt daarbij niet als uitzondering vermeld, hoewel dit eveneens prominent deel uitmaakt van hoofdstuk 2 waardoor de bijzondere wetgever daaraan niet kan zijn voorbijgegaan. De verwijzing door de verzoekende partij naar het arrest van de Raad van State, nr. 227.117 van 15 april 2014, waarin de Raad oordeelde dat het uitsluitend aan de federale overheid toekwam om te bepalen in welke gevallen van het koninklijk besluit van 2 juni 2010 „betreffende het wegverkeer van uitzonderlijke voertuigen‟ wordt afgeweken, is niet dienstig aangezien dit arrest geen betrekking heeft op de vraag naar de bevoegdheidverdeling vervat in artikel 6, § 1, XII, 4°, BWHI, die hier aan de orde is. Het eerste middelonderdeel is niet gegrond wat artikel 2, 3°, van het BVR van 10 juli 2015 betreft. 12.6. Wat voorafgaat, geldt ook in zoverre bij artikel 2, 2° en 4°, van het BVR van 10 juli 2015 de “bevoegde Vlaamse instantie” in artikel 3, § 4,
  5. e)en § 5, tweede lid, van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 wordt aangewezen. Vastgesteld dient te worden dat daarbij een gewestelijke instantie of een gewestelijke minister bevoegd wordt gemaakt om te bepalen of materieel van een speciale constructie is en aan goedkeuring onderworpen is (artikel 2, 2°) en om de voorwaarden te bepalen waaronder voertuigen en prototypes die niet aan individuele goedkeuring zijn onderworpen, mogen worden gebruikt (artikel 2, 4°). IX-9158-28/187 Beide bepalingen blijken evenzeer deel uit te maken van hoofdstuk 2 en betrekking te hebben op de omschrijving van het toepassingsgebied van de goedkeuring. Ook wat artikel 2, 2° en 4°, van het BVR van 10 juli 2015 betreft, is het eerste middelonderdeel niet gegrond. 12.7. Ingevolge de wijziging van artikel 3bis, § 10, van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 bij artikel 3 van het BVR van 10 juli 2015 worden voortaan in het Vlaamse Gewest de voorwaarden voor EG-goedkeuring van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen, van hun bestanddelen of van hun veiligheidsinrichtingen bepaald door de bevoegde Vlaamse minister. Voornoemd artikel 3bis regelt specifiek de goedkeuring van landbouw- en bosbouwtrekkers en de daarbij te volgen procedure (bijvoorbeeld het prototype dat het voorwerp heeft uitgemaakt van een vorige goedkeuring ter beschikking houden voor de overeenstemmingstest of -controles; de formulieren die moeten worden gebruikt). De EG-typegoedkeuring, waarvan sprake in het voormelde artikel 3bis, § 10, betreft de handeling waarbij een lidstaat verklaart dat een type voertuig, systeem, onderdeel of afzonderlijke technische eenheid voldoet aan de technische voorschriften van deze richtlijn. Het bepalen van de in dit artikel 3bis bedoelde vormvereisten voor dergelijke goedkeuring houdt verband met de goedkeuring en niet met het vaststellen van technische voorschriften voor voertuigen. Wat artikel 3 van het BVR van 10 juli 2015 betreft, is het eerste middelonderdeel niet gegrond. IX-9158-29/187 12.8. Artikel 7 van het BVR van 10 juli 2015 wijzigt artikel 8, § 5, zesde lid, van het koninklijk besluit van 15 maart 1968, dat eveneens deel uitmaakt van hoofdstuk 2 van dit besluit. Artikel 8 van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 heeft betrekking op de wijzigingen van een goedkeuring. Artikel 8, § 5, eerste lid, bepaalt dat elke verbouwing van een voertuig waardoor het voertuig niet meer overeenstemt met het goedkeuringscertificaat, moet worden bekrachtigd met een afwijking ervan. Het derde lid van artikel 8, § 5, vereist de instemming van de fabrikant of zijn gemachtigde wanneer de verbouwing wordt uitgevoerd door een ander persoon dan de fabrikant of zijn gemachtigde en het vierde en het vijfde lid van artikel 8, § 5, voorzien in afwijkingen op deze instemmingsvereiste van de fabrikant of zijn gemachtigde voor verbouwingen met het oog op de installatie van een LPG- of NGV-uitrusting of voor verbouwingen in het kader van een zogenaamde meerstapsgoedkeuring. Artikel 8, § 5, zesde lid, machtigt de Vlaamse minister om andere verbouwingen te bepalen waarvoor geen instemming van de fabrikant vereist is. Met de verwerende partij dient hier te worden vastgesteld dat de instemming van de fabrikant een voorwaarde is voor het verlenen van een homologatie van de verbouwing, hetgeen tot de bevoegdheid van de gewesten inzake de goedkeuring behoort. Ook wat artikel 7 van het BVR van 10 juli 2015 betreft, is het eerste middelonderdeel niet gegrond. 12.9. Artikel 44, 2°, van het BVR van 10 juli 2015 wijzigt artikel 3, § 3bis, van het koninklijk besluit van 10 oktober 1974 „houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de bromfietsen, de motorfietsen en hun aanhangwagens moeten voldoen‟. IX-9158-30/187 Deze bepaling maakt deel uit van hoofdstuk 2 „Goedkeuring‟ van dit besluit en heeft inzonderheid betrekking op de “goedkeuring van de typen van voertuigen”. Ingevolge deze wijziging kan voortaan de bevoegde Vlaamse instantie bij wijze van uitzondering toelaten dat voertuigen of toebehoren, die een verbetering inzake constructie zijn of die goedgekeurd werden volgens regels, welke gelijkwaardig zijn aan of een beter resultaat opleveren dan de in deze reglementering vervatte regels, in het verkeer worden gebracht. Ook hier dient naar analogie verwezen te worden naar de opmerking in de parlementaire voorbereiding waarbij de bijzondere wetgever uitdrukkelijk de materie geregeld in hoofdstuk 2 van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 als overgedragen materie heeft aangeduid, behoudens twee uitdrukkelijk vermelde uitzonderingen. Er valt niet in te zien waarom de bijzondere wetgever voor de materie geregeld in hoofdstuk 2 van het koninklijk besluit van 10 oktober 1974 iets anders zou hebben beoogd. Voornoemd artikel 3, § 3bis, houdt verband met de werkingssfeer en organisatie van de goedkeuring en kan dan ook niet met het aannemen van technische voorschriften worden gelijkgesteld. Wat artikel 44, 2°, van het BVR van 10 juli 2015 betreft, is het eerste middelonderdeel niet gegrond. 12.10.1. Bij artikel 35, 1°, van het BVR van 10 juli 2015 wordt artikel 72, eerste lid, van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 gewijzigd, in die zin dat de minister van Verkeerswezen of zijn gemachtigde en de bevoegde Vlaamse instantie, elk wat hem of haar betreft, het gebruik van bepaalde kleuren of kleurencombinaties voor het schilderen van de buitenkant van de voertuigen kunnen verbieden. IX-9158-31/187 12.10.2. Er kan worden aangenomen dat niet alle voorschriften bepaald in het koninklijk besluit van 15 maart 1968 technische voorschriften zijn in de zin van artikel 6, § 1, XII, 4°, BWHI. In tegenstelling tot het verbod publiciteit te voeren op de buitenste ruiten van de voor het bezoldigd vervoer van personen gebezigde auto‟s, waarmee volgens de Raad van State (arresten nr. 226.741 van 13 maart 2014 en nr. é.914 van 24 februari 2016) veeleer wordt beoogd het comfort van de reizigers te verhogen en waarnaar de verwerende partij verwijst om haar bevoegdheid ter zake te ondersteunen, strekt de mogelijkheid om bepaalde kleuren of kleurencombinaties voor het schilderen van de buitenkant van de voertuigen te verbieden, waarin artikel 72, eerste lid, van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 voorziet, ertoe de verkeersveiligheid te garanderen en te bevorderen en regelt bijgevolg artikel 72, eerste lid, een aangelegenheid die tot de bevoegdheid van de federale overheid behoort. Om die reden kan het standpunt van de verwerende partij dat het bepalen van de kleur van voertuigen een bevoegdheid zou vormen die inherent, accessoir, is aan de aan de deelstaten toegewezen bevoegdheden, ook buiten het geregeld vervoer, niet worden bijgevallen. Overigens doet dat standpunt niet ter zake. De bestreden bepaling betreft immers niet het opleggen van een kleur omwille van de herkenbaarheid van een voertuig maar wel het verbieden van een kleur. Ook het feit dat de Vlaamse instantie bevoegd zou zijn om ter zake regelend op te treden „naast‟ de federale minister van Verkeerswezen of zijn gemachtigde, of minstens de betrokken bepaling bevoegdheidsconform dient te worden geïnterpreteerd, zoals de verwerende partij in ondergeschikte orde opwerpt, kan evenmin worden aangenomen omdat die bepaling een aangelegenheid regelt die tot de bevoegdheid van de verzoekende partij behoort. 