id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 april 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.105 Rolnummer: A. 219544/IX-9418 Zaak: Arrest 244105 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 02/04/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-04-16 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-25 10:42 Fiche Arrest nr 244.105 van 2 april 2019 Openbaar ambt - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 244.105 van 2 april 2019 in de zaak A. 219.544/IX-9418 In zake: Frank BELS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Philippe Vande Casteele kantoor houdend te 2900 Schoten Klamperdreef 7 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Defensie -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 21 juni 2016, strekt tot de nietigver- klaring van “de afwijzende beslissing die de overheid ingevolge haar stilzwijgen genomen heeft of geacht wordt te hebben genomen” ten aanzien het verzoek- schrift van Frank Bels van 27 januari 2016 “‘houdende het beroep, bedoeld in artikel 178/2 van de wet van 28 februari 2007, tegen de beslissingen (dd. 23 no- vember 2015) van de deliberatiecommissie van de voortgezette vorming’ inge- diend bij de ‘Beroepsinstantie’”. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 236.382 van 9 november 2016 is de vordering tot schorsing verworpen. De verzoekende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. IX-9418-1/10 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge- diend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laat- ste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 1 april
- Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Philippe Vande Casteele, die verschijnt voor de ver- zoekende partij en majoor van het vliegwezen Maarten Kerckhofs, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker neemt deel aan de beroepsproeven voor kandidaat- majoor ingenieur van het militair materieel (IMM) sessie 1997-
- Op 26 mei 1998 beslist de examencommissie dat verzoeker niet geslaagd wordt verklaard. IX-9418-2/10 3.
- Overheen de jaren – en middels enkele procedures voor de Raad van State, waarbij onder meer de voormelde beslissing van 26 mei 1998 bij arrest nr. 179.257 van 1 februari 2008 wordt vernietigd – verkrijgt verzoeker tot tweemaal toe dat hij voor een anders samengestelde examenjury zijn proefschrift opnieuw mag verdedigen, laatst op 5 februari
- Op die dag blijft hij afwezig, na een medisch attest aan de examenjury te hebben bezorgd. 3.
- In het kader van het georganiseerd administratief beroep neemt de deliberatiecommissie van de voortgezette vorming, overeenkomstig arti- kel 39bis, § 1, van het koninklijk besluit van 12 augustus 2003 ‘betreffende de voortgezette vorming van de officieren van het actief kader van de krijgsmacht en de beroepsproeven voor de bevordering tot de graad van majoor’ kennis van de zaak. Deze deliberatiecommissie neemt op 23 november 2015 een beslissing, waartegen verzoeker vervolgens een (tweede) administratief beroep instelt bij de directeur-generaal Human Resources (hierna ook: de DGHR) con- form artikel 40bis, § 2, tweede lid, van het koninklijk besluit van 12 augustus
- Met een nota van 23 december 2015, aan verzoeker ter kennis gebracht op 29 december 2015, deelt de DGHR zijn (afwijzende) beslissing mee aan verzoeker. 3.
- Verzoeker vordert de nietigverklaring van de beslissingen die hij leest in de voormelde nota met een beroep, gekend onder rolnummer A. 218.178/IX-
- In deze zaak volgt vandaag een eindarrest. 3.
- Het voormelde koninklijk besluit van 12 augustus 2003 wordt met ingang van 31 december 2013 opgeheven bij koninklijk besluit van 26 de- cember 2013 ‘betreffende de vervolmakingscursussen van de beroepsmilitairen van het actief kader van de krijgsmacht, het examen voor overgang naar de graad IX-9418-3/10 van eerste sergeant-majoor, het kwalificatie-examen voor de graad van adjudant- chef en de beroepsproeven voor de bevordering tot de graad van majoor’. 3.
- Verzoeker stelt zich op het standpunt dat een administratief beroep thans moet worden ingesteld bij de beroepsinstantie, bedoeld in arti- kel 178/2 van de wet van 28 februari 2007 ‘tot vaststelling van het statuut van de militairen en de kandidaat-militairen van het actief kader van de krijgsmacht’ – bepaling die in werking is getreden op 31 december
- Op 27 januari 2016 stelt verzoeker dan ook een beroep in bij de beroepsinstantie bedoeld in artikel 178/2 van de wet van 28 februari 2007, tegen de beslissingen van de deliberatiecommissie van 23 november
- In fine van dit beroepschrift vermeldt hij: “Huidig verzoekschrift geldt als een aanmaning om te beschikken, zoals bedoeld in artikel 14, § 3 van de Gecoördineerde Wetten op de Raad van State.” 3.
- Aangezien de beroepsinstantie geen gevolg geeft aan het be- roep van verzoeker, stelt hij huidig annulatieberoep in – naar zijn oordeel dus een beroep tot nietigverklaring van de fictieve afwijzende beslissing van de beroeps- instantie over zijn beroep van 27 januari 2016 tegen de beslissingen van de deli- beratiecommissie van 23 november
- IV. Samenvoeging 4.
- Verzoeker vraagt om de samenvoeging van deze zaak met de zaak A. 218.178/IX-
- De verwerende partij sluit zich aan bij dit verzoek. 4.
