← België

Arrest 244167 - Milieuvergunningen - 04/04/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 april 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.167 Rolnummer: A. 218073/VII-39576 Zaak: Arrest 244167 - Milieuvergunningen - 04/04/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-04-12 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-25 11:34 Fiche Arrest nr 244.167 van 4 april 2019 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 244.167 van 4 april 2019 in de zaak A. 218.073/VII-39.

  1. In zake :
  2. Toni VAN DER MEULEN
  3. Demetre THAROURIATIS
  4. Ruben PLEES bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michiel Deweirdt kantoor houdend te 8500 Kortrijk Doorniksewijk 66 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Bronders kantoor houdend te 8400 Oostende Archimedesstraat 7 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de BVBA STORM GERAARDSBERGEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jan Bouckaert en Stefanie François kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  5. Het beroep, ingesteld op 13 januari 2016, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 19 november 2015 waarbij de beroepen aangetekend tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 14 juli 2011, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan de NV Storm VII-39.576-1/17 Development, overgenomen door de BVBA Storm Geraardsbergen, voor het exploiteren van twee windturbines, gelegen aan het Jonkheersveld en de Jonkersstraat te Geraardsbergen, gedeeltelijk gegrond worden verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd, mits wijziging van de bijzondere vergunningsvoorwaarden. II. Verloop van de rechtspleging
  6. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekers hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De BVBA Storm Geraardsbergen heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 11 maart
  7. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekers hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 29 november
  8. Staatsraad Patricia De Somere heeft verslag uitgebracht. Advocaat Michiel Deweirdt, die verschijnt voor de verzoekers, advocaat Clive Rommelaere, die loco advocaat Bart Bronders verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Pieter Vandenheede, die loco advocaat Jan Bouckaert verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. VII-39.576-2/17 Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  9. III. Feiten 3.
  10. Op 5 januari 2011 dient de NV Storm Development een milieuvergunningsaanvraag in voor de exploitatie van twee windturbines aan het Jonkheersveld en de Jonkersstraat in Geraardsbergen. De turbines zouden worden opgericht in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. De verzoekers wonen op een afstand van respectievelijk ongeveer 250 meter, 283 meter en 469 meter. 3.
  11. Tijdens het openbaar onderzoek worden 91 bezwaarschriften ingediend, alsook een petitie met 598 ondertekenaars. Het college van burgemeester en schepenen van de stad Geraardsbergen adviseert ongunstig. 3.
  12. De deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen verleent op 14 juli 2011 de gevraagde milieuvergunning en legt bijzondere vergunningsvoorwaarden op. 3.
  13. Er worden bij de Vlaamse regering tegen de verleende vergunning vijf bestuurlijke beroepen ingediend, onder meer door de verzoekers. 3.
  14. Na het inwinnen van de nodige adviezen, verleent de Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur op 3 juli 2013 de vergunning, waarbij de beroepen gedeeltelijk gegrond worden verklaard. Dit besluit wordt vernietigd bij arrest van de Raad van State nr. 231.520 van 11 juni
