id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 april 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.248 Rolnummer: A. 219494/XIV-37074 Zaak: Arrest 244248 - Politie - 23/04/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-04-29 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-21 22:54 Fiche Arrest nr 244.248 van 23 april 2019 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Politie Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 244.248 van 23 april 2019 in de zaak A. 219.494/XIV-37.074 In zake : Harald BROMLEY bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hans Schyvens kantoor houdend te 2018 Antwerpen Sint-Jozefstraat 43 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de STAD ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrick Van Der Straten kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 210 A bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 13 juni 2016, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de korpschef van de lokale politie Antwerpen van 8 april 2016 waarbij verzoeker bij wijze van ordemaatregel niet langer wordt aangewezen als mentor. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld. XIV-37.074-1/26 Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 december
- Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Hans Schyvens, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Pieter Borms, die loco advocaat Patrick Van Der Straten verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is inspecteur van politie bij de lokale politiezone Antwerpen (PZ 5345). 3.
- De korpschef beslist op 6 januari 2016 om aan verzoeker de lichte tuchtstraf van de blaam op te leggen. Deze beslissing maakt het voorwerp uit van een beroep tot nietigverklaring gekend onder nr. A. 218.682/XIV-36.
- Dit beroep is verworpen bij arrest nr. 244.247 van heden. XIV-37.074-2/26 3.
- In een nota van 2 februari 2016 met opschrift “Ordemaatregel -ontneming mentorschap”, betekent de korpschef aan hem het voorstel van ordemaatregel om verzoeker niet langer aan te wijzen als mentor. 3.
- Op 29 februari 2016 wordt verzoeker omtrent dit voorstel gehoord door de korpschef. Hij legt tevens een memorie met stukken neer. 3.
- De korpschef beslist op 8 april 2016 dat verzoeker niet langer wordt aangewezen als mentor. Die beslissing steunt op de volgende motivering: “[…]
- Feiten INP Harald Bromley was de stagementor van INP [V.]. Tijdens de stageperiode ontstond er een dispuut tussen INP Harald Bromley en INP [V.] in verband met een interventie op 18 februari
- Die nacht werd hij samen met INP [V.] door het TCK gezonden naar de […] te 2100 Antwerpen voor slagen in een woning. De discussie tussen INP Harald Bromley en INP [V.] ging over de weerhouden feiten in het proces-verbaal met nummer AN.43.LB.XXXX45/
- INP Harald Bromley stelde een proces-verbaal op met kwalificatie wederzijdse slagen en verwondingen, desondanks er duidelijke aanwijsbare redenen waren dat [G.] het slachtoffer was van opzettelijke slagen en verwondingen toegebracht door haar partner, [K.]. INP Harald Bromley negeerde hierbij de argumenten van INP [V.] en de ambulancier die op dat ogenblik ter plaatse waren. Alsook volgde hij de richtlijnen inzake intrafamiliaal geweld niet. INP Harald Bromley was evenwel van mening dat het ging om „wederzijdse opzettelijke slagen en/of verwondingen (vechtpartij)‟. Omdat INP [V.] bleef aandringen om de kwalificatie alsnog te wijzigen, werd INP Harald Bromley volgens INP [V.] kwaad en stelde hij dat zij het maar zelf moest doen als zij het beter wist. INP [V.] stopte toen met argumenteren. Onder druk van INP Harald Bromley kreeg het proces-verbaal uiteindelijk de kwalificatie „wederzijdse opzettelijke slagen en/of verwondingen (vechtpartij)‟. Na kennis te hebben genomen van de feiten op 29 april 2015 heb ik een vooronderzoek gelast dat uitmondde in een inleidend verslag van 23 november
