id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 april 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.131 Rolnummer: A. 215336/X-16181 Zaak: Arrest 244131 - Kerkfabrieken - 02/04/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-04-11 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-25 11:01 Fiche Arrest nr 244.131 van 2 april 2019 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Kerkfabrieken Beslissing : Vernietiging Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 244.131 van 2 april 2019 in de zaak A. 215.336/X-16.
- In zake : Guido ROBEYNS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rudi Beeken kantoor houdend te 3390 Tielt-Winge Kraasbeekstraat 41 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :
- de KERKFABRIEK SINT QUIRINUS VAN MOLENBEEK- WERSBEEK, thans de KERKFABRIEK VAN DE PAROCHIE HEILIG HART TE BEKKEVOORT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Iris Exelmans kantoor houdend te 3290 Diest Schellekensberg 28 bij wie woonplaats wordt gekozen
- het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Tom De Sutter en Dorien Geeroms kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : Jo VERMAELEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hans-Kristof Carême kantoor houdend te 3000 Leuven Justus Lipsiusstraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- X-16.181-1/15 I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, op 19 maart 2015, strekt tot de nietigverklaring van: “
- Het besluit van de Gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant d.d. 20 oktober 2014 houdende schorsing van de uitvoering van de beslissing van de Kerkraad van de Ker[k]fabriek Sint-Quirinus te Molenbeek-Wersbeek van 24 april 2008 waarbij een perceel landbouwgrond gelegen op de Muggenberg, gekadastreerd sectie B, nr. 314, verpacht wordt aan verzoekende partij;
- De beslissing van de Kerkraad van de Kerkfabriek Sint-Quirinus te Molenbeek-Wersbeek d.d. 3 februari 2015 houdende handhaving van haar besluit van 24 april 2008 om het perceel landbouwgrond, gelegen op de Muggenberg/Wersbeek, gekadastreerd sectie B nummer 314 toe te wijzen aan de verzoekende partij.” II. Verloop van de rechtspleging
- De tweede verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 24 juni
- De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Auditeur Sofie De Doncker heeft een verslag opgesteld. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De verwerende partijen en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 1 maart
- Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht. X-16.181-2/15 Advocaat Wim Goossens, die loco advocaat Rudi Beeken verschijnt voor verzoeker, advocaat Iris Exelmans, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, advocaat Klaas De Pauw, die loco advocaten Tom De Sutter en Dorien Geeroms verschijnt voor de tweede verwerende partij, en advocaat Hans-Kristof Carême, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Sofie De Doncker heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Juridisch kader en feiten
- Artikel 58, § 2, van het decreet van 7 mei 2004 ‘betreffende de materiële organisatie en werking van de erkende erediensten’ (hierna: het decreet van 7 mei 2004) luidt: “De provinciegouverneur kan, bij een gemotiveerd besluit, de uitvoering schorsen van een besluit waarbij de kerkraad of het centraal kerkbestuur de wet schendt of het algemeen belang schaadt. Het schorsingsbesluit moet aan de kerkfabriek en het centraal kerkbestuur worden verstuurd binnen een termijn van dertig dagen die ingaat op de dag nadat de notulen bij de provinciegouverneur zijn ingekomen. Van de schorsing wordt in de notulen melding gemaakt in de rand van het desbetreffende besluit. Van het schorsingsbesluit wordt door de provinciegouverneur dadelijk kennisgegeven aan de gemeenteoverheid, het erkend representatief orgaan en de Vlaamse Regering. Het regelmatig geschorste besluit kan worden ingetrokken. De kerkraad of het