id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 april 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.202 Rolnummer: A. 227766/IX-9519 Zaak: Arrest 244202 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 05/04/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-04-08 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-25 11:58 Fiche Arrest nr 244.202 van 5 april 2019 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 244.202 van 5 april 2019 in de zaak A. 227.766/IX-9519 In zake: Sigrid AELTERMAN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hendrik Vermeire kantoor houdend te 9000 Gent Kortrijksesteenweg 956 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steve Ronse en Deborah Smets kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 1 april 2019, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de [...] per mail dd. 29 maart 2019 ter kennis gebrachte beslissing dat [Sigrid Aelterman] niet wordt toegelaten tot de volgende en laatste selectieronde voor de functie van Re- geringscommissaris bij het Agentschap voor Hoger Onderwijs, [Volwassenenon- derwijs], Kwalificaties en Studietoelagen (AHOVOKS)”. Tevens wordt gevorderd “[a]ls voorlopige maatregel te bevelen dat [Sigrid Aelterman] alvast wordt toegelaten tot de volgende en laatste selec- tieronde (4° fase) voor de functie van Regeringscommissaris bij het Agentschap voor Hoger Onderwijs, [Volwassenenonderwijs], Kwalificaties en Studietoela- gen”. IX-9519-1/10 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 april 2019 om 15.00 uur. Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Hendrik Vermeire, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Deborah Smets, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördi- neerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoekster is adjunct van de directeur bij de afdeling Mana- gementondersteunende diensten van het departement Onderwijs en Vorming van de Vlaamse overheid. Zij is werkzaam bij de commissaris van de Vlaamse Rege- ring bij de Universiteit Antwerpen en de Universiteit Hasselt en hun respectieve associaties met de hogescholen (AUHA en AUHL). 3.
- Tijdens de maand januari 2019 verklaart de Vlaamse Regering vier betrekkingen van regeringscommissaris voor het hoger onderwijs vacant. IX-9519-2/10 Het selectiereglement voorziet in een selectieprocedure die vier fases omvat. Vooreerst is er een “toetsing [van de kandidaten aan de] formele deelnemingsvoorwaarden (februari 2019)”. Daarna volgt een “verkennend gesprek (februari/maart 2019)”. Vervolgens heeft een “externe potentieelinschatting (maart 2019)” plaats. Ten slotte is er een “interview met [de] selectiecommissie (maart/april 2019)”. Met betrekking tot de externe potentieelinschatting bepaalt het selectiereglement: “De kandidaten die geschikt bevonden werden na het verkennend gesprek, worden opgeroepen om deel te nemen aan een externe potentieelinschatting (assessment center) bij een extern kantoor. Tijdens de externe potentieel- inschatting worden de gedragscompetenties bevraagd. De externe potentieel- inschatting bestaat uit een persoonlijkheidsvragenlijst, een competentiegericht interview, een analyse- en presentatieoefening en een gespreksoefening. Deze test wordt afgenomen en beoordeeld door 2 consultants van een ex- tern selectiekantoor, wat nodig is om de selectiekwaliteit te waarborgen. De consultants maken een beoordeling op basis van de test. Deze test is uitsluitend. Enkel de kandidaten die geschikt bevonden worden op basis van de externe potentieelinschatting worden uitgenodigd tot een interview met de se- lectiecommissie.” Luidens het selectiereglement zal de Vlaamse minister van On- derwijs uiteindelijk vier geschikte kandidaten kiezen en hen op een gemotiveerde wijze voordragen aan de Vlaamse Regering. 3.
- Op 24 februari 2019 stelt verzoekster zich kandidaat voor een functie van regeringscommissaris voor het hoger onderwijs. 3.
- Verzoekster verkrijgt in de eerste en de tweede fase van de se- lectieprocedure telkens een gunstige beoordeling. 3.