- Zoals hierna zal blijken, kan over deze zaak uitspraak worden gedaan zonder dat een goede rechtsbedeling de samenvoeging vereist met de an- dere zaak. In tegenstelling tot wat verzoeker beweert en zoals hierna wordt toege- licht sub 10, heeft een uitspraak in de andere zaak geen weerslag op de beoorde- ling van en uitkomst in de thans voorliggende zaak. IX-9418-4/10 4.
- Het verzoek wordt afgewezen. V. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie
- De verwerende partij betwist de ontvankelijkheid van het be- roep. Zij herneemt de door haar in de schorsingsprocedure opgeworpen exceptie, die door de Raad van State voorlopig is bijgevallen in arrest nr. 236.382, gewezen over de vordering tot schorsing. In dat arrest kwam de Raad tot de vaststelling dat de vordering niet ontvankelijk is bij gebrek aan voorwerp, omdat de toepassings- voorwaarden van artikel 14, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet vervuld zijn en geen afwijzende beslissing voorligt “aangezien de ver- werende partij – omwille van het bestaan van de uitdrukkelijke eindbeslissing van de Directeur-generaal Human Resources van 23 december 2015 die uitvoerbaar is – zich niet bevond in een situatie waarin zij verplicht is te beschikken”. Daarbij overwoog de Raad ook dat hiertoe niet relevant is of de DGHR al dan niet bevoegd is, welke rechtsvraag precies het voorwerp is van het vernietigingsberoep in de zaak 218.178/IX-9414, gericht tegen de uitdrukkelijke eindbeslissing van de directeur-generaal Human Resources. De verwerende partij ziet niet hoe ten gronde hierover anders is te oordelen.
- In zijn memorie van wederantwoord betoogt verzoeker dat de exceptie verband houdt met de grond van de zaak. Hij stelt vast dat een expliciete beslissing van een overheid die zich onbevoegd verklaart, wel een voor de Raad van State aanvechtbare hande- ling is en bespeurt hierin een niet te verantwoorden ongelijke behandeling ten IX-9418-5/10 aanzien van een fictieve afwijzende beslissing, die verantwoordt dat hierover een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof gesteld wordt.
- In het auditoraatsverslag is enkel deze exceptie onderzocht en besproken, omdat ze volgens het auditoraat de oplossing van het geschil mogelijk maakt. Dit betekent dat de Raad van State zich moet uitspreken over deze exceptie en dat het debat vooralsnog hiertoe is beperkt.
- Niettemin dient verzoeker een laatste memorie in van vijfen- twintig bladzijden, waarin het zoeken is naar wat hij naast alle opmerkingen en verzuchtingen over de “chronologie” en een betoog over de grond van de zaak precies over de exceptie schrijft. Alleszins handhaaft verzoeker het standpunt – ten gronde – dat de beroepsinstantie bevoegd is. De cruciale vaststelling evenwel, dat over zijn beroepsproeven door de verwerende partij in het kader van het georganiseerd administratief be- roep een eindbeslissing genomen is, weerspreekt verzoeker niet – wat hij ook moeilijk kan, hij vecht die beslissing nu net aan met zijn beroep in de zaak A. 218.178/IX-9414 waarin hij precies aanvoert, onder meer, dat die beslissing is genomen door een onbevoegd orgaan van de verwerende partij. Wel argumen- teert hij dat zijn beroep bij de beroepsinstantie hoe dan ook een antwoord behoef- de en voorts dat een nietigverklaring van de door hem in de zaak A. 218.178/IX- 9414 aangevochten beslissingen van de DGHR op grond van onbevoegdheid tot gevolg heeft dat de thans bestreden beslissing “vanaf dan” wel een afwijzende beslissing is. IX-9418-6/10 Beoordeling
- De Raad herhaalt, waarbij hij de omstandige overwegingen sub 12-14 in het schorsingsarrest ook ten gronde bevestigt, dat de vraag of de in de zaak A. 218.178/IX-9414 aangevochten beslissing uitgaat van een daartoe bevoegd orgaan de grond van de zaak aanbelangt en dat zulks niet wegneemt dat er met de beslissing van de DGHR een uitdrukkelijke afwijzende en uitvoerbare eindbeslissing over verzoekers beroep tegen de beslissing van de deliberatie- commissie voor de voortgezette vorming in het rechtsverkeer voorhanden is, het- geen uitsluit dat daarnaast nog een aanvechtbare fictief afwijzende beslissing be- staat: “Zolang die eindbeslissing van de Directeur-generaal Human Resources bestaat en niet uit de rechtsordening is verdwenen, kon de verwerende partij (en met haar de beroepsinstantie die er een orgaan van is) terecht oordelen dat zij niet verplicht was te beschikken over de aanmaning van 27 januari
- Zij had immers reeds met de eindbeslissing van de Direc- teur-generaal Human Resources, na het door verzoeker ingediende be- roep, uitdrukkelijk beslist over verzoekers vraag om geslaagd te worden verklaard. Noch op het tijdstip dat zij die aanmaning ontving noch overi- gens op het tijdstip dat de in artikel 14, § 3, bedoelde termijn was verstre- ken, was de eindbeslissing van de Directeur-generaal Human Resources geschorst, ingetrokken, opgeheven of vernietigd, ook niet omwille van de door verzoeker aangevoerde onbevoegdheid van de Directeur-generaal. In de rechtsordening leeft derhalve een uitdrukkelijke beslissing van de ver- werende partij betreffende diens beroepsproeven. […] De verwerende partij heeft immers ter zake van de beoordeling van ver- zoekers beroepsproef al ‘beschikt’, namelijk vooreerst met een beslissing van de examencommissie, vervolgens met een beslissing van de delibera- tiecommissie en […] na uitputting van het (dubbel) administratief beroep, met een beslissing van de Directeur-generaal die op 23 december 2015 een eindbeslissing heeft genomen, daarin begrepen, minstens impliciet maar zeker, een eindbeslissing omtrent zijn bevoegdheid ter zake wat meteen inhoudt dat de verwerende partij ook geoordeeld heeft dat de Di- recteur-generaal en niet de beroepsinstantie bedoeld in artikel 178/2 van de wet van 28 februari 2007 (beide organen van eenzelfde administratieve overheid), bevoegd is.”