  15. VII-39.576-3/17 3.
  16. Op 19 november 2015 verleent de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw opnieuw de gevraagde vergunning, waarbij enkele wijzigingen worden aangebracht aan de bijzondere voorwaarden. Het betreft de thans bestreden beslissing. Wat de verenigbaarheid met de bestemmingsvoorschriften betreft, luidt de motivering: “Overwegende dat de voorgestelde windturbines een rotordiameter van maximaal 100 m, een ashoogte van maximaal 85 m en een maximale tiphoogte van 135 m hebben; Overwegende dat op circa 95 m een industriegebied is gelegen; dat op circa 250 m een natuurgebied is gelegen; dat het dichtstbijzijnde woongebied zich op circa 270 m bevindt; Overwegende dat er zich binnen een straal van 250 m van de windturbines geen woningen van derden bevinden; dat er zich op de grens van 250 m afstand van WT2 een woning in woongebied met landelijk karakter bevindt; dat de meest nabijgelegen woning in woongebied gelegen is op ongeveer 270 m van WT2; […] Overwegende dat de exploitatie zich, luidens het gewestplan Aalst-Ninove-Geraardsbergen-Zottegem, situeert in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied; dat verder geen nadere ordening geldt; Overwegende dat de agrarische gebieden zijn bestemd voor de landbouw in de ruime zin; dat behoudens bijzondere bepalingen de agrarische gebieden alleen de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen mogen bevatten, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para-agrarische bedrijven; dat gebouwen bestemd voor niet aan de grond gebonden agrarische bedrijven met industrieel karakter of voor intensieve veeteelt slechts mogen opgericht worden op ten minste 300 m van een woongebied of op ten minste 100 m van een woonuitbreidingsgebied, tenzij het een woongebied met landelijk karakter betreft; dat de afstand van 300 en 100 m evenwel niet geldt in geval van uitbreiding van bestaande bedrijven; dat de overschakeling naar bosgebied is toegestaan overeenkomstig de bepalingen van artikel 35 van het Veldwetboek betreffende de afbakening van de landbouw- en bosgebieden; Overwegende dat de landschappelijk waardevolle gebieden bovendien gebieden zijn waarvoor bepaalde beperkingen gelden met het doel het landschap te beschermen of aan landschapsontwikkeling te doen; dat in deze gebieden alle handelingen en werken mogen worden uitgevoerd die overeenstemmen met de in grondkleur aangegeven bestemming, voor zover zij VII-39.576-4/17 de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar brengen; Overwegende de in artikel 4.4.
  17. VCRO voorziene afwijkingsmogelijkheid voor de oprichting van windturbines in het agrarisch gebied; Overwegende dat krachtens de overeenkomstige bepalingen van artikel 7.4.
  18. VCRO het bestemmingsvoorschrift „Agrarische gebieden‟ van de plannen van aanleg, volgens de aldaar aangegeven tabel, geconcordeerd wordt met de categorie van gebiedsaanduiding „Landbouw‟; dat de standaard typebepaling voor de „Categorie van gebiedsaanduiding 4: Landbouw - 4.1 Agrarisch gebied‟, zoals aangegeven in de bijlage bij het besluit van de Vlaamse Regering van 11 april 2008 tot vaststelling van nadere regels met betrekking tot de vorm en de inhoud van de ruimtelijke uitvoeringsplannen daarbij onder meer bepaalt: „Voor zover ze door hun beperkte impact de realisatie van de algemene bestemming niet in het gedrang brengen, zijn de volgende werken, handelingen en wijzigingen eveneens toegelaten: (...) Het aanbrengen van windturbines en windturbineparken, alsook andere installaties voor de productie van (hernieuwbare) energie of energierecuperatie. De mogelijke effecten van de inplanting ten aanzien van efficiënt bodemgebruik, eventuele verstoring van de uitbating(smogelijkheden) en landschappelijke kwaliteiten dienen in een lokalisatienota te worden beschreven en geëvalueerd‟; dat in deze context de desbetreffende decretale bepalingen de principiële rechtsgrond leveren voor de stedenbouwkundige vergunning voor de windturbines en hun aanhorigheden; Overwegende de artikelen 4.3.1, §2, eerste lid, en 1.1.
