← België

Arrest 244247 - Politie - 23/04/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 april 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.247 Rolnummer: A. 218682/XIV-36953 Zaak: Arrest 244247 - Politie - 23/04/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-04-29 Raadplegingen: 90 - laatst gezien 2026-06-21 22:52 Fiche Arrest nr 244.247 van 23 april 2019 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Politie Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 244.247 van 23 april 2019 in de zaak A. 218.682/XIV-36.953 In zake : Harald BROMLEY bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hans Schyvens kantoor houdend te 2018 Antwerpen Sint-Jozefstraat 43 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de STAD ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrick Van Der Straten kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 120 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 8 maart 2016, strekt tot de nietigver- klaring van de beslissing van de korpschef van de lokale politie Antwerpen van 6 januari 2016 waarbij aan verzoeker de lichte tuchtstraf van de blaam is opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld. XIV-36.953-1/25 Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 december
  3. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Hans Schyvens, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Pieter Borms, die loco advocaat Patrick Van Der Straten verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoeker is inspecteur van politie bij de lokale politiezone Antwerpen (PZ 5345). 3.
  6. Met het inleidend verslag van 23 november 2015 stelt de korpschef, in zijn hoedanigheid van gewone tuchtoverheid, voor om verzoeker de lichte straf van de blaam op te leggen. In dit verslag wordt een uiteenzetting gegeven van de feiten, van de datum van kennisneming ervan, van het vaststaan, de kwalificatie en de toerekening ervan. Tevens bevat het een voorstel tot lichte tuchtstraf, met name de hiervoor reeds aangehaalde tuchtstraf. XIV-36.953-2/25 3.
  7. Op 28 december 2015 wordt verzoeker gehoord. 3.
  8. De korpschef beslist op 6 januari 2016 om de lichte tuchtstraf van de blaam op te leggen. Die beslissing steunt op de volgende motivering: “[…]
  9. Uiteenzetting van de feiten, omstandigheden en gevolgen: U was de stagementor van INP [V.]. Tijdens de stageperiode ontstond er een dispuut tussen u en INP [V.] in verband met een interventie op 18 februari
  10. Die nacht werd u samen met INP [V.] door het TCK gezonden naar de [XXX]straat […] te 2100 Antwerpen voor slagen in een woning. De discussie tussen u en INP [V.] ging over de weerhouden feiten in het proces-verbaal met nummer AN.43.LB.XXXX45/
  11. Voor INP [V.] ging het duidelijk om „opzettelijke slagen en verwondingen‟ (IFG), waarbij de vrouw [G.] het slachtoffer was van slagen toegebracht door haar vriend [K]. U was evenwel van mening dat het ging om „wederzijdse opzettelijke slagen en/of verwondingen (vechtpartij)‟. Omdat zij bleef aandringen om de kwalificatie alsnog te wijzigen, werd u volgens INP [V.] kwaad en stelde u dat zij het maar zelf moest doen als zij het beter wist. INP [V.] stopte toen met argumenteren. Onder uw druk kreeg het proces-verbaal uiteindelijk de kwalificatie „wederzijdse opzettelijke slagen en/of verwondingen (vechtpartij)‟. INP [V.] stuurde vervolgens een e-mail naar de bevoegde wijkagent en een IFG-dossierbeheerder waarin zij zeer duidelijk aangaf dat de feiten éénzijdige slagen en verwondingen/intimidatie betroffen en dus geenszins een wederzijdse vechtpartij. Dit dispuut leidde tot een vertrouwensbreuk tussen u en INP [V.]. Vanaf maart had u quasi geen contact meer met INP [V.]. In uw samenvattend eindverslag van 30 april 2015 omtrent de stageperiode van INP [V.] verwees u impliciet naar het dispuut dat tussen u en INP [V.] op 18 februari 2015 voordeed: „(...) Het is me opgevallen dat [V.] dikwijls bij emotionele gebeurtenissen er te veel bij betrokken wilt zijn en al snel een oordeel velt bij de burgers. Fout en gevaarlijk!!! De burger verwacht van ons dat wij ten allen tijde onpartijdig en betrouwbaar zijn. Ook al denken wij het beter te weten, doch ook wij kunnen fout zijn. In situaties waar er conflicten zijn geeft [V.] deze indruk bij de burger niet. Het valt dan op dat de burgers [V.] laten vallen omdat ze hun verhaal niet aanneemt of hen afwijst. Soms gaat ze zo ver dat ze de burger al veroordeeld heeft alvorens hij/zij nog maar zijn/haar onschuld kan bewijzen. Door deze houding is ze niet meer gefocust bezig en laat ze zich beïnvloeden door emoties. Het kan ook niet anders dat het gevolg van de administratieve afhandelingen stroef en moeilijk verlopen. Laat staan hierover praten.‟ U stelde vervolgens in het samenvattend eindverslag voor om de probatiestage van INP [V.] met drie maanden te verlengen. CP [W.], stageleider van INP [V.], stelde zich vragen bij uw houding als mentor t.a.v. INP [V.] en het voorstel tot verlenging van haar probatiestage met drie maanden. Na onderzoek besliste CP [W.] het voorstel tot verlenging van de probatiestage van INP [V.] niet bij te treden. Dit werd vervolgens bevestigd door waarnemend korpschef HCP […]. Tot slot formuleerde CP [W.] het voorlopig XIV-36.953-3/25 voorbehoud om u niet langer in te zetten als stagementor.
  12. Datum van kennisneming van de feiten: De feiten bedoeld in punt 2 werden mij ter kennis gebracht op datum van 29 mei
  13. Op basis van deze informatie was de tuchtoverheid op dat ogenblik geenszins op de hoogte van de volledige omvang van de feiten, bezat de tuchtoverheid onvoldoende concrete informatie betreffende de juiste toedracht en omstandig- heden, om met kennis van zaken te beslissen om al dan niet een tuchtprocedure lastens u op te starten. Om deze reden werd een voorafgaand onderzoeker aangesteld door de tuchtoverheid. Op datum van 2 september 2015 werd de tuchtoverheid in kennis gesteld van het verslag van voorafgaand onderzoek. 2 september 2015 is de datum die in aanmer- king moet worden genomen voor het bepalen van de verjaringstermijn van de kennisgeving van dit inleidend verslag. Het inleidend verslag werd u aangetekend verzonden op 25 en 26 november
  14. Met het inleidend verslag werd mijn voornemen kenbaar gemaakt u de tuchtstraf „blaam‟ op te leggen. Procedureverloop U verzocht niet om een kopie van het tuchtdossier overeenkomstig artikel 34 Tuchtwet Politie. Ingevolge het verzoek van 21 december 2015 van uw verdediger de heer [D.D.], werd hij door mij op datum van 28 december 2015 mondeling gehoord bij toepassing van artikel 29, tweede lid Tuchtwet Politie. Tijdens de hoorzitting nam ik kennis van uw verweer dat werd genoteerd in het proces-verbaal van hoorzitting alsook de ter zitting overhandigde pleitnota. Uzelf was niet aanwezig op deze hoorzitting. U verzocht niet om getuigen te horen die u eventueel nuttig achtte gelet op de band met het dossier overeenkomstig artikel 36 Tuchtwet Politie.
