id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 april 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.169 Rolnummer: A. 225511/VII-40311 Zaak: Arrest 244169 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 04/04/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-04-12 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-25 11:35 Fiche Arrest nr 244.169 van 4 april 2019 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 244.169 van 4 april 2019 in de zaak A. 225.511/VII-40.
- In zake : Michel DESMET bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Kurt Stas en Filip De Preter kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :
- Wouter DE STECKER
- de BVBA 4SE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pieter Van Assche kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen
- de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN VLAAMS-BRABANT -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 22 juni 2018, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb/A/1718/0822 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 8 mei 2018 in de zaak 1617/RvVb/0082/A. II. Verloop van de rechtspleging
- Een beschikking van 12 juli 2018 verklaart het cassatieberoep toelaatbaar. VII-40.311-1/15 De eerste en tweede verwerende partij hebben een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State. Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend teneinde te worden gehoord. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 februari
- Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Kurt Stas, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Sander Kaïret, die loco advocaat Pieter Van Assche verschijnt voor de eerste en tweede verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). III. Feiten 3.
- Bij besluit van 4 april 2016 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Gooik aan de heer Desmet een VII-40.311-2/15 stedenbouwkundige vergunning voor “de regularisatie van een zonevreemde woning (aanbouw garage)”. 3.
- De deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant (hierna: deputatie) verklaart het administratief beroep van De Stecker en de BVBA 4SE tegen de stedenbouwkundige vergunning onontvankelijk bij besluit van 4 augustus 2016 omdat: “in het beroepsschrift […] geen omschrijving voor[komt] van de hinder of nadelen die de beroeper rechtstreeks of onrechtstreeks kan ondervinden ten gevolge van het verlenen van de vergunning”. 3.
- Het bestreden arrest van 8 mei 2018 verklaart het beroep van De Stecker en de BVBA 4SE gegrond, vernietigt de vergunningsbeslissing en beveelt de deputatie om een nieuwe beslissing te nemen. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- Desmet voert de schending aan van artikel 149 van de Grondwet, artikel 4.8.11 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO) en de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek: “Doordat, eerste onderdeel, het bestreden arrest de ontvankelijkheid van het vernietigingsberoep beoordeelt op basis van de beslissing van de deputatie. En doordat, tweede onderdeel, het bestreden arrest geen motieven bevat over de beoordeling door de Raad van de voorwaarden zoals bepaald door artikel 4.8.11 VCRO. En doordat, derde onderdeel, het bestreden arrest de bewijskracht van de schriftelijke uiteenzettingen van de verzoekende partij schendt. En doordat, vierde onderdeel, het bestreden arrest geen antwoord bevat over de ingeroepen excepties door de verzoekende partij. Terwijl, eerste onderdeel, de ontvankelijkheid van het vernietigingsberoep VII-40.311-3/15 door de Raad voor Vergunningsbetwistingen moet steunen op een zelfstandig onderzoek naar de hinder en nadelen die de verzoekende partij aanhaalt in haar verzoekschrift ter ondersteuning van haar belang. En terwijl, tweede onderdeel, het arrest motieven had moeten