- Na de tuchtverdediger van INP Harald Bromley te hebben gehoord, nam ik een beslissing en was ik van oordeel dat de feiten ontegensprekelijk vaststonden en konden worden toegerekend doordat bij de interventie van 18 februari 2015 de richtlijnen inzake intrafamiliaal geweld niet werden gevolgd. In het proces-verbaal dat werd opgesteld, werd een verkeerde strafrechtelijke kwalificatie vermeld. Tijdens de interventie waren er immers duidelijke tekenen van intrafamiliaal geweld. Ik ben van oordeel dat deze feiten tuchtvergrijpen uitmaken, dat de ambtsplichten werden miskend, de waardigheid van het ambt in gedrang werd gebracht en het vertrouwen van de burger in de politie geschaad werd door deze laakbare houding. Rekening houdende met alle elementen legde ik dan ook de lichte straf van blaam op. Het dispuut van 18 februari 2015 leidde - zoals ik thans mocht vaststellen - tot een vertrouwensbreuk tussen INP Harald Bromley en INP [V.]. Vanaf maart 2015 had INP Harald Bromley quasi geen contact meer met INP [V.]. Vervolgens stelde INP Harald Bromley in het samenvattend eindverslag voor om de probatiestage van XIV-37.074-3/26 INP [V.] te verlengen met drie maanden. Daar waar in een tussentijds verslag er grosso modo hoofdzakelijk positieve conclusies tot uiting werden gebracht en na de tussentijdse evaluatie op 31 januari 2015 geen enkel formeel signaal werd aangebracht bij de stagiair en stageleider dat de stage niet naar behoren liep werd in het samenvattend eindeverslag plots tot een heel andere conclusie gekomen. CP [W.], stageleider van INP [V.], stelde zich vragen bij de houding van INP Harald Bromley als mentor van INP [V.] en zijn voorstel tot verlenging van haar probatiestage met drie maanden. Na onderzoek besliste CP [W.] het voorstel tot verlenging van de probatiestage van INP [V.] niet bij te treden. Dit werd vervolgens bevestigd door waarnemend korpschef [V.]. Tot slot formuleerde CP [W.] het voorlopig voorbehoud om INP Harald Bromley niet langer in te zetten als stagementor. Het samenvattend verslag met voorstel tot verlenging van de probatiestage kon zeer verstrekkende gevolgen hebben voor INP [V.]. Mochten de feiten niet tijdig door eindverantwoordelijke CP [W.] aan het licht zijn gebracht, kon dit voorstel zelfs tot het ontslag wegens beroepsongeschiktheid van INP [V.] hebben geleid.
- Procedureverloop […]
- Analyse van het verweer Gelet op de analyse van het proces-verbaal van hoorzitting en de tijdens de hoorzitting neergelegde memorie, werd kennis genomen van de argumenten als volgt: 4.1 Eerste middel Samenvatting van het standpunt van INP Bromley De voorgenomen ordemaatregel steunt louter op feiten die tot een tuchtver- volging en een tuchtstraf hebben geleid. In die omstandigheden kan niet anders worden besloten dan dat het voorstel ordemaatregel een „vermomde tuchtstraf‟ inhoudt, als sanctie op uw gedrag. De regel van de eenmaligheid van bestraffing - doorgaans uitgedrukt met het non bis in idem-beginsel - vindt ook onverkort toepassing in tuchtzaken. Door het feit dat er reeds de lichte tuchtstraf van blaam werd opgelegd, verhindert deze regel dat een nieuwe sanctie zou worden opgelegd. Beoordeling Een tuchtmaatregel heeft als voornaamste motief het straffen van een personeelslid voor een deontologische fout, terwijl een ordemaatregel louter de goede werking van de dienst beoogt, zonder daarbij de schuldvraag te stellen. De verstoring van de goede orde van de dienst kan weliswaar voortvloeien uit het gedrag maar in casu is de ordemaatregel niet geënt op het laakbaar vinden van het gedrag van 18 februari 2015 beoordeeld binnen het kader van de tuchtprocedure. De wijze waarop u uw taak als mentor uitoefende brengt mij ertoe om een ordemaatregel te nemen. Dit in het belang van de goede werking van de dienst. Daar een ordemaatregel geen tuchtrechtelijk karakter heeft, kan naast een tuchtsanctie een ordemaatregel worden opgelegd zonder dat dat dit een schending van het non bis in idem-beginsel uitmaakt. De ontneming van het mentorschap als ordemaatregel wordt geen tuchtstraf alleen maar omdat uw optreden n.a.v. feiten die zich voordeden op 18 februari 2015 aanleiding hebben gegeven tot een tuchtstraf. De ordemaatregel die ik neem in het belang van de dienst is m.a.w. niet het gevolg van de fouten die u beging bij de uitoefening van uw ambt n.a.v. de feiten die zich hebben voorgedaan op 18 februari