12.10.3. In de mate dat de verwerende partij aanvoert dat zij een beroep kan doen op de impliciete bevoegdheden met toepassing van artikel 10 BWHI, dient te worden vastgesteld dat aan de voorwaarden voor het gebruik van die impliciete bevoegdheden in ieder geval niet is voldaan. IX-9158-32/187 Opdat de verwerende partij zich zou kunnen beroepen op artikel 10 BWHI, is immers vereist dat de aangenomen regeling noodzakelijk is voor de uitoefening van de bevoegdheden van het gewest, dat de aangelegenheid zich leent tot een gedifferentieerde regeling en dat de weerslag van de in het geding zijnde bepalingen op de aangelegenheid slechts marginaal is. In casu wordt de bevoegde Vlaamse instantie op algemene wijze in het koninklijk besluit van 15 maart 1968 bevoegd gemaakt naast de federale minister van Verkeerswezen of zijn gemachtigde. De verwerende partij toont niet aan dat de bewuste wijziging noodzakelijk is voor de uitoefening van de in de memorie van antwoord aangehaalde gewestbevoegdheden. De noodzakelijkheid dient immers voor elke specifieke regeling apart te worden aangetoond. De door de verwerende partij in haar memorie van antwoord aangehaalde voorbeelden zijn, wat dat betreft, op dit ogenblik louter hypothetisch en ze volstaan bijgevolg niet om met een beroep op de impliciete bevoegdheden de thans in het geding zijnde algemene delegatie te verantwoorden. 12.10.4. Wat artikel 35, 1°, van het BVR van 10 juli 2015 betreft, is het eerste middelonderdeel gegrond. 12.10.5. Dat leidt tot de nietigverklaring van artikel 35, 1°, van het BVR van 10 juli 2015. 12.11. Wat de artikelen 24 en 25, 2°, van het BVR van 10 juli 2015 betreft, dient met de verwerende partij te worden vastgesteld dat het eerste middelonderdeel berust op een verkeerde lezing van voornoemde bepalingen. In haar memorie van wederantwoord en in haar laatste memorie neemt de verzoekende partij overigens “akte” van het standpunt van de verwerende partij dat de voornoemde artikelen 24 en 25, 2°, enkel wijzigingen aanbrengen aan artikel 31, § 1, 4°, en punt 2.1.2 van artikel 32bis van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 die betrekking hebben op de reisweg van openbare of bijzondere IX-9158-33/187 stedelijke autobusdiensten, waarvan kan worden aangenomen dat ze beogen de gewestelijke wegeninfrastructuur te beschermen en dus hun grondslag vinden in de gewestelijke bevoegdheid inzake de wegen en hun aanhorigheden op grond van artikel 6, § 1, X, eerste lid, 1°, BWHI. Zij dringt niet langer aan op dit onderdeel van het eerste middelonderdeel. In zoverre wordt dit middelonderdeel dan ook verworpen. 12.12. Artikel 25, 1°, van het BVR van 10 juli 2015 wijzigt punt 1.1.3 van artikel 32bis van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 in die zin dat het agentschap aangewezen wordt als instantie die een vervoerstoelating verleent om op de openbare weg te rijden voor voertuigen van klasse III volgens de voorwaarden die het agentschap bepaalt. Deze bepaling maakt deel uit van hoofdstuk 6 „Constructie‟ van het koninklijk besluit van 15 maart 1968. Artikel 32bis heeft in het bijzonder betrekking op afmetingen en massa‟s van voertuigen waarvan de aanvraag tot goedkeuring ingediend is vanaf 1 januari 1985. De gewesten zijn, in zoverre bij hoofdstuk 6 van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 technische eisen worden opgelegd voor de constructie, bevoegd om op de naleving van deze voorschriften toe te zien (artikel 6, § 1, XII, 4°, BWHI). Daarnaast verwijst de verwerende partij ook naar haar bevoegdheid inzake de maximaal toegelaten massa en de massa‟s over de assen (artikel 6, § 1, XII, 3°, BWHI). Luidens de parlementaire voorbereiding past deze overdracht aan de gewesten in de creatie van een homogeen bevoegdheidspakket „zwaar vervoer over de weg‟. Deze bevoegdheid wordt in de parlementaire voorbereiding als volgt toegelicht (Parl.St. Senaat 2012-13, nr. 5-2232/1, 135-136): IX-9158-34/187 “Dit voorstel van bijzondere wet draagt de regels inzake de maximale toegelaten massa van al dan niet beladen voertuigen en slepen en de regels inzake de massa‟s over de assen van de voertuigen opdat deze zich op de openbare weg zouden mogen begeven, over aan de gewesten. De ladingzekering verwijst naar de algemene regels inzake de ladingsvoorschriften, zoals bedoeld in de artikelen 2.55 tot 2.60, 45, 45bis, van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie en het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, zoals gewijzigd bij het koninklijk besluit van 27 april 2007. Deze overdracht heeft eveneens betrekking op de afmetingen en de signalisatie van de lading zoals bedoeld in de artikelen 46 en 47 van hetzelfde koninklijk besluit.” De verwerende partij wijst ten slotte ook nog op de gewestbevoegdheid inzake de wegen en hun aanhorigheden, bedoeld in artikel 6, § 1, X, eerste lid, 1°, BWHI. Op te merken valt dat de gewesten aldus ook bevoegd zijn voor de zorg voor de wegeninfrastructuur, wat impliceert dat zij eveneens technische voorschriften kunnen uitvaardigen voor zover deze beogen de wegeninfrastructuur te beschermen en de beschadiging van het wegdek te voorkomen, bijvoorbeeld ter bestrijding van schade aan het wegdek ingevolge spoorvorming. De bewuste bepaling inzake het verlenen van de vervoerstoelating kan binnen deze bevoegdheden worden ingepast. Wat de bepaling van voorwaarden door het agentschap betreft, geldt dit slechts onder voorbehoud van een bevoegdheidsconforme interpretatie, namelijk dat het gaat om andere dan federale technische voorschriften, zoals de verwerende partij zelf aangeeft in haar memorie van antwoord, of ook wanneer aannemelijk kan worden gemaakt dat ze in hoofdzaak strekken tot bescherming van de verkeersinfrastructuur tegen schade en aldus gegrond kunnen worden op de gewestbevoegdheid inzake de wegen en hun aanhorigheden, bedoeld in artikel 6, § 1, X, eerste lid, 1°, BWHI. Gelet op het voorgaande is het eerste middelonderdeel bijgevolg evenmin gegrond wat artikel 25, 1°, van het BVR van 10 juli 2015 betreft. IX-9158-35/187 (
  6. b)Tweede middelonderdeel Uiteenzetting van het middelonderdeel 13. In een tweede middelonderdeel dat gericht is tegen de artikelen 36 en 41 van het BVR van 10 juli 2015, voert de verzoekende partij de schending aan van de bevoegdheidverdelende regels, in het bijzonder artikel 6, § 1, XII, 1°, 4° en 5°, BWHI en de federale residuaire bevoegdheid, in zoverre bij voornoemde bepalingen een regeling wordt getroffen inzake de snelheidsbegrenzer en de erkenning van installateurs van snelheidsbegrenzers. De regels opgenomen in artikel 77 van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 zijn volgens de verzoekende partij als zodanig geen federale technische voorschriften voor voertuigen met het oog op hun inverkeerstelling, maar hebben, meer algemeen, betrekking op een federale (residuaire) bevoegdheid inzake verkeersveiligheid. Het valt niet aan de gewesten toe om op grond van hun bevoegdheid inzake het toezicht op de naleving van de federale technische voorschriften normerend op te treden, maar wel aan de federale overheid om regelgevend op te treden inzake de goedkeuring, de ijking en de installatie van de toestellen die worden gebruikt om toezicht te houden op de naleving van de voorschriften met betrekking tot de snelheidsbegrenzer. Bijkomend wijst de verzoekende partij erop dat de snelheidsbegrenzer ervoor zorgt dat de snelheid van het voertuig, al naargelang de