← België

Arrest 244172 - Milieuvergunningen - 04/04/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 april 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.172 Rolnummer: A. 219497/VII-39690 Zaak: Arrest 244172 - Milieuvergunningen - 04/04/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-04-12 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-25 11:37 Fiche Arrest nr 244.172 van 4 april 2019 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 244.172 van 4 april 2019 in de zaak A. 219.497/VII-39.

  1. In zake :
  2. de BVBA DE GROENTUIN
  3. Guido QUIRIJNEN
  4. Ann VAN GORP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gregory Verhelst kantoor houdend te 2600 Berchem Uitbreidingstraat 2 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Abbeloos kantoor houdend te 9200 Dendermonde Sint-Gillislaan 117 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de BVBA QUIRYNEN ENERGY FARMING bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Jan Surmont kantoor houdend te 2300 Turnhout de Merodelei 112 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  5. Het beroep, ingesteld op 13 juni 2016, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 8 april 2016 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 10 september 2015, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan de BVBA Quirynen Energy Farming VII-39.690-1/37 voor het veranderen van een covergistingsinstallatie, gelegen aan Koekhoven 38 te Merksplas, slechts gedeeltelijk gegrond wordt verklaard. II. Verloop van de rechtspleging
  6. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 17 augustus
  7. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 29 november
  8. Staatsraad Patricia De Somere heeft verslag uitgebracht. Advocaat Gregory Verhelst, die verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Dirk Abbeloos, die verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Koen Van den Wyngaert, die loco advocaat Jan Surmont verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. VII-39.690-2/37 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  9. III. Feiten 3.
  10. De tussenkomende partij exploiteert een covergistingsinstallatie, gelegen aan Koekhoven 38-40 te Merksplas. Ze beschikt hiervoor over een milieuvergunning verleend door de deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 14 oktober 2010 voor het veranderen van een rundveebedrijf met covergistingsinstallatie voor het vergisten van 60.000 ton biomassa en het drogen van 25.000 ton mest per jaar, voor een termijn verstrijkend op 12 oktober
  11. Bij besluit van 28 augustus 2014 neemt de deputatie van de provincieraad van Antwerpen akte van de splitsing van het rundveebedrijf en de covergistingsinstallatie. De inrichting is volgens het gewestplan Turnhout gelegen in agrarisch gebied, en volgens het Gemeentelijk Ruimtelijk Uitvoeringsplan (hierna: GRUP) Glastuinbouw van de gemeente Merksplas in het gebied “landbouw” met overdrukzone “afrembeleid”. De verzoekende partijen wonen en oefenen hun activiteiten uit in het gebied dat in het GRUP Glastuinbouw is bestemd tot “agrarische bedrijvenzone”, in de onmiddellijke nabijheid van de vergunde inrichting. 3.
  12. Op 16 februari 2015 dient de tussenkomende partij een milieuvergunningsaanvraag in voor het veranderen van de covergistingsinstallatie door uitbreiding, wijziging en toevoeging. De beoogde verandering heeft voornamelijk betrekking op: - nieuwbouw van een opslagbekken voor hemelwater, een navergister, twee opslagtanks voor dunne fractie en een loods; - opslag van energiegewassen; VII-39.690-3/37 - wijzigen nabehandeling digestaat; - stopzetten proces verbranding van dierlijke afvalvetten en gerecycleerde frituurvetten en -oliën; - stopzetten lozen bedrijfsafvalwater; - aanvragen van een tweetrapswasser. 3.
  13. Tijdens het openbaar onderzoek worden twee bezwaren door de verzoekende partijen ingediend. 3.
  14. De deputatie van de provincieraad van Antwerpen verleent op 10 september 2015 de gevraagde vergunning en legt bijzondere vergunningsvoorwaarden op. 3.
  15. De verzoekende partijen stellen bestuurlijk beroep in bij de Vlaamse regering tegen de verleende vergunning. 3.
  16. In graad van beroep werden volgende adviezen ingewonnen: - het Agentschap voor Natuur en Bos: ongunstig; - het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Merksplas: gunstig advies in het kader van de watertoets; - de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (hierna: OVAM): gunstig; - de Vlaamse Milieumaatschappij - afdeling Ecologisch Toezicht: gunstig; - het Agentschap voor Natuur en Bos: aanvullend subadvies, gunstig; - de afdeling Milieuvergunningen van het departement LNE: voorwaardelijk gunstig; - het departement Ruimte Vlaanderen: gunstig; - de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie: gunstig. 3.
  17. De Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw verleent op 8 april 2016 de gevraagde vergunning met aanvulling van de bijzondere milieuvoorwaarden. VII-39.690-4/37 Dit is de bestreden beslissing, waarvan de motieven luiden als volgt: “Overwegende dat het beroep betrekking heeft op het verlenen van een milieuvergunning voor het veranderen van een covergistingsinstallatie; dat het bedrijf tot 12 oktober 2026 vergund is voor het vergisten van 60.000 ton biomassa per jaar en het drogen van 25.000 ton mest per jaar; dat de beoogde verandering voornamelijk betrekking heeft op: - nieuwbouw van een opslagbekken voor hemelwater, een navergister, twee opslagtanks voor dunne fractie en een loods; - opslag van energiegewassen; - wijzigen nabehandeling digestaat; - stopzetten proces verbranding van dierlijke afvalvetten en gerecycleerde frituurvetten en -oliën; - stopzetten lozen bedrijfsafvalwater; - aanvragen van een tweetrapswasser; Overwegende dat in een straal van circa 100 m rond de perceelgrens 6 woningen gelegen zijn; dat woongebieden op meer dan 2 km zijn gelegen; dat op circa 200 m een natuurgebied is gesitueerd; Overwegende dat tijdens het openbaar onderzoek 2 bezwaarschriften werden ingediend; dat de bezwaarschriften voornamelijk betrekking hebben op: geurhinder, verkeer, ligging van het bedrijf in agrarisch gebied en nabij natuurgebied; Overwegende dat er bij de afdeling Milieu-inspectie klachten over het bedrijf bekend zijn; dat het meerdere klachten betreft over geurhinder, stofhinder, overlast van meeuwen en lozingen, allen afkomstig van de beroepsindiener; Overwegende dat de inrichting overeenkomstig de Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies een GPBV- (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) installatie betreft waarvoor in toepassing van artikel 2.1.1 van titel III van het VLAREM uitdrukkelijk is gesteld dat alle passende preventieve maatregelen tegen verontreiniging moeten getroffen worden door toepassing van de beste beschikbare technieken, zodat geen belangrijke verontreiniging veroorzaakt kan worden; Overwegende dat minimaal 30% mest, maximaal 30% energiegewassen en reststromen uit de landbouw en maximaal 40% OBA en secundaire grondstoffen vergist worden; dat met de aanvraag geen veranderingen aan de verwerkingscapaciteit, noch aan het vergistingsproces beoogd worden; dat de exploitant vergund is voor het vergisten van 60.000 ton inputstromen per jaar en dat dit ongewijzigd blijft; dat het bedrijf beschikt over een inkomend register waarin onder meer het tijdstip van aanvoer, de hoeveelheid en de samenstelling van de aangevoerde stromen worden opgenomen; dat op de inrichting een weegbrug aanwezig is; dat het aanvraagdossier een ijkingsattest van de weegbrug bevat; dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat de vergunde verwerkingscapaciteit van 60.000 ton per jaar overschreden zou worden; dat er bovendien voldoende maatregelen worden getroffen, zoals hierboven VII-39.690-5/37 weergegeven, om te allen tijde adequaat na te gaan hoeveel de actuele verwerkingscapaciteit bedraagt; Overwegende dat uit het aanvraagdossier blijkt dat het digestaat nog een gaspotentieel heeft van 10-15%; dat door de bouw van een navergister en 2 opslagtanks voor digestaat het digestaat maximaal kan uitweken; dat de productie van biogas hierdoor toeneemt in de beoogde situatie met 915 Nm3/uur tot een biogasproductie van 3.307 m3/uur; dat een uitbreiding van de opslag van biogas met 18.700 m3 biogas tot 23.200 m3 biogas wordt voorzien; dat het biogas wordt opgeslagen bovenin de vergisters en de opslagtanks voor digestaat; dat de beoogde procesoptimalisatie inhoudt dat de opslag van OBA wordt uitgebreid met 910 ton tot 1.100 ton vloeibaar OBA en 810 ton vast OBA en de opslag van mest wordt uitgebreid met 16.450 m3 tot de opslag van 600 m3 mest, maag- en darminhoud in mestkelders, 125 m3 mest in silo, 3.975 m3 digestaat, 150 m3 dikke fractie, 16.000 m3 dunne fractie en 300 m3 gedroogd en gekorreld eindproduct zodat er voldoende opslagcapaciteit op het bedrijf voorhanden is; Overwegende dat het bedrijf momenteel vergund is voor het drogen van het digestaat na vergisting; dat het bedrijf het digestaat na vergisting en hygiënisatie wil scheiden waarbij de dikke fractie zal worden gedroogd en afgevoerd; dat de dunne fractie deels zal worden uitgereden en deels zal worden ingedampt en vervolgens worden ingedroogd en afgevoerd; dat er voor de opslag van de dunne fractie twee opslagtanks gebouwd worden; Overwegende dat een bijkomende opslagsilo voorzien wordt waarin de energiegewassen ingekuild worden; Overwegende dat het bedrijf momenteel vergund is voor het lozen van 500 m3/jaar, 2 m3/dag en 1 m3/uur bedrijfsafvalwater via een KWS-afscheider; dat het bedrijfsafvalwater afkomstig is van het wassen van voertuigen; dat het waswater van de voertuigen in de beoogde situatie niet meer geloosd zal worden, maar naar de mestkelder zal worden afgevoerd; Overwegende dat het run off water van de sleufsilo’s, het run off water van de werkoppervlakken en het hemelwater dat op een deel van de daken terecht komt, via een bezinkingsbak met beluchtingssysteem wordt afgevoerd naar een hemelwateropslagbassin; dat door de installatie van het bassin de lozing van run off water wordt vermeden; dat het opgevangen water wordt gebruikt als irrigatiewater voor de eigen landbouwgronden; dat de exploitant hiervoor over een grondstoffenverklaring beschikt; dat in het bestreden besluit als bijzondere voorwaarde werd opgelegd