centraal kerkbestuur, naar gelang van het geval, kan het geschorste besluit gemotiveerd handhaven binnen een termijn van honderd dagen die ingaat op de dag na het versturen van het schorsingsbesluit. In dit geval wordt het handhavingsbesluit, op straffe van nietigheid van het geschorste besluit, uiterlijk de laatste dag van die termijn naar de Vlaamse Regering gestuurd met een afschrift aan het college van burgemeester en schepenen, de provinciegouverneur en het erkend representatief orgaan.” X-16.181-3/15 Artikel 59, eerste en tweede lid, van het decreet van 7 mei 2004 bepaalt: “De Vlaamse Regering kan, bij een gemotiveerd besluit, het besluit vernietigen van de kerkraad of het centraal kerkbestuur op de gronden, bepaald in artikel
- Het vernietigingsbesluit moet aan de kerkfabriek en het centraal kerkbestuur worden verstuurd binnen een termijn van dertig dagen die ingaat op de dag nadat de notulen bij de provinciegouverneur zijn ingekomen of, in voorkomend geval, binnen een termijn van dertig dagen die ingaat op de dag nadat het handhavingsbesluit bij de Vlaamse Regering is ingekomen.” Artikel 60 van het decreet van 7 mei 2004 schrijft voor: “De termijn waarbinnen de overheden, genoemd in artikelen 58 en 59, een besluit van de kerkraad of van het centraal kerkbestuur kunnen schorsen of vernietigen, wordt gestuit door de verzending van een aangetekende brief waarbij de toezichthoudende overheid het dossier betreffende dit besluit bij de kerkfabriek of het centraal kerkbestuur opvraagt of aanvullende inlichtingen inwint. De aangetekende verzending van een ingediende klacht aan een toezichthoudende overheid stuit eveneens de termijn. De dag na de ontvangst van het dossier of van de aanvullende inlichtingen vangt een nieuwe termijn van dertig dagen aan.” Artikel 61, § 1, van het decreet van 7 mei 2004 luidt: “Een door de toezichthoudende overheid opgevraagd besluit van een kerkraad of een centraal kerkbestuur is niet langer vatbaar voor schorsing of vernietiging door de overheden, genoemd in artikelen 58 en 59, na het verstrijken van een termijn van dertig dagen, waarbinnen de toezichthoudende overheid haar besluit naar de kerkfabriek of het centraal kerkbestuur moet versturen, die ingaat op de dag die volgt op de ontvangst hetzij van het dossier dat met een aangetekende zending is opgestuurd of tegen ontvangstbewijs is afgegeven, hetzij van de aanvullende inlichtingen, bedoeld in artikel 60.”
- Op 24 april 2008 beslist de kerkraad van de kerkfabriek Sint- Quirinus te Molenbeek-Wersbeek de openbare verpachting van landbouwgrond gelegen te Molenbeek-Wersbeek, Muggenberg, kadastraal gekend sectie B, nr. 314, toe te wijzen aan verzoeker (hierna: de toewijzingsbeslissing). X-16.181-4/15 Op klacht van onder anderen de tussenkomende partij, die ook kandidaat is voor de toewijzing, schorst de gouverneur van de provincie Vlaams- Brabant de uitvoering van de toewijzingsbeslissing bij besluit van 3 juli
- De kerkraad besluit op 21 augustus 2008 de toewijzingsbeslissing te handhaven. De Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Stedenbeleid, Wonen en Inburgering vernietigt op 12 november 2008 de toewijzingsbeslissing.
- Verzoeker stelt tegen het ministerieel besluit een annulatieberoep in bij de Raad van State. In het tussenarrest nr. 214.697 van 19 juli 2011 stelt de Raad van State de nietigheid vast van de door de gouverneur geschorste toewijzingsbeslissing omdat het handhavingsbesluit van de kerkfabriek niet tijdig naar de Vlaamse regering is gestuurd. Tevens wordt aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag gesteld. Na ontvangst van het antwoord van het Grondwettelijk Hof (arrest nr. 77/2012 van 14 juni 2012), wijst de Raad van State in arrest nr. 228.513 van 25 september 2014 het schorsingsbesluit van de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant van 3 juli 2008 als voorwerp van het door verzoeker ingestelde annulatieberoep aan. Vervolgens wordt dat besluit vernietigd.
