← België

Arrest 244203 - Varia (onderwijs en cultuur) - 05/04/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 april 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.203 Rolnummer: A. 227781/IX-9522 Zaak: Arrest 244203 - Varia (onderwijs en cultuur) - 05/04/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-04-08 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-25 11:59 Fiche Arrest nr 244.203 van 5 april 2019 Onderwijs en cultuur - Varia (onderwijs en cultuur) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 244.203 van 5 april 2019 in de zaak A. 227.781/IX-9522 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jan Ghysels en Sophie Bleux kantoor houdend te 1170 Brussel Terhulpsesteenweg 187 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steve Ronse en Deborah Smets kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 2 april 2019, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “[d]e beslis- sing zoals meegedeeld bij e-mail van 29 maart 2019 [...] waarbij beslist werd dat [XXXX] uitgesloten wordt van verdere deelname aan de selectieprocedure voor de benoeming tot Regeringscommissaris Hoger Onderwijs – Standplaats Brussel – Beleidsdomein Onderwijs en Vorming – Agentschap voor Hoger Onderwijs, [Volwassenenonderwijs], Kwalificaties en Studietoelagen”. Tevens wordt gevorderd “te bevelen dat de lopende selectie en benoemingsprocedure voor regeringscommissaris moet worden stopgezet onder verbeurte van een dwangsom van 360.000 [euro], minstens te bevelen dat [XXXX] dient te worden gehoord door de selectiecommissie op hetzelfde moment als de IX-9522-1/13 andere [...] weerhouden kandidaten in het kader van de vierde selectiestap ‘Inter- view met selectiecommissie’ en dit onder verbeurte van een dwangsom van 360.000 [euro]”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 4 april 2019 om 15.00 uur. Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaten Jan Ghysels en Sophie Bleux, die verschijnen voor de verzoekende partij en advocaat Deborah Smets, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördi- neerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. Verzoekster is jurist-beleidsondersteuner bij de afdeling Hoger Onderwijs en Volwassenenonderwijs van het departement Onderwijs en Vorming van de Vlaamse overheid en tevens bestuursrechter bij de Raad voor betwistingen inzake studievoortgangsbeslissingen. IX-9522-2/13 3.
  5. Tijdens de maand januari 2019 verklaart de Vlaamse Regering vier betrekkingen van regeringscommissaris voor het hoger onderwijs vacant. Het selectiereglement voorziet in een selectieprocedure die vier fases omvat. Vooreerst is er een “toetsing [van de kandidaten aan de] formele deelnemingsvoorwaarden (februari 2019)”. Daarna volgt een “verkennend gesprek (februari/maart 2019)”. Vervolgens heeft een “externe potentieelinschatting (maart 2019)” plaats. Ten slotte is er een “interview met [de] selectiecommissie (maart/april 2019)”. Met betrekking tot de externe potentieelinschatting bepaalt het selectiereglement: “De kandidaten die geschikt bevonden werden na het verkennend gesprek, worden opgeroepen om deel te nemen aan een externe potentieelinschatting (assessment center) bij een extern kantoor. Tijdens de externe potentieel- inschatting worden de gedragscompetenties bevraagd. De externe potentieel- inschatting bestaat uit een persoonlijkheidsvragenlijst, een competentiegericht interview, een analyse- en presentatieoefening en een gespreksoefening. Deze test wordt afgenomen en beoordeeld door 2 consultants van een ex- tern selectiekantoor, wat nodig is om de selectiekwaliteit te waarborgen. De consultants maken een beoordeling op basis van de test. Deze test is uitsluitend. Enkel de kandidaten die geschikt bevonden worden op basis van de externe potentieelinschatting worden uitgenodigd tot een interview met de se- lectiecommissie.” Luidens het selectiereglement zal de Vlaamse minister van On- derwijs uiteindelijk vier geschikte kandidaten kiezen en hen op een gemotiveerde wijze voordragen aan de Vlaamse Regering. 3.
  6. Op 24 februari 2019 stelt verzoekster zich kandidaat voor een functie van regeringscommissaris voor het hoger onderwijs. 3.
  7. Verzoekster verkrijgt in de eerste en de tweede fase van de se- lectieprocedure telkens een gunstige beoordeling. IX-9522-3/13 3.