dat het bassin uiterlijk op 30 september 2015 in gebruik moest genomen worden; dat een adviesverlener van de afdeling Milieuvergunningen tijdens een bezoek ter plaatse op 18 december 2015 kon vaststellen dat het bassin in gebruik was; Overwegende dat het hemelwater dat op het overige deel van de daken valt, wordt opgevangen in twee infiltratiebekkens en deels in de baangracht wordt geloosd en deels wordt gebruikt voor onder meer de reiniging van voertuigen; Overwegende dat volgens het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2006 tot vaststelling van nadere regels voor de toepassing van de watertoets de inrichting gelegen is in het Maasbekken; dat de inrichting deels gelegen is in een mogelijk overstromingsgevoelig gebied; dat het college van burgemeester en schepenen, als beheerder van de waterloop, op 25 november 2015 een VII-39.690-6/37 voorwaardelijk gunstig subadvies verleende in kader van de watertoets; dat er geen schadelijke effecten op het watersysteem zullen zijn, gelet op de hierboven beschreven maatregelen; dat er bijgevolg voldaan wordt aan artikel 8 van het decreet betreffende het integraal waterbeleid, meer bepaald de watertoets; Overwegende dat er ten gevolge van de gevraagde uitbreiding geen toename van de geluidsproductie wordt verwacht; dat het aantal transporten afneemt; dat de digestaatscheider in een afgesloten loods wordt opgesteld; dat bestaande installaties zoals de WKK-motoren en de drooginstallatie allen binnen staan opgesteld; dat het risico op geluidshinder tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt; Overwegende dat vaste OBA in de huidige situatie in openlucht worden opgeslagen; dat deze in de beoogde situatie in een afgesloten loods worden opgeslagen; dat de bijkomende opslag voor vloeibare OBA (600 ton) volledig gesloten wordt uitgevoerd; dat er geen mest of digestaat in contact met de buitenlucht komt, waardoor er bij het overpompen geen gevaar voor geurhinder is; Overwegende dat de loods waarin de vaste OBA, de mestscheider, de indamper en de drooginstallatie gesitueerd zijn, volledig in onderdruk komt te staan en wordt aangesloten op de luchtbehandelingsinstallatie; dat de luchtstromen van de drooginstallatie, de ondergrondse opslagkelders (mest) en de loods naar een luchtbehandelingsinstallatie worden geleid; Overwegende dat initieel een tweetrapswasser bestaande uit een zure wasser en een waterwasser werd voorzien; dat tijdens de procedure in eerste aanleg de exploitant voorstelde om de voorziene luchtbehandelingsinstallatie uit te breiden tot een luchtbehandelingssysteem bestaande uit vier trappen: waterwasser, zure wastrap, waterwasser en biologische wastrap die respectievelijk instaan voor de verwijdering van stof, ammoniak, zuur en geur; dat het voorstel werd uitgewerkt door een erkende MER-deskundige in de discipline geur en luchtverontreiniging op 24 juli 2015; Overwegende dat artikel 5.28.3.4.1, §1, 4°, van titel II van het VLAREM stelt dat de afgezogen ventilatielucht moet behandeld worden door middel van filtratie over een biobed en zure wassers, maar dat elke alternatieve methode met een gelijkwaardig of beter rendement om ammoniakemissie en hinder te voorkomen, in de milieuvergunning kan worden toegelaten; dat de installatie van een biobed op de inrichting niet evident is gelet op het benodigde grondoppervlak en de huidige ligging van de gebouwen en installaties; dat het door de erkend deskundige uitgewerkte voorstel gelijkwaardig is op gebied van ammoniak-, stof- en geurverwijdering aan de door VLAREM voorgeschreven filtratie over een biobed en zure wassers; dat dit expliciet werd bevestigd door de erkend deskundige in een nota op 5 januari 2016; Overwegende dat in het bestreden besluit als bijzondere voorwaarde werd opgelegd dat de exploitant binnen één jaar na vergunningverlening als controle het resultaat van de doorlichting door een erkend deskundige in de discipline lucht van de werking van de luchtbehandelingsinstallatie aan de deputatie moet bezorgen; dat het bestreden besluit stipuleert dat deze studie minstens een analyse van de in- en uitgaande stromen, het rendement van de installatie en de genomen bijkomende maatregelen moet bevatten; VII-39.690-7/37 Overwegende dat ten gevolge van de beoogde verandering en voorgestelde maatregelen het risico op geurhinder tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt; Overwegende dat alle werkoppervlakken verhard zijn, net zoals de interne wegen; dat de exploitant beschikt over een veegmachine; dat alle inputstromen, uitgezonderd de energiegewassen, worden opgeslagen in afgesloten loodsen, silo’s of kelders; dat de energiegewassen worden ingekuild in een sleufsilo; dat de manipulatie van de inputstromen en het drogen van digestaat kunnen leiden tot stofproductie; dat deze activiteiten in een afgesloten loods plaatsvinden; dat de lucht van de loods en de luchtstroom van de drooginstallatie worden behandeld in het luchtbehandelingssysteem waarbij stof wordt uitgewassen; dat het risico op stofhinder tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt; Overwegende dat het aantal transporten voor de aanvoer van inputstromen niet wijzigt ten gevolge van de beoogde verandering; dat het aantal transporten voor de afvoer van digestaat afneemt van 1.800 vrachten per jaar tot 1.530 vrachten per jaar (dunne fractie); dat het aantal vrachten voor afvoer van gedroogd product toeneemt van 113 vrachten per jaar tot 163 vrachten per jaar; dat er in totaal een afname is van 1.913 vrachten per jaar naar 1.693 vrachten per jaar voor de afvoer, op dagbasis van 6,4 vrachten per dag naar 5,7 vrachten per dag; dat er vanuit Koekhoven ten noorden aansluiting is op de gewestweg N132 en ten zuiden op de gewestweg N124, die in directe verbinding staat met de ring rond Turnhout; dat het risico op verkeershinder tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt; Overwegende dat in het beroepschrift melding wordt gemaakt van de hinder van meeuwen; dat in de beoogde situatie ook de vaste OBA in een gesloten loods wordt opgeslagen; dat er geen stromen meer onafgedekt in openlucht worden opgeslagen, die als een potentiële voedingsbron voor meeuwen kunnen beschouwd worden; dat bijgevolg gesteld kan worden dat de inrichting geen bijdrage levert aan de aanwezigheid van meeuwen in de regio; dat hetzelfde geldt voor de aanwezigheid van ratten; Overwegende dat de snelheid van verwerking van de vaste OBA van belang is ten einde voldoende energie-inhoud van de producten te behouden voor het vergistingsproces en kansen op broei in de opslag van de vaste OBA te vermijden; dat het aangewezen is om als bijzondere voorwaarde op te leggen dat de nodige maatregelen moeten getroffen worden om broei van de vaste OBA te vermijden en te detecteren; Overwegende dat het digestaat in de beoogde situatie maximaal wordt uitgegist waardoor er meer biogas geproduceerd wordt; dat het geproduceerde biogas op het bedrijf wordt gebruikt als brandstof voor vier vergunde WKK-motoren waarbij warmte en elektriciteit worden geproduceerd; Overwegende dat de inrichting op circa 200 m van het habitatrichtlijngebied ‘Vennen, heiden en moerassen rond Turnhout’ is gelegen; dat het Vogelrichtlijngebied ‘Arendonk, Merksplas, Oud-Turnhout, Ravels en Turnhout’ eveneens op circa 200 m is gelegen; dat op circa 350 m het VEN-gebied ‘Turnhouts vennengebied’ is gesitueerd; Overwegende dat het dossier een passende beoordeling bevat, opgesteld door een erkend MER-deskundige in de discipline fauna en flora; dat in de passende beoordeling wordt gesteld dat er in de beoogde situatie geen toename VII-39.690-8/37 van NH3-emissie, noch van NOx-emissie zal plaatsvinden; dat ten gevolge van de toename van biogasverbranding wel meer SO2 zal gevormd worden; dat er een toename van 15.007 kg/jaar SO2-emissie tot 15.534 kg/jaar SO2-emissie wordt verwacht; Overwegende dat in de passende beoordeling wordt nagegaan wat de verzurende effecten van de SO2-emissie op het habitatrichtlijngebied zijn; dat het aandeel van de immissie ten opzichte van de kritische depositiewaarden voor verzuring wordt berekend; dat dit aandeel werd bepaald voor het habitattype ‘droge Europese heide’; dat in de huidige situatie het aandeel van de immissie ten opzichte van de kritische depositiewaarde voor verzuring 8,1% bedraagt en in de toekomstige situatie het aandeel van de immissie ten opzichte van de kritische depositiewaarde 8,4% bedraagt; dat voor het habitattype ‘soortenrijke heischrale graslanden op arme bodems van berggebieden (en van submontane gebieden in het binnenland van Europa)’ in de huidige situatie het aandeel van de immissie ten opzichte van de kritische depositiewaarde voor verzuring 5,6% bedraagt en in de toekomstige situatie het aandeel van de immissie ten opzichte van de kritische depositiewaarde 5,8% bedraagt; dat voor het habitattype ‘oude zuurminnende eikenbossen met Quercus robur op zandvlakten’ in de huidige situatie het aandeel van de immissie ten opzichte van de kritische depositiewaarde voor verzuring 4,9% bedraagt en in de toekomstige situatie het aandeel van de immissie ten opzichte van de kritische depositiewaarde 5,1% bedraagt; dat voor de zoekzones in de huidige situatie het aandeel van de immissie ten opzichte van de kritische depositiewaarde voor verzuring maximaal 13,8% bedraagt en in de toekomstige situatie het aandeel van de immissie ten opzichte van de kritische depositiewaarde maximaal 14,4% bedraagt; dat door de verandering het aandeel van de immissie ten opzichte van de kritische depositiewaarden beperkt toeneemt; Overwegende dat het Agentschap voor Natuur en Bos op 23 november 2015 een ongunstig subadvies verleende voor de geplande uitbreiding omwille van de toename van SO2-emissies en bijhorende verzurende effecten op het nabijgelegen habitatrichtlijngebied; dat in het subadvies gesteld wordt dat er een substantiële daling van de SO2-emissies moet gerealiseerd worden ten opzichte van de huidige emissie; Overwegende dat, gelet op de corrosieve werking en nefaste gevolgen voor de motoren, het biogas nu al ontzwaveld wordt door enerzijds het toevoegen van ijzersulfaat en anderzijds het toevoegen van zuurstof aan de vergisters; Overwegende dat de exploitant op 5 januari 2016 een nota aanleverde, opgesteld door een erkend MER-deskundige in de discipline fauna en flora en een erkend MER-deskundige in de discipline