  19. VCRO; Overwegende dat de basis voor een verantwoorde inplantingswijze met betrekking tot windturbineprojecten is vervat in het bundelings- en optimalisatieprincipe; dat er moet gestreefd worden naar een ruimtelijke concentratie van windturbines en dus ook windmeetmasten in en bij de als prioritaire zoekgebieden omschreven industriegebieden, zijnde grootschalige bedrijventerreinen en economische poorten zoals bijvoorbeeld (zee)havengebieden; dat anderzijds projecten ruimtelijk verantwoord geacht kunnen worden als zij aantakken bij voldoende markant in het landschap voorkomende lijninfrastructuren; Overwegende dat de turbines een ashoogte van 85 m en een rotordiameter van 100 m hebben; dat het met een maximale tiphoogte van 135 m eerder bescheiden windturbines betreft; dat op vandaag meestal windturbines worden gebouwd met tiphoogtes tussen 150 m en 200 m; dat de projectzone in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied (LWA-gebied) ligt, in het noorden begrensd door industriegebied, de spoorlijn, een bufferzone en woonuitbreidingsgebied; dat noordoostelijk de woonkern Schendelbeke ligt; dat zuidelijk een natuurgebied (tevens VEN) en de Dender ligt; dat het agrarische gebied wordt doorsneden door de Dammersbeek; dat het dichtstbijzijnde woongebied op 270 m in noordoostelijke richting ligt; dat de dichtstbijzijnde individuele zonevreemde residentiële woning op ongeveer 250 m in het zuidoosten ligt; Overwegende dat de grens tussen het aanpalende industriegebied, het grootste op het grondgebied van Geraardsbergen, en net LWA-gebied wordt gevormd door de spoorlijn 90 Aalst-Geraardsbergen, bestaande uit 2 sporen, die er, omwille van het omliggende licht golvende landschap deels in ophoging ligt; VII-39.576-5/17 dat op dit industriegebied te Schendelbeke zich circa 60 bedrijven bevinden; dat dit gebied is gelegen tussen de N42 Geraardsbergen-Gent en de N45 Aalst-Brussel; dat het een oppervlakte van meer dan 60 ha heeft; dat het industriegebied zuidelijk, ter hoogte van de N42 Astridlaan en de voormelde spoorlijn, quasi onmiddellijk aansluit bij het stedelijk gebied van Geraardsbergen; dat het landschappelijk waardevol agrarisch gebied en het industriegebied worden doorsneden door de Dammersbeek; dat het hier geen op zich staand kleinschalig industrie gebied in een open agrarische omgeving betreft; dat zij samen met de spoorlijn een duidelijk markant gegeven in het landschap is, door grootschalige gebiedseigen infrastructuur, dat als drager kan fungeren voor het aantakken van windturbines; Overwegende dat beide windturbines worden ingeplant ten zuiden van de Jonkersstraat, dat windturbine 1 wordt voorzien 115 m ten zuidoosten van de spoorlijn; windturbine 2 zal ingeplant worden op een 90-tal meter ten zuidoosten van de spoorlijn; dat gezien de korte afstanden voldaan is aan het bundelingsprincipe; dat gezien de beperkt beschikbare oppervlakte van het betrokken gebied en de onderling vereiste afstanden tussen de windturbines (windvang maximaal vermijdend) meer windturbines hier niet mogelijk zijn; dat aan het optimalisatieprincipe bijgevolg eveneens voldaan is; Overwegende dat het ingesloten kleine langwerpig landschappelijk waardevol agrarisch gebied een oppervlakte van ongeveer 55 ha heeft; dat de maximale lengte circa 1.600 m bedraagt, terwijl de gemiddelde breedte circa 300 m bedraagt; dat het gebied zuidelijk wordt begrensd door het voor het grootste gedeelte bebost natuurgebied ter hoogte van de Dender; dat het oostelijk is begrensd door een klein woongebied met landelijk karakter en het woongebied van de gemeente Schendelbeke; Overwegende dat langs de Turfstraat in het landschappelijk waardevol agrarisch gebied zonevreemde woningen staan; dat langs de Jonkersstraat een landbouwbedrijf voorkomt waarvan de infrastructuur reikt tot in dit agrarisch gebied; dat in het oostelijke deel van het LWA-gebied, waar de meeste bewoning aan paalt, diverse bomenrijen voorkomen; dat in het westelijke deel slechts hier en daar een boom staat; dat de landbouwinvulling uit weiden en akkers bestaat; dat door dit gebied een aantal