  15. Analyse van het verweer Gelet op de analyse van het proces-verbaal van hoorzitting en de tijdens de hoorzitting neergelegde pleitnota, werd kennis genomen van de argumenten als volgt : 5.1 Eerste middel Uw verdediger stelt dat de tuchtprocedure verjaard is. Het proces-verbaal dateert van 18 februari 2015 waarbij de wachtofficier geraadpleegd werd. Uw verdediger gaat er vanuit dat het politiekorps één en ondeelbaar is waardoor ik reeds in februari 2015 op de hoogte kon zijn dat u een onregelmatigheid beging. Subsidiair stelt uw verdediger dat ik reeds eerder op de hoogte was van de feiten dan 29 mei
  16. Dit blijkt uit het mandaat van 22 mei 2015 tot aanstelling van HINP […] als vooronderzoeker. Zelfs indien 22 mei 2015 als startdatum wordt genomen, concludeert uw verdediger dat het inleidend verslag van 23 november 2015 laattijdig was. Beoordeling Ik ben in geen geval in de loop van februari 2015 in kennis gesteld dat u een onregelmatigheid beging. Uw verdediger beperkt zich tot een loutere bewering zonder dit a.d.h.v. enig stuk te staven. De wijze van kennisname werd door mij wel uitvoerig onder titel 3 gemotiveerd. Het is alleen kennis van de feiten in hoofde van een tuchtoverheid die de verjaringstermijn doet lopen en niet kennis in hoofde van personeelsleden van het bestuur die over het personeelslid geen tuchtbevoegdheid hebben, zoals bijvoorbeeld een hiërarchische overste. Deze interpretatie werd door de Raad van State bevestigd. XIV-36.953-4/25 Bovendien dateert het mandaat tot aanstelling van HINP […] als vooronderzoeker niet van 22 mei 2015 maar wel van 22 juni 2015, Dit blijkt uit stuk 2 van het tuchtdossier. Het eerste middel is niet gegrond. 5.2 Tweede middel Verder geeft uw verdediger in zijn pleitnota zijn visie op de feiten weer en stelt hij dat de samenhang van het verhaal in het inleidend verslag niet strookt met de werkelijkheid. Er werden bewust namen en beslissingen weggelaten uit het inleidend verslag. Dit wekt de indruk dat u zonder overleg en uit eigen beweging alles zelf heeft beslist wat niet waar is. U kan zich niet vinden in het inleidend verslag en voelt u niet correct en rechtvaardig behandeld. Met betrekking tot het tuchtvergrijp benadrukt uw verdediger in zijn pleitnota onder meer dat bij uw tussenkomst ter plaatse de omstandigheden van de slagen u niet duidelijk waren en dat INP [V.] heeft nagelaten u te briefen over haar vaststellingen. INP [V.] beschuldigde [K.] openlijk op straat [G.] te hebben geslagen. U vond het enorm lastig dat u zowel het koppel als INP [V.] diende te kalmeren. Beoordeling Uw verdediger tracht in zijn pleitnota (10 pagina‟s lang) de feiten te weerleggen. Hierbij beperkt uw verdediger zich louter tot enkele stellingnames en beweringen zonder dat deze worden onderbouwd a.d.h.v. enig concreet bewijs of verzoek tot bijkomend getuigenverhoor. Wat wel ontegensprekelijk vaststaat is dat uit uw eigen vaststellingen in het proces-verbaal blijkt dat [G.] bij haar thuis aan u duidelijk maakte dat er een discussie was geweest tussen haar en [K.] en dat haar kwetsuren haar eigen schuld was. Ongeacht de miscommunicatie voordien tussen u en INP [V.] moet u toen toch zelf hebben moeten aanvoelen dat er meer was dan alleen wederzijdse slagen en verwondingen en dit ongeacht het feit of [K.] nu bij zijn verhaal bleef dat er een onbekende was binnengelopen en kletsen had uitgedeeld. Vervolgens heeft er zich bij de opmaak van het proces-verbaal duidelijk een dispuut plaatsgevonden tussen u en INP [V.]. Uit het tuchtdossier blijkt dat collega‟s getuige waren van dit dispuut. In de pleitnota bevestigt uw verdediger zelf dat INP [V.] na de opmaak van het proces-verbaal opwierp dat zij niet akkoord ging met de vaststellingen. Uw verdediger bevestigt in de pleitnota zelf dat u haar hierop hebt gemeld dat ze het dan maar beter zelf maakt als ze het beter kon. Ik acht de stelling van uw verdediger dat er geen enkele redenen waren om aan te nemen dat het in casu ging om intrafamiliaal geweld onwaarachtig. Het tweede middel is niet gegrond.
  17. Vaststaan, kwalificatie en toerekening van de feiten: 6.1 meen ik dat volgende feiten ontegensprekelijk vaststaan en kunnen worden toegerekend doordat u voor de interventie van 18 februari 2015 de richtlijnen inzake intrafamiliaal geweld niet volgde en het proces-verbaal met nummer AN.43.LB.[XXXX]45/2015 opstelde met de verkeerde strafrechtelijke kwalificatie. In het proces-verbaal vermeldde u volgende vaststellingen: „Ter plaatse worden wij opgewacht door het verplegend personeel van de ziekenwagen dewelke ons zegt dat een gekwetste dame weggelopen is richting [XXX]. Wij kunnen deze dame aantreffen ter hoogte van het pand [XXX]. De dame is volledig over haar toeren en is gekwetst aan het linkeroog. Ze zegt geen klacht te willen neerleggen en vervolgens zegt ze dat ze schrik heeft van hem. Wij identificeren haar via mondelinge verklaring als [G.]. Als wij vragen wie die persoon is wilt ze dit niet zeggen. Er staat een man bij haar die tevens over zijn toeren is. Hij zegt dat hij samen in de woning was met [G.] als er plots een man in de XIV-36.953-5/25 woning binnen dringt en hen slaag geeft. Zijn verhaal is zo verwarrend dat het niet strookt met de toestand van [G.]. Wij kunnen de man niet identificeren maar zegt ons de vriend te zijn van [G.]. Hij zegt ons dat hij [M.] noemt en op het adres [XXX] te wonen. Desondanks de kwetsuren van [G.] wenst ze niet mee te gaan met de ziekenwagen. Na enige discussie gaat [G.] toch mee samen met haar vriend […]. Ze begeven zich naar het Stuivenbergziekenhuis. Gelet [G.] geen klacht wenst neer te leggen en dat geen van beiden ons een duidelijk verhaal kan doen gaan wij ervan uit dat er wederzijdse slagen en verwondingen zijn gevallen in de woning waar ze verblijven. Wij begeven ons naar het Stuivenbergziekenhuis om ons te vergewissen van de noodtoestand van het slachtoffer. Aldaar vernemen wij dat ze er niet werd opgenomen. Via de dienst 100 vernemen wij dat [G.] uiteindelijk niet naar een ziekenhuis is gebracht. Ze is onderweg uitgestapt samen met haar vriend. Wij begeven ons opnieuw naar de [XXX]straat en treffen het koppel thuis aan. Deze wonen op de gelijkvloers. [G.] zegt ons geen verzorging nodig te hebben. Wij worden in de woning binnen gelaten. Wij noteren de identiteit van de man als [K.]. Geen van beide wenst een verklaring af te leggen en wenst geen klacht neer te leggen. Wij vernemen van [G.] dat er een discussie is geweest tussen hen beiden en dat haar kwetsuren haar eigen schuld is. [K.] blijft bij zijn verhaal dat er een onbekende is binnen gelopen en kletsen heeft uitgedeeld. Wij stellen hen in kennis dat wij van de voormelde feiten huidige akte opstellen en dat ze uitgenodigd worden om op een later tijdstip een verklaring akte af te leggen.