  8. Na de derde fase van de selectieprocedure deelt het selectie- bureau dat de externe potentieelinschatting heeft verricht, met een e-mailbericht van 29 maart 2019 aan verzoekster mee: “Onlangs nam je deel aan de externe potentieelinschatting voor de functie Regeringscommissaris bij AHOVOKS. Om toegelaten te worden tot de volgende ronde, moest je een gunstig ad- vies krijgen. We moeten je meedelen dat je een ongunstig advies kreeg op basis van de vooropgestelde criteria in het selectiereglement. We nemen je kandidatuur bijgevolg niet verder in rekening. Dit is jouw eindbeoordeling: ‘XXXX toont enige moeite om zich in een nieuwe situatie voldoende vlot in te werken. Ze slaagt er niet echt om op een overtuigende manier een coherent verhaal te brengen, gebaseerd op een eigen interpretatie van de beschikbare gegevens. Ze stelt zich bijzonder voorzichtig op bij het formuleren van een eigen mening en moet een moeilijke boodschap iets duidelijker meegeven. Wanneer ze vertrouwd is met de materie slaagt ze er beter in om een duidelijke toegevoegde waarde te bieden. Ze leeft mee met haar doelpubliek en zet zich in om voor hen een oplossing te vinden. Ze streeft ernaar om op een loyale manier uit te voeren wat van haar wordt verwacht. Ze geniet ervan om uit te blinken in haar domein en is bereid om hiervoor op een redelijk autonome manier te werk te gaan.’ Deze evaluatie geldt alleen voor deze vacature. Je kan in de toekomst altijd opnieuw solliciteren. [...].” Verzoekster onderkent hierin de bestreden beslissing. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  9. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat min- stens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende nood- zakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. IX-9522-4/13 V. Uiterst dringende noodzakelijkheid
  10. Verzoekster betoogt in haar inleidend verzoekschrift met be- trekking tot de schorsingsvoorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid: “
  11. Omwille van meerdere redenen is er een uiterst dringende noodzake- lijkheid voorhanden die zich niet laat verenigen met een behandeling van de zaak in een beroep tot nietigverklaring noch zelfs maar in een gewone vordering tot schorsing.
  12. Indien Uw Raad immers op grond van een gewone schorsingsprocedure zou schorsen, is de selectieprocedure voor de andere kandidaten die nog steeds in de running zijn, reeds enige tijd afgelopen. Het interview met de selectie- commissie is blijkens het selectiereglement voorzien in de maanden maart en april. Verzoekende partij weet bovendien dat de laatste selectiecommissie plaatsvindt op 3 april 2019 en dat de minister zal willen beslissen tegen 5 april
  13. Dit zijn de volgende stappen die zullen worden ondernomen. Als deze selectieprocedure onverkort wordt verdergezet dan vergadert de selectiecommissie zonder de verzoekende partij te horen. Dit houdt dan in dat de Vlaamse minister van onderwijs verzoekende partij niet kan selecteren en niet kan voordragen voor de Vlaamse regering zodat de Vlaamse regering zelfs niet kan beraadslagen over de eventuele benoeming van verzoekende partij. Intussen zullen andere kandidaten benoemd worden als regeringscommissaris en dit voor de verschillende openstaande mandaten. Deze benoeming geldt voor een periode van 5 jaar (art. IV. 95, § 1 Codex Hoger Onderwijs). Enkel de schorsing van het besteden besluit bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan voor gevolg hebben dat verzoekende partij alsnog door de selectiecommissie kan worden gekozen. De concrete termijnen maken dat dit resultaat nooit met een gewone schorsingsprocedure kan worden bekomen. De spoed waarmee gewerkt wordt aan de vooravond van de verkiezingen maakt nodig dat aan de schorsing een maatregel gekoppeld wordt door te be- velen dat de verzoekende partij op dezelfde dag als de andere kandidaten moet gehoord worden door de selectiecommissie en dit onder verbeurte van een dwangsom van 360.000 [euro]. Een latere schorsing of vernietiging geeft de verzoekende partij geen rechtsherstel, laat staan een volledig