- Op 20 oktober 2014 beslist de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant opnieuw om de uitvoering te schorsen van de toewijzingsbeslissing. Dit is de eerste bestreden beslissing. In de considerans wordt onder meer gemotiveerd: “Gelet op het arrest nr. 228.513 van de Raad van State houdende de nietigverklaring van het besluit van de heer gouverneur van 3 juli 2008; Gelet op de betekening van het arrest van de Raad van State op 13 oktober 2014 als gevolg waarvan de heer gouverneur nog over de X-16.181-5/15 mogelijkheid beschikt om een nieuwe toezichtmaatregel te nemen binnen de periode die overeenstemt met het resterende gedeelte van de initiële toezichttermijn (R.v.S., 17 december 1997, nr. 70.394); dat de resterende toezichttermijn verstrijkt op maandag 20 oktober 2014.” De kerkraad beslist op 3 februari 2015 zijn geschorste toewijzingsbeslissing te handhaven. Dat is de tweede bestreden beslissing. De Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding laat met een brief van 27 februari 2015 weten: “Het schorsingsbesluit van de heer gouverneur werd op 20 oktober 2014 aangetekend verstuurd naar de kerkfabriek. Op 21 oktober 2014 startte de termijn van honderd dagen en liep tot en met 28 januari
- De handhavingsbeslissing van de kerkraad, dateert echter van 3 februari 2015 en werd aangetekend verzonden naar de Vlaamse regering op 5 februari
- Dit betekent dat de handhavingsbeslissing buiten de voorgeschreven termijn is genomen en dat de geschorste beslissing d.d. 24 april 2008 van rechtswege nietig en uit het rechtsverkeer verdwenen is.” IV. Ontvankelijkheid Standpunt van de partijen
- De tweede verwerende partij en de tussenkomende partij betwisten dat het beroep tegen de tweede bestreden beslissing ontvankelijk is: ze heeft geen rechtsgevolgen en er volgt voor verzoeker geen enkel nadeel uit op grond waarvan hij een belang zou kunnen laten gelden.
- De eerste verwerende partij is het daarmee eens.
- Verzoeker benadrukt in zijn memorie van wederantwoord “de onderlinge verknochtheid” tussen de schorsing en de handhaving. Naar zijn mening “dienen beide bestreden beslissingen samen onder de loep genomen [te] worden” om het voorliggende juridische probleem op te lossen. Voorts verwijst hij naar het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 77/2012 van 14 juni 2012 waarin is “geoordeeld dat verzoekende partij op grond van zijn recht op toegang X-16.181-6/15 tot de rechter de mogelijkheid heeft om naar [de Raad van State] te trekken in geval van laattijdige handhaving door het kerkbestuur”. Nog volgens verzoeker heeft de tweede bestreden beslissing wel degelijk gevolgen, namelijk heeft haar laattijdigheid van rechtswege de nietigheid van de toewijzingsbeslissing tot gevolg. Ten slotte voert verzoeker ter staving van zijn belang aan dat de vernietiging van de schorsings- en handhavingsbeslissing ertoe zal leiden dat de toewijzingsbeslissing geldig blijft, dat de nietigverklaring van het handhavingsbesluit er bovendien toe zal leiden dat de nietigheid van de toewijzingsbeslissing “niet speelt”, en dat de nietigverklaring van het handhavingsbesluit zal meebrengen dat de schorsingsbeslissing ambtshalve opgeheven is. Beoordeling
- Het Grondwettelijk Hof overweegt in zijn meer vermelde arrest nr. 77/2012 van 14 juni 2012 dat artikel 58, § 2, zesde lid, van het decreet van 7 mei 2014 niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt in die zin geïnterpreteerd dat de bepaling de begunstigde van het geschorste besluit toestaat de nietigheid van rechtswege ervan voor de Raad van State te betwisten indien de kerkraad of het centraal kerkbestuur het handhavingsbesluit niet tijdig heeft verstuurd. Die nietigheid van rechtswege, aldus het Grondwettelijk Hof, “is een uitgesteld gevolg van de beslissing van de provinciegouverneur om, bij gemotiveerd besluit, de uitvoering te schorsen van een besluit waarbij de kerkraad of het centraal kerkbestuur de wet schendt of het algemeen belang schaadt”. Aangezien “de nietigheid, die van rechtswege intreedt, niets anders is dan het uitgestelde gevolg van de voormelde beslissing van de provinciegouverneur, kan die beslissing binnen zestig dagen na die kennisname voor de Raad van State worden betwist”. X-16.181-7/15
- Kon weliswaar de nietigheid van rechtswege van de toewijzingsbeslissing zijn afgewend mocht de kerkraad zijn beslissing binnen een termijn van honderd dagen hebben gehandhaafd en het handhavingsbesluit de laatste dag van die termijn hebben verstuurd, dat is niet gebeurd. Bijgevolg is uit de beslissing van de provinciegouverneur, en alléén uit die beslissing, de nietigheid van rechtswege van de toewijzingsbeslissing geresulteerd. Wil verzoeker deze nietigheid van rechtswege uit het rechtsverkeer zien verdwijnen, dan moet hij de beslissing van de provinciegouverneur middels een annulatieberoep bij de Raad van State doen nietigverklaren.