bevatten over de beoordeling door de Raad van de voorwaarden zoals bepaald door artikel 4.8.11 VCRO. En terwijl, derde onderdeel, een rechter een stuk geen uitlegging kan geven die onverenigbaar is met de bewoordingen van het stuk. En terwijl, vierde onderdeel, een rechter een antwoord moet formuleren over de ingeroepen excepties door een partij”. In het eerste middelonderdeel betoogt hij dat de RvVb artikel 4.8.11 VCRO schendt “door geen zelfstandig onderzoek uit te voeren naar de hinder en nadelen die [De Stecker en de BVBA 4SE] [in hun inleidend verzoekschrift] aanhalen om hun belang te ondersteunen in het kader van het vernietigingsberoep. Het loutere feit dat artikel 4.7.21, § 2 VCRO eveneens vermeldt dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die rechtstreekse of onrechtstreekse hinder of nadelen kan ondervinden ingevolge de bestreden beslissing beroep kan instellen, kan de [RvVb] niet ontslaan van een zelfstandig onderzoek naar het belang van de verzoekende partijen bij een vernietigingsberoep in het kader van artikel 4.8.11 VCRO. […] Bovendien beoordeelt de [RvVb] het belang van [De Stecker en de BVBA 4SE] in het kader van artikel 4.8.11 VCRO niet op basis van wat zij als belang omschrijven in hun inleidend verzoekschrift. De [RvVb] oordeelt ten onrechte op basis van de argumentatie zoals opgenomen in de beslissing van de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant en de middelen die [De Stecker en de BVBA 4SE] halen uit deze beslissing en bijgevolg op basis van de argumentatie in het kader van artikel 4.7.21 VCRO. De hinder en nadelen die een partij opwerpt als toegangsvoorwaarde bij de administratieve beroepsprocedure bij de deputatie kaderen in het toepassingsgebied van artikel 4.7.21 VCRO. Zij handelen over de hinder en nadelen die het gevolg zijn van de beslissing van het college van burgemeester en schepenen en niet over de hinder en nadelen die het gevolg zijn van de beslissing van de deputatie. […] De partijen zijn in het kader van de behandeling van een middel van een verzoekende partij tegen de beslissing van de deputatie gebonden door de argumentatie die tijdens deze administratieve beroepsprocedure wordt opgeworpen. Geen enkele VII-40.311-4/15 partij kan bij de beoordeling van het middel bijkomende argumentatie aan bod laten komen, terwijl dit wel kan en, zoals ook blijkt uit de stukken waar uw Raad acht kan op slaan, ook is gebeurd in het kader van de betwisting over het belang van [De Stecker en de BVBA 4SE] in het kader van artikel 4.8.11 VCRO”. Hij licht in het tweede middelonderdeel toe dat het bestreden arrest geen motieven bevat waaruit blijkt dat voldaan is aan de voorwaarden die volgen uit artikel 4.8.11, § 1, eerste lid, 3°, VCRO. In het derde middelonderdeel wordt toegelicht dat de RvVb de bewijskracht van de schriftelijke uiteenzettingen van 24 maart 2017 en 27 november 2017 van Desmet schendt “in zoverre het bestreden arrest moet worden gelezen als zou [hij] een inhoudelijke identieke exceptie opgeworpen hebben voor de deputatie”. Uit die stukken blijkt dat hij “een inhoudelijk andersluidende exceptie opwierp in het kader van de ontvankelijkheid van het vernietigingsberoep”. Hij voert in het vierde middelonderdeel aan dat het bestreden arrest “geen motivering omtrent” zijn excepties bevat. “De verwijzing naar de bespreking van het middel kan niet gelden als een antwoord, aangezien voormelde argumentatie niet aan bod komt in het middel waar de [RvVb] naar verwijst. Het middel waar de [RvVb] naar verwijst, behandelt de wijze waarop de deputatie geantwoord heeft op de ontvankelijkheidsexceptie die [hij] heeft opgeworpen voor de deputatie”. Beoordeling