lucht; dat in de nota wordt voorgesteld om de dual fuel motor uit te rusten met een actief koolfilter; dat deze motor in de huidige toestand wordt gevoed met circa 25% aardgas en 75% biogas; dat deze motor in de toekomstige situatie volledig met biogas zal gevoed worden; dat de actief koolfilter, samen met reeds toegepaste ontzwavelingsmethoden, de SO2-emissies met 95% reduceert; dat de totale SO2-emissies van de emissie hierdoor met circa 10% afneemt van 15.007 kg per jaar (vergunde situatie) naar 13.530 kg per jaar; Overwegende dat de daling van de SO2-emissies als substantieel kan beschouwd worden; dat ten gevolge van deze daling van emissies een afname VII-39.690-9/37 aan de kritische depositiewaarden voor verzuring kan verwacht worden; dat er geoordeeld wordt dat er geen sprake zal zijn van een betekenisvolle aantasting van een speciale beschermingszone; dat de voorgestelde milderende maatregelen er toe leiden dat de inrichting geen onvermijdbare of onherstelbare schade aan de natuur in het VEN zal veroorzaken; dat het Agentschap voor Natuur en Bos op 6 januari 2016 een aanvullend voorwaardelijk gunstig subadvies verleende; Overwegende dat het risico op aantasting van de natuurwaarden in de regio tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt, op voorwaarde dat de dual fuel motor wordt voorzien van een actief koolfilter, zodat de SO2-emissie maximaal 13.530 kg per jaar bedraagt; dat dit wordt opgelegd als bijzondere voorwaarde; Overwegende dat de exploitant vergund is voor het drogen van jaarlijks maximaal 25.000 ton mest in de drooginstallatie; dat aan dit proces niets verandert en de mestdroging geen onderdeel vormt van onderhavige milieuvergunningsaanvraag; Overwegende dat het bedrijf momenteel vergund is voor de verbranding van dierlijke afvalvetten en gerecycleerde frituurvetten; dat in het aanvraagdossier wordt gesteld dat dergelijke verbranding echter niet zal plaatsvinden op de inrichting en bijgevolg wordt stopgezet; Overwegende dat artikel 5.2.1.5, §2, van titel II van het VLAREM stelt dat de inrichting ontoegankelijk moet zijn voor onbevoegden; dat hiertoe, tenzij anders bepaald in de milieuvergunning, de inrichting moet omheind worden met een stevige en voldoende en ongeveer twee meter hoge afsluiting; dat de exploitant een wijziging vraagt van dit artikel, conform de stedenbouwkundige vergunning; dat ten oosten van de inrichting een houten afsluiting wordt voorzien; dat achteraan de afsluiting verzekerd wordt door het opslagbassin (talud van 3 m) en de muur rond de vergisters (2 m); dat ten zuiden en ten westen poorten en een draadafsluiting aanwezig zijn; dat geoordeeld wordt dat de inrichting voldoende ontoegankelijk is voor onbevoegden; dat in het bestreden besluit de toelating werd verleend voor de voorgestelde wijziging van de sectorale voorwaarde; Overwegende dat de exploitant een wijziging vraagt van de sectorale voorwaarden van artikel 5.2.1.5, §5, van titel II van het VLAREM dat stelt dat langsheen de randen van de inrichting een groenscherm van minstens 5 m breed wordt aangelegd; dat de exploitant voorstelt om, conform de stedenbouwkundige vergunning, een groenscherm te voorzien van 3 m langs de noord- en oostzijde van het bedrijf; dat de inrichting ten zuiden en ten westen wordt afgeschermd door het rundveebedrijf van Quirijnen Dairy Farming bvba; dat ten zuiden van het bedrijf bovendien nog een groenscherm van 5 m breed wordt voorzien; dat geoordeeld wordt dat de gevraagde wijziging kan verleend worden; dat in het bestreden besluit de toelating werd verleend voor de voorgestelde wijziging van de sectorale voorwaarde; Overwegende dat in het bestreden besluit een aantal bijzondere milieuvoorwaarden uit voorgaande milieuvergunningen werd geschrapt omdat ze enerzijds betrekking hebben op onderdelen die niet meer voorkomen op de inrichting (motoren van 9 MWel en verbranding van dierlijke afvalvetten en gerecycleerde frituurvetten) of anderzijds betrekking hebben op sectorale voorwaarden die inmiddels geschrapt zijn (afwijking analyses N en P2O5); VII-39.690-10/37 Overwegende dat in het bestreden besluit de bijzondere voorwaarde van het besluit van 14 oktober 2010, waarbij wordt gesteld dat de OBA afkomstig moeten zijn van nabijgelegen bedrijven en alleen stoffen mogen bevatten van de opgelijste producten, wordt vervangen; dat meer bepaald de lijst met producten wordt uitgebreid en de verplichting dat de OBA afkomstig moeten zijn van nabijgelegen bedrijven wordt geschrapt, gelet op het beperkte aanbod en de markttendens naar het gebruik van reeds vermengde OBA-mixen; dat er wordt geoordeeld dat het bedrijf voldoende lokaal gebonden is, aangezien de mest die in de vergistingsinstallatie wordt verwerkt, wel afkomstig is van nabijgelegen bedrijven, zelfs grotendeels van het naastgelegen rundveebedrijf Quirijnen Dairy Farming bvba van een familielid; dat er een uitbreiding is van de opslag van de energiegewassen; dat ook de energiegewassen lokaal geteeld worden; Overwegende dat volgens het gewestplan Turnhout het bedrijf gelegen is in een agrarisch gebied en een agrarisch gebied met ecologisch belang; dat nader het door de deputatie op 30 januari 2014 goedgekeurde gemeentelijk RUP ‘Glastuinbouw’ geldt; dat het RUP de aanvraag situeert binnen de overdrukzone artikel 2 Afrembeleid; dat de onderliggende bestemming behoort tot de gebiedsaanduiding ‘landbouw’; dat het bedrijf reeds bestaat en vergund is; dat de totale verwerkingscapaciteit met de voorliggende aanvraag niet wordt uitgebreid; dat de aanvraag bijgevolg in overeenstemming is met het geldende plan; Overwegende dat de aanvraag is gesitueerd langs de Koekhoven, een voldoende uitgeruste buurtweg; dat het gebied actief wordt uitgebaat door landbouwbedrijven en grootschalige glastuinbouwbedrijven; dat op circa 200 m ten oosten de weg Geheulse Dijk ligt, die de westelijke grens vormt van een vogel- en habitatrichtlijngebied; Overwegende dat de nieuwe constructies niet verder komen dan de bestaande sleufsilo’s; dat er hierdoor geen verdere insnijding is van het landschap richting Geheulsedijk; dat de verschillende bestaande en nieuwe gebouwen en constructies één ruimtelijk aaneengesloten geheel vormen; Overwegende dat de gevraagde verandering functioneel aanvaardbaar is op de voorgestelde locatie; Overwegende dat de aangevraagde inrichting verenigbaar is met de stedenbouwkundige voorschriften en de goede ruimtelijke ordening; Overwegende dat de hinder en de effecten op mens en milieu en de risico’s voor de externe veiligheid, veroorzaakt door de aangevraagde inrichting, tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat het beroep deels gegrond te verklaren en het bestreden besluit te wijzigen”. VII-39.690-11/37 IV. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie
  18. De verwerende partij werpt het gebrek aan belang van de verzoekende partijen op. Zij wijst erop dat “tussen het perceel waarvoor de aanvraag geldt en het perceel van verzoekende partij” een afstand bestaat van ongeveer 350 meter en dat de bestreden milieuvergunning net werd aangevraagd om iedere hinder van het bedrijf maximaal te beperken en te voldoen aan alle “(nieuw aankomende) milieuvoorwaarden”. Voorts herinnert zij aan de rechtspraak van de Raad volgens dewelke een “naamloze vennootschap geen zintuigelijke hinder kan ervaren: nl. visuele hinder, hinder ingevolge het ondoelmatig ruimtegebruik, mobiliteitshinder, geluidshinder, geurhinder, stofhinder, rookhinder, stralingshinder of lichthinder”. Wat betreft de opgeworpen geurhinder wijst zij op verscheidene aanpassingen die het risico op hinder tot een minimum zouden beperken. Wat de hinder voor de gezondheid betreft, argumenteert de verwerende partij dat er geen proces-verbaal betreffende illegale lozingen bestaat. De beweerde verstoring van het productieproces wordt volgens de verwerende partij noch met verslagen van deskundigen, noch met boekhoudkundige cijfers aannemelijk gemaakt. Ten slotte wordt ook de hinder door fijn stof of de verhoging van zware transportverplaatsingen volgens haar niet aangetoond. Beoordeling
  19. Uit het dossier blijkt dat de tweede en derde verzoekende partijen woonachtig zijn in de onmiddellijke omgeving van de vergunde inrichting en er een tuinbouwbedrijf uitbaten. De hoedanigheid van bewoner of eigenaar van het perceel grenzend aan de inrichting waarvoor een milieuvergunning wordt gevraagd, volstaat om het rechtens vereiste belang van de verzoekende partijen aan te nemen. VII-39.690-12/37 Met betrekking tot de eerste verzoekende partij, die een rechtspersoon is, geldt dat zij economische nadelen kan ondervinden van de exploitatie van de vergunde inrichting. Deze vaststelling volstaat om haar belang aan te nemen. De exceptie wordt verworpen. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de verzoekende partijen