categorie, niet meer dan 100 of niet meer dan 90 kilometer per uur kan bedragen, waaruit volgens haar moet worden afgeleid dat de snelheidsbegrenzer zich dus in de eerste plaats richt op het beperken van de snelheid van (bepaalde categorieën van) voertuigen op de autosnelwegen, wat onmiskenbaar een federale bevoegdheid is. In de mate dat de verwerende partij zich zou beroepen op haar bevoegdheid inzake de vestigingsvoorwaarden, merkt de verzoekende partij op dat IX-9158-36/187 met het vaststellen van voorschriften voor installateurs van snelheidsbegrenzers geen “beroep” wordt geregeld, waarvoor vestigingsvoorwaarden zouden kunnen worden bepaald, maar een aantal (kwaliteits)vereisten worden vooropgesteld waaraan een installateur moet voldoen opdat hij, met inachtneming van de regels inzake verkeersveiligheid, installaties zou kunnen verrichten van goedgekeurde modellen van snelheidsbegrenzers en er de snelheid van afstellen. Voor zoveel als nodig, merkt zij ook op dat de bestreden artikelen 36 en 41 geen verband houden met de gewestelijke bevoegdheid op het stuk van “de homologatie van radars en andere instrumenten die gelinkt zijn met de gewestelijke bevoegdheden”, wat onder meer zou kunnen worden afgeleid uit de parlementaire voorbereiding bij de bijzondere wet Zesde Staatshervorming. 14. In haar memorie van wederantwoord wijst de verzoekende partij erop dat, wat de controle op de snelheidsbegrenzers betreft, de goedkeuring betrekking heeft op het voertuig zelf en een vereiste is met het oog op de inverkeerstelling. De snelheidsbegrenzer is een afzonderlijke inrichting die losstaat van de voorafgaande goedkeuring van het voertuig. Voorts moet er volgens haar een onderscheid gemaakt worden tussen de technische keuring enerzijds en de vaststelling van technische voorschriften anderzijds. Wat de erkenning als installateur van snelheidsbegrenzers betreft, betwist de verzoekende partij dat de verwerende partij op grond van haar bevoegdheid inzake de vestigingsvoorwaarden bevoegd zou zijn om wijzigingen aan te brengen aan de erkenningsregeling. Ook het in ondergeschikte orde aangevoerde standpunt van de verwerende partij inzake de gedeelde bevoegdheid kan volgens haar niet worden gevolgd. De bevoegdheidsverdeling tussen de verschillende componenten van de federale staat berust op het exclusiviteitsbeginsel, dat veronderstelt dat elke rechtssituatie in beginsel slechts door één wetgever kan worden geregeld. Indien een regeling, zoals te dezen, aanleunt bij meerdere bevoegdheidstoewijzingen, dient de Raad van State uit te maken waar het zwaartepunt van de geregelde rechtssituatie ligt. Hoewel de IX-9158-37/187 regeling inzake de snelheidsbegrenzer onrechtstreeks aanleunt bij de bevoegdheid inzake de snelheidsbeperkingen in de zin van artikel 6, §1, XII, 1°, BWHI gaat het niettemin om een andere aangelegenheid. Het begrip „snelheidsbeperking‟ moet immers restrictief worden geïnterpreteerd. Artikel 77 van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 regelt derhalve een andere aangelegenheid waarvoor enkel de federale overheid bevoegd is. Beoordeling 15.1. In het tweede middelonderdeel, dat is gericht tegen de artikelen 36 en 41 van het BVR van 10 juli 2015, voert de verzoekende partij de schending aan van de bevoegdheidverdelende regels, in het bijzonder van artikel 6, § 1, XII, 1°, 4° en 5°, BWHI en de federale residuaire bevoegdheid, in zoverre bij de voornoemde bepalingen een regeling wordt getroffen inzake de snelheids- begrenzer en de erkenning van installateurs van snelheidsbegrenzers. In essentie stelt de verzoekende partij dat de regels opgenomen in artikel 77 van het koninklijk besluit van 15 maart 1968, geen federale technische voorschriften voor voertuigen met het oog op hun inverkeerstelling als zodanig zijn, maar meer algemeen betrekking hebben op een federale (residuaire) bevoegdheid inzake verkeersveiligheid. Het zijn dus niet de gewesten, op grond van hun bevoegdheid inzake het toezicht op de naleving van de federale technische voorschriften, maar het is de federale overheid die bevoegd is gebleven om regelgevend op te treden. 15.2. De artikelen 36 en 41 van het BVR van 10 juli 2015 maken beide deel uit van hoofdstuk 1 van dat besluit, dat het koninklijk besluit van 15 maart 1968 wijzigt. Voornoemd artikel 36 wijzigt artikel 77 van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 dat deel uitmaakt van hoofdstuk 8 „Bijzondere bepalingen‟. De wijzigingen hebben specifiek betrekking op punt 5 inzake de IX-9158-38/187 erkenning als installateur van snelheidsbegrenzers, punt 6 inzake het register dat bij installatie moet worden gehanteerd en punt 8 (
  7. a)inzake de controle van de snelheidsbegrenzer door een erkend installateur. Artikel 41 van het BVR van 10 juli 2015 wijzigt bijlage 21 bij het koninklijk besluit van 15 maart 1968 die de erkenningsvoorwaarden voor de controle-instellingen van de erkende werkplaatsen voor het installeren van snelheidsbegrenzers bepaalt. 15.3. Bij artikel 6, § 1, XII, 4°, BWHI wordt aan de gewesten wat het verkeersveiligheidsbeleid betreft, het toezicht opgedragen op de naleving van de federale technische voorschriften voor voertuigen met het oog op hun inverkeerstelling en de technische keuring van voertuigen die op de weg rijden in toepassing van de federale normen, met dien verstande dat de natuurlijke en rechtspersonen gevestigd in een gewest vrij zijn om hun voertuig te laten controleren in een centrum voor technische keuring dat in een ander gewest is gelegen. Zoals reeds werd uiteengezet bij de beoordeling van het eerste middelonderdeel, houdt deze bevoegdheid niet alleen de bevoegdheid in om toe te zien op de naleving van de federale technische voorschriften die vervat zijn in het koninklijk besluit van 15 maart 1968 maar ook die welke eventueel bepaald zijn in andere regelgeving. Bovendien is hiervóór (sub 12.3) reeds erop gewezen dat de aan de gewesten overgedragen toezichtsbevoegdheid afwijkt van het beginsel waarbij de overheid aan wie de regelgeving in een aangelegenheid is toegewezen, ook belast is met de tenuitvoerlegging en de controle ervan. Uit de voormelde toelichting bij de bijzondere wet Zesde Staatshervorming blijkt dat de overgedragen bevoegdheid niet alleen betrekking heeft op voertuigen, maar ook op de onderdelen daarvan. IX-9158-39/187 Eenmaal daarvoor technische voorschriften zijn vastgesteld, valt de toezichtsbevoegdheid erop toe aan de gewesten. Die toezichtsbevoegdheid omvat zowel de typegoedkeuring en de eerste controle van voertuigen (de zogenaamde homologatie) alsook alle navolgende controles voor de in het verkeer gebrachte voertuigen teneinde na te gaan of ze conform zijn met de federale technische voorschriften en eisen die erop van toepassing zijn. Er mag bijgevolg worden aangenomen dat de bijzondere wetgever met het toezicht op de naleving van technische voorschriften voor voertuigen ook de met deze goedkeuring en controle vergelijkbare bepalingen heeft bedoeld. Uit de opsomming van de koninklijke en ministeriële besluiten in de memorie van toelichting bij de overdracht van de bevoegdheid inzake technische keuring blijkt bovendien dat de bijzondere wetgever hiermee tevens de organisatie van deze goedkeuring en technische controle beoogde. 