- Het middel gaat terug op de beoordeling door de RvVb van: - de ontvankelijkheid wat betreft het belang van De Stecker en de BVBA 4SE naar aanleiding van de betwisting door Desmet van hun belang; - de gegrondverklaring van het enige middel van De Stecker en de BVBA 4SE op grond van de conclusie dat zij “in hun beroepschrift voldoende duidelijk hun belang [...] in de zin van artikel 4.7.21, § 2, 2° VCRO” hebben omschreven en de VII-40.311-5/15 deputatie hun beroep “dan ook onterecht onontvankelijk [heeft] verklaard bij gebrek aan belang”. Het bestreden arrest overweegt dat: - de stedenbouwkundige vergunning die het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Gooik aan Desmet heeft verleend “zijn rechtskracht herneemt” door de onontvankelijkverklaring door de deputatie van het administratief beroep daartegen van De Stecker en de BVBA 4SE; - tegen de bestreden beslissing van de deputatie door belanghebbenden beroep bij de RvVb kan worden ingesteld; - dit belang in voorkomend geval noodzakelijk beperkt is tot de vraag of het administratief beroep al dan niet terecht onontvankelijk werd verklaard. De RvVb beslist vervolgens: “[…] [De Stecker en de BVBA 4SE] voeren voor de Raad aan dat zij gegriefd zijn door de bestreden beslissing aangezien zij hierdoor geen kans meer maken om de aanvraag in globaliteit te laten bekijken door de [deputatie]. Zij stellen dat zij het fundamenteel oneens zijn met de beslissing van het college van burgemeester en schepenen en menen dat zij als aanpalende eigenaar en exploitant wel degelijk hinder en nadelen ondervinden van het aangevraagde. Zij verwijzen hierbij, net als tijdens de administratieve procedure voor de [deputatie], naar het maatschappelijk doel van [de BVBA 4SE] waarbij een mooi en open agrarisch uitzicht van belang is en wijzen op de visuele hinder die de gekozen inplanting van de betrokken constructie veroorzaakt. [Desmet] betwist het belang van [De Stecker en de BVBA 4SE]. De these van het „procedureel belang‟ kan volgens [hem] niet worden toegepast en bovendien maken [De Stecker en de BVBA 4SE] volgens [hem] niet concreet en afdoende aannemelijk dat zij hinder en nadelen ondervinden als gevolg van de bestreden beslissing. […] Met [Desmet] moet worden vastgesteld dat het louter nabuurschap en het beschikken over een uitvoerbare vergunning op het eigen perceel op zich niet volstaat om [De Stecker en de BVBA 4SE] een belang bij de procedure te verschaffen. Ook het enkele feit dat de [deputatie] het administratief beroep onontvankelijk verklaard heeft, verschaft [De Stecker en de BVBA 4SE] niet als een automatisme het rechtens vereiste belang bij het jurisdictioneel beroep bij de Raad. [De Stecker en de BVBA 4SE] dienen aan te tonen dat zij hinder en nadelen ondervinden ten gevolge van de bestreden beslissing. Het beantwoorden van de vraag of [De Stecker en de BVBA 4SE] hinder en VII-40.311-6/15 nadelen kunnen ondervinden ingevolge de bestreden beslissing en de exceptie die [Desmet] hierover opwerpt, valt de facto samen met de behandeling ten gronde van het middel, waarin [De Stecker en de BVBA 4SE] aanvoeren dat de [deputatie] ten onrechte hun administratief beroep onontvankelijk heeft verklaard bij gebrek aan belang. Er wordt dan ook verwezen naar de beoordeling van het enig middel”. De RvVb besluit tot de gegrondheid van het enige middel van De Stecker en de BVBA 4SE omdat zij in hun beroepschrift en replieknota “duidelijk omschrijven waarom de vergunde inplanting voor hen een storende impact heeft, met name een negatieve impact op de zichtbaarheid van het agrarische landschap die juist belangrijk is voor de exploitatie” en “zich dus niet louter [beperken] tot een stellingname en een verwijzing naar het nabuurschap zoals de [deputatie] in de bestreden beslissing stelt”.
- De voor de RvVb bestreden beslissing van de deputatie is een overeenkomstig artikel 4.8.2 VCRO, in zijn toepasselijke versie, voor de RvVb aanvechtbare vergunningsbeslissing genomen in laatste administratieve aanleg.