  20. In het eerste middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 11 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (hierna: inrichtingsbesluit), de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: motiveringswet), artikel 17 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna: milieuvergunningsdecreet), artikel 52, 3°, b), van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna: Vlarem I), de artikelen 1.1 en 2 van de stedenbouwkundige voorschriften van het GRUP Glastuinbouw, zoals definitief vastgesteld door de gemeenteraad van Merksplas op 18 november 2013 en goedgekeurd door de deputatie van de provincieraad van Antwerpen op 30 januari 2014, en van het motiverings-, het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. In een eerste onderdeel betogen de verzoekende partijen dat de aangevraagde uitbreiding van de mestverwerkingsinstallatie niet verenigbaar is met de bestemming van het gebied in het GRUP Glastuinbouw, gebied met overdruk “afrembeleid”. Specifiek voor installaties voor mestbehandeling en/of VII-39.690-13/37 -vergisting wordt bepaald dat deze slechts vergunbaar zijn voor zover voldaan is aan een aantal strikte voorwaarden. In essentie dient het te gaan om een zuiver bedrijfsgebonden installatie, gericht op bedrijfseigen stromen. De installaties mogen uitsluitend dierlijke mest en andere organisch-biologische stromen verwerken bestaande uit bedrijfseigen landbouwgewassen. De instandhouding van bestaande hoofdzakelijk vergunde installaties voor mestbehandeling en/of -vergisting die niet voldoen aan deze voorwaarden is wel toegelaten. Uitbreiding van deze installaties is echter slechts uitzonderlijk toegelaten. Uitbreiding boven de limiet van 60.000 ton inputmateriaal is niet toegelaten. Bovendien dienen de activiteiten een dienstverlenend karakter te hebben ten aanzien van de agrarische bedrijvigheid in de directe omgeving, met name wat de afname van de te verwerken agrarische producten betreft, en beantwoorden de installatie en het voorziene proces aan een optimale ecologische balans, wat inhoudt dat de energieproductie efficiënt is en dat de geproduceerde energie efficiënt wordt benut. Te dezen moet worden vastgesteld dat de verwerende partij deze voorwaarden voor de uitbreiding van bestaande installaties voor mestbehandeling en/of -vergisting in de afrembeleidzone niet in overweging heeft genomen. In de bestreden beslissing wordt enkel vastgesteld dat “het bedrijf reeds bestaat en vergund is” en dat “de totale verwerkingscapaciteit [...] niet wordt uitgebreid”. Alle andere voorwaarden voor de uitbreiding van bestaande installaties voor mestbehandeling en/of -vergisting in de afrembeleidzone worden geheel buiten beschouwing gelaten. Volgens de verzoekende partijen lijkt de verwerende partij er vanuit te gaan dat de voorwaarden inzake uitbreiding van bestaande installaties voor mestbehandeling en/of -vergisting in de afrembeleidzone niet dienen onderzocht te worden wanneer de totale verwerkingscapaciteit van de installatie niet wordt uitgebreid. Dit is een verkeerde aanname, aangezien ook een uitbreiding van bijvoorbeeld de opslagcapaciteit, de thermische capaciteit of de capaciteit van de verwerkingsmotoren zijn onderworpen aan de naleving van de geldende cumulatieve voorwaarden. Het loutere feit dat er zogezegd geen uitbreiding zou zijn van de verwerkingscapaciteit, betekent niet dat de voorwaarden voor de uitbreiding van bestaande installaties voor mestbehandeling en/of -vergisting in de afrembeleidzone niet moeten worden onderzocht. Vervolgens zetten de VII-39.690-14/37 verzoekende partijen uitvoerig uiteen dat het aangevraagde niet voldoet aan deze voorwaarden. De formelemotiveringsplicht, alsook de materiëlemotiveringsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, zijn naar hun standpunt bijgevolg geschonden nu er in de bestreden beslissing geen enkel spoor is terug te vinden van een gedegen toetsing van de milieuvergunningsaanvraag aan de criteria die staan opgenomen in het GRUP Glastuinbouw en er onvoldoende rekening werd gehouden met de beroepsargumenten van de verzoekende partijen. Bovendien is ook de materiëlemotiveringsplicht geschonden, aangezien de verwerende partij zich in de bestreden beslissing heeft beperkt tot de loutere stelling dat de verwerkingscapaciteit ingevolge de uitbreiding van de exploitatie van de hinderlijke inrichting niet zou toenemen. Tevens werden het zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel geschonden, nu de verwerende partij zich vooreerst niet heeft gedragen als een normale en zorgvuldige overheid door het uitbreiden van een uiterst hinderlijke inrichting van quasi-industriële proportie in een uitdrukkelijk opgelegde afrembeleidzone, waarvan in het toepasselijke GRUP uitdrukkelijk wordt aangegeven dat deze zeer risicovol is voor de omliggende glastuinbouwbedrijven, niet aan een strengere planologische toetsing te onderwerpen, en de verwerende partij vervolgens dus op kennelijk onredelijke wijze heeft gehandeld door vanuit een zekere discretionaire beslissingsmarge geheel verkeerdelijk te oordelen dat een toetsing aan de verordenende bepalingen van het GRUP niet nodig was. In een tweede onderdeel betogen de verzoekende partijen in essentie dat de aangevraagde uitbreiding van de inrichting van de tussenkomende partij in ieder geval niet verenigbaar is met de bestemming van agrarisch gebied, die nog steeds gelding heeft als algemene grondkleur en als gewestplanbestemming onder de door het GRUP Glastuinbouw ingevoerde overdruk afrembeleid. De biogasinstallatie is geen agrarische inrichting, en kan dus slechts onder strikte voorwaarden in een agrarisch gebied vergund worden. Zij verwijzen hierbij naar de omzendbrief RO/2006/01 “afwegingskader/randvoorwaarden inplanting van installaties voor mestbehandeling en vergisting”, waarin de randvoorwaarden worden bepaald voor VII-39.690-15/37 de vergunning van dergelijke installaties in agrarisch gebied. Een eerste stelregel is dat alleen een absoluut maximale tonnage van 60.000 ton inputmateriaal per jaar aanvaardbaar is vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, waarbij een uitbreiding van de capaciteit boven dit absoluut maximum in agrarisch gebied niet mogelijk is. Dat de huidige vergunde toestand van 60.000 ton/jaar co-vergisting onveranderd zou blijven is voor de verzoekende partijen niet geloofwaardig, gelet op de vele uitbreidingen die met de milieuvergunningsaanvraag worden gepland. Reeds in de stedenbouwkundige vergunning van 14 oktober 2010 werden een aantal beperkingen opgelegd inzake de exploitatie: de totale te verwerken massa werd toen reeds gelimiteerd op 60.000 ton per jaar. In de vergunningen die aan de tussenkomende partij werden verleend in 2010 werd verder bepaald dat de mest die wordt verwerkt afkomstig dient te zijn van “het” mestkalveren- en rundveebedrijf, en dat inzake de organisch biologische bedrijfsafvalstoffen (hierna: OBA) een limitatieve lijst van te verwerken stoffen werd vastgelegd, die eveneens van “nabijgelegen bedrijven” afkomstig dienen te zijn en de instroom moest bijgehouden worden in een logboek. In de beslissing in eerste aanleg werden de te verwerken stoffen inzake de OBA in een limitatieve lijst vastgelegd, de voorwaarde dat de OBA afkomstig moeten zijn uit nabijgelegen bedrijven, werd evenwel geschrapt. Dit is volgens de verzoekende partijen manifest in strijd “met zowel de gewestplanbestemming van agrarisch gebied, de RUP-bestemming van agrarische bedrijfszone als met de uitdrukkelijke richtlijnen die zijn neergelegd in omzendbrief RO/2006/01, bij afwijking waarvan niet langer sprake is van een agrarisch bedrijf doch van een bedrijf met louter industrieel karakter”. De omzendbrief stelt tevens dat de aan- en afvoer van producten zoveel mogelijk dient te gebeuren vanuit de nabije omgeving, zoniet is er ook geen sprake meer van een para-agrarisch bedrijf, dit is een bedrijf waarvan de activiteiten aansluiten bij en afgestemd zijn op de landbouw. In zijn bestaande toestand vertoont de inrichting niet langer een bedrijfsgebonden karakter maar eerder een industrieel karakter wat niet toegelaten is op basis van de geldende bestemmingen van het gewestplan en het GRUP. Een verdere uitbreiding in agrarisch gebied is te dezen niet meer mogelijk en zal moeten worden verplaatst. Uit het beslissingsproces in eerste aanleg is reeds gebleken dat ook het college van VII-39.690-16/37 burgemeester en schepenen van de gemeente Merksplas en de Provinciale Milieuvergunningscommissie kritisch waren en twijfels hadden bij het loutere feit dat te dezen een procesoptimalisatie wordt nagestreefd die mogelijk was binnen de grenzen aangegeven in de omzendbrief. Hieruit blijkt overduidelijk dat het de uiteindelijke bedoeling is van de tussenkomende partij om de vooropgestelde limiet van inputmateriaal in agrarisch gebied te overschrijden met meer dan 50 %; wat zou betekenen dat het bedrijf zou moeten verhuizen naar een regionaal bedrijventerrein, een industriegebied of een bedrijventerrein voor afvalverwerking, waar effectieve industrie met een input van meer dan 60.000 ton/jaar kan worden toegestaan. Hiervoor liggen evenwel geen plannen voor ondanks de plannen voor de verwerking van 100.000 ton. Dit leidt dan ook tot de conclusie dat van procesoptimalisatie geen sprake is en er enkel wordt getracht het industrieel karakter van het bedrijf te verdoezelen. De milieuvergunningsaanvraag kan aldus niet op realistische wijze worden beoordeeld. De exploitanten van de tussenkomende partij zijn in essentie landbouwers en zijn nu reeds niet in staat om hun bedrijf met (quasi-)industriële proporties uit te baten volgens de regels van de zorgvuldigheid. Een verdere uitbreiding van de activiteiten kan dan ook niet langer worden vergund, noch in het licht van de gewestplanbestemming agrarisch gebied noch in het licht van de specifiek voor dit soort situaties opgemaakte omzendbrief RO/2006/
  21. Hiermee werd geen of minstens onvoldoende rekening gehouden in de bestreden beslissing. Vermelde omzendbrief stelt voorop dat de aan- en afvoer van producten zoveel mogelijk dient te gebeuren vanuit de nabije omgeving. Wat dit betekent, kan worden afgeleid uit de omzendbrief, met name dat de kwestieuze bedrijfsactiviteiten, waarvoor thans een milieuvergunning wordt aangevraagd, in de hypothese dat het niet gaat om een grootschalige activiteit zoals hierboven uiteengezet, zich moeten beperken tot lokale activiteiten. Deze term is dus niet moeilijk te interpreteren. De tussenkomende partij ontvangt evenwel geregeld buitenlandse transporten, wat volledig indruist tegen de verplichte gebondenheid aan het lokale voor mestverwerkingsinstallaties in agrarisch gebied. De inplanting in agrarisch gebied is immers alleen verantwoord in functie van de ter plaatse gevestigde landbouwbedrijven en vooral om onnodig transport te vermijden, hetgeen blijkt uit voormelde omzendbrief. Grotere bedrijven horen niet thuis in VII-39.690-17/37 agrarisch gebied. De onhaalbaarheid om enkel lokale OBA-stromen te aanvaarden en het positievere effect hiervan op het vergistingsproces, kan niet worden gerechtvaardigd vanuit Europese hoek, die het Vlaamse grondgebied kwetsbaar acht. Desondanks werd deze redenering in de beide beslissingen die in de huidige vergunningsaanvraag werden genomen, gevolgd en werd de voorwaarde dat de OBA-instroom afkomstig moet zijn van nabijgelegen bedrijven weggelaten. Hieruit blijkt duidelijk, minstens de bedoeling een industrieel bedrijf uit te baten. Hieruit blijkt dat de bestreden beslissing onvoldoende rekening heeft gehouden met de ruimtelijke inpasbaarheid van de inrichting en de uitgevaardigde omzendbrief, waarover de beslissing in zijn beoordeling met geen woord rept. De verzoekende partijen betogen dat in de bestreden beslissing alleszins onvoldoende wordt ingegaan op het bezwaar dat de aanvoer van het inputmateriaal niet lokaal is.