‟ […] In de eerste plaats ben ik van oordeel dat er tijdens de interventie duidelijke tekenen van intrafamiliaal geweld waren en dat u bijgevolg niet correct hebt opgetreden. De verklaringen van [K. en G.] waren op zijn minst tegenstrijdig: - volgens de verklaring van [K.] zou een onbekende persoon hun woning zijn binnengedrongen en hem en zijn vriendin hebben geslagen. Nochtans konden zowel [K en G.] geen beschrijving geven van de onbekende persoon; - het koppel kon niet zeggen wie de verdachte was of een omschrijving geven en verklaren hoe deze de woning was binnengeraakt; - u stelt bovendien in het proces-verbaal over [K.]: „Zijn verhaal is zo verwarrend dat het niet strookt met de toestand van [G.]‟; - INP [V.] verklaarde nadien tijdens het administratief verhoor dat [K.] zich ambetant en nerveus gedroeg telkens zij hem verdere vragen stelde. U was volgens haar aanwezig toen zij deze vragen stelde. Verder verklaarde INP [V.] dat [K.] altijd bij mevrouw [G.] kwam staan. INP [V.] kon mevrouw [G.] wel vragen stellen mij zij kon dan niet antwoorden; - opmerkelijk vermeldt u in uw proces-verbaal over het bezoek bij het koppel thuis: „Wij vernemen van [G.] dat er een discussie is geweest tussen hen beiden en dat haar kwetsuren haar eigen schuld is. [K.] blijft bij zijn verhaal dat er een onbekende is binnen gelopen en kletsen heeft uitgedeeld.‟ Het feit dat [G.] stelt dat haar kwetsuren haar eigen schuld waren, lijkt m.i. een belangrijk element dat het verhaal van de onbekende persoon hoogst ongeloofwaardig maakt; - tijdens de interventie verklaarde INP [V.] u dat een van de ambulanciers aan haar had verklaard dat [K.] haar geslagen had maar dat ze schrik van hem had en niet wou dat er problemen van kwamen. U stelt echter door INP [V.] niet te zijn ingelicht over wat de verpleger tegen haar zou gezegd hebben; - ook ambulancier [C.v.D.] verklaarde tijdens zijn administratief verhoor dat hij u had meegedeeld dat [G.] hem had verteld dat diegene die haar de slagen had toegebracht vlakbij stond (aldus [K.]); - volgens INP [V.] zou u haar echter vervolgens hebben gevraagd om ermee te stoppen. Zij diende haar tijd en energie er niet meer in te steken. Na een tijdje vroeg XIV-36.953-6/25 u aan INP [V.] of zij kwaad was, waarop zij haar gal heeft gespuwd. U legde uit dat het toch allemaal een maat voor niets was, dat de dame de dag nadien toch terug bij haar man zou zitten. Doordat u negeerde [G.] als een slachtoffer van IFG te aanzien, werden de richtlijnen inzake intrafamiliaal geweld niet gevolgd. Zo werden onder meer beide partijen niet gescheiden (op gezichts- en gehoorafstand). Ook werd [G.] niet op de hoogte gesteld dat zij steeds discreet met iemand kan spreken, noch contacteerde u de procureur des Konings. INP [V.] achtte wel dat er een sprake was van een duidelijk geval van IFG. Na het dispuut met u over de kwalificatie die aan de feiten moest worden gegeven, stuurde zij op 19 februari 2015 omstreeks 2.43 uur alsnog volgende e-mail naar INP […] : „(...) Bijkomende info : Er werd vandaag een PV opgesteld betreft slagen en verwondingen (AN.43.LB.[XXXX]45/2015). Wij werden opgeroepen voor een vechtpartij, ter plaatse treffen wij eerst de ziekenwagen aan die ons vertelt dat een man een vrouw geslagen heeft, maar dat de vrouw geen klacht wil neerleggen. De vrouw wil niet verzorgd worden, maar de verpleger zegt dat de verwondingen ernstig zouden kunnen zijn, en dat de man de vrouw intimideert. De vrouw is met de man te voet weg gegaan. Samen met de verpleger vervolg ik de richting waar het koppel naar toe liep. Ik tref [G.] samen met [K.] aan een paar straten verderop. Als ik haar aanspreek komt zij mij zeer geïntimideerd over en probeert ons zo snel mogelijk af te schepen. Ik bemerk gelijk de verpleger reeds eerder vermelde, [G.] een dik gezwollen linkeroog heeft, met onderliggende bloedingen en een open snede van 0,4 cm. (opengesprongen door een vuistslag). [G.] wil geen klacht indienen en beweert eerst dat ze niet weet wie haar aanvaller was. Ze wil ook niet meegaan met de ziekenwagen. Verpleger raadt haar aan om toch een huisarts op te zoeken omdat het kan zijn dat haar oogkas gebroken is. Als wij de plaats verlaten roept de verpleger mij terug en zegt mij dat zij hem zoeven verteld heeft dat haar vriend [K.] dit gedaan heeft, maar dat ze bang is en niet wil dat hij problemen krijgt. Dit is duidelijk een geval van IFG was misschien best ook opgevolgd kan worden. [G.] wenst tot op heden geen klacht in te dienen maar ik heb de indruk dat zei dit onder druk zegt.‟ (eigen markering) Wat betreft de kwalificatie van wederzijdse slagen en verwondingen blijkt vreemd genoeg nergens uit de vaststellingen op welke wijze [K.] zou zijn geslagen en welke verwondingen hij hierbij opliep. Verder blijkt uit het administratief dossier dat: - tijdens uw administratief verhoor durfde u op de vraag welk de verwondingen waren van [K.] niet te antwoorden. Volgens u had deze man „ergens schrammen‟ maar u wist het niet meer juist. Later stelde u in uw verklaring dat u niet meer zeker was van het feit of de man gewond was; - INP [V.] stelde dat [K.] geen zichtbare verwondingen had. Hij had ook niets gezegd dat hij ergens verwondingen had of getoond op welke plek hij eventueel zou geslagen geweest zijn; - ambulancier [C.v.D.] verklaarde eveneens dat hij geen weet had van verwondingen bij [K.]. 6.2 meen ik dat dit feit de volgende tuchtvergrijpen uitmaken: U hebt uw ambtsplichten miskend en de waardigheid van het ambt in gedrang gebracht doordat u op 18 februari 2015 een proces-verbaal met kwalificatie wederzijdse slagen en verwondingen opstelde, desondanks er duidelijke aanwijsbare redenen waren dat [G.] het slachtoffer was van opzettelijke slagen en verwondingen toegebracht door haar partner [K.]. U negeerde hierbij de XIV-36.953-7/25 argumenten van INP [V.] en de ambulancier die op dat ogenblik ter plaatse waren. Alsook volgde u de richtlijnen inzake intrafamiliaal geweld niet. Het vertrouwen van de burger in de politie wordt geschaad door deze laakbare houding. U hebt hierdoor een burger niet op gepaste wijze geholpen. U kwam derhalve tekort aan de volgende bepalingen: […] Tevens hebt u de korpsnota richtlijnen intrafamiliaal geweld niet gevolgd. In punt 4.2 van deze korpsnota wordt gesteld dat de procureur des Konings dient te worden verwittigd. Bij de checklist staat verder aangegeven: Algemene vuistregel: bij ernstig fysisch geweld altijd contactname met het parket.