15.4. Zoals in de bij het eerste onderdeel van het middel vermelde parlementaire voorbereiding met betrekking tot de bevoegdheidsoverdracht aan de gewesten bij artikel 6, § 1, XII, 4°, BWHI wordt gesteld, zijn de specifieke technische voorschriften en eisen momenteel hoofdzakelijk bepaald in Europese richtlijnen. Richtlijn 92/6/EEG van de Raad van 10 februari 1992 „betreffende de installatie en het gebruik, in de Gemeenschap, van snelheidsbegrenzers in bepaalde categorieën motorvoertuigen‟, zoals gewijzigd bij richtlijn 2002/85/EG, bepaalt de gemeenschappelijke voorschriften die van toepassing zijn op het internationaal vervoer binnen de Europese Unie en beoogt onder meer de verkeersveiligheid te verhogen. Deze richtlijn is omgezet in het koninklijk besluit van 15 maart 1968. Artikel 5 van de voormelde richtlijn 92/6/EEG bepaalt onder meer dat de snelheidsbegrenzers moeten voldoen aan de “technische voorschriften” die zijn vastgesteld in de bijlage bij richtlijn 92/24/EEG van de Raad van 31 maart 1992 „betreffende snelheidsbegrenzers of soortgelijke IX-9158-40/187 begrenzingssystemen voor bepaalde categorieën motorvoertuigen‟ (deze richtlijn is evenwel ingetrokken bij verordening (EG) nr. 661/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 „betreffende typegoedkeurings- voorschriften voor de algemene veiligheid van motorvoertuigen, aanhangwagens daarvan en daarvoor bestemde systemen, onderdelen en technische eenheden‟) en dat deze snelheidsbegrenzers moeten worden geïnstalleerd door bedrijven of instanties die door de lidstaten zijn erkend. 15.5. Uit richtlijn 92/6/EEG volgt dat de eisen waaraan snelheids- begrenzers of soortgelijke begrenzingssystemen moeten voldoen, „technische voorschriften‟ zijn. Er is geen reden om dit uit intern bevoegdheidsoogpunt anders te kwalificeren. De regels inzake de erkenning van installateurs, het bijhouden van het register en inzake de controle van de snelheidsbegrenzer houden dan ook verband met deze technische voorschriften. Ze beogen te verzekeren dat de snelheidsbegrenzers in voertuigen worden geplaatst op een wijze dat ze in overeenstemming zijn met die voorschriften. Het toezicht op de naleving met inbegrip van de organisatie ervan, valt dan ook toe aan de gewesten. 15.6. In de mate dat de verzoekende partij aanvoert dat de bestreden bepalingen er slechts toe strekken te voorzien in een erkennings- en vergunningsstelsel voor installateurs van snelheidsbegrenzers dat verband houdt met haar materiële bevoegdheid inzake het vaststellen van technische voorschriften, gaat zij eraan voorbij dat door de bevoegdheidsoverdracht aan de gewesten van het toezicht op de naleving van deze federale technische voorschriften met het oog op de inverkeerstelling en de technische keuring van voertuigen die op de weg rijden in toepassing van de federale normen, het verticaliteitsbeginsel werd doorbroken en dat dit toezicht toegewezen is aan de gewesten. IX-9158-41/187 15.7. Uit wat voorafgaat volgt dat het tweede middelonderdeel niet gegrond is. (
  8. c)Derde middelonderdeel Uiteenzetting van het middelonderdeel 16. In het derde middelonderdeel, dat gericht is tegen de artikelen 9 en 22, 1°, van het BVR van 10 juli 2015, voert de verzoekende partij de schending aan van de bevoegdheidverdelende regels, in het bijzonder artikel 6, § 1, XII, 4°, BWHI en de federale residuaire bevoegdheid, in zoverre bij de voornoemde bepalingen de inschrijving en de inverkeerstelling van voertuigen worden geregeld. Bij artikel 9 van het BVR van 10 juli 2015 wordt een wijziging aangebracht aan artikel 14 van het koninklijk besluit van 15 maart 1968, als gevolg waarvan het niet langer de federale overheid, maar de “Vlaamse bevoegde instantie” zou zijn die zou beslissen om de termijnen voor het leveren en het in verkeer brengen van voertuigen te verlengen. Die regeling houdt volgens de verzoekende partij evenwel rechtstreeks verband met de bevoegdheid van de federale overheid inzake de inschrijving en de inverkeerstelling van voertuigen. Het is niet omdat de gewesten op grond van artikel 6, § 1, XII, 4°, BWHI bevoegd zijn voor het toezicht op de naleving van de federale technische voorschriften voor voertuigen “met het oog op hun inverkeerstelling” dat zij voortaan ook bevoegd zouden zijn om de voorschriften die betrekking hebben op de eigenlijke „inschrijving‟, de „inverkeerstelling‟, het gebruik of de buitengebruikstelling van deze voertuigen nader te bepalen. Bij artikel 22, 1°, van het BVR van 10 juli 2015 wordt een wijziging aangebracht aan artikel 23undecies, § 2, van het koninklijk besluit van 15 maart 1968, waardoor het voortaan de bevoegde Vlaamse minister zou zijn die de bedragen kan aanpassen van de door de erkende instellingen voor IX-9158-42/187 autokeuringen te innen vergoedingen. Artikel 23undecies van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 heeft niet enkel betrekking op vergoedingen die verband houden met de technische keuring op zich, waarvan kan worden aangenomen dat het Vlaamse Gewest er naar aanleiding van de zesde staatshervorming bevoegd voor is geworden. Deze bevoegdheid strekt zich echter niet uit tot de andere (louter administratieve) handelingen die thans door de keuringsinstellingen worden verricht: de vergoedingen die worden betaald naar aanleiding van een administratieve keuring of herkeuring (zie artikel 23undecies, § 1, 2°, b), het opstellen, valideren en afgeven van een aanvraag tot inschrijving (zie artikel 23undecies, § 1, 6°), het kleven van een vignet voor de verlenging van de geldigheid van een handelaars- of proefrittenplaat (zie artikel 23undecies, § 1, 23°) en de registratie van de gegevens vermeld in het gelijkvormigheidsattest of in het certificaat van overeenstemming van het voertuig (zie artikel 23undecies, § 1, 28°). Door (eenzijdig) artikel 23undecies, § 2, van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 te wijzigen en de Vlaamse minister aldus bevoegd te willen maken voor het vaststellen van alle vergoedingen zonder onderscheid die zijn opgenomen in artikel 23undecies, § 1, van het voormelde koninklijk besluit, heeft de verwerende partij geen rekening gehouden met de federale (residuaire) bevoegdheid ter zake. 17. In haar memorie van wederantwoord herhaalt de verzoekende partij vooreerst dat de in artikel 14, § 1, 10° en 11°, van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 geregelde aangelegenheden verband houden met de bevoegdheid van de federale overheid inzake de inschrijving en de inverkeerstelling van voertuigen. Ze vormen geen “modaliteit” van de aan de gewesten toegewezen bevoegdheid inzake het toezicht op de naleving van de federale technische voorschriften voor voertuigen met het oog op hun inverkeerstelling. Aangaande artikel 22, 1°, van het BVR van 10 juli 2015 inzake de vergoedingen blijkt uit de toelichting bij de bijzondere wet Zesde Staatshervorming dat de gewesten slechts bevoegd zijn voor de technische keuring IX-9158-43/187 van de in het verkeer gebrachte voertuigen “om na te gaan of ze conform zijn met de federale technische voorschriften en eisen die erop van toepassing zijn” (Parl.St. Senaat 2012-13, nr. 5-2232/1, 143). De bijzondere wetgever preciseerde bovendien onmiddellijk dat het federale niveau bevoegd blijft voor de productnormen en de inschrijving van de voertuigen. De bevoegdheid van de gewesten inzake de technische keuring van de voertuigen is met andere woorden onlosmakelijk verbonden met (de controle
