← België

Arrest 244227 - Overheidsopdrachten - 09/04/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 april 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.227 Rolnummer: A. 227572/XII-8701 Zaak: Arrest 244227 - Overheidsopdrachten - 09/04/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-04-11 Raadplegingen: 77 - laatst gezien 2026-06-21 22:59 Fiche Arrest nr 244.227 van 9 april 2019 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 244.227 van 9 april 2019 in de zaak A. 227.572/XII-8701 In zake: de NV ALINEA INTERIEURARCHITECTUUR bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat GuidoWuyts kantoor houdend te 2200 Herentals Lierseweg 116 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Sofie Logie en Matthias Castelein kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 7 maart 2019, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van “de Vlaamse Regering, Agentschap Facilitair Bedrijf, Afdeling Aankoopscental en overheidsopdrachten” tot gunning van de opdracht „Studie herinrichting Vlaams Huis te Londen‟ (bestek nr. 2018/HFB/OPZB/48997) aan RKD Architects voor een bedrag van 72.030,- euro (incl. 20% BTW)”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. XII-8701-1/19 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 2 april 2019, om 10.30 uur. Kamervoorzitter Dierk Verbiest heeft verslag uitgebracht. Advocaat Annemie Van Hove, die loco advocaat Guido Wuyts verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Matthias Castelein, die loco advocaat Sofie Logie verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Thomas Maes heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. De verwerende partij schrijft een overheidsopdracht uit voor diensten voor een studieopdracht betreffende de herinrichting van het “Vlaams Huis te Londen”. De opdracht wordt geplaatst door middel van een onderhandelingsprocedure zonder voorafgaande bekendmaking. 3.
  5. Het bestek met referentienummer 2018/HFB/OPZB/48997 omschrijft het voorwerp van de opdracht als volgt: “Flanders House is het Belgische ambassadegebouw waar de Vlaamse overheidsdiensten in Londen gevestigd zijn: - Algemene Afvaardiging van de Vlaamse Regering -Toerisme Vlaanderen - Flanders Investment & Trade Het ligt aan Cavendish Square in het centrum van Londen, vlakbij Oxford Circus. Het gebouw is in 2000 grondig gerenoveerd door de toenmalige eigenaar en in 2003 is het in gebruik genomen door de Vlaamse overheid. Reeds XII-8701-2/19 diverse malen hebben inrichtingswerken en renovatiewerken in het gebouw plaats gevonden. De bedoeling van deze opdracht is een volledige herinrichting van het gebouw: vast en los meubilair, vloerbekleding, andere werken,... Er wordt een opdracht uitgeschreven voor de studie om een geschikte interieur-architect aan te stellen om met een gepaste visie de Vlaamse kennis en kunde uit te dragen in Londen.” Het bestek omschrijft de gunningscriteria als volgt: “
  6. Prijs 50 punten De prijs van de offerte zal als volgt bepaald worden: - het ereloon (het op het offerteformulier vermelde ereloonpercentage vermenigvuldigd met de geraamde bouwkost excl. BTW) - de som van de individuele vacatieprijzen per profiel vermenigvuldigd met de hierna vermelde vooropgestelde tijdseenheid en vermenigvuldigd met factor 0,
  7. De aanbestedende overheid gaat hierbij uit van volgende tijdseenheid per profiel: - Interieur architect: 50 uur; - Ingenieur stabiliteit: 20 uur - Ingenieur technieken: 20 uur - Raadgevend architect Groot-Brittanië (ikv eventuele vergunningsaanvragen): 10 uur - Veiligheidsadviseur Groot-Brittanië (CDM): 10 uur - Quantity Surveyor Groot-Brittanië: 10 uur De formule die gehanteerd zal worden om de offertes te vergelijken is: Score = X [1 - (Y - Z) / Y] waarbij : - Score = aantal toe te kennen punten - X = maximaal voorziene punten - Z = prijs laagste bieding - Y = prijs te beoordelen offerte
  8. Ontwerpteam 20 punten […] De beoordeling van de offertes zal gebeuren via volgend beoordelingssysteem: +++ Uitmuntend (100%) ++ Uitstekend (90%) + Zeer goed (80%) 0+ Goed (65%) 0- Voldoende (50%) - Onvoldoende (30%) -- Slecht (0%)
  9. Referenties 20 punten […] De beoordeling van de offertes zal gebeuren via volgend beoordelingssysteem: +++ Uitmuntend (100%) XII-8701-3/19 ++ Uitstekend (90%) + Zeer goed (80%) 0+ Goed (65%) 0- Voldoende (50%) - Onvoldoende (30%) -- Slecht (0%)
  10. Visie op circulair en toekomstgericht ontwerpen 10 punten […] De beoordeling van de offertes zal gebeuren via volgend beoordelingssysteem: +++ Uitmuntend (100%) ++ Uitstekend (90%) + Zeer goed (80%) 0+ Goed (65%) 0- Voldoende (50%) - Onvoldoende (30%) -- Slecht (0%).” 3.