- Anders dan verzoeker het ziet, zou een inwilliging van de door hem in de zaak A. 218.178/IX-9414 gevorderde nietigverklaring van de beslis- sing van de DGHR niet tot een andere conclusie leiden. IX-9418-7/10 De aanmaning aan de overheid van 27 januari 2016 was im- mers van bij aanvang een nodeloze actie, aangezien van enig stilzitten van het bestuur geen sprake was. In de veronderstelling dat de beslissing van de DGHR door een arrest van de Raad in de zaak A. 218.178/IX-9414 uit het rechtsverkeer zou wor- den verwijderd – en zelfs in de veronderstelling dat dit zou gebeuren op grond van het middel geput uit de onbevoegdheid van de steller van de akte – dan “her- leeft” noch “ontstaat” hierdoor plotsklaps een regelmatige ingebrekestelling, ge- volgd door een fictief afwijzende beslissing van de nieuwe beroepsinstantie, die geacht moet worden met huidig beroep aangevochten te zijn.
- Uit wat voorafgaat volgt dat niet voldaan is aan de in artikel 14, § 3, van de gecoördineerde wetten van de Raad van State vermelde eis dat de administratieve overheid zich moet bevinden in een situatie waarin zij verplicht is te beschikken en dat het beroep geen voorwerp heeft.
- Aldus ontbreekt ook de premisse van de voorgestelde vraag aan het Grondwettelijk Hof, die uitgaat van een onderscheiden behandeling van uit- drukkelijke en fictieve weigeringsbeslissingen. Een vraag die uitgaat van een feitelijk verkeerd uitgangspunt, is niet prejudicieel en hoeft niet te worden ge- steld.
- Verzoeker betoogt dat hij hoe dan ook van de beroepsinstantie een antwoord mocht verwachten op het door hem ingestelde beroep. Die mening helpt verzoeker evenwel niet vooruit. De beroepsinstantie mag immers, als orgaan van het actief be- stuur, niet méér dan vaststellen dat in het kader van de administratieve beroeps- procedure reeds een eindbeslissing is genomen, overigens op beroep van verzoe- ker, over diens beroepsproef. Die beslissing van de DGHR is uitvoerbaar en leeft IX-9418-8/10 in het rechtsverkeer zolang ze niet eruit is verwijderd. Verzoeker heeft dan ook geen belang bij een uitdrukkelijk antwoord van de beroepsinstantie – los dus van de vaststelling dat zij niet tot beslissen verplicht was – dat immers ook in zijn denkraam enkel de mededeling mocht inhouden dat er reeds een uitvoerbare eindbeslissing over zijn beroep tegen de deliberatiecommissie in de rechtsorde bestaat. Het gegeven dat de DGHR na toewijzing van de gevorderde nietigverklaring in de zaak A. 218.178/IX-9414 volgens verzoeker “enkel tot zijn onbevoegdheid [kan] besluiten zonder evenwel het beroep te kunnen doorverwij- zen naar de Beroepsinstantie” leidt evenmin tot een ander oordeel – daargelaten of die vaststelling correct is.
- Vastgesteld moet worden, desnoods ambtshalve, dat het beroep onontvankelijk is. VI. Toepassing artikel 35/1
- Op de terechtzitting vraagt de verwerende partij dat de Raad van State met toepassing van artikel 35/1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de maatregelen verduidelijkt die genomen moeten worden om de vastgestelde onwettigheid te verhelpen.
- Luidens voormeld artikel 35/1 moet dit verzoek worden gefor- muleerd “ten laatste in de laatste memorie”. Het mondelinge verzoek op de te- rechtzitting is bijgevolg laattijdig. Bovendien stelt de Raad van State in dit arrest geen onwettigheid vast. Om elk van deze redenen is het verzoek onontvankelijk. IX-9418-9/10 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, begroot op 400 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 2 april 2019, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-9418-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.105 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2016:ARR.236.382 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div