  9. op)de federale technische voorschriften. 18. In haar laatste memorie verwijst de verzoekende partij, wat het bestreden artikel 9 betreft, in de eerste plaats naar wat zij heeft uiteengezet onder het eerste middelonderdeel. Daaruit blijkt dat de loutere omstandigheid dat een bepaling is opgenomen onder hoofdstuk 2 van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 a priori niet bepalend is voor de bevoegdheidsrechtelijke kwalificatie, maar dat moet worden gekeken naar de concrete inhoud en draagwijdte ervan. Artikel 14 van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 regelt, overeenkomstig het opschrift ervan, de “registratie, verkoop en in het verkeer brengen” van voertuigen. De begrippen „registratie‟ en „in het verkeer brengen‟ worden gebruikt om te wijzen op de inschrijving bij de Dienst voor Inschrijvingen van Voertuigen (hierna: DIV). Ze houden geen verband met de gewestelijke bevoegdheid inzake het toezicht op de naleving van technische voorschriften. De reden waarom er niet uitdrukkelijk sprake is van de inschrijving bij de DIV, maar van „registratie‟ en „in het verkeer brengen‟, is dat niet alle voertuigen steeds moeten worden ingeschreven bij de DIV om in het verkeer te worden gebracht. Voertuigen waarvan werd geoordeeld dat ze beantwoorden aan de erop van toepassing zijnde technische voorschriften en die op grond daarvan een goedkeuring krijgen, moeten binnen een welbepaalde termijn worden ingeschreven bij de DIV. In bepaalde gevallen kan de fabrikant, eigenaar of invoerder echter vragen om voertuigen ook na het verstrijken van de termijn van zeven jaar nog in te schrijven bij de DIV. Gebeurt dit niet, dan zal het vervallen van IX-9158-44/187 de goedkeuring met zich meebrengen dat deze voertuigen niet langer zullen mogen worden ingeschreven bij de DIV. Een dergelijk verzoek houdt dus ontegensprekelijk verband met de inschrijving en inverkeerstelling van voertuigen. De loutere omstandigheid dat deze bepaling niet is opgenomen in het koninklijk besluit van 20 juli 2001 „betreffende de inschrijving van voertuigen‟ (hierna ook: het koninklijk besluit van 20 juli 2001) is niet bepalend voor de bevoegdheids- rechtelijke kwalificatie ervan en sluit als dusdanig niet uit dat hiermee alsnog de inschrijving of de eigenlijke inverkeerstelling van voertuigen wordt geregeld. Wat het bestreden artikel 22, 1°, betreft, herhaalt de verzoekende partij dat de opname van een bepaling onder een bepaald hoofdstuk van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 weliswaar een indicatie kan geven op het vlak van de bevoegdheidsrechtelijke kwalificatie ervan, maar dat dit element, op zich genomen, niet bepalend is om te besluiten of een regeling behoort tot de bevoegdheid van de gewesten of de federale overheid. Artikel 22, 1°, wijzigt artikel 23undecies, § 2, van het koninklijk besluit van 15 maart 1968. Dat sommige van de bedragen vermeld in artikel 23undecies van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 betrekking hebben op de eigenlijke inschrijving van voertuigen in plaats van op de technische keuring blijkt onder meer uit de omstandigheid dat sommige prestaties worden uitgevoerd zonder dat het voertuig ter technische keuring wordt aangeboden. Het onderscheid tussen de door erkende instellingen voor autokeuringen te innen bedragen voor technische keuring enerzijds en voor andere “louter administratieve handelingen” anderzijds, vindt steun in de parlementaire voorbereiding bij de bijzondere wet Zesde Staatshervorming. De bijzondere wetgever heeft immers uitdrukkelijk bepaald dat de gewesten bevoegd worden om de technische keuring van de in het verkeer gebrachte voertuigen uit te voeren, teneinde na te gaan “of ze conform zijn met de federale technische voorschriften”. De bijzondere wetgever heeft echter nergens gesteld dat de handelingen die thans worden uitgevoerd door de erkende instellingen voor autokeuringen, maar die geen IX-9158-45/187 verband houden met het nagaan van de conformiteit met de federale technische voorschriften van de in het verkeer gebrachte voertuigen, eveneens tot de bevoegdheid van de gewesten zouden behoren. Bij gebrek aan een dergelijke precisering, hetzij in de tekst van de bijzondere wet, hetzij in de parlementaire voorbereiding ervan, moet worden aangenomen dat dit niet werd overgedragen aan de gewesten. Beoordeling 19.1. In het derde middelonderdeel, dat gericht is tegen de artikelen 9 en 22, 1°, van het BVR van 10 juli 2015, voert de verzoekende partij de schending aan van de bevoegdheidverdelende regels, in het bijzonder artikel 6, § 1, XII, 4°, BWHI en de federale residuaire bevoegdheid, in zoverre bij de voornoemde bepalingen de inschrijving en de inverkeerstelling van voertuigen worden geregeld. 19.2.1. Bij artikel 9 van het BVR van 10 juli 2015 wordt artikel 14, § 1, punten 10 en 11, van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 „houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto‟s, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen‟ gewijzigd. Artikel 14, § 1, luidt na die wijziging als volgt (wijzigingen tussen vierkante haakjes): “Registratie, verkoop en in het verkeer brengen van voertuigen 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 15, § 1 en 2, is de registratie van de voertuigen en de verkoop of het in het verkeer brengen ervan alleen mogelijk indien die voertuigen vergezeld gaan van een overeenkomstig artikel 10, § 2 geldig certificaat van overeenstemming. In het geval van incomplete voertuigen, is de verkoop toegestaan, maar kunnen de definitieve registratie en het in het verkeer brengen worden geweigerd zolang de voertuigen incompleet zijn. 2. De levering van een voertuig van de categorieën M, N, O, T, C, R en S dat niet in alle opzichten overeenstemt met het goedkeuringscertificaat is verboden, tenzij er voor de levering schriftelijk tussen partijen werd overeengekomen dat het betrokken voertuig wordt beschouwd als niet bedoeld voor gebruik op de openbare weg. 3. Het in het verkeer brengen op de openbare weg van een voertuig van de categorieën M, N, O, T, C, R en S dat niet in alle opzichten overeenkomt met het goedkeuringscertificaat is verboden. 4. Het in het verkeer brengen op de openbare weg van speciaal gebouwde voertuigen bedoeld in artikel 3, § 4, punt e, waarvan het type niet is onderworpen aan een proces-verbaal van benaming of dat niet volledig IX-9158-46/187 beantwoordt aan het type vermeld in het document waarvan sprake in datzelfde punt, is verboden. 5. Voertuigen die vrijgesteld zijn van een certificaat van overeenstemming, mogen alleen worden geregistreerd, verkocht of in het verkeer gebracht indien zij aan de relevante technische voorschriften van dit hoofdstuk voldoen. 6. Het aantal in kleine series gebouwde voertuigen dat per jaar wordt geregistreerd, verkocht of in het verkeer gebracht, mag het in bijlage 34, deel A, aangegeven aantal eenheden niet overschrijden. 7. De levering van nieuwe voertuigen door de fabrikant of zijn gemachtigde die gelijkvormig zijn verklaard met het goedgekeurde type en die het nummer van het goedkeuringscertificaat hebben dat met dit type overeenkomt, moet binnen een periode van zes jaar gebeuren te rekenen vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de afgifte van die goedkeuring. Na de periode van zes jaar wordt het voertuigtype beschouwd als niet meer beantwoordend aan de wetgeving en is elke levering van nieuwe voertuigen die aan dit type beantwoorden verboden. Indien de fabrikant dit type van voertuig verder wenst te verkopen na de periode van zes jaar, moet hij een nieuwe goedkeuring aanvragen op basis van de op dat ogenblik vigerende wetgeving. 8. Het in het verkeer brengen van een nieuw voertuig dat beantwoordt aan een goedgekeurd type moet gebeuren tijdens de periode van zeven jaar vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de afgifte van het goedkeuringscertificaat dat betrekking heeft op dit voertuigtype. 9. Het in het verkeer brengen in België van in oude staat ingevoerde voertuigen van meer dan zeven jaar oud is toegelaten op voorwaarde dat zij overeenstemmen met een goedkeuringscertificaat en dat de eerste indienststelling in het buitenland plaats heeft gehad tijdens de periode van zeven jaar vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de afgifte van dit goedkeuringscertificaat. 10. Als de omstandigheden dit vergen, kan de [Vlaamse] bevoegde instantie de termijnen bepaald in punt 7, 8 en 9 twee jaar verlengen. Deze verlenging kan slechts toegekend worden op verzoek hetzij van de fabrikant of zijn gemachtigde in de gevallen bedoeld in punt 7 en 8, hetzij van de eigenaar of de invoerder in de gevallen bedoeld in punt 9. 