  11. De verwerende partij nodigt twaalf ondernemingen uit om een offerte in te dienen, onder wie de verzoekende partij. In de uitnodiging wordt vermeld dat de offertes dienen te worden ingediend uiterlijk op 4 januari 2019 om 9.45 uur. 3.
  12. Op 3 januari 2019 deelt de verwerende partij aan de uitgenodigde ondernemingen, onder wie de verzoekende partij, mee dat de limietdatum voor het indienen van de offertes wordt verdaagd naar vrijdag 11 januari 2019 om 9.45 uur. 3.
  13. Op 14 januari 2019 worden de inschrijvingen geopend. Er blijken drie ondernemingen een offerte te hebben ingediend: de nv Alinea Interieurarchitectuur, dit is de huidige verzoekende partij, de bvba Lene Van Look en de bvba RKD Architects. Uit het proces-verbaal van opening blijkt dat de verzoekende partij haar offerte reeds op 3 januari 2019 had ingediend. 3.
  14. Op 25 januari 2019 wordt een gunningsverslag opgesteld. De drie inschrijvers worden geselecteerd en hun offertes worden regelmatig bevonden. XII-8701-4/19 De drie offertes worden getoetst aan de gunningscriteria. De offerte van de bvba RKD Architects wordt als eerste gerangschikt met 77,5 punten, de offerte van de verzoekende partij als tweede met 72,5 punten. Er wordt voorgesteld de opdracht te gunnen aan de bvba RKD Architects voor een bedrag van 72.030,00 euro, btw inbegrepen. 3.
  15. Op 20 februari 2019 beslist de verwerende partij om de opdracht te gunnen aan de bvba RKD Architects. Daarbij wordt het gunningsverslag in zijn motivering en besluit geheel onderschreven en tot integraal deel van de beslissing verklaard. Dit is de bestreden beslissing. 3.
  16. Met een aangetekende brief van 20 februari 2019 deelt de verwerende partij aan de verzoekende partij mee dat haar offerte niet is gekozen. Met een e-mailbericht van 22 februari 2019 vraagt de verzoekende partij de gemotiveerde gunningsbeslissing op. Met een aangetekende brief van 25 februari 2019 bezorgt de verwerende partij de gunningsbeslissing en het gunningsverslag aan de verzoekende partij. IV. Ontvankelijkheid van de vordering 4.
  17. De verwerende partij betoogt dat de vordering als een gewone vordering tot schorsing dient te worden behandeld overeenkomstig artikel 16 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 „tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State‟ aangezien de verzoekende partij in het opschrift van haar verzoekschrift niet verwijst naar de uiterst dringende noodzakelijkheid. Een gewone vordering tot schorsing is inzake de gunning van overheidsopdrachten echter niet ontvankelijk. XII-8701-5/19 Beoordeling 4.