rechtsherstel. De zaak is dan ook spoed- eisend en uiterst dringend. Wanneer de procedure van selectie en benoeming onverkort verdergezet wordt zal de verzoekende partij genoodzaakt zijn om al die benoemingen aan te vechten ten einde nog recht te kunnen verkrijgen over haar onterechte uitslui- ting. Dat betekent dat verzoekende partij vier benoemingsbesluiten zal moeten aanvechten voor Uw Raad. Dat is een onevenredig gevolg, om één nadelig be- sluit aan te vechten zal men verplicht zijn om er vier bijkomend aan te vechten. Dat drijft de procedureinspanningen en de prijs aanzienlijk op en maakt dat de totale duur van de procedures sterkt toeneemt en dit terwijl de benoeming voor maar vijf jaar is. IX-9522-5/13 Aldus loopt de verzoekende partij het risico dat ze precies door het aan- vechten van al die benoemingen niet tijdig recht kan bekomen. Dat komt er eigenlijk op neer dat de toegang van verzoekende partij tot de rechter die de wet haar toekent zwaar wordt bemoeilijkt en dat de efficiëntie van de rechtsgang wordt gehinderd. Een dergelijke uitleg kan men moeilijk aan de gecoördineerde wetten op de Raad van State geven, want dit zou neerkomen op een schending van de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet en van artikel 6 EVRM. Van verzoekende partij zou in dat geval worden verwacht dat zij maar liefst vijf procedures opstart voor Uw Raad om uitspraak te krijgen over een klaarblijke- lijke onterechte uitsluiting. De kennelijke gegrondheid van de hier door ver- zoekende partij aangevoerde middelen moeten dan ook mee in rekening worden gebracht bij de beoordeling van de dringendheid. Dit zou fundamenteel de toegang tot de rechter bemoeilijken in hoofde van verzoekende partij. Een latere schorsing of vernietiging stelt dan vast dat de verzoekende partij ten onrechte geweerd is. Het staat niet zonder meer vast dat dit inhoudt dat alle benoemingen daardoor moeten worden vernietigd. In ontkennend geval levert de schorsing of vernietiging van het huidige uitsluitingsbesluit aan verzoekende partij geen rechtsherstel op.
  14. Bovendien als Uw Raad zou schorsen impliceert dit dat de verwerende partij aan de verzoekende partij opnieuw zal moeten beoordelen in het kader van de derde selectiestap ‘Externe Potentieelinschatting’ en vervolgens de vierde selectiestap ‘Interview met selectiecommissie’. Naarmate het tijdstip van de ‘nieuwe’ beoordeling van verzoekende partij verder af ligt – in tijd – van het beoordelingstijdstip van de andere kandidaten (zijnde maart 2019) zal er een verschil zijn in assessment tussen enerzijds verzoekende partij en anderzijds de andere kandidaten die wel in maart 2019 werden beoordeeld. Dergelijke andere behandeling, berokkent verzoekende partij nadeel aangezien zij niet over de- zelfde kansen zal beschikken als de andere kandidaten. Alleszins is die beoor- deling dan niet meer gelijk. Indien Uw Raad verzoekende partij zou volgen in een gewone schor- singsprocedure tegen zowel huidige bestreden beslissing als de vier (toekom- stige) benoemingsbeslissingen, houdt dit in dat verwerende partij de vierde selectiestap voor iedere kandidaat opnieuw zal moeten doorlopen. De vierde selectiestap houdt immers een vergelijking tussen de kandidaten in. De vierde selectiestap heeft immers als doel na te gaan welke kandidaten het best voldoen aan het competentieprofiel waarvan men een lijst opstelt en waaruit de Minister vier kandidaten kiest: ‘Het gesprek heeft als doel om na te gaan welke kandidaten het best vol- doen aan het competentieprofiel voor de functie. De selectiecommissie maakt op basis van dit gesprek een lijst op van geschikte kandidaten zonder ranking en legt deze voor aan de Vlaamse minister van Onderwijs. De Vlaamse minister van Onderwijs kiest uiteindelijk vier geschikte kandidaten en draagt deze, sa- men met een motivatie, voor aan de Vlaamse Regering.’ Dit houdt ondubbel- zinnig in dat er, opdat men tot vier kandidaten kan komen, een vergelijking moet gaan uitvoeren. Men kan immers maar oordelen over welke kandidaten het best voldoen aan het competentieprofiel door onderling te gaan vergelijken, het is immers pas dan dat kan worden vastgesteld wie beter voldoet (en dus best IX-9522-6/13 voldoet) dan de andere kandidaten. De Minister kan geen voordracht doen, wanneer er geen mandaat openstaat. Op dat ogenblik is er in hoofde van verzoekende partij een nadeel ontstaan dat niet meer kan worden goedgemaakt. Het is immers zo dat op dat ogenblik de vier andere kandidaten reeds enige tijd, maanden mogelijks zelfs jaren, de functie aan het uitoefenen zijn. Dit is uiteraard nuttige en relevante ervaring waarmee verwerende partij zal rekening moeten houden wanneer zij de kan- didaten vergelijkt in de vierde selectiestap. Deze nuttige en relevante ervaring heeft verzoekende partij op dat ogenblik niet en dit uitsluitend door toedoen van verwerende partij. Het gebrek in hoofde van verzoekende partij van deze nuttige en relevante ervaring impliceert onbetwistbaar dat verzoekende partij geen kans meer zal maken ten opzichte van de vier andere kandidaten die wel reeds over deze ervaring beschikken. Deze ervaringshandicap zal ook meespelen bij een nieuwe selectieronde na 5 jaar. Tevens zal, opdat de gelijkheid tussen de kandidaten gerespecteerd wordt, iedere kandidaat opnieuw een inhoudelijke case moeten oplossen en presente- ren. Deze inhoudelijk case dient immers, gelet op het gelijkheidsbeginsel, identiek zijn voor iedere kandidaat. Op dat ogenblik hebben alle andere kan- didaten reeds ervaring kunnen opdoen met het oplossen en presenteren van dergelijke case, terwijl dit – in geval van een gewone schorsingsprocedure – niet geldt voor verzoekende partij. Bovendien hebben de andere kandidaten, aan- gezien zij op dat ogenblik reeds zijn verschenen voor de selectiecommissie (maart/april 2019 en concreet 3 april 2019) kunnen aanvoelen wat de selectie- commissie verwacht van de kandidaten. Dit is een voordeel in hoofde van de andere kandidaten dat nooit kan worden goedgemaakt middels een gewone schorsingsprocedure. Er ontstaat op dat ogenblik een onherstelbaar nadeel in hoofde van verzoekende partij. Kortom, een gewone schorsingsprocedure en een enkele vernietiging zou een onherstelbare achterstand doen ontstaan in hoofde van verzoekende partij welke niet meer in te halen valt. Dergelijk nadeel kan enkel worden voorkomen door een procedure tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid zodat de verzoekende partij gehoord wordt door de selectiecommissie.” Beoordeling
  15. Er moet worden aan herinnerd dat de toepassing van de proce- dure ‘bij uiterst dringende noodzakelijkheid’ een ernstige verstoring teweegbrengt in het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, dat ze de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum beperkt en de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij aanzienlijk in het gedrang brengt. IX-9522-7/13 De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonder- lijk blijven in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat door de verzoekende partij op een duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond dat de zaak uiterst dringend is. Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’ bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzake- lijkheid wordt aangevoerd, daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Dit betekent dat een verzoekende partij aan de hand van precieze en concrete gegevens in haar inleidend verzoekschrift aannemelijk moet maken dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien ze pas na het afwikkelen van een gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen dat haar ingevolge de onmiddellijke tenuit- voerlegging van de bestreden beslissing treft of dreigt te treffen. Maar er is meer. Immers, niet anders dan het geval is in een gewone schorsingsprocedure, is vereist dat de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten, op gevaar af zich in een toestand te bevinden waarin schadelijke gevolgen van de bestreden beslissing niet meer door een eventueel vernietigingsarrest of in het kader van het rechtsherstel na een der- gelijk arrest kunnen worden goedgemaakt.