- De rol van mentor is essentieel tijdens de probatiestage. De mentor moet zich, steunend op zijn professionele ervaring en wilskracht en op een integere en constructieve manier volledig inzetten bij het begeleiden van jonge inspecteurs. Zijn begeleiding en beoordeling zijn van groot belang om tot een integer en goed XIV-37.074-4/26 functionerend korps te komen. De bedoeling van de probatiestage is enerzijds om de kwaliteitsgarantie verder te verhogen en anderzijds om de omkadering van jonge inspecteurs bij hun eerste stappen op het terrein te verbeteren. Het is noodzakelijk dat jonge inspecteurs professioneel worden begeleid, worden geïnstrueerd, zo nodig worden gecorrigeerd en finaal worden geëvalueerd op hun beroepsgeschiktheid. Dit houdt in dat de mentor op een nauwe wijze betrokken is bij de activiteiten van de jonge inspecteur, deze dagelijks opvolgt en zo nodig instructies geeft. Eveneens veronderstelt dit dat de mentor in geval van moeilijkheden dit signaleert bij de stageleider, zodat overleg kan worden gepleegd teneinde tijdig te kunnen remediëren indien nodig. Wanneer moet worden vastgesteld dat de tussentijdse evaluatie na 3 maanden probatiestage duidelijk positief was, er bijna geen negatieve werkpunten worden gesignaleerd en vervolgens gedurende de 3 daaropvolgende maanden geen signalen aan de stageleider worden gegeven dat één en ander misloopt, mag worden verwacht dat de probatiestage naar wens verloopt zonder dat moet ingegrepen worden of bijgestuurd. Het gehele opzet van de probatiestage staat of valt met de integere en professionele constructieve houding van de begeleider-mentor. Het klopt dat de ordemaatregel tot ontneming van uw mentorschap het gevolg is van uw houding doch deze houding is niet terug te brengen tot uw falen op 18 februari 2015 doch situeert zich in de periode erna tot 30 april 2015 waaruit blijkt dat uw handelwijze t.a.v. uw mentorschap een bedreiging vormt voor de goede werking van de dienst. De goede werking van de dienst komt inderdaad in het gedrang wanneer uw houding uitmondt in een samenvattend stageverslag dat gesteund is op een volstrekt onjuiste beoordeling die aanleiding is geweest tot een bijkomend onderzoek. Deze feiten waren ernstig en noopten mij als korpschef om organisatorische maatregelen te nemen. Het is in geen geval mijn bedoeling om u via deze ordemaatregel nogmaals uw optreden op 18 februari 2015 te bestraffen. Het eerste middel is niet gegrond. 4.2 Tweede middel Samenvatting van het standpunt van INP Bromley U stelt dat het ontnemen van het mentorschap ernstigere gevolgen heeft dan de lichte tuchtstraf van blaam die u werd opgelegd. U stelt de taak van het mentorschap om en bij 15 jaar lang te hebben uitgeoefend tot ieders voldoening. U stelt dat de ontneming van het mentorschap voor u veel zwaardere gevolgen heeft dan de lichte tuchtstraf blaam voor u teweeg bracht. Ook verwijst u naar de invloed die het ontnemen van het mentorschap heeft op uw inkomen. Beoordeling Ik betreur dat ik genoodzaakt ben, binnen het kader van de goede werking van de dienst, ondanks uw vele jaren inzet als mentor, de ordemaatregel te nemen. Ik kan het risico niet lopen dat het vertrouwen dat jonge inspecteurs mogen hebben in het mentorschap wordt ondergraven. Aan het mentorschap moeten hoge eisen worden gesteld zodat zij die niet meer kunnen voldoen aan deze hoge eisen en verwachtingen, niet langer de taak van mentor kunnen en mogen uitoefenen. Het ontnemen van uw mentorschap kan u niet aanzien als een degradatie van uw functie. Het mentorschap is een bijkomende taak die aan bepaalde collega‟s, met een zekere anciënniteit, ervaring en grote integriteit wordt gevraagd om op zich te nemen. Het betreft m.a.w. een bijkomende taak bovenop de huidige functie die u blijft behouden. De ontneming van het mentorschap kan dus geenszins als een vernedering worden beschouwd, noch wordt hiermee een ernstig en moeilijk te herstellen nadeel aangetoond. Bovendien heeft deze maatregel geen financieel nadeel tot gevolg: De mentortoelage wordt namelijk niet toegekend voor het mentorschap in het raam van XIV-37.074-5/26 een probatiestage. Het gegeven dat de aspirant tot inspecteur benoemd is verhindert dit. U zal door deze maatregel m.a.w. nooit een financieel nadeel lijden. […]. Het tweede middel is niet gegrond. 