  18. In het verzoekschrift blijkt de verzoekende partij meermaals uitdrukkelijk te verwijzen naar de artikelen 14 en 15 van de wet van 17 juni 2013 „betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies‟ (hierna: de wet rechtsbescherming) ter ondersteuning van haar beroep tot nietigverklaring en haar vordering in kort geding. Overeenkomstig het voormelde artikel 15 mag voor de vordering tot schorsing bij de Raad van State uitsluitend de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden gebruikt. Het verzoekschrift, dat uitdrukkelijk naar die bepaling verwijst, dient dan ook in overeenstemming met die vereiste te worden opgevat. Het aanvaarden van de hier opgeworpen exceptie – enkel ge- steund op een klaarblijkelijke verschrijving in het opschrift van het verzoekschrift, terwijl het verzoekschrift inhoudelijk wel de juiste bepalingen inroept – zou prima facie een buitensporige restrictie vormen op de toegang tot de rechter. Aldus is er geen grond om te dezen artikel 16 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 „tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State‟ en zijn sanctie, namelijk de behandeling als een gewone vordering tot schorsing, te laten prevaleren boven het voormelde artikel 15 en het recht op toegang tot de rechter. De exceptie wordt verworpen. V. Schorsingsvoorwaarden 5.
  19. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende XII-8701-6/19 noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. 5.
  20. Te dezen is evenwel ook de voormelde wet rechtsbescherming van toepassing. Krachtens artikel 15, eerste lid, van die wet kan de uitvoering worden geschorst van de thans bestreden beslissing in aanwezigheid van een ernstig middel of een klaarblijkelijke onwettigheid. Overeenkomstig artikel 15, tweede lid, echter wordt de vordering tot schorsing voor de Raad van State uitsluitend ingesteld volgens een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Overeenkomstig artikel 31 gelden deze bepalingen ook voor opdrachten die de drempelbedragen voor Europese bekendmaking niet bereiken. Er dient te dezen dan ook enkel nog te worden onderzocht of minstens één ernstig middel wordt aangevoerd, dan wel een klaarblijkelijke onwettigheid aanwezig is, die de nietigverklaring van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden. VI. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  21. De verzoekende partij voert in een eerste middel – door haar aangemerkt als het tweede onderdeel van het tweede middel – de schending aan van artikel 8 van de wet rechtsbescherming, doordat de kennisgeving van de bestreden beslissing werd gericht aan de onbestaande “nv Alinea” en niet aan haarzelf, zijnde de “nv Alinea Interieurarchitectuur”. XII-8701-7/19 Beoordeling
  22. Met de verwerende partij dient te worden vastgesteld dat het door de verzoekende partij ingeroepen artikel 8 van de wet rechtsbescherming te dezen niet van toepassing is, nu de opdracht ruimschoots beneden de Europese drempels ligt.
  23. Hoe dan ook dient er reeds op het eerste gezicht te worden vastgesteld dat het eerste middel een gebrek in de kennisgeving van de bestreden beslissing betreft. Als dusdanig is het middel prima facie in beginsel niet ontvankelijk bij gebrek aan belang. Alleszins blijkt niet dat het gebrek in de kennisgeving van de bestreden beslissing te dezen een invloed kon uitoefenen op de draagwijdte van de genomen beslissing, de verzoekende partij een waarborg heeft ontnomen bij het nemen van de genomen beslissing of tot gevolg heeft de bevoegdheid van de steller van de handeling te beïnvloeden. Er kan voorts nog worden verwezen naar het terechte betoog van de verwerende partij dat het normdoel van de kennisgevingsplicht werd bereikt, nu de verzoekende partij erkent dat de kennisgeving op haar adres is gebeurd en zij de kennisgeving in ontvangst heeft genomen, zodat zij op de hoogte is van de bestreden beslissing en haar motieven.