  18. Beslissing Gelet op de bepalingen van de wet van 13 mei 1999, inzonderheid op de artikelen 2, 3, 4 en
  19. Aangezien ik meen dat de feiten vaststaan, dat ze u kunnen worden toegerekend en dat ze, krachtens de motivering uiteengezet in punt 6, een tuchtvergrijp uitmaken. Gelet op de analyse van uw tuchtdossier. Gelet op de ernst van de feiten. Gelet op het feit dat u uw ambtsplichten niet hebt vervuld. Gelet van u mag worden verwacht dat u uw ambtsplichten steeds dient te vervullen en deze laakbare houding kan derhalve niet worden getolereerd. U hebt uw functie niet naar behoren uitgevoerd door niet de gepaste initiatieven te nemen waardoor een slachtoffer van IFG niet adequaat werd geholpen. Gelet het feit dat het vertrouwen van de burger in de politie door dergelijke houding ernstig geschaad wordt. Gelet het feit dat u als inspecteur van politie een voorbeeldfunctie hebt en u zich in casu allesbehalve voorbeeldig hebt gedragen, temeer u ook stagementor was van INP [V.] en geacht wordt haar correct bij te staan. Dit incident leidde onder meer tot uw voorstel tot verlenging van de probatiestage van INP [V.]. Dergelijk voorstel kon zeer verstrekkende gevolgen hebben voor INP [V.]. Mochten de feiten niet tijdig door eindverantwoordelijke CP [W.] aan het licht zijn gebracht, kon uw voorstel zelfs tot het ontslag wegens beroepsongeschiktheid van INP [V.] hebben geleid. Gelet op het blanco tuchtstraffenblad. Gelet op de positieve functioneringsnota‟s van 31 mei en 3 oktober
  20. Gelet op het positieve evaluatieverslag van 12 april
  21. Gelet op uw verhoor op datum van 28 december 2015 en de pleitnota die als bijlage werd gevoegd aan het proces-verbaal van hoorzitting. In mijn hoedanigheid van gewone tuchtoverheid : Leg ik u, voor de feiten vervat in punt 2, de lichte tuchtstraf van blaam op.” Dit is de bestreden beslissing. 3.
  22. Op 8 april 2016 neemt de korpschef de beslissing om verzoeker niet langer als mentor aan te wijzen. Deze beslissing maakt het voorwerp uit van een beroep tot nietigverklaring gekend onder nr. A. 219.494/XIV-37.
  23. XIV-36.953-8/25 IV. Samenvoeging
  24. Verzoeker vraagt in de memorie van wederantwoord, dat hij in de laatste memorie herhaalt, de samenvoeging van de voorliggende zaak met de voornoemde zaak A. 219.494/XIV-37.
  25. Het betreffen twee verschillende beslissingen: de ene is een tuchtstraf en de andere een ordemaatregel. De enkele omstandigheid dat, naar verzoeker stelt, bepaalde feitelijke gegevens aan beide beslissingen ten grondslag liggen, noch het standpunt dat, naar verzoeker stelt, de ordemaatregel een verkapte, bijkomende tuchtstraf zou vormen, vereisen dat de beide zaken samen worden behandeld. De samenvoeging is niet noodzakelijk. Te dezen volstaat het, wat ook is gebeurd, dat mede om proceseconomische redenen, beide zaken samen ter terechtzitting worden behandeld. Het verzoek tot samenvoeging wordt geweigerd. V. Regelmatigheid van de rechtspleging Regelmatigheid van de memorie van antwoord van de verwerende partij
  26. De lokale politiezone Antwerpen is een “eengemeentezone” (artikel 1 van het koninklijk besluit van 28 april 2000 „houdende de indeling van het grondgebied van de provincie Antwerpen in politiezones‟), zodat de rechts- persoon de stad Antwerpen is. Ten tijde van het indienen van de memorie van antwoord bepaalde artikel 193, § 1, eerste lid van het gemeentedecreet van 15 juli 2005 dat het college van burgemeester en schepenen de gemeente vertegenwoordigt in XIV-36.953-9/25 gerechtelijke gevallen. Hieruit volgt dat alle procedurestukken dienen uit te gaan van het college van burgemeester en schepenen. Te dezen vermeldt de memorie van antwoord uitdrukkelijk dat ze uitgaat van “de korpschef van de politiezone Antwerpen” en niet van de stad Antwerpen. Het processtuk gaat bijgevolg niet uit van het college van burgemeester en schepenen. Het gaat derhalve uit van een niet-bevoegde persoon. Er ligt evenmin een uittreksel van de notulen van het college van burgemeester en schepenen voor, waaruit zou kunnen blijken dat het college zijn akkoord heeft betuigd met de (verzending van) de betrokken memorie.
  27. Uit wat voorafgaat, volgt dat ambtshalve de memorie van antwoord uitgaande van de korpschef, uit het debat wordt geweerd. V. Verzoek tot maatregel van onderzoek
  28. Verzoeker vordert in de memorie van wederantwoord om, preliminair, akte te nemen van zijn verzoek dat “gepaste maatregelen van onderzoek zouden worden bevolen” in de zin van artikel 16 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 „tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State‟ (hierna: de algemene procedure- regeling), meer bepaald “nopens het overleg dat verzoeker heeft gepleegd met CP [J.V.] in diens rol als „stage-coördinator‟, […] en de instructies die CP [J.V.], in zijn rol als „stage-coördinator‟, aan verzoeker heeft gegeven”. Deze onderzoeks- maatregelen bestaan volgens verzoeker uit het voeren van rechtstreekse brief- wisseling “vanuit uw Raad, c.q. vanuit het auditoraat” met commissaris van politie J.V. en het horen van laatstgenoemde. Zonder dat de Raad van State moet onderzoeken of wat verzoeker vordert kan worden ingepast in de bevoegdheid bepaald in artikel 16, laatste lid van de algemene procedureregeling, en los van de vraag of verzoeker op ontvankelijke wijze dergelijke onderzoeksmaatregelen kan vorderen, blijkt uit de XIV-36.953-10/25 navolgende behandeling van de middelen dat de gevorderde onderzoeks- maatregelen geenszins noodzakelijk zijn voor de oplossing van het voorliggende geschil, zodat op verzoekers vraag niet wordt ingegaan. VI. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  29. Verzoeker voert in het eerste middel aan dat “in de omstandig- heden van de zaak [hij] heeft gehandeld in overeenstemming met datgene wat van hem als politieman mocht worden verwacht; verzoeker heeft geen inbreuk begaan die een tuchtstraf zou kunnen wettigen, laat staan de tuchtstraf „blaam‟.” Volgens hem kan niet voldoende worden benadrukt dat tot dusver weinig tastbaars is bekend omtrent de ware toedracht van de feiten die zich op 18 februari 2015 voordeden tussen K. en G., hetgeen hij detailleert. Een en ander noopt tot de vaststelling dat verzoeker wordt verweten inschattingsfouten te hebben gemaakt zonder dat kan worden uitgemaakt of verzoeker zich inderdaad heeft vergist. Hij betoogt voorts dat daarnaast er nog steeds onduidelijkheid is over het precieze verloop van de interventie, in het bijzonder wat de “interactie” betreft tussen hemzelf en inspecteur van politie V. Hij merkt op dat nooit de moeite is genomen een gesprek of confrontatie te organiseren tussen V. en hemzelf. Verzoeker betoogt voorts dat hij “in eer en geweten” heeft gemeend dat de verzorging van de slachtoffers prioriteit genoot. De onvoorziene wending die zich nadien heeft voorgedaan waarbij K. en G. onderzoek en verzorging hebben geweigerd, kan hem niet ten kwade worden geduid. Hij betwist overigens dat het hem reeds ter plaatse bekend was of was geworden dat K. en G. hadden geweigerd om zich met de ziekenwagen naar het ziekenhuis te laten vervoeren. Evenmin konden verzoeker en V. op de dag van de feiten verder dienstige vaststellingen doen tijdens het bezoek aan de woning van K. en G. en waren, “naar het oprechte aanvoelen van verzoeker en zijn overtuiging in eer en XIV-36.953-11/25 geweten, de „luttele gezegden‟ van G. bij die gelegenheid niet van die aard om de twijfel en de fundamentele onzekerheid weg te nemen over hetgeen er werkelijk is gebeurd”. Volgens verzoeker mag niet uit het oog worden verloren dat V. aan verzoeker “maandenlang informatie heeft onthouden” door elk gesprek of overleg uit de weg te gaan en achter zijn rug een e-mail te verzenden binnen het korps waarin zij haar versie van de interventie uiteenzet en informatie vrijgeeft die zij tot dusver niet had vrijgegeven. Verzoeker betwist te dezen dat hij ter plaatse een gesprek zou hebben gehad met een ambulancier. Het is voorts onjuist dat hij zich door onvrede of animositeit jegens V. heeft laten leiden bij de opmaak van het samenvattend eindverslag van V. Het klopt niet dat de passage uit dat verslag opgenomen in de bestreden beslissing, uitsluitend of zelfs maar overwegend zou teruggaan op de onderlinge onenigheid tussen verzoeker en V. die is ontstaan bij en in verband staat met hun interventie op 18 februari
  30. Hij wijst erop dat hij heeft gehandeld in opdracht van zijn aanspreekpunt inzake de opleiding van stagiairs, waarbij ter dege rekening is gehouden met het ganse verloop van de probatiestage. Voorts stelt verzoeker dat het besluit in punt 6.
  31. van de bestreden beslissing onterecht is en in geen geval steunt op deugdelijk onderzoek en bewijsvoering: er wordt immers gesteund op een aanname die niet met de werkelijkheid overeenstemt, met name dat hij toen over de informatie beschikte die enkel V. kende en die zij hem heeft onthouden. Hij wijst er voorts op dat hij het is geweest die energie en tijd stak in de opmaak van het proces-verbaal en verwijt V. geen enkel gesprek dienaangaande te willen aangaan. Geheel ondergeschikt is verzoeker van mening dat hoogstens een “functioneringsnota” de ernst van hetgeen aan verzoeker wordt verweten, kan wettigen, dan wel de lichtst mogelijke tuchtstraf, met name de waarschuwing. XIV-36.953-12/25
  32. In de memorie van wederantwoord betwist verzoeker dat hij de middelen onvoldoende heeft omschreven. Het middel steunt volgens hem op het zorgvuldigheids-, het redelijkheids- en evenredigheidsbeginsel. Hij benadrukt voorts dat het absurd is dat hij gestraft wordt omdat hij de precieze toedracht van de feiten onjuist zou hebben ingeschat, terwijl die tot op heden nog niet is gekend. De bestreden beslissing is onwettig omdat de vermeende inschattingsfout die hij zou hebben gemaakt, hem enkel ten kwade zou kunnen worden geduid indien hij daadwerkelijk op het ogenblik van de feiten, op de hoogte zou zijn geweest van de inlichtingen die inspecteur van politie V. had verkregen. Na het middel terug in substantie te hebben hernomen, voegt verzoeker, als repliek op het standpunt van de verwerende partij, eraan toe dat de verwerende partij de rollen omkeert in de mate dat zij de naleving van de beginselen van behoorlijk bestuur op verzoeker wil afwentelen door te stellen dat verzoeker zelf onderzoeksmaatregelen had moeten uitlokken om aan het gebrekkig gevoerde onderzoek te verhelpen. Tot slot betwist verzoeker dat hij, door de evenredigheid van de tuchtstraf te betwisten, de feiten zou hebben erkend.
  33. In de laatste memorie verwijst verzoeker naar zijn uiteenzetting in het verzoekschrift en de memorie van wederantwoord. Hij herhaalt dat het niet klopt dat uit de gegevens van de zaak zou blijken dat de bestreden beslissing niet zou zijn opgelegd omwille van de door de korpschef als onrechtmatig beoordeelde wijze waarop verzoeker zich van zijn taak als mentor heeft gekweten. Hij citeert in dit verband andermaal de reeds in het verzoekschrift geciteerde passage uit het samenvattend eindverslag in de bestreden beslissing en de eindmotivering uit de bestreden beslissing. Verzoeker concludeert dat een verder onderzoek naar de wijze waarop het eindverslag door verzoeker is opgemaakt, bijgevolg een noodzakelijke voorwaarde is opdat de tuchtoverheid met kennis van zaken alle relevante feiten had kunnen beoordelen en dat om dezelfde reden een voorafgaande confrontatie zich opdrong tussen verzoeker en V. XIV-36.953-13/25 Beoordeling
  34. Verzoeker voert in het middel zoals het is uiteengezet in het verzoekschrift, geen geschonden bepaling of beginsel aan. Het auditoraat komt tot de bevinding dat uit de uiteenzetting van het middel - en zoals wordt bevestigd in de memorie van wederantwoord - blijkt dat verzoeker de schending aanvoert van het zorgvuldigheids- en het redelijkheids- beginsel. De Raad van State ziet geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en valt aldus het auditoraat ter zake bij. De uiteenzetting van verzoeker wordt vanuit het oogpunt van de schending van het zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel onderzocht.