- Verzoeker heeft met de voorliggende vordering ook effectief een dergelijk beroep ingesteld. Een betwisting van het besluit van de kerkraad tot handhaving van de toewijzingsbeslissing kan hem geen meerdere baat bijbrengen. De besproken exceptie is gegrond. Het beroep is niet ontvankelijk wat de tweede bestreden beslissing betreft. V. Grond van de zaak Standpunt van de partijen
- In een zesde middel voert verzoeker onder meer aan dat de gouverneur nalaat te vermelden hoe hij ertoe komt “dat de initiële toezichtstermijn zou eindigen op 20 oktober 2014” en “dat hij nog tijd zou hebben tot en met 20 oktober 2014”. Ook doet verzoeker gelden dat de gouverneur meent nog over de mogelijkheid te beschikken om een nieuwe toezichtmaatregel te nemen, maar zich daartoe baseert “op een niet ter zake doend arrest”. X-16.181-8/15
- In de memorie van antwoord reageert de tweede verwerende partij dat gelet op de betekening van het arrest van de Raad van State nr. 228.513 op 13 oktober 2014, de termijnen om tot een nieuwe beslissing te komen ten vroegste op die dag opnieuw is beginnen lopen. De gouverneur heeft een eerste keer geschorst op 3 juli 2008, dit is op de tweeëntwintigste dag na de ontvangst van het administratief dossier vanwege de kerkraad op 11 juni
- Bijgevolg restten er de gouverneur minstens acht dagen om opnieuw een schorsingsbesluit aan de kerkraad toe te zenden. Na een vernietigingsarrest, aldus de tweede verwerende partij, “beschikt de overheid immers minstens over de resterende (beslissings)termijn om over te gaan tot het nemen van een nieuwe beslissing in het kader van het rechtsherstel, voor zover geen volledig nieuwe beslissingstermijn zou kunnen worden toegekend”.
- Ook de tussenkomende partij is van mening dat de gouverneur nog over minstens acht dagen vanaf 13 oktober 2014 beschikte om opnieuw een schorsingsbesluit aan de kerkraad toe te zenden: “Eén en ander vloeit voort uit de retroactieve werking van het arrest van de Raad van State. Gelet op de vernietiging van de beslissing van de Gouverneur wordt de Gouverneur vanaf de betekening van het arrest teruggeplaatst in de situatie zoals die was op 3 juli 2008.”
- In de laatste memorie beklemtoont de tweede verwerende partij dat het arrest van de Raad van State nr. 70.394 van 17 december 1997 wel degelijk relevant is: “In dit arrest besliste de Raad van State dat de overheid na een vernietigingsarrest minstens beschikt over de resterende (beslissings)termijn om over te gaan tot het nemen van een nieuwe beslissing in het kader van het rechtsherstel, voor zover geen volledig nieuwe beslissingstermijn zou kunnen worden toegekend”. Integendeel zijn volgens de tweede verwerende partij de arresten nrs. 238.712 en 240.158, waarnaar in het auditoraatsverslag wordt verwezen, niet relevant “nu zij gaan over het zeer specifieke artikel 56 van de Tuchtwet Politie”: X-16.181-9/15 “Waar er in tuchtaangelegenheden omwille van de rechtszekerheid nog kan begrepen worden dat er geoordeeld wordt dat een vernietigingsarrest van een tuchtsanctie niet de facultatieve mogelijkheid om een tuchtvordering in te stellen doet herleven, kan niet zomaar naar analogie worden geoordeeld over de toezichtbevoegdheid van tweede verwerende partij. Door de zienswijze [dat de retroactieve werking van het vernietigingsarrest de bevoegdheid ratione temporis niet doet herleven wanneer er geen verplichting bestaat tot het uitoefenen van de bevoegdheid en tot het nemen van de beslissing] wordt op ongeoorloofde wijze afbreuk gedaan aan deze toezichtbevoegdheid die de overheid weliswaar niet verplicht moet, maar wel kan en mag uitoefenen. Zij moet hierover in elk geval individueel kunnen oordelen en dit behoort tot haar discretionaire bevoegdheid waar de Raad van State slechts een marginale controle op kan uitvoeren.”