  22. In hun memorie van wederantwoord betogen de verzoekende partijen, wat het eerste onderdeel betreft, dat de stelling van de verwerende partij rechtstreeks indruist tegen de visie van het GRUP dat een uitdrukkelijk afrembeleid voert ten aanzien van installaties voor mestbehandeling en/of -vergisting in het algemeen en niet alleen ten aanzien van de inputcapaciteit van zulke installaties. Ze verwijzen hiervoor naar passages uit Deel I. Toelichtingsnota van het GRUP Glastuinbouw, punt 6.1 “Screening op planMER” en punt 7.1 “Agrarische bedrijvenzone: glastuinbouwconcentratie bevestigen binnen agrarische bedrijvenzone Koekhoven”. Daar waar het GRUP voorschrijft dat een uitbreiding van het inputmateriaal boven de grens van 60.000 ton niet is toegelaten, betreft dit volgens de verzoekende partijen slechts een niet-verordenende toelichting bij één welbepaald verordenend voorschrift en kan dit niet als een algemene regel worden gehanteerd, waarbij het GRUP zogezegd zou bepalen dat alleen een uitbreiding van de inputcapaciteit, voor zover die de bovengrens van 60.000 ton niet overschrijdt, aan voorwaarden zou moeten worden onderworpen. De stelling van de tussenkomende partij dat “de uitbreiding [...] wordt gemeten in functie van de tonnage van het inputmateriaal per jaar” of nog dat “de eventuele verhoging van de opslagcapaciteit, de thermische capaciteit of de capaciteit van de verwerkingsmotoren [...] daarbij volledig buiten beschouwing VII-39.690-18/37 gelaten [wordt]” wordt volledig tegengesproken door de uitdrukkelijke bepalingen van het GRUP, waarin wordt vooropgesteld dat niet louter het inputmateriaal in rekening moet worden genomen, maar eveneens de aard van de gebruikte biomassa, de gebruikte technieken en processen als de uitstoten of emissies. Alleen al het feit dat niet alleen de opslagcapaciteit maar tevens de procedés van de inrichting worden uitgebreid en gewijzigd, betekent aldus dat de milieuvergunningsaanvraag onderworpen had moeten worden aan een toetsing aan de strenge voorwaarden inzake uitbreiding van een bestaande mestverwerkingsinstallatie zoals voorgeschreven door het GRUP. De omstandigheid dat in het niet-bindend advies van het departement Ruimte Vlaanderen van 11 januari 2016 zou zijn geoordeeld dat de milieuvergunningsaanvraag overeenstemt met de voorschriften van het GRUP, ontslaat de vergunningverlenende overheid er niet van om de milieuvergunningsaanvraag zélf te onderzoeken en te toetsen aan de toepasselijke stedenbouwkundige voorschriften, wat klaarblijkelijk niet is gebeurd, hetgeen getuigt van een manifest gebrek aan zorgvuldigheid. De tussenkomende partij heeft een vergunningsaanvraag ingediend voor de uitbreiding van het bedrijf, onder meer inzake doch niet beperkt tot de uitbreiding met een transformator, de uitbreiding van de productie biogas, de uitbreiding van opslag van gassen en olie, de uitbreiding van opslag van mest, de uitbreiding met metaalbewerkingstoestellen, de uitbreiding van opslag van energiegewassen, de uitbreiding en wijziging van behandelingstoestellen van de covergistingsinstallatie en de uitbreiding van het vermogen van de elektriciteitsproductie. Zij kan bezwaarlijk blijven ontkennen dat dit een “uitbreiding van de capaciteit” in de zin van het GRUP, zoals hierboven aangetoond, uitmaakt. Wat betreft het tweede onderdeel, benadrukken de verzoekende partijen dat de agrarische gewestplanbestemming als een aanvullende bestemming doorwerkt waar nog steeds rekening mee moet worden gehouden en die overeenkomstig de omzendbrief RO/2006/01 moet worden geïnterpreteerd. Dat de beschermingsmaatregelen tegen de negatieve impact van de aanwezigheid van een mestverwerkingsinstallatie in agrarisch gebied zouden doorwerken, past overigens VII-39.690-19/37 perfect binnen de visie van het GRUP die is ingegeven door een bijzonder grote bezorgdheid omtrent de verenigbaarheid van biomassa-installaties met glastuinbouwactiviteiten. Er kan dan ook niet zomaar worden beweerd dat de gewestplanbestemming met bijhorende voorschriften geheel buiten beschouwing moet worden gelaten. Nog los van het feit dat transporten vanuit Nederland internationale transporten zijn die alleen al daarom het vereiste lokale karakter overschrijden, toont de verwerende partij niet aan dat die transporten vanuit Nederland zouden vertrekken vanop maximaal 3 km afstand van de Belgische grens. Zij spreekt immers van “een richtafstand van 10 km”, waarmee zij dus impliceert dat de transporten uit Nederland afkomstig zouden zijn van maximaal 3 km achter de Belgische grens, hetgeen volkomen absurd en volstrekt ongeloofwaardig is. De verwerende partij laat na om aan te tonen dat er zich binnen een straal van 3 km gemeten van aan de Belgische grens bedrijven bevinden die het inputmateriaal genereren dat vervolgens bij de tussenkomende partij zou moeten worden verwerkt. In de bestreden beslissing werd op geen enkele wijze onderzocht of de transporten vanuit Nederland, waarvan de verwerende partij thans dus aanneemt dat die wel degelijk plaatsvinden, ook effectief nog steeds een lokaal karakter vertoonden. De inhoud van de omzendbrief RO/2006/01 kan niet zomaar terzijde worden geschoven door de vergunningverlenende overheid, gelet op het gezaghebbend karakter van de daarin opgenomen richtlijnen en interpretatieregels. Minstens moet worden gemotiveerd waarom de beleidslijn uit die omzendbrief in een specifiek geval niet zou moeten of kunnen worden gevolgd. In het licht van de specifieke visie van het GRUP, zou er net extra aandacht besteed moeten zijn geweest aan de richtlijnen van omzendbrief RO/2006/01, omdat deze richtlijnen voorzien in een bescherming tegen de significante invloed die een mestverwerkend bedrijf kan hebben op zijn omgeving. Voorts merken de verzoekende partijen op dat de tussenkomende partij een lezing geeft aan omzendbrief RO/2006/01 die helemaal niet blijkt uit de tekst. Zij koppelt immers de 60/40-regeling, dewelke voorschrijft dat 60 % van de stromen direct uit de landbouw afkomstig moeten zijn en 40 % uit andere organische en biologische stromen mag komen, aan de transportafstand. Nergens in de omzendbrief wordt echter toegelaten dat 60 % dan wel 40 % van de inputstromen afkomstig zouden mogen zijn van de niet-nabije VII-39.690-20/37 omgeving. Het feit dat een deel van de gewassen afkomstig zou zijn van een nabijgelegen inrichting, hetgeen door de verwerende en tussenkomende partij wordt beweerd, neemt niet weg dat er voor het andere deel van de gewassen wel degelijk via internationaal transport wordt gewerkt, waarvan dus niet wordt aangetoond dat deze een lokaal karakter heeft en waaromtrent de verwerende partij dus ook geen zekerheid had wanneer in de bestreden beslissing gemakkelijkheidshalve wordt aangenomen dat een lijst met stoffen die afkomstig moeten zijn van nabijgelegen bedrijven niet langer nodig is omdat de input toch zogezegd lokaal zou worden verzameld. De bestreden beslissing is daardoor behept met een manifest motiverings- en zorgvuldigheidsgebrek.
  23. In hun laatste memorie betogen de verzoekende partijen nog, wat het eerste onderdeel betreft, dat de vergunningsaanvraag, luidens het voorwerp ervan, wel degelijk betrekking heeft op de uitbreiding van een bestaande inrichting, overeenkomstig artikel 1, 7°, van Vlarem I. De inrichting wordt op diverse (zeer technische) punten aangepast en geoptimaliseerd, met uitbreiding van drijfkrachten en dergelijke tot gevolg. Door het begrip capaciteitsuitbreiding te beperken tot het inputmateriaal van het bedrijf (beperkt tot 60.000 ton/jaar) worden de stringente voorwaarden van het GRUP buiten werking gesteld, wat haaks staat op de doelstellingen ervan. Dit zet de deur open voor wetsvermijdend gedrag, waarbij onder het mom van instandhouding, bestaande vergistingsinstallaties heimelijk worden uitgebreid met bijkomende hinder voor de omgeving tot gevolg, zolang de input van de installatie maar dezelfde blijft. In de toelichting bij het GRUP wordt weliswaar verwezen naar de beperkingen uit de omzendbrief, die een “maximale capaciteit van 60.000 ton inputmateriaal als bovengrens” hanteert, maar die toelichting hoort bij de voorwaarde dat een uitbreiding van de capaciteit van een bestaande installatie slechts toegelaten is als de uitbreiding noodzakelijk is in functie van de bedrijfseconomische leefbaarheid van het bedrijf. Het gebruik van de meer algemene term “capaciteit” in het verordenende voorschrift wijst er integendeel op dat de bestaande installatie in haar totaliteit moet worden bekeken. Voorts herhalen de verzoekende partijen dat rekening moet worden gehouden met de ratio legis van het GRUP Glastuinbouw, volgens hetwelk vergistingsinstallaties VII-39.690-21/37 een bedreiging uitmaken voor het voortbestaan van glastuinbouwactiviteiten en daarom aan strenge voorwaarden worden onderworpen, zowel met betrekking tot de input als met betrekking tot de gebruikte technieken en processen. Deze bepalingen moeten volgens het GRUP zelf (p. 47) streng en dus restrictief worden toegepast. Indien wordt aanvaard dat enkel de vergunde inputcapaciteit in aanmerking moet worden genomen ter beoordeling van het begrip “uitbreiding van de capaciteit”, wordt het GRUP volledig uitgehold. Bovendien wordt in de bestreden beslissing gesteld dat “de totale verwerkingscapaciteit” niet wordt uitgebreid, wat niet noodzakelijk slaat op de input maar wel op de drijfkrachten van de installatie zelf. Die nemen in dit geval duidelijk toe, zodat de bestreden beslissing tegenstrijdig is gemotiveerd. Wat het tweede onderdeel betreft, benadrukken de verzoekende partijen dat een vergunning wordt verleend voor een installatie die de behoeften van de lokale landbouw ver overtreft, zodat van een zorgvuldig handelende overheid minstens mag worden verwacht dat zij maatregelen neemt om het lokaal karakter van de aanvoerlijnen te bewaken in de vorm van een vergunningsvoorwaarde in die zin, terwijl in dit geval de vergunningsvoorwaarde in die zin wat de OBA betreft, zonder meer wordt geschrapt, enkel en alleen om bedrijfseconomische redenen. Volgens de rechtspraak van de Raad van State moet steeds in concreto worden onderzocht of het para-agrarisch bedrijf voldoende aansluit bij de reeds bestaande landbouw, waartegen de bestreden beslissing ingaat door toe te laten dat de OBA-inputstromen niet langer afkomstig moeten zijn van nabijgelegen bedrijven. Bovendien is de bestreden beslissing daaromtrent tegenstrijdig waar wordt gesteld dat het bedrijf (desondanks) voldoende lokaal gebonden zou zijn. De verzoekende partijen herhalen dat, gelet op de verdeling 30 % mest, 30 % energiegewassen en 40 % OBA, door de schrapping van voornoemde voorwaarde, wordt toegelaten dat bijna de helft van de input van het bedrijf afkomstig zou zijn van niet-nabijgelegen bedrijven, zodat bezwaarlijk nog kan worden gesproken van een bedrijf dat voldoende lokaal gebonden is. De omstandigheid dat enkele vrachtwagens vanuit de Nederlandse grensstreek de inrichting aandoen, doet op zich geen afbreuk aan het lokale karakter, aangezien de VII-39.690-22/37 inrichting is gelegen in de nabijheid van de Nederlandse grens. De frequentie ervan is echter dermate hoog dat de vraag rijst of deze alle afkomstig kunnen zijn uit het (beperkte deel van het) Nederlandse grondgebied dat binnen de vooropgestelde 10 kilometer valt. Beoordeling Eerste onderdeel
  24. In een eerste onderdeel betogen de verzoekende partijen in essentie dat de milieuvergunningsaanvraag een uitbreiding betreft die niet (langer) verenigbaar is met de bestemming van het gebied in het GRUP Glastuinbouw.