4.3 Derde middel Samenvatting van het standpunt van INP Bromley Nadat u verwezen hebt naar het feit dat de ordemaatregel een administratieve rechtshandeling is die onderworpen is aan de beginselen van een behoorlijk bestuur zoals een zorgvuldige feitengaring, het redelijkheidsbeginsel, het evenredigheids- beginsel en de onpartijdigheid, verwijt u dat geen enkel onderzoek is gedaan naar de concrete omstandigheden van de zaak, zoals onder meer: - Het ontbreken van een tijdige, uitgewerkte voorbereiding, binnen het korps, van het nog nieuwe gegeven probatiestage. Zo wijst u op het feit dat het studieverslag van betrokken stagiair niet tijdig beschikbaar was, terwijl er al evenmin een voorbeeld beschikbaar was van een stageplan. - Het ontbreken van enige vorm van opleiding van diegenen die als mentor van een stagiaire in probatiestage zullen optreden. - De precieze ontstaansgeschiedenis van de gewraakte eindevaluatie zoals u deze - niet alleen in overleg met uw oversten, maar bovendien volgens hun wens, en in hun opdracht - omtrent de probatiestage van INP [V.] hebt opgesteld. De stelling, dat u zich bij het opstellen van de eindevaluatie hebt laten leiden door een partijdige, negatieve ingesteldheid jegens betrokkene, is volgens u niet ernstig onderbouwd. Laat staan dat dit eenmalige - slechts beweerde, alsook door u betwiste feit - op zich zou kunnen volstaan om de verdere geschiktheid van u als mentor te beoordelen. Een functie die u 15 jaar lang probleemloos en tot ieders voldoening heeft weten uit te oefenen. Beoordeling Ik deel uw mening niet dat ik onvoldoende rekening zou houden met de concrete omstandigheden van de zaak bij het nemen van de ordemaatregel in het belang van de dienst en het goed functioneren van het mentorschap voor jonge inspecteurs. Uw argumentatie m.b.t. het ontbreken van een tijdige, uitgewerkte voorbereiding binnen het korps, het niet tijdig beschikbaar zijn van het studieverslag, het ontbreken van een stageplan, het ontbreken van enige vorm van opleiding,... verbaast mij enigszins wanneer dit wordt geuit door een mentor die zich beroept op een jarenlange ervaring en die noch in het eerste tussentijdse verslag, noch in het samenvattend stageverslag daaromtrent opmerkingen formuleert. Binnen het kader van een goede werking mag ik ervan uitgaan dat de ervaren medewerker aan wie gevraagd wordt het mentor- schap op zich te nemen, tijdig melding maakt van eventuele gebreken in de voorbereiding van de probatiestage, het ontbreken van documenten, het ontbreken van enige opleiding,... en dit met het oog op de goede werking van de dienst en een correct uitvoeren van de probatiestage en verslaggeving daaromtrent. Wanneer u thans stelt dat u deze taak op u hebt genomen terwijl u dergelijke gebreken en mankementen hebt vastgesteld, voor zover waar, dan had u minstens dit tijdig moeten melden. Door uw houding van niet-melding ontstaat dan ook een vertrouwensbreuk voor wat betreft het aan u toevertrouwen van het mentorschap. Daarenboven verantwoordt het geenszins de wijze waarop u tot uw eindbe- oordeling bent gekomen. Een wijze die ik niet kan volgen zodat ik, gelet op de manifeste onjuistheid ervan, niet langer in het kader van de goede werking van de dienst, u dit mentorschap kan toevertrouwen. Uw verwijt dat er onvoldoende onderzoek zou gedaan zijn naar de concrete omstandigheden van de bestaans- geschiedenis van de gewraakte eindevaluatie, treed ik niet bij, temeer daar u alleszins in de mogelijkheid was om daaromtrent nadere toelichting te geven, wat u niet doet. Ik heb u de mogelijkheid