- De toepasselijke versie van artikel 4.7.21, § 2, 2°, VCRO bepaalt dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die rechtstreekse of onrechtstreekse hinder of nadelen kan ondervinden ingevolge de beslissing van het college van burgemeester en schepenen omtrent de vergunningsaanvraag, georganiseerd administratief beroep bij de deputatie kan instellen tegen deze vergunningsbeslissing. Luidens de toepasselijke versie van artikel 4.8.11, § 1, eerste lid, 3°, VCRO kan elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die rechtstreekse of onrechtstreekse hinder of nadelen kan ondervinden als gevolg van de vergunningsbeslissing van de deputatie daartegen jurisdictioneel beroep instellen bij de RvVb. VII-40.311-7/15 De aard van de door deze personen voor de deputatie en vervolgens voor de RvVb aannemelijk te maken rechtstreekse of onrechtstreekse hinder of nadelen die het gevolg zijn van de beslissing van het college van burgemeester en schepenen en, naar aanleiding van een georganiseerd administratief beroep tegen die beslissing, van de deputatie over dezelfde vergunningsaanvraag, is dezelfde.
- Het arrest dat ter beantwoording van de betwisting van Desmet dat De Stecker en de BVBA 4SE over het naar recht vereiste belang beschikken, beslist dat de beoordeling van deze exceptie samenvalt met de beoordeling van de gegrondheid van het middel van laatstgenoemden tegen het onontvankelijk verklaren van hun administratief beroep tegen de voormelde vergunning en dat dit middel om de aangehaalde redenen gegrond verklaart, schendt bijgevolg geen van de in het middel aangevoerde bepalingen.
- Het eerste middel wordt verworpen. B. Tweede middel Uiteenzeting van het middel
- Desmet voert de schending aan van de “artikelen 4.7.21 en 4.7.23 VCRO, de artikelen 1, 2 en 257 van het Wetboek van Vennootschappen, artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 2009 tot regeling van sommige onderdelen van de administratieve beroepsprocedure inzake stedenbouwkundige of verkavelingsvergunningen en artikel 149 van de Grondwet”: “Doordat, eerste onderdeel, het bestreden arrest oordeelt dat een rechtspersoon hinder en nadelen kan ervaren als gevolg van het verlies van een uitzicht dat deel uitmaakt van de bedrijfsvoering. En doordat, tweede onderdeel, het bestreden arrest oordeelt dat uit het inleidend beroepschrift van de rechtspersoon haar hinder en nadelen blijken. En doordat, derde onderdeel, het bestreden arrest oordeelt een zaakvoerder VII-40.311-8/15 van een rechtspersoon hinder en nadelen kan ervaren als gevolg van een verlies aan inkomsten. En doordat, vierde onderdeel, het bestreden arrest oordeelt dat het niet verboden is om in een replieknota de hinder en nadelen te verduidelijken. En doordat, vijfde onderdeel, in ondergeschikte orde, het bestreden arrest oordeelt dat het niet verboden is om in een replieknota de hinder en nadelen te verduidelijken. En doordat, zesde onderdeel, in verder ondergeschikte orde, het bestreden arrest oordeelt dat het niet verboden is om in een replieknota de hinder en nadelen te verduidelijken. En doordat, zevende onderdeel, het bestreden arrest geen antwoord biedt op het verweer van de verzoekende partij. Terwijl, eerste onderdeel, het verlies aan uitzicht niet in aanmerking kan genomen worden als hinder en nadelen. En terwijl, tweede onderdeel, uit het inleidend beroepschrift niet naar recht, en al dan niet met miskenning van de bewijskracht ervan, hinder en nadelen kunnen worden afgeleid. En terwijl, derde onderdeel, het belang van een zaakvoerder samenvalt met het belang van de rechtspersoon en een verlies aan inkomsten niet in aanmerking kan genomen worden als hinder en nadelen. En terwijl, vierde onderdeel, enkel de hinder en nadelen zoals opgenomen in het inleidend beroepschrift mogen worden aangenomen. En terwijl, vijfde onderdeel, in ondergeschikte orde, enkel toelichtingen over de hinder en nadelen zoals omschreven in het inleidend beroepschrift mogen worden aanvaard. En terwijl, zesde