11. De levering en de eerste ingebruikneming van voertuigen of van aanhangwagens onder dekking van een proces-verbaal van goedkeuring uitgereikt overeenkomstig het algemeen reglement gevoegd bij het besluit van de Regent van 22 mei 1947, of van één van de jaarlijks door [de goedkeuringsinstantie] opgemaakte lijsten met de personenauto‟s en auto‟s voor dubbel gebruik die beantwoorden aan de bepalingen van het besluit van de Regent van 10 juni 1947, worden toegestaan onder de in punten 1 en 5 tot 8 van dit artikel aangegeven voorwaarden, voor zover het een voertuigtype betreft dat beantwoordt aan de voorschriften van dit algemeen reglement.” Luidens artikel 6, § 1, XII, 4°, BWHI zijn de gewesten inzake het verkeersveiligheidsbeleid bevoegd voor “het toezicht op de naleving van de technische federale voorschriften voor voertuigen met het oog op hun inverkeerstelling en de technische keuring van voertuigen die op de weg rijden in toepassing van de federale normen, met dien verstande dat de natuurlijke en rechtspersonen gevestigd in een gewest vrij zijn om hun voertuig te laten controleren in een centrum voor technische keuring dat in een ander gewest is gelegen”. IX-9158-47/187 Zoals hiervóór reeds herhaaldelijk werd opgemerkt, blijkt uit de parlementaire voorbereiding van de bijzondere wet Zesde Staatshervorming dat, wat betreft de overheveling naar de gewesten van de controle op de naleving van de technische voorschriften van de voertuigen, deze in elk geval de materie omvat bedoeld in hoofdstuk 2 van het koninklijk besluit van 15 maart 1968, voor zover de bepalingen van dit hoofdstuk geen betrekking hebben op de inschrijving van voertuigen, noch op de productnormen. Aangezien voormeld artikel 14 deel uitmaakt van hoofdstuk 2 van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 dient in beginsel aangenomen te worden dat het valt onder de bevoegdheid die aan de gewesten werd overgedragen, tenzij de verzoekende partij aannemelijk maakt dat voormelde bepaling specifiek betrekking heeft op de federaal gebleven bevoegdheid inzake de inschrijving van voertuigen of productnormen. De verzoekende partij beweert niet dat het om productnormen gaat. Het standpunt van de verzoekende partij dat de betrokken bepaling betrekking zou hebben op de inschrijving van voertuigen kan niet worden gevolgd. Overeenkomstig artikel 1, 1°, van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 „betreffende de inschrijving van voertuigen‟ wordt de inschrijving gedefinieerd als “de administratieve toestemming voor de deelname van een voertuig aan het wegverkeer die de identificatie daarvan in een repertorium van voertuigen, alsook de toekenning van een inschrijvingsnummer omvat”. De betwiste bepalingen maken geen deel uit van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 dat specifiek de inschrijving van voertuigen regelt. Ze blijken betrekking te hebben op het verlengen van de in artikel 14, § 1, punten 7, 8 IX-9158-48/187 en 9, van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 vermelde geldigheidsduur van de goedkeuring met het oog op de levering van een nieuw voertuig of het in het verkeer brengen van een nieuw/in oude staat ingevoerd voertuig enerzijds en op het jaarlijks opstellen van lijsten door de goedkeuringsinstantie anderzijds, hetgeen niet met de inschrijving van voertuigen kan worden gelijkgesteld. Beide aspecten houden verband met het toezicht op de naleving van technische voorschriften en de organisatie van dat toezicht. Dit wordt ook bevestigd in artikel 14, § 1, punt 7, tweede lid, van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 waarin gesteld wordt dat na de periode van zes jaar het voertuigtype “beschouwd [wordt] als niet meer beantwoordend aan de wetgeving” en dat verkoop enkel mag na een nieuwe goedkeuring. De overgedragen toezichts- bevoegdheid impliceert juist dat wordt nagegaan of aan de federale technische voorschriften is voldaan. 19.2.2. Uit wat voorafgaat volgt dat wat artikel 9 van het BVR van 10 juli 2015 betreft, het derde middelonderdeel niet gegrond is. 19.3.1. Bij artikel 22, 1°, van het BVR van 10 juli 2015 wordt artikel 23undecies, § 2, van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 gewijzigd. Artikel 23undecies, § 2, luidde ingevolge die wijziging als volgt (wijziging tussen vierkante haakjes): “Elke twee jaar op 1 januari, en voor de eerste keer in 2012, past de [Vlaamse] minister de in paragraaf 1 vermelde bedragen aan, met dien verstande dat de stijging van het totaal van de bedragen niet meer mag bedragen dan de evolutie van de gezondheidsindex van de maand november van het voorgaande jaar. Het basisindexcijfer is dat van de maand november 2009.” De verzoekende partij voert aan dat artikel 23undecies van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 niet enkel betrekking heeft op vergoedingen die verband houden met de technische keuring op zich – waarvan zij aanneemt dat het Vlaamse Gewest sinds de zesde staatshervorming ervoor bevoegd is – maar IX-9158-49/187 ook op vergoedingen die worden betaald naar aanleiding van een reeks “andere” handelingen waarvoor zij bevoegd zou zijn gebleven. Wat de omschrijving van de bevoegdheid inzake de technische keuring betreft, heeft de bijzondere wetgever zelf een opsomming gegeven van de teksten waarin deze materie “in elk geval” wordt geregeld. Uit de parlementaire voorbereiding van de bijzondere wet Zesde Staatshervorming blijkt aldus dat, wat de overheveling naar de gewesten van de technische keuring van voertuigen betreft, het in elk geval de materie betreft bedoeld in hoofdstuk 4 van het koninklijk besluit van 15 maart 1968, evenals in de overige koninklijke en ministeriële besluiten en de ministeriële omzendbrief die nominatief in de parlementaire voorbereiding werden opgesomd (Parl.St. Senaat 2012-13, nr. 5-2232/1, 143-144). Aangezien voormeld artikel 23undecies, § 2, deel uitmaakt van hoofdstuk 4 van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 dient in beginsel aangenomen te worden dat het valt onder de bevoegdheid die aan de gewesten werd overgedragen, temeer daar ook de ministeriële omzendbrief van 13 januari 2012 „houdende indexering van de bedragen van de door de erkende instellingen voor autokeuringen te innen vergoedingen, de belasting over de toegevoegde waarde inbegrepen‟ uitdrukkelijk door de bijzondere wetgever wordt opgesomd in voormelde nominatieve lijst. Deze omzendbrief bepaalt, ter uitvoering van het voormelde artikel 23undecies, § 2, dat de in artikel 23undecies, § 1, van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 vermelde bedragen worden aangepast aan de evolutie van de gezondheidsindex en vermeldt tevens de nieuwe bedragen, met inbegrip van de vergoedingen die dienen te worden betaald naar aanleiding van de door de verzoekende partij opgesomde “andere” handelingen. Het door de verzoekende partij gemaakte onderscheid tussen de door de erkende instellingen voor autokeuringen te innen bedragen voor technische keuring enerzijds en voor “andere louter administratieve handelingen” anderzijds IX-9158-50/187 vindt met andere woorden geen steun in de parlementaire voorbereiding van de bijzondere wet Zesde Staatshervorming. Overigens wordt ook in de parlementaire voorbereiding van de bijzondere wet Zesde Staatshervorming niet alleen verwezen naar het nazicht van de conformiteit “met de federale technische voorschriften”, doch ook met de “eisen die erop van toepassing zijn”. Voorts mag ook worden aangenomen dat deze overgedragen bevoegdheid tevens de regelgevende bevoegdheid omvat om die “technische keuring” te organiseren. 19.3.2. Het derde middelonderdeel is, wat artikel 22, 1°, van het BVR van 10 juli 2015 betreft, niet gegrond. (