gegeven om uw standpunt weer te geven doch ik vind in uw memorie geen enkel argument terug dat mij zou kunnen overtuigen dat u XIV-37.074-6/26 terecht tot uw besluitvorming bent gekomen in alle objectiviteit en rekening houdende met alle elementen m.b.t. de uitoefening van de probatiestage. De discrepantie tussen enerzijds het tussentijds verslag en anderzijds het eindverslag, de discrepantie tussen uw verslag en de vaststelling van INP [D.] die de laatste twee maanden met INP [V.] heeft gewerkt, zijn dermate groot dat ik mag verwachten dat u daarvoor in uw verweer tot een concrete toelichting en verantwoording komt. Die heb ik niet gevonden in uw memorie. Vanzelfsprekend ligt uw beoordeling en uw houding in het tweede deel van de probatiestage van INP [V.] aan de grondslag van de ordemaatregel doch ik aanzie deze beoordeling en houding niet als een tuchtrechtelijk sanctioneerbare daad doch wel als een malfunctioneren van uzelf waardoor de goede werking van de dienst en in het bijzonder een goede werking van het mentorschap ernstig in gevaar komt indien ik aan u nog zou toelaten dit mentorschap verder op te nemen. Wanneer u stelt dat u gedurende 15 jaar tot ieders voldoening het mentorschap hebt uitgeoefend, kan ik thans enkel vaststellen dat u blijft vasthouden aan uw overtuiging dat u het samenvattend stageverslag correct hebt ingevuld, dat u correct hebt gehandeld, en dat u uw mentorschap op een juiste wijze hebt uitgeoefend. Ik treed deze zienswijze geheel niet bij en het gebrek aan inzicht dat u tot een onjuiste beoordeling bent gekomen en dat de uitoefening van uw mentorschap in de tweede periode volstrekt onvoldoende is, sterkt mij in mijn overtuiging dat ik deze ordemaatregel moet nemen. Het derde middel is niet gegrond.
- Besluit Artikel 1 In toepassing van artikel 5.2.6bis RPPol, wordt INP Harald Bromley niet langer aangewezen als mentor.” Dit is de bestreden beslissing. IV. Samenvoeging
- Verzoeker doet in zijn verzoekschrift gelden dat er een klaarblijkelijke samenhang is met de voornoemde zaak A. 218.682/XIV-36.
- Hij vraagt in de memorie van wederantwoord, dat hij in de laatste memorie herhaalt, de samenvoeging van de voorliggende zaak met de voornoemde zaak.
- Het betreffen twee verschillende beslissingen: de ene is een tuchtstraf en de andere een ordemaatregel. De enkele omstandigheid dat, naar verzoeker stelt, bepaalde feitelijke gegevens aan beide beslissingen ten grondslag liggen, noch het standpunt dat, naar verzoeker stelt, de ordemaatregel een verkapte, bijkomende tuchtstraf zou vormen, vereisen dat de beide zaken samen worden behandeld. XIV-37.074-7/26 De samenvoeging is niet noodzakelijk. Te dezen volstaat het, wat ook is gebeurd, dat mede om proceseconomische redenen, beide zaken samen ter terechtzitting worden behandeld. Het verzoek tot samenvoeging wordt geweigerd. V. Regelmatigheid van de rechtspleging Regelmatigheid van de memorie van antwoord van de verwerende partij
- De lokale politiezone Antwerpen is een “eengemeentezone” (artikel 1 van het koninklijk besluit van 28 april 2000 „houdende de indeling van het grondgebied van de provincie Antwerpen in politiezones‟), zodat de rechtspersoon de stad Antwerpen is. Ten tijde van het indienen van de memorie van antwoord bepaalde artikel 193, § 1, eerste lid van het gemeentedecreet van 15 juli 2005 dat het college van burgemeester en schepenen de gemeente vertegenwoordigt in gerechtelijke gevallen. Hieruit volgt dat alle procedurestukken dienen uit te gaan van het college van burgemeester en schepenen. Te dezen vermeldt de memorie van antwoord uitdrukkelijk dat ze uitgaat van “de korpschef van de politiezone Antwerpen” en niet van de stad Antwerpen. Het processtuk gaat bijgevolg niet uit van het college van burgemeester en schepenen. Het gaat derhalve uit van een niet-bevoegde persoon. Er ligt evenmin een uittreksel van de notulen van het college van burgemeester en schepenen voor, waaruit zou kunnen blijken dat het college zijn akkoord heeft betuigd met de (verzending van) de betrokken memorie.