- Na de derde fase van de selectieprocedure deelt het selectie- bureau dat de externe potentieelinschatting heeft verricht, met een e-mailbericht van 29 maart 2019 aan verzoekster mee: IX-9519-3/10 “Onlangs nam je deel aan de externe potentieelinschatting voor de functie Regeringscommissaris bij AHOVOKS. Om toegelaten te worden tot de volgende ronde, moest je een gunstig ad- vies krijgen. We moeten je meedelen dat je een ongunstig advies kreeg op basis van de vooropgestelde criteria in het selectiereglement. We nemen je kandidatuur bijgevolg niet verder in rekening. Dit is jouw eindbeoordeling: „Sigrid Aelterman neemt haar taken en verantwoordelijkheden zeer ernstig op. Ze streeft volledigheid na in de antwoorden die ze formuleert en hanteert hierbij een enigszins formele stijl. Op die manier creëert ze ongewild mogelijks enige afstand met haar doelpubliek, hoewel ze de intentie heeft om hen zo goed mo- gelijk van dienst te zijn. Het kan iets moeilijker zijn voor haar om een duidelijk standpunt in te nemen gebaseerd op een zelfverzekerde analyse van een situatie. Ze brengt haar boodschap nogal traag en gaat eerder voorzichtig en genuan- ceerd te werk waardoor ze verliest aan daadkracht en impact. In de omgang met anderen kan ze bepaalde verbeterpunten of conflicten duidelijker doorpraten in plaats van deze enigszins uit de weg te gaan. Ze haalt er voor zichzelf enig vertrouwen uit wanneer ze de nodige controle kan uitoefenen op haar omge- ving. Ze moet erover waken om voldoende contact te hebben met haar doel- publiek om zo hun tevredenheid te kunnen inschatten.‟ Deze evaluatie geldt alleen voor deze vacature. Je kan in de toekomst altijd opnieuw solliciteren. [...].” Verzoekster onderkent hierin de bestreden beslissing. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
- Ter terechtzitting wijst verzoekster erop dat de verwerende partij een administratief dossier heeft neergelegd en twee stukken daarvan als vertrou- welijk heeft aangemerkt, namelijk het “rapport verkennend gesprek” en het “rap- port externe potentieelinschatting”. Verzoekster betwist de vertrouwelijke aard van deze stukken en stelt kennis te willen nemen van deze stukken.
- De Raad van State dient in de huidige stand van de rechtspleging over die betwisting geen uitspraak te doen, aangezien de desbetreffende stukken op geen enkele wijze invloed hebben op zijn hiernavolgende beoordeling van de vordering. IX-9519-4/10 V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat min- stens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende nood- zakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. VI. Uiterst dringende noodzakelijkheid
- Verzoekster betoogt in haar inleidend verzoekschrift met be- trekking tot de schorsingsvoorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid: “Verzoekster is sedert maart 1999 tot heden tewerkgesteld als adjunct van de Directeur Vlaamse overheid, departement onderwijs, afdeling Management- ondersteunende diensten, werkzaam bij de Regeringscommissaris bij de Uni- versiteit Antwerpen en de Universiteit Hasselt, AUHA en AUHL. Met aanvang van 1 augustus 2019 worden alle administratieve diensten van de respectievelijke regeringscommissarissen, thans met standplaatsen gede- centraliseerd over Vlaanderen (o.a. Gent, Antwerpen, Leuven, Brussel, etc.), gecentraliseerd te Brussel. Door de bestreden beslissing wordt thans aan de verzoekster een verdere deelname ontzegd aan de selectieproeven, t.t.z. de vierde fase, die dus (volgens het selectiereglement) reeds gepland staat voor maart/april
- Gelet het voorgestaan hogervermelde korte tijdspad neemt verzoekster als voorzegd aan dat het de intentie is van de huidige Vlaamse regering om nog voor 26 mei 2019, datum verkiezingen Vlaams Parlement, over te gaan tot de aanstelling van vier nieuwe commissarissen van de Vlaamse regering. Verzoekster zal, zonder de tussenkomst van een schorsing, als adjunct van de Directeur Vlaamse overheid, departement onderwijs, afdeling Manage- mentondersteunende diensten, louter worden toegewezen aan de nieuwe rege- ringscommissarissen onder wier hiërarchische leiding de verzoekster dan zal moeten functioneren. Het is algemeen humaan beschouwend in redelijkheid niet anders mogelijk als dat een procedure tot vernietiging – een zwaard van Damocles boven de dan reeds weerhouden aanstellingen der regeringscommissarissen – een nadelige invloed heeft op de verdere uitoefening van de opdracht van algemeen belang door collegiale en gedegen samenwerking, en dit voor alle betrokkenen, inbe- grepen de verzoekster. IX-9519-5/10 Gegeven de omstandigheden kan worden aangenomen dat de verzoekster door de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing gedurende de komende jaren een ernstig moreel en sociaal persoonlijk nadeel zal lijden dat door een schorsing volgens de gewone procedure of vernietigingsarrest nog maar moeilijk zal kunnen worden hersteld. Besluit: De vordering voldoet aan de vereiste van uiterst dringende nood- zakelijkheid. Zonder een schorsing bij hoogdringendheid lijkt een ernstig en moeilijk herstelbaar nadeel ook imminent.” Beoordeling
- Er moet worden aan herinnerd dat de toepassing van de proce- dure „bij uiterst dringende noodzakelijkheid‟ een ernstige verstoring teweegbrengt in het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, dat ze de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum beperkt en de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij aanzienlijk in het gedrang brengt. De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonder- lijk blijven in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat door de verzoekende partij op een duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond dat de zaak uiterst dringend is. Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 „tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State‟ bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzake- lijkheid wordt aangevoerd, daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Dit betekent dat een verzoekende partij aan de hand van precieze en concrete gegevens in haar inleidend verzoekschrift aannemelijk moet maken dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien ze pas na het afwikkelen van een gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen dat haar ingevolge de onmiddellijke tenuit- voerlegging van de bestreden beslissing treft of dreigt te treffen. IX-9519-6/10 Maar er is meer. Immers, niet anders dan het geval is in een gewone schorsingsprocedure, is vereist dat de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten, op gevaar af zich in een toestand te bevinden waarin schadelijke gevolgen van de bestreden beslissing niet meer door een eventueel vernietigingsarrest of in het kader van het rechtsherstel na een der- gelijk arrest kunnen worden goedgemaakt.
- Verzoekster wijst er in dit geval vooreerst op dat haar door de bestreden beslissing “een verdere deelname [wordt] ontzegd aan de selectieproe- ven, t.t.z. de vierde fase, die [...] (volgens het selectiereglement) reeds gepland staat voor maart/april 2019” en zij neemt aan “dat het de intentie is van de huidige Vlaamse regering om nog voor 26 mei 2019, datum verkiezingen Vlaams Parle- ment, over te gaan tot de aanstelling van vier nieuwe commissarissen van de Vlaamse regering”. De enkele omstandigheid dat de selectieprocedure inmiddels zonder verzoekster voortgang vindt en, desgevallend, zelfs resulteert in een eind- beslissing van de Vlaamse Regering tot aanstelling van één of meerdere rege- ringscommissarissen voor het hoger onderwijs in de vacant verklaarde betrek- kingen, impliceert evenwel geenszins dat aan verzoekster na een eventueel ver- nietigingsarrest dat de onwettigheid van de thans bestreden beslissing vaststelt, geen volledig rechtsherstel meer zou kunnen worden verleend dat de selectiepro- cedure corrigeert vanaf het punt waarop ze is misgelopen, mits verzoekster in voorkomend geval ook de voornoemde eindbeslissing van de complexe admini- stratieve rechtshandeling met een annulatieberoep bestrijdt om haar eigen kans op een aanstelling te vrijwaren. De voornoemde omstandigheid toont derhalve niet aan dat ver- zoekster als kandidaat voor een aanstelling tot regeringscommissaris voor het hoger onderwijs in zodanige mate schadelijke gevolgen van de bestreden beslis- sing ondervindt dat zij de uitspraak over een beroep tot nietigverklaring niet kan IX-9519-7/10 afwachten. Ze kan dan ook de uiterst dringende noodzakelijkheid van de voor- liggende vordering niet verantwoorden.