onderdeel, in verder ondergeschikte orde, enkel toelichtingen over de hinder en nadelen zoals omschreven in het inleidend beroepschrift mogen worden aanvaard wanneer zowel de provinciale stedenbouwkundige ambtenaar en/of de andere partijen de mogelijkheid hebben gehad om over deze bijkomende toelichting standpunt in te nemen. En terwijl, zevende onderdeel, de rechter een antwoord moet bieden op het verweer van een partij”. Hij licht toe dat het bestreden arrest: - het begrip hinder en nadelen in artikel 4.7.21 VCRO miskent “door een visuele belemmering (het verlies van uitzicht) in hoofde van een rechtspersoon aan te merken als hinder en nadelen waardoor de rechtspersoon toegang had moeten krijgen tot de administratieve beroepsprocedure” (eerste middelonderdeel); - uit de aangehaalde passages in het beroepschrift niet naar recht kan afleiden dat de BVBA 4SE hinder en nadelen ervaart in de zin van artikel 4.7.21 VCRO minstens de bewijskracht van die passages schendt (tweede middelonderdeel); - het begrip hinder en nadelen in artikel 4.7.21 VCRO miskent “door een verlies aan inkomen in hoofde van een zaakvoerder aan te merken als hinder en nadelen VII-40.311-9/15 waardoor de zaakvoerder toegang had moeten krijgen tot de administratieve beroepsprocedure” en de artikelen 1, 2 en 257 van het Wetboek van Vennotenschappen (hierna: W.Venn.) schendt door te oordelen “dat een zaakvoerder over een afzonderlijk belang beschikt om een vernietigingsprocedure in te leiden” (derde middelonderdeel); - de artikelen 4.7.21 en 4.7.23 VCRO en artikel 1 van het voormelde besluit van de Vlaamse regering van 24 juli 2009 schendt door te oordelen dat “het niet verboden is om de in het verzoekschrift aangevoerde hinder en nadelen nog te verduidelijken in een replieknota, als antwoord op de argumentatie hierover in het verslag van de provinciale stedenbouwkundige ambtenaar” (vierde middelonderdeel), ondergeschikt omdat de door de RvVb “in aanmerking genomen verduidelijking […] geen nadere toelichting en […] bijgevolg niet toegelaten” is (vijfde middelonderdeel), verder ondergeschikt omdat “zowel de provinciaal stedenbouwkundige ambtenaar als de andere partijen in de administratieve beroepsprocedure [niet] de mogelijkheid hebben gekregen om [op de replieknota] te reageren” (zesde middelonderdeel); - artikel 149 van de Grondwet schendt omdat het geen antwoord biedt op zijn verweer in zijn schriftelijke uiteenzetting van 24 maart 2017 (zevende middelonderdeel). Beoordeling
- Het bestreden arrest overweegt: “4.1 De tweede verzoekende partij zet in het beroepschrift uiteen dat zij exploiteert naast en rondom het perceel waarop de geregulariseerde garage staat. Zij omschrijft in het beroepschrift uitgebreid haar maatschappelijk doel en activiteiten en stelt dat „dit alles concentreert zich voorlopig in ongeveer 30ha rond de boerderij, palend aan de site van de bestreden beslissing. Hierdoor heeft de vennootschap een evident belang omdat er ook verkoop aan de particulier gebeurt en een mooi en open agrarisch uitzicht dus een deel van de politiek van het bedrijf en zijn bedrijfsvoering uitmaakt‟. De tweede verzoekende partij besluit in haar beroepschrift dat „de exploitatie van de BVBA... draait rond de hoeve palend aan het terrein van de bestreden beslissing, dewelke tot op enkele centimeters van de perceelsgrens komt en een storende impact heeft op de site VII-40.311-10/15 van de beroepsindiener‟. […] Uit de geciteerde passage, samen gelezen met het maatschappelijk doel en de activiteiten van tweede verzoekende partij, kan reeds in alle redelijkheid afgeleid worden in welke mate de tweede verzoekende partij hinder en nadelen meent te kunnen ondervinden van de verleende vergunning. Anders dan wat de tussenkomende partij beweert, is het bovendien niet verboden om de in het verzoekschrift aangevoerde hinder en nadelen nog te verduidelijken in een replieknota, als antwoord op de argumentatie hierover in het verslag van de provinciale stedenbouwkundige