- Van haar kant vraagt de tussenkomende partij in de laatste memorie dat ingeval de eerste bestreden beslissing zou worden vernietigd, de gevolgen van die beslissing worden gehandhaafd “in die zin dat de beslissing van de kerkraad van 24 april 2008 wordt geacht vernietigd te blijven tot de datum van de betekening van het tussen te komen arrest van [de] Raad opdat tussenkomende partij voor zichzelf de mogelijkheid behoudt om de beslissing van de kerkraad van 24 april 2008 met een nieuw beroep tot nietigverklaring bij [de] Raad aan te vechten”. Beoordeling
- Uit de sub randnummer 3 geciteerde bepalingen van het decreet van 7 mei 2004 volgt dat de provinciegouverneur en de Vlaamse regering de beslissingen van de kerkraad kunnen schorsen, respectievelijk vernietigen, omdat ze de wet schenden of het algemeen belang schaden. Het gaat om een facultatieve bevoegdheid die moet worden uitgeoefend binnen de vervaltermijnen waarin de geciteerde bepalingen voorzien.
- Gelet op de klachten die bij hem werden ingediend tegen de toewijzingsbeslissing, vroeg de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant met een brief van 26 mei 2008 aan de kerkfabriek, onder verwijzing naar artikel 60 X-16.181-10/15 van het decreet van 7 mei 2004, om het volledige dossier op te sturen. Het dossier kwam bij de diensten van de gouverneur toe op 11 juni
- Vanwege artikel 61, § 1, van het decreet van 7 mei 2004 is dan het opgevraagde besluit van de kerkraad “niet langer vatbaar voor schorsing of vernietiging” na het verstrijken van een termijn van dertig dagen, ingaand op 12 juni
- De bestreden schorsingsbeslissing van de gouverneur van 20 oktober 2014 situeert zich ver buiten deze termijn. Om toch nog de tijdigheid van de schorsingsbeslissing te doen aannemen, beroepen de tweede verwerende en de tussenkomende partij zich op de retroactieve werking van het arrest van de Raad van State nr. 228.513 dat de schorsingsbeslissing van 3 juli 2008 vernietigde en op het na dat arrest te verlenen “rechtsherstel”.
- Met de retroactieve werking of werking ex tunc van een vernietigingsarrest wordt de juridische fictie bedoeld dat de vernietigde beslissing geacht moet worden volledig, en dus retroactief, ongedaan te zijn gemaakt en dat in het rechtsverkeer zal worden gehandeld alsof ze nooit genomen is. Brengt aldus het vernietigingsarrest de zaken weer in de toestand waarin ze zich vóór het nemen van de door het arrest vernietigde beslissing bevonden (status quo ante), de juridische fictie reikt niet zover dat daarenboven nog zou moeten worden aangenomen dat sindsdien de tijd heeft stilgestaan. Bijgevolg verkeert de gouverneur na het vernietigingsarrest nr. 228.513 van 25 september 2014 in de situatie alsof hij op 3 juli 2008 geen schorsingsbesluit heeft genomen. Dit betekent evenwel niet dat hij zich anno 2014 zou mogen gedragen alsof het nog altijd midden 2008 is. Zoals de Raad van State eerder al, in het arrest nr. 190.231 van 5 februari 2009, mocht opmerken, ontdoet weliswaar een vernietigingsarrest de rechtsorde van onwettige besluiten, maar kan het niet het verloop van de tijd tegenhouden. X-16.181-11/15
- Met zijn arrest nr. 228.513 heeft de Raad van State op vraag van verzoeker de beslissing van de gouverneur van 3 juli 2008 vernietigd die de nietigheid tot gevolg had van de toewijzingsbeslissing. Volgens het arrest mocht het motief dat in de beslissing van de gouverneur werd uitgedrukt, niet in aanmerking worden genomen ter verantwoording ervan. Door het vernietigingsarrest werd de rechtsorde gezuiverd van de onwettige toezichtbeslissing en werd aan verzoeker volledig rechtsherstel verschaft. Bijkomende herstelmaatregelen hoefden ter uitvoering van het arrest niet te worden genomen, inzonderheid vereiste het arrest – de daarin vastgestelde rechtsverstoring – geenszins een nieuwe toezichtmaatregel met betrekking tot de toewijzingsbeslissing.
- Weliswaar staat het de tweede verwerende partij vrij om van oordeel te zijn dat een nieuwe toezichtmaatregel wenselijk of zelfs nodig is, maar het is een vrijheid die binnen de grenzen van het recht moet worden uitgeoefend. Als orgaan van het actief bestuur dient zij zich dan ook bij het nemen van die nieuwe beslissing te gedragen naar de juridische en feitelijke stand van zaken zoals die zich op dat moment voordoet (tempus regit actum).