  25. Gelet op de ligging van de betrokken inrichting in het gebied “afrembeleid”, is artikel 1.1 van het GRUP Glastuinbouw, dat verordenende voorschriften bevat voor de “agrarische bedrijvenzone” bestemd voor de inplanting van intensieve grondloze agrarische bedrijven, niet van toepassing. Alle argumenten die de verzoekende partijen putten uit de toelichtingsnota en verordenende voorschriften met betrekking tot deze zone, in het bijzonder wat de aanwezigheid betreft van bedrijfsgebonden energie-installaties, doen bijgevolg niet terzake.
  26. Artikel 2 van het GRUP Glastuinbouw, dat wel op dit bestemmingsgebied slaat, luidt als volgt: “afrembeleid (overdruk) categorie van gebiedsaanduiding: ‘landbouw’ Dit artikel is van toepassing op het overdrukgedeelte zoals aangeduid op het grafisch plan, voor zover de onderliggende bestemming behoort tot de categorie van gebiedsaanduiding ‘landbouw’. Dit artikel verfijnt de onderliggende bestemming behorende tot de categorie van gebiedsaanduiding ‘landbouw’ en dit enkel in functie van de mogelijkheden en beperkingen voor glastuinbouwbedrijven, permanente constructies voor beschermde teelten onder glas en mestbehandelings- of vergistingsinstallaties. De bepalingen van dit artikel hebben dan ook uitsluitend betrekking op deze functies. VII-39.690-23/37 Voor zover niet in tegenspraak met de bepalingen van dit artikel blijven de overige bepalingen van de onderliggende bestemming onverminderd van kracht. De oprichting van nieuwe installaties voor mestbehandeling en/of -vergisting is enkel toegelaten voor zover voldaan is aan volgende voorwaarden: […] Instandhouding van bestaande hoofdzakelijk vergunde installaties voor mestbehandeling en/of -vergisting die niet voldoen aan hoger geformuleerde voorwaarden is toegelaten. Uitbreiding van de capaciteit van bestaande hoofdzakelijk vergunde installaties is slechts bij uitzondering toegelaten voor zover voldaan is aan volgende voorwaarden: - de uitbreiding is noodzakelijk in functie van bedrijfseconomische leefbaarheid van het bedrijf; - de uitbreiding staat in relatie tot agrarische activiteiten in de directe omgeving; - de installatie en het voorziene proces beantwoorden aan een optimale ecologische balans, zowel wat betreft energie als (bio)massa; - de uitbreiding is wat betreft schaal en impact verenigbaar met de omgeving. Dit betekent minimaal: - Het mobiliteitsprofiel van de activiteit is afgestemd op het bereikbaarheidsprofiel van de bestaande inplantingslocatie. - De installatie en bijhorende activiteiten veroorzaken geen verstoring van de normale uitbatingsmogelijkheden van agrarische bedrijven in de omgeving - De schaal van de geplande activiteiten is in overeenstemming met de schaal van de activiteiten in de omgeving”. Bij het voorschrift “Uitbreiding van de capaciteit van bestaande hoofdzakelijk vergunde installaties is slechts bij uitzondering toegelaten voor zover voldaan is aan volgende voorwaarden: - de uitbreiding is noodzakelijk in functie van bedrijfseconomische leefbaarheid van het bedrijf” wordt het volgende toegelicht: “In functie van uitbreiding van bestaande vergunde installaties voor agrarische verwerking met energierecuperatie wordt hierbij volgens de huidige instructies een maximale capaciteit van 60.000 ton inputmateriaal per jaar als bovengrens gehandhaafd. Uitbreiding van de capaciteit hierboven is niet toegelaten”. VII-39.690-24/37
  27. Hieruit volgt dat met uitbreiding van de capaciteit, de uitbreiding van het inputmateriaal wordt bedoeld. De stelling van de verzoekende partijen dat ook de aard van de gebruikte biomassa, de gebruikte technieken en processen als de uitstoten of emissies in beschouwing moeten worden genomen, vindt geen steun in de tekst van artikel 2 van het GRUP Glastuinbouw, noch in de doelstelling ervan die zou blijken uit de toelichtingsnota.
  28. Blijkens de milieuvergunningsaanvraag heeft de aanvraag als voorwerp/doel: de nieuwbouw van een opslagbekken voor hemelwater, een navergister, twee opslagtanks voor dunne fractie en een loods, de opslag van energiegewassen, de wijziging van de nabehandeling van het digestaat, het stopzetten van het proces verbranding van dierlijke afvalvetten en gerecycleerde frituurvetten en -oliën, de stopzetting van het lozen van bedrijfsafvalwater, de aanvraag van een tweetrapswasser, het correct weergeven van de vermogens van de reeds vergunde motoren, het regulariseren en uitbreiden/verplaatsen van een aantal ondersteunende rubrieken in functie van het vergistingsproces en het aanpassen van het uitvoeringsplan aan de huidige situatie. Uit de overzichtstabel kan worden afgeleid dat de capaciteit covergisting, in vergelijking met de bestaande vergunde toestand, niet wijzigt en behouden blijft op 60.000 ton/jaar. In bijlage D3 “Beschrijving van de bedrijfs- en productieprocessen” gevoegd bij de milieuvergunningsaanvraag wordt gesteld dat er niets wijzigt aan de totale verwerkingscapaciteit van de bestaande installatie, noch aan het vergistingsproces, doch wel een aantal wijzigingen worden doorgevoerd aan de nabehandeling van het digestaat na vergisting. De bestreden beslissing wordt, wat de verwerkingscapaciteit en het vergistingsproces betreft, als volgt gemotiveerd: “Overwegende dat minimaal 30% mest, maximaal 30% energiegewassen en reststromen uit de landbouw en maximaal 40% OBA en secundaire grondstoffen vergist worden; dat met de aanvraag geen veranderingen aan de verwerkingscapaciteit, noch aan het vergistingsproces beoogd worden; dat de exploitant vergund is voor het vergisten van 60.000 ton inputstromen per jaar en dat dit ongewijzigd blijft; dat het bedrijf beschikt over een inkomend register VII-39.690-25/37 waarin onder meer het tijdstip van aanvoer, de hoeveelheid en de samenstelling van de aangevoerde stromen worden opgenomen; dat op de inrichting een weegbrug aanwezig is; dat het aanvraagdossier een ijkingsattest van de weegbrug bevat; dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat de vergunde verwerkingscapaciteit van 60.000 ton per jaar overschreden zou worden; dat er bovendien voldoende maatregelen worden getroffen, zoals hierboven weergegeven, om te allen tijde adequaat na te gaan hoeveel de actuele verwerkingscapaciteit bedraagt; Overwegende dat uit het aanvraagdossier blijkt dat het digestaat nog een gaspotentieel heeft van 10-15%; dat door de bouw van een navergister en 2 opslagtanks voor digestaat het digestaat maximaal kan uitweken; dat de productie van biogas hierdoor toeneemt in de beoogde situatie met 915 Nm3/uur tot een biogasproductie van 3.307 m3/uur; dat een uitbreiding van de opslag van biogas met 18.700 m3 biogas tot 23.200 m3 biogas wordt voorzien; dat het biogas wordt opgeslagen bovenin de vergisters en de opslagtanks voor digestaat; dat de beoogde procesoptimalisatie inhoudt dat de opslag van OBA wordt uitgebreid met 910 ton tot 1.100 ton vloeibaar OBA en 810 ton vast OBA en de opslag van mest wordt uitgebreid met 16.450 m3 tot de opslag van 600 m3 mest, maag- en darminhoud in mestkelders, 125 m3 mest in silo, 3.975 m3 digestaat, 150 m3 dikke fractie, 16.000 m3 dunne fractie en 300 m3 gedroogd en gekorreld eindproduct zodat er voldoende opslagcapaciteit op het bedrijf voorhanden is”. Deze motieven volstaan in het licht van de formelemotiveringsplicht en vinden steun in het dossier. Met de loutere stelling dat het onveranderd blijven van de verwerkingscapaciteit “ongeloofwaardig” is “gelet op de vele uitbreidingen die met de milieuvergunningsaanvraag worden gepland” en de verwijzing naar toekomstplannen van de tussenkomende partij voor de verwerking van 100.000 ton, maken de verzoekende partijen het tegendeel niet aannemelijk. Anders dan de verzoekende partijen het zien, kan er niet a priori van worden uitgegaan dat de tussenkomende partij de vergunningsdrempel niet zou naleven. De vraag of een exploitant, eens de vergunning is afgeleverd, de exploitatievoorwaarden ook effectief naleeft, is een zaak van uitvoering en handhaving, hetgeen eventueel aanleiding kan geven tot het opleggen van gepaste maatregelen. Blijkens de bestreden beslissing zijn bovendien voldoende maatregelen getroffen om te allen tijde adequaat de hoeveelheid actuele verwerkingscapaciteit na te gaan. VII-39.690-26/37 De bestreden beslissing kon bijgevolg volstaan met de vaststelling dat de verwerkingscapaciteit -in de zin van hoeveelheid ton inputstromen per jaar- ongewijzigd blijft en diende bijgevolg niet verder te motiveren of de voorwaarden gesteld in het GRUP Glastuinbouw voor een uitbreiding al dan niet zijn vervuld. Ook aan de materiëlemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel is voldaan.