  24. Het eerste middel lijkt niet ontvankelijk en is bijgevolg niet ernstig. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  25. De verzoekende partij voert in een tweede middel – door haar aangemerkt als het derde onderdeel van het tweede middel – de schending aan van het gelijkheidsbeginsel, “minstens [van het] beginsel van fair play”. XII-8701-8/19 In dit middel wijst de verzoekende partij erop dat de termijn voor het indienen van de offertes met een week werd verlengd, zonder enige verantwoording of toelichting. De verzoekende partij had op dat ogenblik haar offerte al ingediend, zodat zij deze niet meer kon verwijderen of aanpassen. Hieruit volgt dat de overige inschrijvers een week bijkomende tijd hebben gehad om hun offerte op te stellen. In de gunningsbeslissing wordt niet toegelicht waarom de initiële termijn werd verlengd. De inschrijvers werden ongelijk behandeld, zonder redelijke verantwoording. Minstens werd het beginsel van fair play geschonden doordat de ene inschrijver over minder tijd heeft beschikt dan de andere. Beoordeling
  26. Met de verwerende partij dient te worden vastgesteld dat het middel prima facie op een onjuist feitelijk uitgangspunt lijkt te berusten. De termijnverlenging gold ten aanzien van alle inschrijvers. Het lijkt niet dat het voor de verzoekende partij onmogelijk zou zijn geweest om gebruik te maken van die termijnverlenging. Het loutere feit dat de verzoekende partij reeds een offerte had ingediend vóór de termijnverlenging houdt op zich, in tegenstelling tot hetgeen zij betoogt, immers niet in dat het de verzoekende partij niet mogelijk zou zijn geweest om de ingediende offerte in te trekken en vervolgens, aan het einde van de verlengde termijn, opnieuw een offerte in te dienen. Zoals uiteengezet in de nota van de verwerende partij, bood het eProcurementplatform dat te dezen werd gebruikt voor het elektronisch indienen van de offertes, de verzoekende partij op het eerste gezicht de mogelijkheid om ingediende documenten te verwijderen en om aldus gebruik te maken van de termijnverlenging en een aangepaste offerte in te dienen. Dat de verzoekende partij zulks niet heeft gedaan en haar reeds ingediende offerte zonder meer op het platform heeft laten staan, lijkt aldus haar eigen keuze te zijn geweest. Een miskenning van het gelijkheidsbeginsel wordt aldus op het eerste gezicht niet aangetoond.
  27. Voorts, wat de ingeroepen schending van de fair play betreft, lijkt uit de adstructie van het middel te volgen dat deze lijkt samen te vallen met XII-8701-9/19 haar grief omtrent het gelijkheidsbeginsel. In zoverre kan er worden verwezen naar wat reeds werd opgemerkt. Een gebrek aan fair play veronderstelt alleszins onder meer dat de overheid met opzet zou hebben gepoogd de verzoekende partij in de uitoefening van haar rechten te belemmeren. Het komt aan de verzoekende partij toe om zulks aan te tonen. Dit bewijst levert de verzoekende partij te dezen niet. Uit het administratief dossier en de stukken van de verzoekende partij lijkt evenmin te kunnen worden besloten dat zulks prima facie het geval zou zijn.
  28. Voorts lijkt de verwerende partij terecht te doen gelden dat de regelgeving inzake overheidsopdrachten de aanbestedende overheid niet ertoe verplicht in de gunningsbeslissing in het bijzonder toe te lichten waarom zij de uiterste indieningsdatum van de offertes met een week heeft uitgesteld. Uit de nota blijkt dat de termijnverlenging te dezen gebeurde omdat de aanbestedende overheid nog vragen van een inschrijver moest beantwoorden. Dit antwoord werd meegedeeld aan alle inschrijvers samen met de kwestieuze termijnverlenging. De verwerende partij doet gelden dat de termijnverlenging tot doel had aan alle inschrijvers de kans te bieden in hun offerte rekening te houden met deze antwoorden en op grond van dezelfde informatie een offerte in te dienen. Het blijkt niet dat de verwerende partij met die handelwijze onzorgvuldig zou zijn geweest of buiten de perken van de redelijkheid zou zijn getreden. Alleszins dient te worden besloten dat het verlengen van de termijn voor het indienen van de offerte dus niet lijkt te berusten op willekeur of onzorgvuldig handelen, zelfs veeleer het tegendeel lijkt het geval te zijn.