ambtenaar. In haar replieknota benadrukt de tweede verzoekende partij dat door de gekozen inplanting „de visuele hinder en nadelige effecten voor de exploitatie van een bedrijf waarbij rechtstreeks van producent aan consument wordt beoogd, evident [is]. Het leidt geen twijfel uit de bladzijdenlange uiteenzetting over de aard van het bedrijf dat de locatie met zorg gekozen is om een open landschap dicht bij de velden te hebben, waarbij voorbijfietsende, wandelende of lokale consumenten het product van zaad/vrucht/kiem tot eindproduct kan volgen. De keuze voor een open landschap en ongerepte hoeve is hierbij van belang op commercieel en belevingsvlak. Door de constructie dermate dicht tegen het naburig perceel te zetten, heeft de bestreden beslissing de meest nadelige inplanting gekozen om visueel de voor de beroepsindieners meest storende keuze te nemen, en het eigen open landschap van de bewoner/aanvrager te vrijwaren‟. […] Ongeacht de vraag of er op de site zelf reeds een winkel is, maakt de tweede verzoekende partij in haar beroepschrift en replieknota voldoende aannemelijk dat zij door de visuele belemmering van de geregulariseerde garage nadelige gevolgen kan ondervinden voor haar exploitatie waarvoor de zichtbaarheid van het agrarisch landschap belangrijk is”. Het eerste middelonderdeel dat stelt dat het bestreden arrest het begrip hinder en nadelen in artikel 4.7.21 VCRO miskent “door een visuele belemmering (het verlies van uitzicht) in hoofde van een rechtspersoon aan te merken als hinder en nadelen waardoor de rechtspersoon toegang had moeten krijgen tot de administratieve beroepsprocedure”, mist feitelijke grondslag.
- Het tweede middelonderdeel dat stelt dat het bestreden arrest uit de aangehaalde passages in het beroepschrift niet naar recht kan afleiden dat de BVBA 4SE hinder en nadelen ervaart in de zin van artikel 4.7.21 VCRO, noopt de Raad van State tot een beoordeling van de zaak zelf waartoe hij overeenkomstig artikel 14, § 2, van de RvS-wet niet bevoegd is. VII-40.311-11/15
- Het bestreden arrest overweegt: “4.2 De eerste verzoekende partij zet in het beroepschrift uiteen dat zij de zaakvoerder is van de tweede verzoekende partij en daarvoor haar job als werknemer heeft opgegeven. Zij benadrukt dat zij in het kader van het maatschappelijk doel van haar vennootschap verschillende opleidingen heeft gevolgd. In het beroepschrift stelt zij dat „de exploitatie van de bvba en het inkomen van haar zaakvoerder draait rond de hoeve palend aan het terrein van de bestreden beslissing, dewelke tot op enkele centimeters van de perceelsgrens komt en een storende impact heeft op de site‟. Uit de uiteenzetting in het beroepschrift valt voldoende duidelijk af te leiden dat de eerste verzoekende partij haar belang steunt op het gegeven dat zij zaakvoerder is van en haar inkomsten verkrijgt via de exploitatie van de tweede verzoekende partij. Het is evident dat de nadelige gevolgen die de geregulariseerde garage kan veroorzaken voor de exploitatie van de vennootschap, een negatieve impact kunnen hebben op het inkomen van de eerste verzoekende partij als zaakvoerder van die vennootschap. Ook de eerste verzoekende partij toont dus voldoende concreet aan dat zij hinder en nadelen kan ondervinden door de verleende vergunning”. Het middelonderdeel dat stelt dat uit een samenlezing van de artikelen 1, 2 en 257 W.Venn. volgt dat een zaakvoerder handelt als vertegenwoordiger van de vennootschap en daaruit afleidt dat deze geen van de vennootschap onderscheiden rechtstreekse of onrechtstreekse hinder of nadelen van de bestreden vergunningsbeslissing in de zin van artikel 4.7.21 VCRO kan aantonen, faalt naar recht. Door vast te stellen dat De Stecker zijn belang steunt op het feit dat hij zaakvoerder is en zijn inkomsten verkrijgt via de exploitatie van de BVBA 4SE, schendt het bestreden arrest niet het begrip rechtstreekse of onrechtstreekse hinder of nadelen van de bestreden vergunningsbeslissing in de zin van artikel 4.7.21 VCRO.