  10. d)Vierde middelonderdeel Standpunt van de partijen 20. In het vierde middelonderdeel, dat is gericht tegen artikel 23, 13°, van het BVR van 10 juli 2015, voert de verzoekende partij de schending aan van de bevoegdheidverdelende regels, in het bijzonder het verticaliteitsbeginsel, in zoverre bij voornoemde bepaling een mededelingsplicht wordt opgelegd aan bepaalde leden van de federale regering. Zij stelt dat bij artikel 23, 13°, van het BVR van 10 juli 2015 een wijziging wordt aangebracht aan artikel 28, § 7, van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 „houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto‟s, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen‟. Luidens het gewijzigde artikel 28, § 7, van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 dienen de federale minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken en voor Volksgezondheid, elk wat hem betreft, voorafgaandelijk aan de Vlaamse minister IX-9158-51/187 bevoegd voor het mobiliteitsbeleid, de openbare werken en het vervoer, de montagevoorwaarden mee te delen van de bijkomende signalisatie voor de voertuigen van de brandweerdiensten, de prezones en hulpverleningszones, de civiele bescherming en de ambulances en voor de voertuigen voor dringende medische interventie. De verzoekende partij verwijst hiervoor in de eerste plaats naar de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof naar luid waarvan de autonomie die de federale overheid en de gemeenschappen of de gewesten binnen hun eigen bevoegdheidssfeer hebben, in beginsel verhindert dat de ene overheid een dienst die tot een andere overheid behoort zonder instemming van deze laatste verplicht om haar medewerking te verlenen aan de uitvoering van het beleid van die eerste overheid. Zij wijst er ook op dat in advies 57.371/VR/3 van 15 juni 2015 van de afdeling Wetgeving van de Raad van State bij het ontwerp dat later het voornoemde BVR van 10 juli 2015 is geworden, in dat verband is opgemerkt, dat het helemaal niet nodig is om deze mededelingsplicht op te leggen, nu de desbetreffende eisen inzake bijkomende signalisatie in het Belgisch Staatsblad zullen moeten worden bekendgemaakt, zodat de gewesten die bevoegd zijn inzake het toezicht op de naleving van die technische eisen, er kennis van kunnen nemen. 21. In haar memorie van antwoord stelt de verwerende partij in essentie dat de mogelijkheid om te bepalen dat de federale regering de montagevoorschriften voor de bijkomende signalisatie moet meedelen, tot de bevoegdheid van de verwerende partij inzake “het toezicht op de naleving van de technische federale voorschriften voor voertuigen met het oog op hun inverkeerstelling” (artikel 6, § 1, XII, 4°, BWHI) behoort. Artikel 6, § 1, XII, 4°, BWHI vormt volgens haar een uitdrukkelijk door de bijzondere wetgever voorziene afwijking op het verticaliteitsbeginsel als basisbeginsel van de bevoegdheidsverdeling. Dit maakt dat de door de verzoekende partij geciteerde rechtspraak niet dienend is. Deze bepaling van de BWHI kent immers de IX-9158-52/187 bevoegdheid inzake de technische voorschriften toe aan de federale overheid, terwijl de gewesten bevoegd zijn voor het toezicht erop. Het is inherent aan deze wijze van het verdelen van bevoegdheden dat de verwerende partij op grond van haar bevoegdheid inzake het toezicht, de nodige maatregelen kan nemen om kennis te nemen van technische voorschriften. Deze doorstroming van gegevens is vereist opdat de gewesten controle zouden kunnen uitoefenen op de naleving van de door de federale overheid bepaalde technische voorschriften. De betwiste bepaling steunt aldus op een zinvolle uitoefening van de gewestbevoegdheid. In ondergeschikte orde dient op zijn minst vastgesteld te worden dat voldaan is aan de voorwaarden van de impliciete bevoegdheden (artikel 10 BWHI). Wat de opmerking van de afdeling Wetgeving van de Raad van State inzake de bekendmaking van de normen in het Belgisch Staatsblad betreft, stelt zij dat zij niet bekend is met het feit dat de bijkomende signalisatienormen die de federale ministers van Binnenlandse Zaken en Volksgezondheid aannemen op grond van artikel 28, § 7, van het koninklijk besluit van 15 maart 1968, gepubliceerd zouden worden in het Belgisch Staatsblad. Er bestaat volgens haar ook geen garantie dat in de toekomst tot publicatie zal worden overgegaan. In uiterst ondergeschikte orde dient volgens de verwerende partij in elk geval vastgesteld te worden dat het ontnemen van elke bevoegdheids- grondslag aan de verwerende partij om de mededeling van normen te eisen van de bevoegde federale ministers, enkel verenigbaar is met het beginsel van de federale loyauteit en het evenredigheidsbeginsel in de mate dat uit deze laatste beginselen de verplichting volgt voor de federale overheid om de normen die ze uitvaardigt of heeft uitgevaardigd op grond van artikel 28, § 7, van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 ook effectief mee te delen aan de bevoegde Vlaamse minister. 22. In haar laatste memorie merkt de verwerende partij op dat in het verleden vele technische voorschriften niet gepubliceerd werden in het Belgisch Staatsblad. Zij is bijgevolg niet op de hoogte van het bestaan en de draagwijdte van deze federale technische eisen, zodat ze ook de controle op de naleving ervan niet IX-9158-53/187 kan verzekeren. Een kennisname op het ogenblik van publicatie is bovendien vaak laattijdig en veronderstelt bovendien een actieve zoektocht in het Belgisch Staatsblad. Volgens de verwerende partij wordt de informatieoverdracht evenmin afdoende verzekerd via de betrokkenheidsprocedure bedoeld in artikel 6, § 4, 3°, BWHI. Het opstarten van de betrokkenheidsprocedure betekent immers niet noodzakelijk dat de technische voorschriften ook daadwerkelijk worden aangenomen, laat staan dat er duidelijkheid zou bestaan over de inwerkingtreding ervan. In de gegeven specifieke omstandigheden is de verwerende partij van oordeel dat voldaan is aan de voorwaarden van de impliciete bevoegdheden. Daarnaast wijst de verwerende partij erop dat de federale overheid bij de uitoefening van de federale bevoegdheid inzake het bepalen van technische voorschriften voor voertuigen het beginsel van de federale loyauteit en het evenredigheidsbeginsel in acht moet nemen. Deze beginselen omvatten niet alleen een negatieve plicht voor de federale overheid om zich ervan te onthouden de uitoefening door de verwerende partij van haar bevoegdheden overdreven moeilijk of onmogelijk te maken, maar houden voor de federale overheid eveneens een positieve verplichting in om de uitoefening door de verwerende partij van haar bevoegdheden mogelijk te maken. In dezen moet de federale overheid het toezicht op de naleving van de technische voorschriften voor voertuigen door de gewesten mogelijk maken. Naar het oordeel van de verwerende partij impliceert de specifieke context van dit bevoegdheidsdomein dat de federale overheid de verwerende partij ervan in kennis stelt wanneer zij nieuwe technische normen uitvaardigt, zodat de verwerende partij de nodige voorbereidingen kan treffen om het toezicht op de naleving te verzekeren. Oordelen dat de verwerende partij de IX-9158-54/187 bevoegdheid zou ontberen – zo ook op grond van de impliciete bevoegdheden – om de federale overheid te verplichten de verwerende partij in kennis te stellen van de technische voorschriften, is bijgevolg enkel mogelijk wanneer de federale overheid deze normen meedeelt aan de verwerende partij. Enkel in dat geval is het niet noodzakelijk om de bestreden bepaling aan te nemen op grond van de impliciete bevoegdheden. In fine van haar laatste memorie vraagt de verwerende partij dat, indien de Raad van State het vierde middelonderdeel gegrond zou bevinden en zou oordelen dat niet voldaan is aan de voorwaarden van de impliciete bevoegdheden, hij in de overwegingen van het arrest waarbij gesteld wordt dat de regeling niet “noodzakelijk” is voor de uitoefening van de eigen bevoegdheden, zou aangeven dat de bestreden bepaling niet noodzakelijk is omdat

(1)de normen ter kennis worden gebracht via de “betrokkenheidsprocedure” bedoeld in artikel 6, § 4, 3°, BWHI,
(2)er een plicht rust op de federale overheid om de technische voorschriften te publiceren in het Belgisch Staatsblad en
(3)er op grond van het beginsel van de federale loyauteit een plicht rust op de federale overheid om de gewesten hiervan in kennis te stellen. Beoordeling 23.