  16. Verzoekster voert in dit geval vooreerst aan dat na een schorsing van de bestreden beslissing met toepassing van de gewone schorsingsprocedure de selectie reeds enige tijd afgelopen zal zijn. Zij zal dan door de selectiecommissie niet meer kunnen worden gehoord en zij zal door de Vlaamse minister van On- derwijs niet meer kunnen worden voorgedragen aan de Vlaamse Regering. Het interview met de selectiecommissie is immers gepland tijdens de maanden maart en april. De laatste vergadering van de selectiecommissie zou reeds plaatsvinden IX-9522-8/13 op 3 april 2019 en de Vlaamse minister van Onderwijs zou willen beslissen tegen 5 april
  17. De enkele omstandigheid dat de selectieprocedure inmiddels zonder verzoekster voortgang vindt en, desgevallend, zelfs resulteert in een eind- beslissing van de Vlaamse Regering tot aanstelling van één of meerdere rege- ringscommissarissen voor het hoger onderwijs in de vacant verklaarde betrek- kingen, impliceert evenwel geenszins dat aan verzoekster na een eventueel ver- nietigingsarrest dat de onwettigheid van de thans bestreden beslissing vaststelt, geen volledig rechtsherstel meer zou kunnen worden verleend dat de selectiepro- cedure corrigeert vanaf het punt waarop ze is misgelopen, mits verzoekster in voorkomend geval ook de voornoemde eindbeslissing van de complexe admini- stratieve rechtshandeling met een annulatieberoep bestrijdt om haar eigen kans op een aanstelling te vrijwaren. De voornoemde omstandigheid toont derhalve niet aan dat ver- zoekster als kandidaat voor een aanstelling tot regeringscommissaris voor het hoger onderwijs in zodanige mate schadelijke gevolgen van de bestreden beslis- sing ondervindt dat zij de uitspraak over een beroep tot nietigverklaring niet kan afwachten. Ze kan dan ook de uiterst dringende noodzakelijkheid van de voor- liggende vordering niet verantwoorden.
  18. Verzoekster argumenteert voorts dat zij, zonder de tussenkomst van een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, geconfronteerd zal worden met het onevenredige gevolg dat zij ook vier benoemingsbesluiten zou moeten aanvechten, waardoor de inspanningen en de prijs van de procedures, alsook de totale duur ervan sterk zouden toenemen, terwijl de beoogde benoeming slechts voor vijf jaar geldt. Haar toegang tot de rechter zou dan zwaar worden bemoeilijkt, wat volgens verzoekster zou neerkomen op een schending van de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet en artikel 6 van het Europees Verdrag over de rechten van de mens. IX-9522-9/13 Deze argumentatie getuigt evenwel van een ongeoorloofde overdrijving. Verzoekster beoogt weliswaar een aanstelling in een functie van regeringscommissaris voor het hoger onderwijs, maar een dergelijke aanstelling zou toch maar kunnen gebeuren in één van de vacant verklaarde betrekkingen. Het valt dan ook moeilijk in te zien waarom verzoekster vier annulatieprocedures bij de Raad van State zou moeten inleiden, nog daargelaten de vraag of aanstellingen die het resultaat zijn van dezelfde selectieprocedure niet het voorwerp zouden kunnen uitmaken van één annulatieberoep. Bovendien vermeldt verzoekster geen reden die kan doen aannemen dat over een dergelijk beroep niet binnen een redelijke termijn uitspraak zou worden gedaan. Verzoeksters grief betreffende de aantasting van haar recht op toegang tot de rechter gaat dan ook niet op.
  19. Voor zover verzoekster erom verzoekt “[d]e kennelijke ge- grondheid van de hier […] aangevoerde middelen […] mee in rekening [te bren- gen] bij de beoordeling van de dringendheid”, moet erop worden gewezen dat de aangevoerde onwettigheid van de bestreden beslissing niet kan volstaan om ervan te overtuigen dat de vordering uiterst dringend is. De schorsingsvoorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid van de vordering is immers een op zich staande voorwaarde, die moet worden onderzocht los van de andere schorsingsvoorwaar- de, namelijk dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigver- klaring van de bestreden beslissing prima facie kan verantwoorden. Met een ver- wijzing naar de aangevoerde middelen toont verzoekster derhalve nog niet aan dat er in haar geval sprake is van uiterst dringende noodzakelijkheid.