- Uit wat voorafgaat, volgt dat ambtshalve de memorie van antwoord uitgaande van de korpschef, uit het debat wordt geweerd. XIV-37.074-8/26 VI. Verzoek tot maatregel van onderzoek
- Verzoeker vordert in de memorie van wederantwoord om, preliminair, akte te nemen van zijn verzoek dat “gepaste maatregelen van onderzoek zouden worden bevolen” in de zin van artikel 16 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 „tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State‟ (hierna: de algemene procedure- regeling), meer bepaald “nopens het overleg dat verzoeker heeft gepleegd met CP [J.V.] in diens rol als „stage-coördinator‟, […] en de instructies die CP [J.V.], in zijn rol als „stage-coördinator‟, aan verzoeker heeft gegeven”. Deze onderzoeks- maatregelen bestaan volgens verzoeker uit het voeren van rechtstreekse briefwisseling “vanuit uw Raad, c.q. vanuit het auditoraat” met commissaris van politie J.V. en het horen van laatstgenoemde. Zonder dat de Raad van State moet onderzoeken of wat verzoeker vordert kan worden ingepast in de bevoegdheid bepaald in artikel 16, laatste lid van de algemene procedureregeling, en los van de vraag of verzoeker op ontvankelijke wijze dergelijke onderzoeksmaatregelen kan vorderen, blijkt uit de navolgende behandeling van de middelen dat de gevorderde onderzoeks- maatregelen geenszins noodzakelijk zijn voor de oplossing van het voorliggende geschil, zodat op verzoekers vraag niet wordt ingegaan. VII. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert in het eerste middel aan dat de bestreden beslissing in werkelijkheid een verkapte, bijkomende tuchtstraf is, die onwettig is omdat “
(1)[…] geen enkele vooraf bestaande rechtsnorm in het opleggen ervan heeft voorzien, zodat de korpschef nooit kan zijn toegelaten om deze tuchtstraf op XIV-37.074-9/26 te leggen - nulla poena sine lege: een straf, - weze het een tuchtstraf -, waarin niet door een vooraf bestaande wettelijke of reglementaire norm is voorzien, kan nooit wettig worden opgelegd - en
(2)dat niet de voorgeschreven procedure, met een voorafgaand advies van de Tuchtraad, is gevolgd.” Verzoeker meent, in wat kan worden beschouwd als een eerste grief, dat hij “hoger” voldoende heeft aangetoond dat de bestreden beslissing wel degelijk haar oorsprong vindt in de tuchtprocedure en dat zij in beslissende mate steunt op het motief om de - als laakbaar beoordeelde - wijze te bestraffen waarop hij zijn rol als mentor zou hebben uitgeoefend jegens inspecteur van politie V., specifiek door zich niet neutraal te hebben opgesteld bij het opmaken van een samenvattend stageverslag. Hij zet uiteen dat de bestreden ordemaatregel hem zwaarder treft dan de hem opgelegde lichte tuchtstraf : hij wijst er vooreerst op dat hij de taak van mentor reeds vijftien jaar uitoefent en is het gegeven dat zulks niet meer het geval is, zowel binnen het korps als daarbuiten “kenbaar, tastbaar en zichtbaar”. Voorts is zijn aanduiding als mentor een concreet teken van vertrouwen in zijn geschiktheid, integriteit, maturiteit en professionele excellentie en kan de ontneming van die taak niet anders worden gepercipieerd dan als een teken dat de korpsleiding niet langer vertrouwen stelt in de aanwezigheid van die professionele capaciteiten bij verzoeker. Tot slot wijst hij erop dat de genoegdoening en de persoonlijke invulling die verzoeker aan zijn werk als politieman heeft ontleend, in de voorbije periode alsmaar meer is gaan berusten op de omstandigheid dat hij de rol van mentor heeft kunnen en mogen opnemen, waarbij vooral het gegeven bepalend is dat wie mentor is, het voorrecht geniet zijn kennis, ervaring en inzichten te kunnen doorgeven aan de volgende generaties van politieambtenaren. Ook meent verzoeker dat de ordemaatregel meer lasten oplegt dan nodig is voor de goede werking van de dienst, precies omdat het niet de bedoeling ervan kan zijn om iemand te doen boeten. Te meer nooit een eigenlijk onderzoek plaatsvond over zijn functioneren als mentor, meent verzoeker dat geen enkel gegeven uit het dossier toelaat te stellen dat de opgelegde maatregel noodzakelijk is voor de goede werking van de dienst. Er blijkt helemaal niet dat XIV-37.074-10/26 hetgeen mis was gelopen, werkelijk zijn oorzaak zou hebben gevonden in een zodanig structureel gegeven dat er sprake kon zijn van een gewijzigde geschiktheid in hoofde van verzoeker om als mentor nog op te treden. In wat als een tweede grief kan worden beschouwd, meent verzoeker ten slotte dat er geen betwisting over kan bestaan dat de genomen ordemaatregel, die volgens hem in werkelijkheid een verkapte tuchtstraf is, als een zware tuchtstraf dient te worden beschouwd in vergelijking tot de lichte tuchtstraf van de blaam die hem op 6 januari 2016 werd opgelegd. In die zin kon de maatregel volgens verzoeker niet worden opgelegd zonder de tussenkomst van de Tuchtraad.