  1. Het vierde middelonderdeel, dat is gericht tegen artikel 23, 13°, van het BVR van 10 juli 2015, is genomen uit de schending van de bevoegdheidverdelende regels, in het bijzonder het verticaliteitsbeginsel, in zoverre bij voornoemde bepaling een mededelingsplicht wordt opgelegd aan bepaalde leden van de federale regering. Artikel 23, 13°, van het BVR van 10 juli 2015 wijzigt artikel 28, § 7, van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 „houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto‟s, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen‟. Luidens het aldus gewijzigde artikel 28, § 7, van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 delen de federale minister IX-9158-55/187 bevoegd voor Binnenlandse Zaken en de federale minister bevoegd voor Volksgezondheid, elk wat hem betreft, voorafgaandelijk aan de Vlaamse minister bevoegd voor het mobiliteitsbeleid, de openbare werken en het vervoer, de montagevoorwaarden van deze signalisatie mee. Zoals de verzoekende partij de schending van het verticaliteits- beginsel in haar verzoekschrift toelicht, lijkt zij veeleer te doelen op een schending van het autonomiebeginsel. Het autonomiebeginsel houdt in dat de gemeenschappen en de gewesten hun bevoegdheden zelf moeten uitoefenen en dat zij de federale staat, zijn ambtenaren en diensten niet kunnen verplichten aan de uitvoering van de gemeenschaps- en gewestregelgeving deel te nemen of op de voorliggende zaak betrokken, dat de ene overheid een dienst die tot een andere overheid behoort zonder instemming van deze laatste niet kan verplichten om haar medewerking te verlenen aan de uitvoering van het beleid van die eerste overheid. 23.
  2. De bevoegdheidstoewijzing bij artikel 6, § 1, XII, 4°, BWHI aan de gewesten houdt in dat het toezicht op de naleving van de federale technische voorschriften voor voertuigen met het oog op hun inverkeerstelling is opgedragen aan de gewesten. Nergens blijkt dat de bijzondere wetgever daarbij tevens de bedoeling zou hebben gehad om de gewesten toe te laten instructies op te leggen aan leden van de federale regering. 23.
  3. In ondergeschikte orde stelt de verwerende partij dat op zijn minst dient te worden vastgesteld “dat voldaan is aan de voorwaarden van de impliciete bevoegdheden” (artikel 10 BWHI). Hoewel de Vlaamse Regering, zonder daartoe door de decreetgever uitdrukkelijk te zijn gemachtigd, bij de uitvoering van een federale wetsbepaling die een aangelegenheid regelt die thans tot de bevoegdheid van de gewesten behoort, een beroep kan doen op de impliciete bevoegdheden, dient in IX-9158-56/187 casu te worden vastgesteld dat aan de voorwaarden voor het gebruik van die impliciete bevoegdheden in ieder geval niet is voldaan. Opdat artikel 10 BWHI van toepassing kan zijn, is vereist dat de aangenomen regeling noodzakelijk is voor de uitoefening van de bevoegdheden van het gewest, dat de aangelegenheid zich leent tot een gedifferentieerde regeling en dat de weerslag van de in het geding zijnde bepalingen op de aangelegenheid slechts marginaal is. De verwerende partij toont niet aan dat de wijziging aan artikel 28, § 7, van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 noodzakelijk is voor de uitoefening van de gewestbevoegdheid inzake het toezicht op de naleving van de federale technische voorschriften voor voertuigen met het oog op hun inverkeerstelling, het vervoer van gevaarlijke goederen en uitzonderlijk vervoer over de weg. Op de verzoekende partij rust immers de plicht om de eisen inzake bijkomende signalisatie ter kennis te brengen van de overheden die op de naleving ervan moeten toezien. Zoals de afdeling Wetgeving reeds opmerkte in haar advies, zal de verwerende partij van die eisen die door de minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken en de minister bevoegd voor de Volksgezondheid worden vastgesteld, kennis kunnen nemen, alleszins uiterlijk via de publicatie ervan in het Belgisch Staatsblad. De verwerende partij stelt dat publicatie in het Belgisch Staatsblad niet altijd gewaarborgd is. Als montagevoorschriften niet zijn bekendgemaakt, zijn ze evenmin afdwingbaar ten aanzien van de particulieren tot wie ze zijn gericht en moeten deze particulieren ze niet naleven. Kortom, de verwerende partij zal ervan kennis krijgen op dezelfde wijze als diegenen die ze moeten naleven. Overigens zal de verwerende partij hiervan in ontwerpvorm reeds op de hoogte zijn gebracht in het kader van de “betrokkenheidsprocedure” bedoeld in artikel 6, § 4, 3°, BWHI en kan zij ook steeds met de federale overheid een samenwerkingsakkoord sluiten om eventuele andere vormen van informatie af te spreken. Aan het vereiste van artikel 10 BWHI is dan ook niet voldaan. 23.
  4. Het vierde middelonderdeel is gegrond. IX-9158-57/187 23.
  5. Dat leidt tot de nietigverklaring van artikel 23, 13°, van het BVR van 10 juli
  6. B. Tweede middel Standpunt van de partijen
  7. In het tweede middel, dat gericht is tegen de artikelen 51, 52, 1°, 53 en 54 van het BVR van 10 juli 2015, voert de verzoekende partij de schending aan van de bevoegdheidverdelende regels, in het bijzonder artikel 6, § 1, XII, 2°, BWHI en de federale residuaire bevoegdheid, in zoverre bij de voornoemde bepalingen de verkeerstekens zelf worden bepaald, of een regeling wordt getroffen die betrekking heeft op het plaatsen van de verkeerstekens met betrekking tot douanestroken, aan overwegen en kruisingen met spoorwegen en op de militaire wegen. Bij artikel 51 van het BVR van 10 juli 2015 wordt een wijziging aangebracht aan artikel 60.2 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 „houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg‟. Artikel 60.2 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 heeft betrekking op de minimum afmetingen en de bijzondere plaatsingsvoorwaarden van de verkeerstekens die niet in het algemeen reglement opgenomen zijn, evenals de manier waarop de werken en verkeersbelemmeringen gesignaleerd moeten worden. De bevoegdheid van het Vlaamse Gewest, en bijgevolg het optreden van de functioneel bevoegde Vlaamse minister, ter uitvoering van het gewijzigde artikel 60.2 van het koninklijk besluit van 1 december 1975, mogen volgens de verzoekende partij evenwel geen betrekking hebben op de verkeerstekens met betrekking tot douanestroken, aan overwegen en kruisingen met spoorwegen en op de militaire wegen. IX-9158-58/187 Bij artikel 52, 1°, van het BVR van 10 juli 2015 wordt een wijziging aangebracht aan artikel 65.5, punt 2, van het koninklijk besluit van 1 december
  8. Artikel 65.5 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 heeft betrekking op de signalisatie met zonale geldigheid. In zoverre bij het voornoemde artikel 52, 1°, de federale minister van Verkeerswezen wordt vervangen door de Vlaamse minister, bevoegd voor het mobiliteitsbeleid, de openbare werken en het vervoer, en deze dus bevoegd wordt gemaakt om de verkeersborden te bepalen die voor signalisatie met zonale geldigheid gebruikt kunnen worden, moet volgens de verzoekende partij worden vastgesteld dat deze bepaling is aangetast door een bevoegdheidsoverschrijding. Het bepalen van de verkeersborden zelf is immers tot de federale bevoegdheid blijven behoren. Bij de artikelen 53 en 54 van het BVR van 10 juli 2015 worden wijzigingen aangebracht aan een aantal overgangsbepalingen. Vóór de wijziging ervan bij het bestreden artikel 53 bepaalde artikel 85.25 van het koninklijk besluit van 1 december 1975 dat verkeersborden die overeenstemmen met bepaalde modellen, kunnen worden behouden tot 1 januari 1995 en dat deze termijn verlengd kan

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.