veldwegen loopt, evenals de Dammersbeek; dat het betrokken gebied omwille van zijn bescheiden omvang en de opeenvolging van akkerland en weiden, in veel gevallen niet van elkaar gescheiden met bomen of laagstammig groen begroeide randen, geen grote landschappelijke waarde vertoont; dat het inplanten van 2 windturbines in dit deel van het LWA-gebied, onmiddellijk aansluitend bij de bestaande spoorlijn en het uitgestrekt industriegebied van Schendelbeke in die omstandigheden dan ook geen grote impact op de schoonheidswaarde van het betrokken landschap heeft; Overwegende dat windturbines niet als storend ervaren hoeven te worden; dat aan de Katholieke Universiteit van Leuven onderzoek werd gedaan naar de mate waarin windturbines al dan niet een degradatie of opwaardering van het landschap betekenen; dat het onderzoek uitgaat van de subjectieve perceptie van belanghebbenden, aan de hand van simulaties die voorgelegd worden aan een representatief staal van de bevolking; dat het onderzoek tot de conclusie komt dat attractieve landschappen (open landschappen zonder verstoring) VII-39.576-6/17 minder attractief worden door de aanwezigheid van windturbines en dat minder attractieve landschappen (reeds verstoring aanwezig door infrastructuren) juist attractiever worden door de inplanting van windturbines; Overwegende dat het hier een klein agrarisch gebied betreft; dat grootschalige open en homogene landschappen met vrije zichten hier niet aan de orde zijn; dat het zicht vanuit de oostelijke (bebouwde) rand van het gebied beperkt wordt door de aanwezige bomenrijen; dat in het westelijk deel het industriegebied op vandaag reeds het decor voor elke zichtlijn vanuit het zuiden vormt; dat de windturbines aan de rand van het gebied staan en, gezien de geringe footprint, noch de bestemming, noch het efficiënt landbouwgebruik in het gedrang brengen; Overwegende dat beide windturbines een duidelijke structuur aan een landschap geven, mede bepaald door het industriegebied (dat vanuit het landschappelijk waardevol agrarisch gebied oogt als een amalgaan van verschillende grootschalige gebouwen en constructies) en kunnen beschouwd worden als markering van de grens van het industriegebied; dat zij in die zin als een attractief bescheiden structuur gevend merkteken in het landschap kunnen worden omschreven; dat de impact als bescheiden omschreven kan worden, omdat een windturbinemast een zeer slanke constructie is met een perceptie in het landschap die eerder naaldvormig is en daardoor minder ingrijpend dan grootschalige bebouwing; dat het hier gaat om 2 traagdraaiende driewiekers in lijn met de spoorinfrastructuur en aansluitend bij het industriegebied die een rustig beeld opleveren; dat er bovendien geen interferentie optreedt met andere windturbineparken; Overwegende dat luidens art. 5.6.7, §1, VCRO een milieuvergunningsaanvraag gunstig geadviseerd en vergund kan worden in afwijking op de bepalingen van een stedenbouwkundig voorschrift, voor zover voldaan is aan beide hiernavolgende voorwaarden: 1° de goede ruimtelijke ordening wordt niet geschaad, hetgeen in het bijzonder betekent dat de ruimtelijke draagkracht van het gebied niet wordt overschreden en dat de voorziene verweving van functies de aanwezige of te realiseren bestemmingen in de onmiddellijke omgeving niet in het gedrang brengt of verstoort; 2° de inrichting is stedenbouwkundig vergunbaar in afwijking van de bepalingen van een stedenbouwkundig voorschrift of, voor zover het gaat om een bestaande inrichting, is hoofdzakelijk vergund; Overwegende dat de aangevraagde inrichting verenigbaar is met de stedenbouwkundige voorschriften en de goede ruimtelijke ordening”. 3.
  20. Parallel aan de milieuvergunningsaanvraag wordt een aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van twee windturbines ingediend. Op 17 mei 2011 verleent de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar een stedenbouwkundige vergunning onder voorwaarden. Met een arrest van 30 juni 2015 (nr. A/2015/0403) vernietigt de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) deze vergunning, en beveelt hij om een VII-39.576-7/17 nieuwe beslissing te nemen over de aanvraag. Bij zijn arrest nr. RvVb/A/1617/1074 van 1 augustus 2017 vernietigt de RvVb ook de nieuwe vergunning verleend op 9 oktober 2015, en beveelt hij andermaal om een nieuwe beslissing te nemen over de aanvraag. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie
  21. De tussenkomende partij werpt op dat de verzoekers niet bewijzen dat zij eigenaar zijn van de respectieve woningen waarin zij beweren te wonen of dat ze er het gebruiksgenot van hebben, waardoor hun beroep onontvankelijk is bij gebrek aan belang. Beoordeling
  22. Bij arrest nr. 231.520 van 11 juni 2015 werd geoordeeld dat de verzoekers doen blijken van een afdoende belang, omdat de gevraagde milieuvergunning merkbare gevolgen kan hebben in hun directe woonomgeving. De tussenkomende partij verduidelijkt niet welke redelijke grond thans bestaat om de verzoekers ervan te verdenken dat zij zich een belang hebben aangematigd dat zij in werkelijkheid niet hebben. De exceptie wordt verworpen. V. Onderzoek van het eerste middel Standpunt van de partijen
  23. De verzoekers voeren in het eerste middel de schending aan van artikel 4.4.9 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), van de artikelen 11.4.1 en 15.4.6.1 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 VII-39.576-8/17 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (hierna: inrichtingsbesluit), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: motiveringswet), van de materiëlemotiverings- en zorgvuldigheidsplicht. Zij zetten uiteen dat de overwegingen aangaande het landschappelijk waardevol karakter van het gebied, die als gevolg van het eerdere vernietigingsarrest werden opgenomen in de nieuwe beslissing, “niet voldoende en zelfs tegenstrijdig” zijn. Het landschappelijk waardevol gebied heeft een langwerpige vorm met een maximale lengte van circa 1.600 meter en een gemiddelde breedte van circa 300 meter, en dus een “bescheiden” oppervlakte, maar vormt samen met het natuurgebied in het zuiden een belangrijk aaneengesloten gebied waar natuur- en landschapsbescherming een belangrijk gegeven vormen. Het is juist door deze “bescheiden” omvang dat de impact van de windturbines zeer groot is. Het hoeft geen betoog dat een constructie van 135 meter hoog een esthetische impact heeft op een gebied met slechts een breedte van 300 meter. De beperkte oppervlakte is dus juist een reden om de windturbines niet toe te laten. Gezien het feit dat er in Vlaanderen niet veel open terrein meer is, verdienen ook de kleine stukken waardevol landschap bescherming. Het feit dat het terrein in het verleden net als “waardevol” werd bestempeld, lijkt deze redenering verder te bevestigen, zoals ook de verwijzing in de bestreden beslissing zelf naar een studie van de KU Leuven die tot de conclusie komt dat “attractieve landschappen (open landschappen zonder verstoring) minder attractief worden door de aanwezigheid van windturbines”. Voorts betogen de verzoekers dat herhaaldelijk wordt gesteld dat de windturbines aansluiten bij een industriegebied en bij lijninfrastructuur, met name de spoorlijn, terwijl de link of impact met het natuurgebied ten zuiden nooit wordt gemaakt. Het aanwezige industriegebied en spoorlijn krijgt overigens een grotere status dan ze verdienen, zodat er geen sprake kan zijn van enige clustering met andere grote infrastructuren. Het landschappelijk waardevol gebied is op zich niet aangetast: men kan de impact van de turbines op het landschappelijk waardevol gebied dan ook niet beoordelen aan de hand van de gebieden rond het landschappelijk waardevol gebied. De “bundeling” met de VII-39.576-9/17 spoorlijn overtuigt niet: door het feit dat de trein in een “holle weg” zit en het gaat om glooiend terrein, is de spoorlijn niet te zien en heeft ze dus ook geen impact op het landschappelijk waardevol gebied. Het “grootschalige” van het industrieterrein zit ook enkel in het ruimtelijke, want qua bedrijfsactiviteiten is dit eerder een “ambachtszone”. Daarenboven worden de windturbines beschouwd als “een markering van de grens van het