  35. Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van het aldus geïnterpreteerde middel op grond van de volgende overwegingen. Wat de schending betreft van het zorgvuldigheidsbeginsel, stelt het auditoraat vast dat met de bestreden beslissing aan verzoeker de tuchtstraf van de blaam wordt opgelegd naar aanleiding van de aan hem toegeschreven tekort- komingen tijdens een interventie die hij samen met zijn collega V. op 18 februari 2015 uitvoerde. In de bestreden beslissing wordt meer bepaald vastgesteld dat verzoeker met betrekking tot de feiten die zich die dag voordeden, een proces-verbaal opstelde waarin hij deze feiten kwalificeerde als wederzijdse slagen en verwondingen, en dit niettegenstaande er duidelijk aanwijsbare redenen waren om aan te nemen dat G. het slachtoffer was van opzettelijke slagen en verwondingen toegebracht door haar partner K., dat verzoeker daarbij de argumenten van V. en een ambulancier negeerde, alsook de richtlijnen inzake intrafamiliaal geweld niet volgde. Doordat hij G. negeerde als slachtoffer van intrafamiliaal geweld stelt de bestreden beslissing vast dat hij aldus tekort is XIV-36.953-14/25 geschoten aan zijn verplichting om hulp en bijstand te verlenen aan een kwetsbaar persoon en bijzondere aandacht te besteden aan de procedure inzake intrafamiliaal geweld en dat hij een onjuiste inschatting maakte van de ernst en de omvang van de voorliggende problematiek. De korpschef leidt deze tekortkoming af uit de omstandigheid dat tijdens de interventie duidelijke tekenen van intrafamiliaal geweld aanwezig waren en verwijst dienaangaande naar de verklaringen van K. en G. die op zijn minst tegenstrijdig waren, naar de vaststellingen, opgenomen in het proces-verbaal met betrekking tot de feiten, en de vaststellingen bij het bezoek bij het slachtoffer thuis, alsook naar de verklaring van G. Voorts wordt gewezen op de door de tuchtoverheid geloofwaardig geachte verklaringen van V. waarin zij meldde dat één van de ambulanciers had verklaard dat K. zijn partner G. had geslagen en op het feit dat ook ambulancier Ch. V. D. verklaarde dat hij verzoeker daaromtrent had ingelicht. Met betrekking tot de foutieve kwalificatie van de feiten door verzoeker als wederzijdse slagen en verwondingen, merkt de korpschef op dat nergens uit de vaststellingen blijkt op welke wijze K. zou zijn geslagen en welke verwondingen die hierbij opliep en dat uit het administratief dossier eveneens blijkt dat verzoeker tijdens het administratief verhoor niet kon zeggen of de man gewond was, dat V. stelde dat K. geen zichtbare verwondingen had en ook niet verklaard had verwond of geslagen te zijn geweest en dat ook ambulancier Ch. V. D. verklaarde geen weet te hebben van dergelijke verwondingen. Het auditoraat oordeelt dat verzoeker in wezen niet betwist dat de conclusie van de verwerende partij dat voormelde elementen wijzen op een geval van intrafamiliaal geweld, onjuist zou zijn. Verzoeker meent evenwel dat hem geen inschattingsfout kan worden verweten omdat, bij gebrek aan verklaringen van K. en G., tot dusver weinig tastbaars bekend is omtrent de ware toedracht van hetgeen zich op de bewuste avond van 18 februari 2015 heeft voorgedaan tussen beiden (en desgevallend een derde persoon die de verwondingen aan G. zou hebben toegebracht). Met zijn argument dat bij gebrek aan dergelijke verklaringen, de volledige toedracht van de zaak niet kon worden achterhaald, toont verzoeker naar het standpunt van het auditoraat evenwel niet aan dat de korpschef uit de feiten die door hem wel gekend zijn, ten onrechte heeft XIV-36.953-15/25 afgeleid dat deze erop wezen dat er sprake was van intrafamiliaal geweld en dat verzoeker aldus de richtlijnen inzake intrafamiliaal geweld had moeten toepassen, hetgeen hij, door een onjuiste inschatting, nagelaten heeft te doen. Dat verzoeker “in eer en geweten gemeend [heeft] dat de verzorging […] van de slachtoffers […] prioriteit genoot”, is een eigen persoonlijke beoordeling van zijn handelen, doch zulks doet geen afbreuk aan de vaststellingen in de bestreden beslissing. In zoverre dat verzoeker meent dat “[d]e onvoorziene wending die zich nadien heeft voorgedaan, waarbij beiden […] onderzoek en verzorging hebben geweigerd”, hem bezwaarlijk ten kwade kan worden geduid, blijkt uit de bestreden beslissing niet dat hem een dergelijk verwijt wordt gemaakt. Verzoeker gaat er echter aan voorbij dat hem concreet wordt verweten een onjuiste inschatting van de feiten te hebben gemaakt op grond van de hem wel gekende gegevens (meer bepaald omdat alles erop wees dat het niet om wederzijdse slagen en verwondingen ging, maar wel om feiten van intrafamiliaal geweld). Dat voor of tijdens het tuchtonderzoek geen gesprek of confrontatie werd georganiseerd tussen verzoeker en V. doet evenmin afbreuk aan de door de korpschef gedane vaststellingen. In de bestreden beslissing wordt dienaangaande overigens uitdrukkelijk gesteld dat uit verzoekers eigen vaststellingen in het proces-verbaal blijkt dat G. hem bij haar thuis duidelijk maakte dat er een discussie was geweest tussen haar en K. en dat haar kwetsuren haar eigen schuld waren. Het oordeel van de korpschef dat “[o]ngeacht de miscommunicatie voordien tussen [verzoeker] en [inspecteur van politie V.], [verzoeker] toen toch zelf [had] moeten aanvoelen dat er meer was dan alleen wederzijdse slagen en verwondingen en dit ongeacht het feit of de heer K. nu bij zijn verhaal bleef dat er een onbekende was binnengelopen en kletsen had uitgedeeld”, gaat de grenzen van de redelijkheid niet te buiten. Er blijkt bovendien niet dat verzoeker een confrontatie tussen hemzelf en V. gevraagd heeft. Nochtans voorziet artikel 36 van de wet van 13 mei 1999 „houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten‟ (hierna: de tuchtwet) dat de gewone tuchtoverheid, op eigen initiatief of op verzoek van het betrokken personeelslid of van zijn verdediger, de nuttige getuigenverklaringen hoort die ze nodig acht, gelet op hun band met het dossier. Niettegenstaande verzoeker daartoe aldus de mogelijkheid had indien hij dit echt noodzakelijk vond voor de beoordeling van de XIV-36.953-16/25 zaak, heeft hij nagelaten de tuchtoverheid te verzoeken V. op te roepen voor een eventuele confrontatie. In tegenstelling tot hetgeen verzoeker meent, houdt dit geen omkering van de bewijslast in, temeer wanneer, zoals te dezen, blijkt dat de tuchtoverheid op grond van de haar voorliggende gegevens in redelijkheid tot haar beslissing is kunnen komen. Verzoeker verduidelijkt overigens niet welke invloed een dergelijke confrontatie zou hebben gehad op de beoordeling van de feiten door de tuchtoverheid. Meer bepaald brengt hij geen concrete feiten aan die uit een dergelijke confrontatie hadden kunnen voortkomen en die de tuchtoverheid tot een ander oordeel hadden kunnen doen brengen. In zoverre dat verzoeker betwist dat de ambulancier hem zou hebben ingelicht over de verklaring van G. dat het K. was die haar had geslagen, blijkt uit de verklaring van ambulancier Ch. V .D. duidelijk dat laatstgenoemde aan verzoeker meedeelde dat G. hem had verklaard dat degene die haar had geslagen de heer K. was. Deze verklaring wordt door verzoeker niet van valsheid beticht, zodat de korpschef zich er terecht kon op baseren om aan verzoeker ten laste te leggen de argumenten van V. en de ambulancier te hebben genegeerd. De door verzoeker gegeven kritiek ter zake geeft blijk van een andere feitelijke beoordeling van de gegevens van de zaak dan de tuchtoverheid, maar verzoeker maakt niet aannemelijk dat de tuchtoverheid in verband met de beoordeling van dit feit tot een conclusie is gekomen die de grenzen van de redelijkheid te buiten zou gaan. Het is aldus niet onredelijk dat de verwerende partij inzake het bewijs van deze feitelijkheid geloof hecht aan de verklaring van de ambulancier en niet aan die van verzoeker. Wat de opmaak van het samenvattend eindverslag van V. betreft, blijkt uit de bestreden beslissing dat dit geen tenlastelegging betreft waarvoor de tuchtstraf wordt opgelegd. Het auditoraat besluit in het verslag over de zaak dat voor het overige het verweer van verzoeker bestaat uit het geven van zijn eigen visie op de feiten en op de beoordeling daarvan, waarbij het de Raad van State evenwel niet toekomt om de beoordeling van deze feiten in de plaats van de bevoegde overheid over te doen. Uit wat voorafgaat, blijkt volgens het auditoraat dat de tuchtoverheid op grond van de haar voorliggende en gekende gegevens in redelijkheid tot haar conclusie is kunnen komen. XIV-36.953-17/25 Wat tot slot het argument van verzoeker betreft dat de feiten hoogstens een functioneringsnota dan wel de lichtste tuchtstraf van de waarschuwing kunnen wettigen, komt het auditoraat tot de bevinding dat, in het licht van de overwegingen van de bestreden beslissing, de tuchtoverheid bij het opleggen van de tuchtstraf de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid niet is te buiten gegaan. Daarmee wil niet gezegd zijn dat de tuchtoverheid geen lichtere straf had kunnen opleggen die evengoed binnen de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid lag, maar dat het nu eenmaal eigen is aan de uitoefening van een discretionaire bevoegdheid zoals de tuchtbevoegdheid, dat uiteenlopende beslissingen denkbaar zijn, die nochtans alle de toets aan de proportionaliteit doorstaan. Het eerste middel is ongegrond.