  29. Het tweede middel is niet ernstig. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  30. De verzoekende partij voert in een derde middel – door haar aangemerkt als het vierde onderdeel van het tweede middel – de schending aan van XII-8701-10/19 het rechtszekerheidsbeginsel. Ook verwijt zij de verwerende partij “onduidelijke en arbitraire gunningscriteria”. De verzoekende partij wijst erop dat, waar voor het gunnings- criterium prijs een objectief beoordelingssysteem op grond van een wiskundige formule, voor de drie andere gunningscriteria een onduidelijk en willekeurig beoordelingssysteem wordt gehanteerd dat de verwerende partij toestaat om op grond van een beknopte motivering de offertes naar keuze te categoriseren en op grond daarvan een bepaald percentage van de punten toe te kennen. De verzoekende partij betoogt dat zij zich niet van de indruk kan ontdoen dat het systeem werd gemanipuleerd ter bevoordeling van een andere inschrijver. Haar voordeel inzake prijs ten opzichte van de gekozen inschrijver werd door de beoordeling van het gunningscriterium “ontwerpteam” en het gunningscriterium “referenties” geneutraliseerd – de gekozen inschrijver kreeg telkens 20 punten, zij slechts 10 dan wel 6 punten. Het rechtszekerheidsbeginsel impliceert volgens de verzoekende partij dat een objectief en betrouwbaar beoordelingssysteem wordt gehanteerd. Beoordeling
  31. De verzoekende partij steunt dit middel op de schending van het rechtszekerheidsbeginsel. Het rechtszekerheidsbeginsel heeft evenwel reeds op het eerste gezicht niet de draagwijdte die de verzoekende partij eraan toedicht in het verzoekschrift. Het rechtszekerheidsbeginsel houdt in dat de inhoud van het recht voorzienbaar en toegankelijk moet zijn, zodat de rechtzoekende in redelijke mate de gevolgen van een bepaalde handeling kan voorzien op het tijdstip dat de handeling wordt verricht en dat de overheid daarvan niet zonder objectieve en redelijke verantwoording mag afwijken. XII-8701-11/19 Het lijkt niet aangetoond op welke wijze dat rechtsbeginsel bij het nemen van de bestreden beslissing miskend zou zijn geworden. Het lijkt niet dat de verwerende partij bij de toetsing van de offertes bijvoorbeeld andere criteria heeft gehanteerd dan deze vooropgesteld in het bestek of dat zij daarbij een andere beoordelingsmethode heeft gebruikt dan deze uit het bestek. Het komt aan de verzoekende partij toe om de juiste normen van de overheidsopdrachtenregelgeving of de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in te roepen die zij geschonden acht. Zij kan niet volstaan met het aanvoeren van een middel aan de hand van een prima facie voor haar kritiek niet onmiddellijk relevant rechtsbeginsel. Het middel dient in zoverre te worden verworpen als niet ernstig.
  32. In zoverre het middel daarnaast steunt op wat de verzoekende partij noemt het gebruik van “onduidelijke en arbitraire gunningscriteria”, moet er worden opgemerkt dat haar kritiek bovendien niet de inhoud van de gunnings- criteria als dusdanig lijkt te betreffen, maar wel de te dezen gebruikte beoordelingsmethode bij de gunningscriteria “ontwerpteam”, “referenties” en “visie op circulair en toekomstgericht ontwerpen”. De beoordelingsmethodiek voor deze drie gunningscriteria werd te dezen uitdrukkelijk vooraf aan de inschrijvers bekendgemaakt in het bestek. Zulks is in beginsel zelfs niet verplicht. Het bestek luidt op dit punt telkens : “De beoordeling van de offertes zal gebeuren via volgend beoordelingssysteem: +++ Uitmuntend (100%) ++ Uitstekend (90%) + Zeer goed (80%) 0+ Goed (65%) 0- Voldoende (50%) - Onvoldoende (30%) -- Slecht (0%).” Vervolgens lijkt de verwerende partij bij de toetsing van de offertes in het gunningsverslag dit systeem ook effectief te hebben toegepast, XII-8701-12/19 waarbij zij een uitvoerig beschrijvende evaluatie in woorden van elk van de offertes voor elk gunningscriterium heeft gekoppeld aan een samenvattend resultaat uit de in het bestek vermelde tabel (bijvoorbeeld: “+++ uitmuntend”) en daarmee overeenstemmende punten heeft toegekend. De verzoekende partij dient erop te worden gewezen dat de keuze voor een bepaalde beoordelingsmethodiek in de eerste plaats aan de aanbestedende overheid toekomt. De aanbestedende overheid beschikt daarbij in beginsel over een ruime beoordelingsruimte. Het komt niet aan de Raad van State toe om zich uit te spreken over de opportuniteit van de keuze voor een bepaalde beoordelingsmethodiek. Wel mag de Raad van State desgevraagd de gebruikte methodiek op zijn rechtmatigheid toetsen, meer bepaald betreffende de mate waarin ze de gelijke beoordeling van de offertes eventueel zou uitsluiten en dus het bepalen van de meest voordelige offerte onmogelijk zou maken. De gekozen beoordelingsmethodiek dient in elk geval de kwalitatieve verschillen tussen de offertes op correcte wijze in kaart te brengen, met aandacht voor de diverse sterke en zwakke punten van de offertes en dient te leiden tot een puntentoekenning die in correcte verhouding staat tot de woordelijke evaluatie. Een aannemelijke en vrij gebruikelijke beoordelingsmethodiek bestaat uit een beschrijvende evaluatie in woorden gekoppeld aan het toekennen van een puntenscore die in een redelijke verhouding staat tot deze woordelijke motivering. Op het eerste gezicht lijkt de verwerende partij te dezen voor een dergelijke beoordelingsmethodiek te hebben gekozen, waarbij zij zelfs vooraf aan de inschrijvers heeft bekendgemaakt met hoeveel punten elke mogelijke evaluatie zal worden beloond. Het lijkt niet dat die beoordelingsmethodiek arbitrair of willekeurig zou zijn. Integendeel blijkt de verwerende partij door deze methodiek reeds op voorhand aan de inschrijvers bekend te maken in grote mate willekeur te hebben uitgesloten. Het loutere feit dat de offerte van de verzoekende partij niet als eerste werd gerangschikt, ook al had zij de laagste prijs, leidt alleszins niet tot het besluit dat de verwerende partij te dezen een arbitraire of willekeurige XII-8701-13/19 beoordelingsmethode zou hebben gebruikt. De loutere bewering van manipulatie – overigens zonder dat de verzoekende partij een middel van machtsafwending inroept – leidt evenmin tot dat besluit. De kritiek op de gekozen beoordelingsmethodiek dient aldus te worden verworpen als niet ernstig.
  33. In zoverre de verzoekende partij in dit middel nog terloops het concrete gebruik van de beoordelingsmethodiek bekritiseert, dient zij erop te worden gewezen dat, anders dan zij lijkt te veronderstellen, bij de toetsing van de offertes niet alle beoordelingen op voorhand kunnen worden vastgelegd in rigide schema‟s, bindende parameters en vooraf bepaalde vermeerderingen en verminderingen in quotering. De aanbestedende overheid beschikt met inachtneming van de perken van de redelijkheid wel degelijk over een bepaalde, zelfs vrij ruime, beoordelingsruimte bij de toetsing van de offertes. Het lijkt niet dat de verwerende partij te dezen bij het nemen van de bestreden beslissing deze beoordelingsruimte heeft miskend. Voor het overige wordt verwezen naar het onderzoek van het laatste middel waarin de verzoekende partij de beoordeling van de offertes aan de hand van de gunningscriteria “ontwerpteam” en “referenties” bekritiseert.