industriegebied”, wat volgens de verzoekers “nonsens” is, aangezien de windturbines niet in het industriegebied staan, waar ze juist wél thuishoren. Bovendien, betogen de verzoekers, wordt het industriegebied afgeschermd door een groenscherm, waardoor het industriegebied helemaal niet het decor vormt voor elke zichtlijn vanuit het zuiden, en betekenen de windturbines voor de zichtlijnen vanuit de andere windstreken sowieso een aantasting. Ten slotte wordt volgens de verzoekers de impact van de toegangswegen op het landschappelijk waardevol gebied totaal niet onderzocht terwijl deze wegen het gebied zullen doorsnijden en zo de eenheid van het landbouwgebied verbreken, wat aldus ook een nadelige impact op de schoonheidswaarde heeft. De verzoekers besluiten dat uit de bestreden beslissing niet afdoende blijkt dat de “mogelijke effecten van de inplanting ten aanzien van efficiënt bodemgebruik, eventuele verstoring van de uitbating(smogelijkheden) en landschappelijke kwaliteiten” werden geëvalueerd. De loutere verwijzing in de bestreden beslissing naar het nabijgelegen industriegebied en het feit dat de windturbines een “markering” vormen van het industriegebied, kan niet als een afdoende evaluatie beschouwd worden van eventuele effecten ten aanzien van landschappelijke kwaliteiten van het gebied waarin de windturbines worden opgericht. De overwegingen in de bestreden beslissing met betrekking tot de in de omgeving bestaande toestand en in het algemeen met betrekking tot de overeenstemming met de goede ruimtelijke ordening, zoals de afstand tot de omringende bebouwing of de beschermenswaardige onroerende goederen, zijn volgens de verzoekers geen overwegingen waaruit zou moeten blijken dat de inplanting van de windturbines geen schadelijke gevolgen toebrengt aan de landschappelijke kwaliteiten van het landschappelijk waardevol agrarisch gebied. De uit te voeren “esthetische toets”, ook in kader van artikel 4.4.9 VCRO, is immers een andere toets dan deze van de overeenstemming met de goede ruimtelijke ordening. Ook de standpunten inzake VII-39.576-10/17 het bundelingsprincipe en de lijninfrastructuur kunnen bij de beoordeling van de landschappelijke kwaliteiten niet betrokken worden aangezien de vraag of de geplande windturbines voldoen aan de criteria zoals vooropgesteld in de omzendbrief RO/2006/02 en de vraag naar de vrijwaring van de schoonheidswaarde van het gebied, waarbij de landschappelijke kwaliteiten van dit gebied moeten worden vooropgesteld en geëvalueerd ten aanzien van de impact van de inplanting, duidelijk andere doelstellingen hebben.
  24. De verwerende partij repliceert in haar memorie van antwoord dat uit de motivering van de bestreden beslissing blijkt dat zij de geldende planologische voorschriften heeft vastgesteld, de decretale grondslag heeft vermeld en heeft onderzocht op grond waarvan van de voornoemde voorschriften kan worden afgeweken. Zij heeft hierbij vastgesteld dat projecten, zoals de gevraagde inrichting, ruimtelijk verantwoord kunnen worden geacht wanneer zij aantakken bij voldoende markant in het landschap voorkomende lijninfrastructuren. De verwerende partij heeft op gedetailleerde wijze de gevraagde inrichting en de inplanting ervan in relatie tot de eigenlijke bestemmingszone waarin de inrichting zal zijn gelegen, maar ook ten opzichte van de naastliggende en nabijgelegen bestemmingszones, de aanwezige bebouwing en lijn- en puntvormige elementen en de aldaar voldoende markant in het landschap voorkomende lijninfrastructuren, onderzocht en beschreven. Op grond hiervan kon zij volgens haar tot het oordeel komen dat de gevraagde inrichting geen grote impact op de schoonheidswaarde van het betrokken landschap heeft. Er werd vastgesteld dat aan het bundelings- en optimalisatieprincipe wordt voldaan. Er werd vastgesteld dat de windturbines aan de rand van het agrarisch gebied staan en gezien de geringe “footprint” van de inrichting (dit is de eigenlijke turbine en de dienstzone en -weg), in redelijkheid mocht worden aangenomen dat hiermee noch de bestemming noch het efficiënt bodemgebruik in het gedrang komen.