  36. Verzoeker betwist deze conclusie, maar beperkt zich ter zake in de laatste memorie tot het herhalen van zijn reeds in eerdere procedurestukken uiteengezette standpunt dat de bestreden beslissing niet zou zijn opgelegd omwille van de wijze waarop hij zich van zijn taak als mentor heeft gekweten en tot het blote standpunt dat een verder onderzoek naar de wijze waarop het eindverslag door verzoeker is opgemaakt, een noodzakelijke voorwaarde is opdat de tuchtoverheid met kennis van zaken alle relevante feiten had kunnen beoordelen en dat om dezelfde reden een voorafgaande confrontatie zich opdrong tussen hemzelf en V. Hij verzuimt evenwel ter zake inhoudelijk te reageren op de beoordeling van het middel door het auditoraat. De Raad van State ziet geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het eerste middel ongegrond. XIV-36.953-18/25 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  37. In het tweede middel voert verzoeker de “miskenning” aan “van de algemene beginselen, c.q. het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, in het bijzonder in volgende zin:

(1)gebrek aan onpartijdige, uitputtende feitengaring, onder meer gelet hierop dat het tuchtonderzoek op gang is gebracht door een niet onpartijdige betrokkene, dwz naar aanleiding van het ongunstig „evaluatieverslag‟ dat verzoeker omtrent de „probatiestage‟ van [inspecteur van politie V.], van wie [hij] als „mentor‟ optrad, had opgesteld, alsook
(2)afwezigheid van kritische bevraging van de klaagster, [inspecteur van politie V.], en van elke welkdanige confrontatie tussen verzoeker, enerzijds, en [inspecteur van politie V.], anderzijds.” Verzoeker zet uiteen dat de tuchtvervolging is op gang gebracht nadat V., geconfronteerd met een door verzoeker minder gunstig evaluatieverslag over haar voorbije probatiestage, “lucht heeft gegeven” aan haar grieven in verband met de gezamenlijke interventie van 18 februari 2015 en het proces-verbaal dat naderhand ter zake werd opgesteld. Volgens verzoeker kan men er niet omheen dat V. een kwaadwillige uitleg heeft gegeven aan verzoekers optreden. Een en ander is volgens verzoeker problematisch aangezien de korpschef in de bestreden beslissing in belangrijke mate steunt zoekt in de gezegden en voorstelling van zaken vanwege V. die, als betrokken partij, onmogelijk onpartijdig of betrouwbaar kan worden geacht als getuige. Volgens verzoeker is er geen enkele voorzorg aan de dag gelegd om die onpartijdigheid waarmee het onderzoek is gestart, uit te vlakken of tegen te gaan: V. werd nooit systematisch ondervraagd over haar eigen optreden en rol en er vond geen confrontatie plaats tussen haar en hemzelf. Verzoeker ontkent voorts hetgeen V. te zijnen laste beweert en meent dat, gelet op haar uitgesproken vijandigheid jegens verzoeker, bezwaarlijk kan worden aangenomen dat haar versie van de feiten met de waarheid zou stroken, terwijl zijn versie dit niet zou doen. De welwillendheid waarmee de tuchtoverheid geloof hecht aan de verklaringen van V. klemt volgens verzoeker XIV-36.953-19/25 des te meer nu de vraag zich stelt of zij zelf niet tekort is geschoten aan de op haar rustende verplichting om verzoeker volledig en onmiddellijk op de hoogte te brengen van hetgeen zij zelf had vernomen of had kunnen vaststellen op het ogenblik dat zij de interventie op 18 februari 2015 reeds zonder hem aanvatte.
  1. In de memorie van wederantwoord benadrukt verzoeker dat in de omstandigheden van de zaak dat een zorgvuldige en onpartijdige uitvoering van het tuchtonderzoek had verondersteld dat de beweringen van V. kritisch en objectief zouden zijn onderzocht, dat een confrontatie tussen hem en V. zou zijn georganiseerd en dat bij de beoordeling van de geloofwaardigheid en bewijs- waarde van de beweringen van V. rekening zou zijn gehouden met haar betrokkenheid als belanghebbende bij de interventie en de opmaak van het proces-verbaal en met de belangentegenstelling tussen V. en verzoeker in hun hoedanigheid van respectievelijk stagiair en mentor. Beoordeling
  2. Verzoeker voert in het middel zoals het is uiteengezet in het verzoekschrift, de schending aan van “de algemene beginselen, c.q. het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.” Het auditoraat komt tot de bevinding dat onder verwijzing naar “het” beginsel van behoorlijk bestuur, verzoeker het zorgvuldigheids- en onpartij- digheidsbeginsel lijkt te verstaan. De Raad van State ziet geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en valt aldus het auditoraat ter zake bij. De uiteenzetting van verzoeker wordt vanuit het oogpunt van de schending van het zorgvuldigheids- en onpartijdigheidsbeginsel onderzocht. XIV-36.953-20/25
  3. Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van het aldus geïnterpreteerde middel op grond van de volgende overwegingen. Uit het administratief dossier blijkt dat niet inspecteur van politie V. de feiten die aanleiding hebben gegeven tot de bestreden beslissing, heeft aangebracht bij de tuchtoverheid, maar wel commissaris van politie W. Naar aanleiding van het negatief samenvattend eindverslag dat verzoeker opstelde en waarin hij voorstelde om de probatiestage van V. met drie maanden te verlengen, stelde de voornoemde commissaris van politie, stageleider van V., zich vragen bij verzoekers houding als mentor ten aanzien van V. en het voorstel tot verlenging van haar probatiestage. Na onderzoek en analyse van verzoekers voorstel, besliste commissaris van politie W. het voorstel niet bij te vallen. Dit werd vervolgens bevestigd door de waarnemende korpschef. Tegelijkertijd formuleerde commissaris van politie W. het voorlopig voorbehoud bij het verder inzetten van verzoeker als mentor. Hieruit blijkt volgens het auditoraat geenszins dat V. een “bepalende rol (…) in de aanloop van dit tuchtonderzoek” zou hebben gehad. De omstandigheid dat de korpschef kennis heeft gekregen van bepaalde feiten omdat daarvan melding is gemaakt in het verslag van commissaris van politie W. omtrent de probatiestage van V. dat na onderzoek en analyse van verzoekers negatieve verslag werd opgesteld, doet geen afbreuk aan de vaststelling dat de tucht- procedure niet werd opgestart omwille van het door verzoeker opgestelde negatief samenvattend eindverslag omtrent de probatiestage van V., maar wel omwille van het feit dat verzoeker de feiten die zich voordeden op 18 februari 2015 verkeerd heeft ingeschat. In zoverre dat verzoeker aanvoert dat geen enkele voorzorg aan de dag is gelegd om de partijdigheid waarmee de tuchtprocedure is opgestart, tegen te gaan, besluit het auditoraat dat verzoeker ter zake niet kan worden gevolgd. Het vooronderzoek blijkt immers ten laste en ten ontlaste te zijn gevoerd. Verzoeker toont het tegendeel alvast niet aan. In tegenstelling tot hetgeen verzoeker voorhoudt, is de bestreden beslissing geenszins uitsluitend gebaseerd op de verklaringen van V. De bestreden beslissing steunt op het resultaat van het vooronderzoek, dat onder meer de verklaringen van verzoeker, V., verscheidene XIV-36.953-21/25 getuigen en de ambulanciers bevat en het oorspronkelijke proces-verbaal van de feiten waarvoor verzoeker en V. opgeroepen werden op 18 februari