- In de memorie van wederantwoord repliceert verzoeker dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord uitdrukkelijk erkent dat door de bestreden beslissing een ongunstige appreciatie kenbaar wordt gemaakt van de manier waarop hij zijn taak als mentor uitoefende. Dit blijkt volgens hem reeds uit de omstandigheid dat deze maatregel is genomen zonder dat enig ander of verder onderzoek dan het tuchtonderzoek is gevoerd en dat de maatregel zijn - naar het oordeel van de korpschef - falend optreden bij het opstellen van het samenvattend stageverslag beteugelt. Verzoeker meent voorts te hebben aangetoond dat ook de tuchtstraf reeds haar oorzaak vond in de, naar het oordeel van de korpschef, onaanvaardbare wijze waarop hij zich als mentor zou hebben gedragen, meer specifiek bij de opmaak van het samenvattend stageverslag van inspecteur van politie V. Ook al zouden aan de bestreden ordemaatregel geen aanwijsbare nadelige gevolgen verbonden zijn, dan nog blijft verzoeker bij zijn standpunt dat de maatregel hem ernstig grieft op moreel vlak, temeer nu deze maatregel, meer nog dan de tuchtstraf, binnen het korps zichtbaar is als een teken dat de korpschef zijn vertrouwen in verzoeker als mentor opzegt. Aangezien de verwerende partij initiatiefnemer en auteur van de bestreden beslissing is, meent verzoeker tot slot dat het aan haar toekwam om de regels van de tuchtprocedure te volgen, nu de voorgenomen ordemaatregel in XIV-37.074-11/26 wezen neerkomt op de bestraffing van zijn ongepast bevonden gedrag bij de uitoefening van zijn taak als politieman en als stagementor in het bijzonder. Tot de voorzorgen die de verwerende partij in dit verband diende te nemen, behoorde volgens verzoeker ook de naleving van de actieve openbaarheid van bestuur, dit wil zeggen het informeren van verzoeker over het bestaan en de modaliteiten van de rechtsmiddelen die hem ter beschikking stonden om op te komen tegen de als ordemaatregel vermomde tuchtstraf.
- In de laatste memorie behandelt verzoeker zijn eerste en tweede middel gezamenlijk. Hij wijst erop dat hij heeft aangetoond dat ook de tuchtstraf reeds haar oorzaak vond in de, naar het oordeel van de korpschef, onaanvaardbare wijze waarop hij zich als mentor zou hebben gedragen, met name specifiek bij de opmaak van het samenvattend stageverslag van inspecteur van politie V., hetgeen hij zeer omstandig detailleert door middel van een herneming van zijn feitelijke uiteenzetting. Wat er ook van zij, uit de bestreden beslissing valt volgens verzoeker voorts met zekerheid het verband af te leiden tussen de tuchtprocedure en de ordemaatregel, hetgeen hij ook omstandig feitelijk toelicht, uiteenzet en herhaalt. Beoordeling Eerste grief - omtrent de kwalificatie als verkapte tuchtmaatregel
- Verzoeker voert in wat als een eerste grief kan worden beoordeeld, aan dat de bestreden ordemaatregel een verkapte tuchtstraf is die geen enkele rechtsnorm toelaat op te leggen.