  34. Het derde middel is niet ernstig. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
  35. De verzoekende partij voert in een vierde middel – door haar aangemerkt als het vijfde onderdeel van het tweede middel – de schending aan van de “motiveringsverplichting” omwille van een “onjuiste en tegenstrijdige motivering”. XII-8701-14/19 In dit middel bekritiseert de verzoekende partij de beoordeling van de offertes aan de hand van de gunningscriteria “ontwerpteam” en “referenties”. Wat het gunningscriterium “ontwerpteam” betreft, doet de verzoekende partij gelden dat zij wordt “gesanctioneerd met puntenverlies” omdat “de externe buitenlandse raadgevers nog aangeduid moeten worden”. In het bestek wordt echter vermeld dat “bij de voorstelling van het projectteam nog niet alle partners of raadgevers voorgesteld moeten worden”. Zij wordt aldus naar eigen zeggen gesanctioneerd voor een niet-sanctioneerbaar aspect. Ook wordt haar verweten geen ervaring te hebben met buitenlandse projecten. Wat het gunningscriterium “referenties” betreft, wordt echter eveneens gewezen op dat gebrek aan ervaring met buitenlandse projecten als reden voor het puntenverlies. Op die manier wordt de verzoekende partij naar eigen zeggen “dubbel gesanctioneerd voor eenzelfde feit”. Het gebrek aan buitenlandse ervaring wordt door de aanbestedende overheid aangegrepen om de verzoekende partij punten af te trekken voor zowel het gunningscriterium “ontwerpteam” als het gunningscriterium “referenties”. Beoordeling
  36. In de eerste plaats dient hier te worden herhaald dat de verzoekende partij nalaat om het middel te steunen op de concrete bepalingen van de overheidsopdrachtenregelgeving. Zij put het middel louter uit de “motiveringsverplichting”, zonder daarbij zelfs te verduidelijken of het de formele- dan wel de materiëlemotiveringsplicht is die zij bedoelt.
  37. Voorts dient er te worden opgemerkt dat voor beide gunningscriteria de verzoekende partij haar kritiek steunt op twee geïsoleerde aspecten van de in het gunningsverslag uitgedrukte motieven. Evenwel moet bij het onderzoek naar het afdoende karakter van de formele motivering rekening worden gehouden met het geheel van de uitgedrukte motieven en niet met een of meer – door de verzoekende partij XII-8701-15/19 geciteerde en bekritiseerde – uit hun context gehaalde onderdelen van de moti- vering op zich. Het is immers de motivering in haar geheel die afdoende moet zijn. In het algemeen blijkt in het gunningsverslag reeds op het eerste gezicht een afdoende vergelijking van de offertes te zijn gebeurd, waarbij het aanbod van de inschrijvers uitvoerig wordt getoetst aan de verwachtingen van de overheid, met uitgebreide vermelding en vergelijking van de respectieve sterke en zwakke punten van elk van de ingediende offertes. Met haar kritiek op twee geïsoleerde punten uit die omstandige beoordeling slaagt de verzoekende partij er niet in de rechtmatigheid van die beoordeling in haar geheel genomen onderuit te halen.
  38. Te dezen blijkt het gunningsverslag voor beide betrokken gunningscriteria een uitgebreide motivering te bevatten waarom aan de offerte van de verzoekende partij een welbepaalde puntenscore wordt toegekend. Voor het gunningscriterium “ontwerpteam” luidt het gunnings- verslag, wat de offerte van de verzoekende partij betreft: “Alinea heeft geen ervaring met projecten in het buitenland. De projectleider-zaakvoerder is Belg met ruime ervaring in gebouwinrichting, actief sinds
  39. Er is ervaring met overheidsopdrachten. Het organogram stelt 2 Belgische interieurarchitecten voor en hun taakverdeling. De externe, buitenlandse raadgevers moeten nog aangeduid worden. Het pluspunt aan deze firma is de ervaring in interieurvormgeving en overheidsopdrachten. Minpunten zijn echter dat er geen ervaring is met buitenlandse projecten en dat er nog geen externe adviseurs bekend zijn of aangeduid. Kan men goed inschatten wat de opdracht inhoudt, werken in [Groot-Brittannië], verplaatsingen, lokale partners zoeken, vergunningen vragen, Bovendien is het team zeer beperkt. In vergelijking met de andere firma‟s scoort deze firma laag. 0- 20 punten x 50% = 10 punten.” Voor het gunningscriterium “referenties” luidt het gunnings- verslag, wat de