  25. De tussenkomende partij betoogt in haar memorie dat uit de motivering van de bestreden beslissing afdoende blijkt dat de inplanting van de vergunde windturbines de schoonheidswaarde van het gebied niet aantast. Wat de VII-39.576-11/17 kritiek van de verzoekers betreft, repliceert ze dat de opvatting dat een windturbine per definitie een grote ruimtelijke impact zou hebben op het landschappelijk waardevol agrarisch gebied, haaks staat op het gegeven dat het met toepassing van de zogenaamde “clichering” (artikel 4.4.9 VCRO) mogelijk is om windturbines te vergunnen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied, en de stelling van de verzoekers erop neerkomt dat in landschappelijk waardevol agrarisch gebied nooit windturbines kunnen worden ingeplant. Voorts betoogt de tussenkomende partij dat de beoordeling van de verwerende partij omtrent de kleinschaligheid van het betrokken agrarisch gebied, niet onjuist of kennelijk onredelijk is. Ten slotte benadrukt ze dat het betrokken industriegebied het grootste industriegebied op het grondgebied van Geraardsbergen is en meer dan 60 bedrijven herbergt, zodat het bezwaarlijk als “beperkt” kan worden beschouwd. Verder is de spoorlijn 90 Aalst-Geraardsbergen, bestaande uit twee sporen, omwille van het omliggende licht golvende landschap deels in een ophoging gelegen, en niet, zoals de verzoekers ten onrechte voorhouden, verscholen in het landschap. Wat het niet beoordelen van de impact van de toegangswegen betreft, stelt de tussenkomende partij dat deze vrijgesteld zijn van de vergunningsplicht zodat de verwerende partij niet gehouden was deze toegangswegen te betrekken in haar beoordeling van de impact van het project op het landschappelijk waardevol agrarisch gebied.
  26. De verwerende partij benadrukt in haar laatste memorie dat het bestreden besluit, wanneer het in haar geheel wordt gelezen en er niet louter beperkte passages uit worden geciteerd, wel degelijk afdoende motiveert waarom de windturbines in het betrokken gebied kunnen worden ingeplant. Wat de stelling betreft dat de impact van de toegangswegen op de schoonheidswaarde niet zou zijn beoordeeld, stelt de verwerende partij dat de overwegingen duidelijk niet alleen gelden voor de windturbines maar voor de inrichting in haar geheel. Beoordeling
  27. Overeenkomstig het van toepassing zijnde gewestplan “Aalst-Ninove-Geraardsbergen”, zijn de aangevraagde windturbines gelegen in VII-39.576-12/17 landschappelijk waardevol agrarisch gebied, waarvoor de bestemmingsvoorschriften neergelegd in de artikelen 11.4.1 en 15.4.6.1 van het inrichtingsbesluit gelden. Reeds bij voornoemd arrest nr. 231.520 werd eraan herinnerd dat uit de samenlezing van deze voorschriften volgt dat de toelaatbaarheid van hinderlijke inrichtingen in landschappelijk waardevolle gebieden op grond van een tweevoudig criterium moet worden getoetst: ten eerste een planologisch, dat veronderstelt dat de overheid nagaat of de te vergunnen inrichting in overeenstemming is met de bestemming agrarisch gebied, en ten tweede een esthetisch, dat inhoudt dat de inrichting in overeenstemming is met de eisen ter vrijwaring van het landschap. Voorts werd beoordeeld dat, in beginsel, met toepassing van artikel 4.4.9 VCRO, het niet is uitgesloten om windturbines te vergunnen in landschappelijk waardevolle agrarische gebieden, doch de vergunningverlenende overheid bij de beoordeling of de inrichting stedenbouwkundig vergunbaar is, er steeds toe gehouden is een toets op de schoonheidswaarde van het gebied uit te voeren, hetgeen inhoudt dat in de bestreden beslissing de bestaande toestand, alsook het effect van de aangevraagde inrichting op die bestaande toestand, wordt beschreven en beoordeeld. Het komt de Raad van State hierbij niet toe zijn beoordeling van de bestaanbaarheid van het project met de schoonheidswaarde van het betrokken gebied in de plaats te stellen van die van de bevoegde vergunningverlenende overheid. Hij heeft wel tot opdracht aan de hand van de concrete gegevens van de zaak na te gaan of de overheid de feiten waarop zij haar beoordeling steunt correct heeft vastgesteld en of zij op grond van die feiten in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat de te vergunnen inrichting de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar brengt.