- Op 20 oktober 2014, datum van de bestreden schorsingsbeslissing, was de termijn waarin de gouverneur zijn facultatieve bevoegdheid tot het schorsen van de toewijzingsbeslissing mocht uitoefenen, al sinds lang verstreken. Precies omdat de uitoefening door de gouverneur van zijn schorsingsbevoegdheid in het kader van het decreet van 7 mei 2004 een facultatieve aangelegenheid is en niet beantwoordt aan een verplichting tot het nemen van een beslissing, kan het arrest waarmee een eventuele schorsingsbeslissing vernietigd wordt dan ook bezwaarlijk een verplichting tot het nemen van een beslissing – met de erbij horende beslissingstermijn – doen “herleven”. X-16.181-12/15 Voorts blijkt geen reglementair voorschrift in de aard van artikel 130, § 4, van het gemeentedecreet voorhanden, een voorschrift meer bepaald dat voor de gouverneur in de mogelijkheid voorziet om, niettegenstaande de reguliere toezichttermijn verstreken is, na de vernietiging van zijn (tijdige) schorsingsbeslissing in het kader van het decreet van 7 mei 2004 alsnog een nieuwe toezichtbeslissing te nemen.
- Blijft nog het arrest nr. 70.394 waarnaar in de bestreden beslissing wordt verwezen. Daargelaten de actuele relevantie ervan, betreft het arrest in elk geval de weerslag van een vernietiging van een tuchtstraf op de termijn voor het doen van een nieuwe uitspraak over een tuchtstraf. Dit is een zaak waarvan de tweede verwerende partij zelf zegt dat er “niet zomaar naar analogie [in kan] worden geoordeeld” als in de voorliggende zaak, die over de vernietiging, niet van een tuchtstraf, maar van een toezichtbeslissing gaat. Juist om die reden wijst de tweede verwerende partij de verwijzing in het auditoraatsverslag naar de recente arresten nrs. 238.712 en 240.158, in tuchtzaken, als niet dienstig af. Anders dan de tweede verwerende partij het ziet en wenst, bestaat er in de rechtspraak van de Raad van State een aanzienlijke eensgezindheid over dat er na de annulatie van een maatregel genomen in het kader van het facultatief bestuurlijk toezicht, in principe geen nieuwe beslissingstermijn gaat lopen, maar dat de aan het bestuurlijk toezicht onderworpen beslissing definitief wordt.
- Uit wat voorafgaat volgt dat het middel gegrond is.
- Op de vraag van de tussenkomende partij tot handhaving van de gevolgen tot op de datum van de betekening van dit arrest, wordt niet ingegaan. De vraag strekt ertoe veilig te stellen dat de tussenkomende partij alsnog tijdig een beroep bij de Raad van State kan instellen tegen de toewijzingsbeslissing. X-16.181-13/15 Die mogelijkheid heeft zij hoe dan ook. Immers werd voor de tussenkomende partij de beroepstermijn tegen de toewijzingsbeslissing gestuit door het bezwaar dat zij er op 5 mei 2008 in het kader van de toezichtbevoegdheid van de gouverneur tegen indiende. Waar het bezwaar werd ingewilligd, laatst met de thans bestreden toezichtbeslissing van 20 oktober 2014, moet de stuiting geacht worden voort te duren tot aan de betekening van dit arrest dat de toezichtbeslissing van 20 oktober 2014 vernietigt. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt de beslissing van de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant van 20 oktober 2014 tot schorsing van de uitvoering van de beslissing van de kerkraad van de kerkfabriek Sint- Quirinus te Molenbeek-Wersbeek – thans de kerkfabriek van de parochie Heilig Hart te Bekkevoort – om een perceel landbouwgrond te Molenbeek- Wersbeek, Muggenberg, kadastraal gekend sectie B, nr. 314, te verpachten aan Guido Robeyns. Het beroep wordt voor het overige verworpen.
- De Raad van State verwijst de tweede verwerende partij in de kosten van het geding, begroot op een rolrecht van 200 euro en een aan verzoeker verschuldigde rechtsplegingsvergoeding van 700 euro. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. X-16.181-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twee april 2019, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Johan Lust X-16.181-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.131 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div