  4. Wat het argument betreft dat V. niet kritisch werd bevraagd en dat haar beweringen zowel over het verloop van de interventie als over de voorbereiding en opmaak van het proces-verbaal achteraf niet kritisch en objectief werden onderzocht, komt het auditoraat tot de vaststelling dat uit het administratief dossier blijkt dat V. uitgebreide verklaringen aflegde aan de vooronderzoeker. Verzoeker verduidelijkt niet in het minst welke bijkomende “kritische” vragen aan V. hadden moeten worden gesteld en op welke wijze dit een ander licht op de zaak had kunnen werpen. In zoverre dat verzoeker tevens stelt dat geen confrontatie heeft plaatsgehad tussen hemzelf en V., blijkt niet dat verzoeker zulks gevraagd heeft. Nochtans voorziet artikel 36 van de tuchtwet dat de gewone tuchtoverheid, op eigen initiatief of op verzoek van het betrokken personeelslid of van zijn verdediger, de nuttige getuigenverklaringen hoort die ze nodig acht, gelet op hun band met het dossier. Niettegenstaande verzoeker daartoe aldus de mogelijkheid had indien hij dit echt noodzakelijk achtte voor de beoordeling van de zaak, heeft hij nagelaten de tuchtoverheid te verzoeken V. op te roepen voor een eventuele confrontatie. Bovendien laat hij ook thans na concreet aan te geven wat een confrontatie méér aan het licht had kunnen brengen dan hun afzonderlijke verklaringen. Wat tenslotte de grief betreft dat “de welwillendheid en het geloof waarmee de verklaringen van [V.] tijdens het voorafgaand tuchtonderzoek, en bij het nemen van de bestreden beslissing tegemoet zijn getreden”, des te meer klemmen “waar het erover gaat of [V.], al dan niet naar behoren uitvoering heeft gegeven aan de onbetwistbaar op haar wegende verplichting om verzoeker uitputtend, en onmiddellijk […] op de hoogte te brengen van al hetgeen zijzelf al (…) had vernomen, of zelf had kunnen vaststellen in de tijdspanne tussen haar - geheel eenzijdig - initiatief om de interventie reeds alleen, zonder verzoeker, aan te vatten (…)”, stelt het auditoraat vast dat verzoeker ter zake niet kan gevolgd worden in zijn opvatting. Zo blijkt uit de in het vooronderzoek opgenomen XIV-36.953-22/25 verklaringen van ambulancier Ch. V. D. dat verzoeker door laatstgenoemde werd ingelicht. Het auditoraat concludeert dat verzoeker niet met concrete elementen aantoont dat in hoofde van de vooronderzoeker en/of van de korpschef vooringenomenheid zou bestaan. De volgens verzoeker partijdige wijze waarop de tuchtfeiten ter kennis werden gebracht van de tuchtoverheid, brengt overigens nog niet met zich mee dat de bestreden beslissing onzorgvuldig of onpartijdig tot stand zou zijn gekomen. Dit is, gelet op de hoger vermelde vaststellingen, te dezen al zeker niet het geval. Het tweede middel is ongegrond.
  5. Verzoeker betwist deze conclusie, maar beperkt zich ter zake in de laatste memorie tot het verwijzen naar zijn uiteenzetting in eerdere procedure- stukken. Hij verzuimt evenwel ter zake inhoudelijk te reageren op de beoordeling van het middel door het auditoraat. De Raad van State ziet geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het tweede middel ongegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  6. Verzoeker voert in het derde middel de schending aan van artikel 56 van de tuchtwet, “in het bijzonder van de termijn van zes maanden daarin voorzien en bijgevolg verjaring van de tuchtvordering.” Volgens hem staat het aan de tuchtoverheid het bewijs te leveren dat zij op 25 november 2015, bij de verzending van de eerste van de aangetekende brieven waarmee zij het inleidende XIV-36.953-23/25 verslag aan verzoeker betekende, niet langer dan zes maanden van de ingeroepen feiten op de hoogte was. Hijzelf “betwist dat de termijn naar behoren is nageleefd.” Beoordeling
  7. Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van het middel op grond van de volgende overwegingen. Uit niets blijkt dat de korpschef voor 29 mei 2015 op de hoogte was van de feiten. In de bestreden beslissing wordt gesteld dat de feiten op 29 mei 2015 ter kennis werden gebracht van de korpschef, dat hij op basis van deze feiten op dat ogenblik niet op de hoogte was van de volledige omvang van deze feiten en aldus over onvoldoende concrete informatie beschikte betreffende de juiste toedracht en omstandigheden om met kennis van zaken te beslissen om al dan niet een tuchtprocedure op te starten, zodat om die reden een vooronderzoeker werd aangesteld. Tevens wordt erop gewezen dat de tuchtoverheid op 2 september 2015 in kennis werd gesteld van het verslag van het voorafgaand onderzoek en dat deze datum in aanmerking moet worden genomen voor het bepalen van de verjarings- termijn. Aangaande de door verzoeker ingeroepen verjaring wijst het auditoraat erop dat ter zake reeds in de bestreden beslissing standpunt werd ingenomen en dat verzoeker zich beperkt tot het herhalen van zijn verweer voor de tuchtoverheid zonder de pertinente motivering in de bestreden beslissing dienaangaande te weerleggen. Het derde middel is ongegrond.
  8. Verzoeker betwist deze conclusie, maar beperkt zich ter zake in de laatste memorie tot het verwijzen naar zijn uiteenzetting in eerdere procedure- stukken. Hij verzuimt evenwel ter zake inhoudelijk te reageren op de beoordeling van het middel door het auditoraat. XIV-36.953-24/25 De Raad van State ziet geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het derde middel ongegrond. BESLISSING
  9. De Raad van State verwerpt het beroep.
  10. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigver- klaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegings- vergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drieëntwintig april tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-36.953-25/25 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.247 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.