- Uit de aangehaalde overwegingen 4.1 en 4.2 van het bestreden arrest volgt dat de RvVb oordeelt dat De Stecker en de BVBA 4SE in het beroepschrift de in artikel 4.7.21 VCRO vereiste hinder en nadelen van de bestreden vergunningsbeslissing aannemelijk maken. VII-40.311-12/15 De middelonderdelen die stellen dat het bestreden arrest aanneemt dat de BVBA 4SE hinder en nadelen van de bestreden vergunningsbeslissing in de zin van artikel 4.7.21 VCRO ook in de replieknota aannemelijk maakt, kunnen bijgevolg niet tot cassatie leiden.
- Met de aangehaalde overwegingen 4.1 en 4.2 van het bestreden arrest heeft het bestreden arrest duidelijk en ondubbelzinnig geantwoord op het verweer van Desmet tegen het enige middel van De Stecker en de BVBA 4SE.
- Het tweede middel wordt verworpen. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- Desmet voert de schending aan van artikel 6 EVRM, het algemeen rechtsbeginsel van eerbiediging van het recht van verdediging, het beschikkingsbeginsel en artikel 1138, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek: “Doordat, eerste onderdeel, het bestreden arrest een bevel oplegt aan de [deputatie] zonder dat dit werd gevorderd door de in het geding betrokken partijen. En doordat, tweede onderdeel, het bestreden arrest een bevel oplegt aan de [deputatie] zonder dat dit het voorwerp uitmaakte van een standpunt door de in het geding betrokken partijen. Terwijl, eerste onderdeel, het beschikkingsbeginsel inhoudt dat een rechtscollege niet meer kan toekennen dan wordt gevorderd door een partij. En terwijl, tweede onderdeel, het recht van de verdediging vereist dat de rechter om het standpunt verzoekt van de in het geding betrokken partijen wanneer hij gebruik wenst te maken van een mogelijkheid die een rechtsregel hem biedt”. VII-40.311-13/15 Beoordeling
- De RvVb verklaart het beroep van De Stecker en de BVBA 4SE gegrond en vernietigt de bestreden vergunningsbeslissing van de deputatie.
- Een vernietigingsarrest van de RvVb heeft tot gevolg dat de deputatie zich opnieuw geplaatst ziet voor de verplichting om over het administratief beroep uitspraak te doen.
- Het middel dat in zijn beide onderdelen gericht is tegen het bevel dat in het bestreden arrest overeenkomstig artikel 37 van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges wordt gegeven aan de deputatie om een nieuwe beslissing te nemen, kan bijgevolg niet tot cassatie leiden.
- Het derde middel wordt verworpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro verschuldigd aan de eerste en tweede verwerende partij.
- Het teveel betaalde rolrecht met bijdrage ten belope van 220 euro wordt terugbetaald aan verzoeker. VII-40.311-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vier april tweeduizend negentien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-40.311-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.169 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div