  29. Het eerste onderdeel van het eerste middel is ongegrond. Tweede onderdeel
  30. De verzoekende partijen betwisten in dit middelonderdeel dat de vergunde mestverwerkingsinstallatie een voldoende bedrijfsgebonden karakter heeft en om die reden niet langer in overeenstemming zou zijn met de gewestplanbestemming agrarisch gebied.
  31. Luidens artikel 2, derde lid, van het GRUP Glastuinbouw blijven de overige bepalingen van de onderliggende (agrarische) bestemming, voor zover niet in tegenspraak met de bepalingen van dit artikel, onverminderd van kracht. Aangezien de inrichting volgens het gewestplan Turnhout gelegen is in agrarisch gebied, gelden bijgevolg aanvullend de bestemmingsvoorschriften neergelegd in artikel 11.4.1 van het inrichtingsbesluit, dat luidt: “De agrarische gebieden zijn bestemd voor de landbouw in de ruime zin. Behoudens bijzondere bepalingen mogen de agrarische gebieden enkel bevatten de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para-agrarische bedrijven. Gebouwen bestemd voor niet aan de grond gebonden agrarische bedrijven met industrieel karakter of voor intensieve veeteelt, mogen slechts opgericht worden op ten minste 300 m van een woongebied of op ten minste 100 m van een woonuitbreidingsgebied, tenzij het een woongebied met landelijk karakter betreft. De afstand van 300 en 100 m geldt evenwel niet in geval van uitbreiding van bestaande bedrijven. De overschakeling naar bosgebied is toegestaan VII-39.690-27/37 overeenkomstig de bepalingen van artikel 35 van het Veldwetboek, betreffende de afbakening van de landbouw- en bosgebieden”. Uit artikel 11.4.1 van het inrichtingsbesluit volgt dat niet alleen zuivere landbouwbedrijven maar ook para-agrarische bedrijven kunnen worden gevestigd in agrarische gebieden. Een para-agrarisch bedrijf is een onderneming waarvan de activiteit onmiddellijk bij de landbouw aansluit en er op is afgestemd. Daarbij is het niet vereist dat de activiteit van het bedrijf aan de grond gebonden is, noch dat zij niet van industriële aard is. Luidens artikel 11.4.1 van het inrichtingsbesluit zijn de agrarische gebieden immers bestemd voor de landbouw in de “ruime” zin. Het gebruik van de term “ruime zin” betekent dat het begrip “landbouw” niet restrictief, doch extensief moet worden opgevat.
  32. Omtrent het bedrijfsgebonden karakter van de mestverwerkingsinstallatie overweegt de bestreden beslissing het volgende: “Overwegende dat volgens het gewestplan Turnhout het bedrijf gelegen is in een agrarisch gebied en een agrarisch gebied met ecologisch belang; dat nader het door de deputatie op 30 januari 2014 goedgekeurde gemeentelijk RUP ‘Glastuinbouw’ geldt; dat het RUP de aanvraag situeert binnen de overdrukzone artikel 2 Afrembeleid; dat de onderliggende bestemming behoort tot de gebiedsaanduiding ‘landbouw’; dat het bedrijf reeds bestaat en vergund is; dat de totale verwerkingscapaciteit met de voorliggende aanvraag niet wordt uitgebreid; dat de aanvraag bijgevolg in overeenstemming is met het geldende plan”. Zoals hoger gesteld, worden in de inrichting minimaal 30 % mest, maximaal 30 % energiegewassen en reststromen uit de landbouw en maximaal 40 % OBA en secundaire grondstoffen vergist. De verwerende partij heeft in die omstandigheden terecht geoordeeld dat het bedrijf (nog steeds) in overeenstemming is met het geldende plan, ook al wordt de verplichting dat de OBA afkomstig moeten zijn van nabijgelegen bedrijven geschrapt, gelet op de mest die wel afkomstig is van nabijgelegen bedrijven, zelfs grotendeels van het naastgelegen rundveebedrijf van een familielid, en ook de energiegewassen lokaal geteeld worden. Voor die energiegewassen wordt overigens, blijkens de bestreden VII-39.690-28/37 beslissing, een bijkomende opslagsilo voorzien waarin deze worden ingekuild, wat het bedrijfsgebonden karakter ervan bevestigt. Blijkens de milieuvergunningsaanvraag geeft de tussenkomende partij bovendien aan dat 25 % van de OBA lokaal worden opgehaald. Gelet op de concrete gegevens in het aanvraagdossier bestaat er wel degelijk voldoende duidelijkheid over de herkomst van de inputstromen. Met het uitvoerig betoog dat inputmateriaal ook wordt aangevoerd vanuit het (nabijgelegen) Nederland, zodat de aanvoer bijgevolg alleen al daarom niet lokaal gebonden kan zijn, tonen de verzoekende partijen het tegendeel niet aan.
  33. De omzendbrief RO/2006/01 heeft geen verordenend karakter. De loutere omstandigheid dat in de bestreden beslissing geen verwijzing is gebeurd naar de niet-bindende bepalingen ervan, kan niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing leiden.
  34. Uit wat voorafgaat volgt dat de bestreden beslissing is gesteund op in rechte en in feite aanvaardbare motieven die met de vereiste zorgvuldigheid zijn vastgesteld. Het tweede onderdeel van het eerste middel is niet gegrond. B. Tweede middel Standpunt van de verzoekende partijen
  35. In het tweede middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 17 van het milieuvergunningsdecreet, artikel 52, 3°, b), van Vlarem I, artikel 4.3.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), artikel 11 van het inrichtingsbesluit, de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, de artikelen 1.1 en 2 van de stedenbouwkundige voorschriften van VII-39.690-29/37 het GRUP Glastuinbouw en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het motiverings-, het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel. Zij betogen in essentie dat de bestreden milieuvergunning werd afgeleverd hoewel de milieuvergunningsaanvraag niet voldoet aan de vereisten van een goede ruimtelijke ordening, zoals voorgeschreven door artikel 4.3.1 VCRO. Bij de beoordeling van de vergunningsaanvraag werden de hinderaspecten onvoldoende belicht, met name de geur- en stofhinder, de mobiliteitsimpact en de gevolgen voor de volksgezondheid. Wat de geurhinder betreft betogen zij dat hij pertinent is en blijft, ondanks de beperkende voorwaarden die in het verleden in de milieuvergunningen werden opgenomen. Zij bekritiseren de motivering dat de geurhinder tot een aanvaardbaar niveau kan worden beperkt doordat de OBA zullen worden opgeslagen in een volledig afgesloten loods, alsook verscheidende installaties in een afgesloten ruimte worden geplaatst, en omdat er zou worden voorzien in een systeem van ammoniak- en geurverwijdering dat gelijkwaardig is aan de door Vlarem voorgeschreven filtratie over een biobed en zure wasser. Deze aanname gebeurt volgens de verzoekende partijen op basis van een eenzijdige verklaring van de expert van de exploitant, en desondanks wordt in een bijzondere voorwaarde voorzien die een doorlichting van de installatie oplegt binnen het jaar na vergunningverlening. De verzoekende partijen zouden nog een jaar lang geurhinder moeten ondergaan. Voorts wordt gewezen op het sproeisysteem en het falend afdeksysteem waardoor ook geurhinder en vervuiling van de serres van de verzoekende partijen en het voedingswater ontstaat. De opgelegde luchtbehandelingsinstallatie op zich zal volgens de verzoekende partijen dus niet voldoende zijn om de geurhinder tot een aanvaardbaar niveau te beperken. Wat de vervuiling van de omgeving betreft met nefaste gevolgen voor de verse voedselproductie in hun bedrijf, meer bepaald door de lozingen van vuil water in de nabije waterloop, betogen de verzoekende partijen dat nergens in de bestreden beslissing op deze problematiek wordt ingegaan, ondanks de VII-39.690-30/37 vaststellingen die OVAM ter zake heeft gedaan. Bovendien wordt er geheel niet ingegaan op de effecten die dit heeft op het voedingsproductieproces bij de verzoekende partijen, dat geheel wordt verstoord ingevolge de hinderlijke uitstoot van de mestverwerkingsinstallatie, en wordt er geen toetsing doorgevoerd aan de bepalingen en de doelstellingen van het GRUP. Wat de hinder door de grote aanwezigheid van meeuwen en ongedierte betreft, die worden aangetrokken door de inrichting, wordt gemotiveerd dat de vaste OBA in een gesloten loods zullen worden opgeslagen. Daarbij wordt geen rekening gehouden, zelfs niet in het licht van de replieknota tegen het beroepsadvies van het departement LNE, met de omstandigheid dat ratten zich een toegang tot deze opslag kunnen verschaffen via kleine openingen, waardoor tevens vervuiling van de omliggende percelen mogelijk is. Bovendien zijn meeuwen hardnekkige dieren die niet zomaar wegblijven, zodat het effect van de gesloten opslag niet onmiddellijk voelbaar zal zijn. Het voorstel van de verzoekende partijen om als bijkomende voorwaarde een kanon in te zetten om de meeuwen te verjagen werd zelfs niet in overweging genomen. De bijzondere voorwaarde “dat de nodige maatregelen moeten getroffen worden om de broei van de vaste OBA te vermijden en te detecteren”, laat volgens de verzoekende partijen te veel vrijheid aan de exploitant om zelf een invulling te geven aan wat moet worden verstaan onder “de nodige maatregelen”. Ook het door de verzoekende partijen opgeworpen bezwaar tegen de grote hoeveelheden fijn stof wordt geminimaliseerd. De motivering ter zake is niet afdoende, gelet op de bevindingen in het advies van het departement LNE, waaruit kan worden afgeleid dat het luchtbehandelingssysteem niet adequaat is en nog bijkomende maatregelen behoeft. Voor de productie van het zone-eigen gelegen bedrijf van de eerste verzoekende partij kan de stofhinder niet laag genoeg zijn, gelet op de kwetsbaarheid van de gewassen en de ratio legis van het GRUP. Hiermee werd geen rekening gehouden. In hun beroepschrift voerden de verzoekende partijen tevens aan dat de schadelijke stoffen die vanuit de mestverwerkings- en vergistingsinstallatie worden verspreid, nefast zijn voor het VII-39.690-31/37 nabijgelegen agrarisch gebied met ecologische waarde