  28. De uitgebreide omschrijving in de bestreden beslissing van de omliggende bestemmingsgebieden, alsook de verwijzing naar het bundelings- en optimalisatieprincipe, houden in de eerste plaats verband met de planologische VII-39.576-13/17 toets, dat veronderstelt dat de overheid nagaat of de te vergunnen windturbines in overeenstemming zijn met de bestemming agrarisch gebied. Wat de zogenaamde “esthetische toets” betreft of de verenigbaarheid van de twee windturbines met de schoonheidswaarde van het gebied waarin deze zijn gelegen, wordt in de bestreden beslissing concreet gemotiveerd dat “het industriegebied […] samen met de spoorlijn een duidelijk markant gegeven in het landschap is, door grootschalige gebiedseigen infrastructuur, dat als drager kan fungeren voor het aantakken van windturbines”, “dat het betrokken gebied omwille van zijn bescheiden omvang en de opeenvolging van akkerland en weiden, in veel gevallen niet van elkaar gescheiden met bomen of laagstammig groen begroeide randen, geen grote landschappelijke waarde vertoont”, dat “grootschalige open en homogene landschappen met vrije zichten hier niet aan de orde zijn; dat het zicht vanuit de oostelijke (bebouwde) rand van het gebied beperkt wordt door de aanwezige bomenrijen; dat in het westelijk deel het industriegebied op vandaag reeds het decor voor elke zichtlijn vanuit het zuiden vormt; dat de windturbines aan de rand van het gebied staan en, gezien de geringe footprint, noch de bestemming, noch het efficiënt landbouwgebruik in het gedrang brengen”, en dat “beide windturbines een duidelijke structuur aan een landschap geven, mede bepaald door het industriegebied (dat vanuit het landschappelijk waardevol agrarisch gebied oogt als een amalgaan van verschillende grootschalige gebouwen en constructies) en kunnen beschouwd worden als markering van de grens van het industriegebied; dat zij in die zin als een attractief bescheiden structuur gevend merkteken in het landschap kunnen worden omschreven; dat de impact als bescheiden omschreven kan worden, omdat een windturbinemast een zeer slanke constructie is met een perceptie in het landschap die eerder naaldvormig is en daardoor minder ingrijpend dan grootschalige bebouwing; dat het hier gaat om 2 traagdraaiende driewiekers in lijn met de spoorinfrastructuur en aansluitend bij het industriegebied die een rustig beeld opleveren; dat er bovendien geen interferentie optreedt met andere windturbineparken”. VII-39.576-14/17
  29. Voor zover wordt gemotiveerd dat het betrokken gebied een klein agrarisch gebied betreft, zonder open en homogene landschappen met vrije zichten, en geen grote landschappelijke waarde vertoont, dient vastgesteld dat deze omstandigheid niet heeft belet dat dit kleine gebied in het verleden wel als waardevol werd bestempeld en bijgevolg als dusdanig blijvend moet worden beschermd. De overwegingen betreffende de link die met de windturbines kan worden gemaakt met het noordelijk gelegen industriegebied en de spoorlijn, gaan voorbij aan deze specifieke bescherming van het landschappelijk waardevol gebied. Met de verzoekers wordt vastgesteld dat de impact van het natuurgebied ten zuiden, noch de zichtlijnen vanuit de andere windstreken worden beoordeeld. Ook al zou een windturbinemast een zeer slanke constructie zijn (en daardoor minder ingrijpend dan grootschalige bebouwing) en betreft het te dezen traagdraaiende driewiekers die een rustig beeld zouden opleveren, heeft de verwerende partij niet in redelijkheid kunnen oordelen dat de te vergunnen windturbines de schoonheidswaarde van het landschap niet in gevaar brengen. Dit geldt des te meer nu niet alleen de windturbines, maar ook de toegangswegen en twee middenspanningscabines gelegen in het landschappelijk waardevol agrarisch gebied, daargelaten of zij vergunningsplichtig zijn, betrokken dienen te worden bij voornoemde “esthetische toets”, wat te dezen niet uitdrukkelijk is gebeurd. Het middel is gegrond. VII-39.576-15/17 BESLISSING
  30. De Raad van State vernietigt het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 19 november 2015 waarbij de beroepen aangetekend tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 14 juli 2011, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan de NV Storm Development, overgenomen door de BVBA Storm Geraardsbergen, voor het exploiteren van twee windturbines, gelegen aan het Jonkheersveld en de Jonkersstraat te Geraardsbergen, gedeeltelijk gegrond worden verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd, mits wijziging van de bijzondere vergunningsvoorwaarden.
  31. Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit.
  32. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 600 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro verschuldigd aan de verzoekers. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. VII-39.576-16/17 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vier april tweeduizend negentien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-39.576-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.167 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.