  20. Verzoekster stelt dat naarmate de “nieuwe” beoordeling die haar in het kader van het rechtsherstel verschuldigd zal zijn, verder verwijderd is van het tijdstip van beoordeling van de andere kandidaten, er een verschil zal zijn in het assessment, minstens in de beoordeling. Een dergelijke andere behandeling zal volgens verzoekster haar nadeel berokkenen, aangezien zij niet over dezelfde kansen zal beschikken en de beoordeling niet meer gelijk zal zijn. IX-9522-10/13 Verzoekster toont echter niet in het minst aan dat na een even- tueel vernietigingsarrest het voor het bestuur onmogelijk zou zijn een rechtsherstel te verlenen dat de objectiviteit van de selectieprocedure en de gelijke behandeling van alle kandidaten waarborgt. Een eventuele onwettigheid die daarbij zou worden begaan, zou overigens kunnen worden aangevoerd in een annulatieberoep tegen de in het kader van het rechtsherstel genomen beslissing.
  21. Het argument van verzoekster dat de verwerende partij bij het verlenen van rechtsherstel in de vierde fase van de selectieprocedure en ook bij een nieuwe selectieronde na vijf jaar rekening zal moeten houden met de “nuttige en relevante ervaring” die de aangestelde kandidaten in de tussentijd zouden hebben verworven, gaat helemaal niet op. Integendeel, zou het bestuur geen rekening vermogen te houden met de ervaring die de betrokken kandidaten zouden hebben verworven op grond van een eventueel onwettig bevonden aanstelling. Nog daargelaten of, zoals verzoekster meent, het verschuldigde rechtsherstel de verwerende partij ertoe zou nopen de vierde fase van de selectie- procedure ook voor de andere kandidaten te herdoen, kan hoe dan ook de enkele omstandigheid dat de andere kandidaten reeds ervaring hebben kunnen opdoen met het oplossen van de case in die fase van de selectie, bezwaarlijk als een onover- komelijk nadeel worden opgevat dat een schorsing bij uiterst dringende noodza- kelijkheid van de bestreden beslissing zou kunnen verantwoorden, temeer daar van het bestuur na een eventuele nietigverklaring van de bestreden beslissing mag worden verwacht dat het de gelijkheid van de kandidaten in acht neemt.
  22. Uit wat voorafgaat blijkt dat verzoekster niet aantoont dat zij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten, op gevaar af zich in een toestand te bevinden waarin schadelijke gevolgen van de bestreden beslissing niet meer door een vernietigingsarrest of in het kader van het rechtsherstel na een dergelijk arrest kunnen worden goedgemaakt. IX-9522-11/13 Verzoekster toont met andere woorden niet aan dat haar vorde- ring uiterst dringend is. VI. Slotsom wat de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid betreft
  23. Er is niet voldaan aan alvast één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cu- mulatief vervuld moeten zijn opdat een vordering tot schorsing bij uiterst drin- gende noodzakelijkheid zou kunnen worden ingewilligd. Verzoeksters vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing dient der- halve te worden verworpen. VII. Slotsom wat de gevorderde voorlopige maatregel en dwangsom betreft
  24. De vaststelling hiervóór sub 12 dat verzoekster de uiterst drin- gende noodzakelijkheid van haar vordering niet aantoont, geldt evenzeer voor zover zij vordert “te bevelen dat de lopende selectie en benoemingsprocedure voor regeringscommissaris moet worden stopgezet onder verbeurte van een dwangsom van 360.000 [euro], minstens te bevelen dat [XXXX] dient te worden gehoord door de selectiecommissie op hetzelfde moment als de andere [...] weerhouden kandi- daten in het kader van de vierde selectiestap ‘Interview met selectiecommissie’ en dit onder verbeurte van een dwangsom van 360.000 [euro]”. Voor zover verzoekster het opleggen van de voormelde voorlo- pige maatregel en dwangsom vordert, dient haar vordering bijgevolg evenzeer te worden verworpen. IX-9522-12/13 BESLISSING
  25. De Raad van State verwerpt de vordering.
  26. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 5 april 2019, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bert Thys, staatsraad, waarnemend voorzitter bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Bert Thys IX-9522-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.203 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.623 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.