en natuurgebied. De verwerende partij vreest geen aantasting van de natuurwaarden, ondanks het feit dat in een nota van 5 januari 2016 van de exploitant wordt voorgesteld om de “dual fuel motor” uit te rusten met een actief koolfilter, hetgeen de totale SO2-emissie met 10 % zou reduceren. Het Agentschap voor Natuur en Bos oordeelde in een advies van 23 november 2015 dat de geplande uitbreiding omwille van de toename van SO2-emissies en bijhorende verzurende effecten op het nabijgelegen habitatrichtlijngebied ongunstig diende te worden geadviseerd en dat er een substantiële daling van de SO2-emissie moest worden gerealiseerd ten opzichte van de huidige emissie. Op basis van de gegevens van het dossier stellen de verzoekende partijen vast dat de daling van de SO2-emissies snel wordt aangenomen, zonder dat in de bestreden beslissing wordt nagegaan wat de reële effecten van de actief koolfilter zijn. Noch het recentste advies van het Agentschap voor Natuur en Bos, noch het advies van het departement LNE hadden mogen worden gevolgd door de verwerende partij. Wat de mobiliteitshinder betreft merken de verzoekende partijen op dat de aangekondigde vermindering van 0,7 vrachten per dag eenzelfde mobiliteitsimpact bij de afvoer oplevert, met dat verschil dat grotere en zwaardere transporten bij de aanvoer mogen worden verwacht, gelet op de uitbreiding van de inrichting en het wegvallen van de verplichting om lokale aanvoerlijnen te hebben. Deze transporten kunnen bovendien niet als gewone agrarische transporten worden beschouwd, die in agrarisch gebied dienen te worden getolereerd, maar wel als zonevreemde transporten met grote opleggers, en daarmee wordt geen rekening gehouden. De verzoekende partijen verwijzen naar artikel 5.2.1.5, § 2, van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna: Vlarem II), dat bepaalt dat een inrichting ontoegankelijk moet zijn voor onbevoegden en dat de inrichting daartoe moet worden omheind met een stevige en voldoende ongeveer twee meter hoge afsluiting. De essentie van het ontoegankelijk maken van de inrichting komt er VII-39.690-32/37 volgens hen op neer dat de gebouwen, constructies en machines van de inrichting niet bereikbaar zijn voor onbevoegden, en dat, wanneer een afsluiting bestaat uit één van de constructies zelf, te dezen het opslagbassin, daaruit volgt dat de gebouwen van de inrichting wel degelijk bereikbaar zijn voor onbevoegden, zodat deze afwijking niet voldoet aan de vereisten van voormeld artikel. De verzoekende partijen hebben bovendien opgemerkt dat er nergens een hoogte wordt vermeld bij de poorten en draadafsluiting die aanwezig zouden zijn ten zuiden en ten westen van de inrichting, zodat niet is geweten of deze werkelijk minstens twee meter hoog zijn. Volgens hen is alleszins een eenvoudige “draadafsluiting” onvoldoende om de inrichting werkelijk ontoegankelijk te maken voor onbevoegden. Ten slotte neemt de verwerende partij volgens de verzoekende partijen ten onrechte genoegen met het groenscherm dat de exploitant voorstelt in afwijking van artikel 5.2.1.5, § 5, van Vlarem II. Die bepaling schrijft voor dat langsheen de randen van de inrichting een groenscherm van minstens vijf meter breed moet worden aangelegd. Te dezen wordt echter slechts een groenscherm van drie meter aan de noord- en oostzijde van het bedrijf voorzien en, enkel aan de zuidzijde, één van vijf meter. Gelet op de aard van de activiteiten en de ligging van het bedrijf is het volgens de verzoekende partijen onbegrijpelijk dat een afwijking van deze bepaling wordt toegestaan. Er valt niet in te zien waarom aan de westzijde van het bedrijf niet in een groenscherm wordt voorzien en integendeel gebruik wordt gemaakt van een ander schadelijk, industrieel bedrijf als afscherming. Deze argumentatie en nadere ontwikkeling van de beroepsargumenten werd opgenomen in een schriftelijke nota met repliek op het advies van het departement LNE, die door de verzoekende partijen werd overgemaakt op 8 februari
  36. Met deze repliek werd volgens hen evenwel geen rekening gehouden in de bestreden beslissing, die een letterlijke overname is van het advies van het departement LNE.
  37. In hun memorie van wederantwoord repliceren de verzoekende partijen dat alle motieven die de verwerende partij aanhaalt in haar memorie van antwoord, niet in de bestreden beslissing zijn opgenomen. Voorts dat zij geenszins aan de Raad van State vragen zelf over te gaan tot de beoordeling van de VII-39.690-33/37 hinderaspecten, doch enkel wensen aan te tonen dat de verwerende partij tot een kennelijk onredelijke beoordeling van de hinder in de bestreden beslissing is gekomen. Het loutere feit dat er van sommige vaststellingen geen proces-verbaal of veroordeling voorhanden zou zijn, betekent niet dat de hinder niet zou bestaan. Het feitelijk aanwezig zijn van de hinder werd overigens meermaals vastgesteld door de afdeling Milieu-inspectie of door OVAM. Wat betreft de toegankelijkheid geeft de tussenkomende partij zelf toe dat de muren in kwestie slechts anderhalve meter hoog zijn terwijl minstens twee meter wordt verwacht. Wat betreft het groenscherm valt niet in te zien waarom ten noorden en ten oosten een groenscherm van drie meter breedte voldoende zou zijn, terwijl ten zuiden een groenscherm van vijf meter breedte nodig is. Door afscherming met een ander bedrijf kan geen integratie in het landschap en omgeving worden bewerkstelligd. Indien de vergunningverlenende overheid zich wil beroepen op een uitzonderingsbepaling in de sectorale voorwaarden om afwijkingen toe te staan, dan moet dat voldoende worden gemotiveerd. Ten slotte herhalen de verzoekende partijen dat de bestreden beslissing een woordelijke overname is van het advies van het departement LNE, en kan uit de bestreden beslissing in het geheel niet worden afgeleid of met de aanvullende nota van de verzoekende partijen van latere datum rekening werd gehouden. Ten overvloede merken de verzoekende partijen op dat geen verklaring wordt gegeven voor de ontbrekende stedenbouwkundige toets van het aangevraagde. Beoordeling
  38. Voor zover in het tweede middel opnieuw wordt aangevoerd dat de bestreden beslissing niet beantwoordt aan de aangehaalde stedenbouwkundige voorschriften, wordt verwezen naar de beoordeling van het eerste middel.
  39. De verzoekende partijen hebben al hun argumenten kunnen uiteenzetten in hun bestuurlijk beroepschrift. De tussenkomst van gespecialiseerde adviesverlenende instanties tijdens de beroepsprocedure strekt tot voorlichting van de vergunningverlenende overheid zodat deze met kennis van zaken uitspraak kan VII-39.690-34/37 doen over alle aspecten van de vergunningsaanvraag. Het feit dat de verwerende partij niet uitdrukkelijk de beweerdelijk nieuwe argumenten die na deze adviesverlening nog zouden zijn aangevoerd, heeft beantwoord, houdt geen motiveringsgebrek in. Minstens tonen de verzoekende partijen niet aan welke nieuwe elementen zij in de nota, ingediend na de adviesverlening van het departement LNE, hebben aangevoerd waarmee de verwerende partij dan op onredelijke wijze geen rekening heeft gehouden.
  40. Uit de sub 3.7 aangehaalde motieven van de bestreden beslissing blijkt dat de verwerende partij rekening heeft gehouden met de concrete ligging van de inrichting en met de nadelige invloed van de vergunde activiteiten op de onmiddellijke omgeving, inzonderheid op het vlak van geluidshinder, hinder door “ongedierte”, stof- en mobiliteitshinder. De verzoekende partijen tonen niet aan dat de verwerende partij bij de beoordeling van die hinder is uitgegaan van feitelijk onjuiste gegevens. Evenmin kan deze beoordeling, rekening houdend met de concrete gegevens van de zaak en de bestemmingsvoorschriften van het GRUP (zie eerste middel) als onredelijk worden aangemerkt. Ook wat de gevraagde afwijkingen van artikel 5.2.1.5, § 2, en § 5, van Vlarem II betreft, wordt in de bestreden beslissing een afdoende motivering gegeven, minstens tonen de verzoekende partijen het tegendeel niet aan. De verzoekende partijen maken niet aannemelijk dat, uit de omstandigheid dat in een bijzondere voorwaarde de verplichting is opgelegd tot het uitvoeren van een doorlichting van de werking van de nieuwe luchtbehandelingsinstallatie door een erkend deskundige, moet worden afgeleid dat er op het ogenblik van de vergunningverlening geen voldoende waarborgen voorhanden zouden zijn om de vergunning te kunnen verlenen. Het opleggen van deze bijzondere voorwaarde getuigt integendeel van een zorgvuldig optreden in hoofde van de vergunningverlenende overheid. VII-39.690-35/37 De omstandigheid dat de exploitatie in het verleden aanleiding heeft gegeven tot verscheidene klachten (onder meer betreffende illegale lozingen), heeft geen relevantie voor de beoordeling van de vraag of de hinder, na de beoogde verandering van de inrichting, binnen aanvaardbare perken blijft, rekening houdend met de bijkomend opgelegde exploitatievoorwaarden. Indien in de toekomst zou blijken dat onaanvaardbare hinder van de inrichting afkomstig zou zijn, is dit een zaak van uitvoering en handhaving dat eventueel aanleiding kan geven tot het nemen van gepaste maatregelen.
  41. Het tweede middel is niet gegrond. BESLISSING
  42. De Raad van State verwerpt het beroep.
  43. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 600 euro, elk voor een derde, en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro verschuldigd aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. VII-39.690-36/37 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vier april tweeduizend negentien, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-39.690-37/37 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.172 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.