offerte van de verzoekende partij betreft: “Er worden 3 referenties gepresenteerd [:] stadhuis te Sint-Truiden, gemeentehuis te Westerlo en VOKA te Geel. Hoewel de referenties de ervaring met kantoor-inrichting van monumentale panden aantoont (dit stemt overeen met de voorliggende opdracht) zijn dit geen buitenlandse XII-8701-16/19 projecten. Daarnaast worden de ontwerpen als zeer klassiek beoordeeld. Er wordt naar een bepaalde stijl gestreefd in het Vlaams Huis te Londen die niet naar voor komt in de voorliggende referenties. Resultaat - 20 punten x 30% = 6 punten.” Het lijkt niet dat de verwerende partij met die beoordeling van de offerte van de verzoekende partij voor beide gunningscriteria te dezen buiten de perken van de redelijkheid zou zijn getreden. Dat bij het gunningscriterium “ontwerpteam” wordt opgemerkt dat door de verzoekende partij “de externe buitenlandse raadgevers nog aangeduid moeten worden”, lijkt te moeten worden gelezen in vergelijking met de beoordeling van de offerte van de gekozen inschrijver en die van de derde inschrijver. De gekozen inschrijver blijkt een Engels adviserend architect en ingenieur-architect, die in Londen zijn gevestigd, te hebben voorgesteld, de derde inschrijver “3 externe raadgevers […] die in Londen gevestigd zijn”. De vermelding in het bestek dat “[b]ij de voorstelling van het projectteam […] nog niet alle partners of raadgevers voorgesteld [moeten] worden” lijkt geen verbod in te houden voor de verwerende partij om het feit dat de gekozen inschrijver en de derde inschrijver wel reeds externe adviseurs in Londen aangeven als een pluspunt in die offertes in aanmerking te nemen en van de weeromstuit, om het feit dat de verzoekende partij zulke adviseurs nog niet heeft voorgesteld veeleer als een minpunt te beschouwen. Uit de beoordeling van de offerte van de verzoekende partij voor het gunningscriterium “ontwerpteam” blijkt bovendien niet, zoals zij wel doet gelden, dat de mindere evaluatie van haar offerte enkel te wijten zou zijn aan dit aspect. Het is dat feit, gecombineerd met het gebrek aan buitenlandse ervaring van haar ontwerpteam, en de vragen die de voormelde combinatie doet rijzen, die samen in aanmerking worden genomen als negatief element in de beoordeling. De kritiek op de beoordeling aan de hand van het gunningscriterium “ontwerpteam” lijkt alleszins te moeten worden verworpen. Dat zowel bij het gunningscriterium “ontwerpteam” als bij het gunningscriterium “referenties” rekening wordt gehouden met het gebrek aan buitenlandse ervaring lijkt op het eerste gezicht evenmin als onzorgvuldig of buiten de perken van de redelijkheid te kunnen worden aangemerkt. Het lijkt XII-8701-17/19 integendeel een element dat wel degelijk voor beide gunningscriteria relevant is en dus in beginsel bij de beoordeling van beide mag worden betrokken. Voor zoveel als nodig kan er worden verwezen naar het uitvoerige verweer in de nota van de verwerende partij waarbij zij het onderscheid tussen beide criteria en de relevantie van de buitenlandse ervaring van de inschrijvers voor beide criteria in extenso toelicht. De kritiek op de beoordeling van het gunningscriterium “referenties” lijkt evenzeer te moeten worden verworpen.
  40. De verzoekende partij toont aldus prima facie niet aan dat de bestreden beslissing zou berusten op een “onjuiste en tegenstrijdige” motivering. Het vierde middel is niet ernstig. VII. Besluit
  41. Geen van de middelen is ernstig gebleken. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid dient dan ook te worden verworpen.
  42. Het is passend, gelet op de eveneens ingestelde vordering tot nietigverklaring en het daaropvolgende nog noodzakelijke procedureverloop, de kosten, de gevorderde rechtsplegingsvergoeding inbegrepen, in beraad te houden. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. XII-8701-18/19 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 9 april 2019, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Dierk Verbiest, kamervoorzitter , bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Dierk Verbiest XII-8701-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.227 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.454 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.