- Verzoekster stelt voorts dat, zonder de tussenkomst van een schorsing, zij zal worden toegewezen aan de nieuwe regeringscommissarissen onder wier hiërarchische leiding zij dan zal moeten functioneren. Zij acht het “algemeen humaan beschouwend” in redelijkheid niet anders mogelijk dan dat een op dat ogenblik nog aanhangig annulatieberoep bij de Raad van State “een nade- lige invloed [zal hebben] op de verdere uitoefening van de opdracht van algemeen belang door collegiale en gedegen samenwerking en dit voor alle betrokkenen”. Ook deze argumentatie van verzoekster kan echter niet overtui- gen. De aangevoerde nadelige invloed van een eventueel nog aanhangig beroep op de uitoefening van haar functie en haar werkrelatie met de nieuw aangestelde regeringscommissarissen gaat er immers aan voorbij dat van alle betrokkenen in die situatie een professionele houding mag worden verwacht, zodat een eventuele verstoring van die werkrelatie niet rechtstreeks aan de bestreden beslissing zou mogen worden toegeschreven. Ten aanzien van een onprofessionele houding van de betrokkenen zou het bestuur overigens maatregelen kunnen treffen. Ten overvloede toont verzoekster niet aan en beweert zij zelfs niet dat zij als adjunct van de directeur bij de afdeling Managementondersteunende diensten van het departement Onderwijs en Vorming van de Vlaamse overheid noodzakelijk moet worden tewerkgesteld bij een regeringscommissaris voor het hoger onderwijs.
- Voor zover verzoekster ten slotte “[g]egeven de omstandighe- den” doet gelden dat zij “door de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing gedurende de komende jaren een ernstig en moreel en sociaal persoon- lijk nadeel zal lijden”, moet worden opgemerkt dat wie deelneemt aan een selectie geacht mag worden het risico van een teleurstelling te accepteren. Een dergelijk moreel nadeel verantwoordt in beginsel geen spoedeisendheid en al zeker niet de IX-9519-8/10 uiterst dringende noodzakelijkheid van de voorliggende vordering. Verzoekster maakt op geen enkele wijze concreet aannemelijk dat het beweerde nadeel niet zou kunnen worden goedgemaakt door de genoegdoening die een eventueel vernieti- gingsarrest haar zou verschaffen.
- Uit wat voorafgaat blijkt dat verzoekster niet aantoont dat zij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten, op gevaar af zich in een toestand te bevinden waarin schadelijke gevolgen van de bestreden beslissing niet meer door een vernietigingsarrest of in het kader van het rechtsherstel na een dergelijk arrest kunnen worden goedgemaakt. Verzoekster toont met andere woorden niet aan dat haar vorde- ring uiterst dringend is. VII. Slotsom wat de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid betreft
- Er is alvast niet voldaan aan één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cu- mulatief vervuld moeten zijn opdat een vordering tot schorsing bij uiterst drin- gende noodzakelijkheid zou kunnen worden ingewilligd. Verzoeksters vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing dient der- halve te worden verworpen. VIII. Slotsom wat de gevorderde voorlopige maatregel betreft
- Aangezien verzoeksters vordering tot schorsing bij uiterst drin- gende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing dient te worden verworpen, kan er geen aanleiding zijn om in te gaan op haar verzoek “[a]ls voorlopige maatregel te bevelen dat [zij] alvast wordt toegelaten tot de IX-9519-9/10 volgende en laatste selectieronde (4° fase) voor de functie van Regeringscom- missaris bij het Agentschap voor Hoger Onderwijs, [Volwassenenonderwijs], Kwalificaties en Studietoelagen”. Voor zover verzoekster het opleggen van de voormelde voorlo- pige maatregel vordert, dient haar vordering bijgevolg evenzeer te worden ver- worpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 5 april 2019, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bert Thys, staatsraad, waarnemend voorzitter bijgestaan door VeraWauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Bert Thys IX-9519-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.202 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.157 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.