- Artikel 44 van de wet van 7 december 1998 „tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus‟ (hierna: de wet van 7 december 1998) verleent aan de korpschef de rechtsgrond om maatregelen te nemen om de goede werking van het korps te verzekeren. Hij kan aldus, mits naleving desgevallend van de desbetreffende regels van het RPPol, een ordemaatregel als de voorliggende opleggen. Daarmee beweegt hij zich niet in de XIV-37.074-12/26 toepassingssfeer van de tuchtregeling, maar blijft hij binnen de opdracht die het voornoemde artikel 44 hem geeft, te weten met individuele beslissingen de dagelijkse werking van de dienst verzekeren. Anders is het wanneer blijkt dat de bevolen ordemaatregel in werkelijkheid een verkapte tuchtstraf is. Die kan niet worden ingepast in de voormelde bevoegdheid van de korpschef.
- De formele motivering van de bestreden beslissing is hiervoor weergegeven (supra, punt 3.5.). Hieruit blijkt dat verzoeker bij ordemaatregel niet langer wordt aangewezen als mentor. Die maatregel wordt formeel gemotiveerd vanuit de verstoring van de goede werking van de dienst omdat verzoeker zijn mentorschap niet naar behoren heeft uitgeoefend en de noodzaak daarom de goede werking van de dienst te herstellen. De bestreden beslissing dient zich derhalve aan als een ordemaatregel die is genomen omwille van het gedrag van verzoeker. Wanneer een verzoeker aanvoert dat een opgelegde maatregel die zich als een ordemaatregel aandient, in werkelijkheid een verkapte tuchtmaat- regel is, komt het aan hem toe om het voor de Raad van State aannemelijk te maken dat, ondanks de schijn van het tegendeel, de bestreden beslissing er uitsluitend of hoofdzakelijk toe strekt hem te bestraffen wegens disciplinaire tekortkomingen. Tot het bestaan van een dergelijke, niet-veruitwendigde bedoeling, kan niet worden besloten op grond van loutere subjectieve gevoelens van verzoeker. Integendeel dient verzoeker met verwijzing naar concrete omstandigheden aannemelijk te maken dat het determinerend motief van de ordemaatregel erin bestaat hem te bestraffen. De argumenten die verzoeker in dat verband in het verzoekschrift aanvoert worden hierna onderzocht.
- Waar verzoeker als eerste argument aanvoert dat hij voldoende heeft aangetoond dat de bestreden beslissing haar oorsprong vindt in de XIV-37.074-13/26 tuchtvervolging en in beslissende mate op het hem schuldig bevinden aan de laakbare wijze waarop hij zijn rol als mentor zou hebben uitgeoefend door zich niet neutraal te hebben opgesteld bij de opmaak van het samenvattend stageverslag, houdt de enkele vaststelling dat de ordemaatregel is opgelegd omwille van zijn wijze waarop hij zich van zijn taak als mentor heeft gekweten - in het bijzonder bij het opstellen van het samenvattend stageverslag - op zich niet in dat de ordemaatregel er uitsluitend of hoofdzakelijk toe strekt verzoeker te bestraffen wegens disciplinaire tekortkomingen. Het gegeven dat een ordemaatregel is genomen omwille van het gedrag van verzoeker betekent immers op zich niet dat het determinerend motief van de ordemaatregel erin bestaat hem te bestraffen. Hetzelfde geldt wat verzoekers standpunt betreft dat de ordemaatregel haar oorsprong zou vinden in de tuchtvervolging: ook dat verleent op zich niet een bestraffend karakter aan de ordemaatregel, los van het gegeven dat beide beslissingen niet steunen op dezelfde feiten. De omstandigheid dat, naar verzoekers mening, de ordemaat- regel hem moreel zwaarder zou treffen dan de opgelegde lichte tuchtstraf, is een eigen appreciatie van verzoeker gesteund op louter subjectieve gevoelens, maar doet op zich niet blijken dat de bestreden ordemaatregel een uitsluitend of hoofdzakelijk bestraffend karakter heeft. Uit wat volgt blijkt hieruit voorts evenmin dat aldus aan verzoeker meer lasten zijn opgelegd dan nodig voor de goede werking van de dienst.
- Waar verzoeker ook aanvoert dat de bestreden beslissing hem meer lasten oplegt dan nodig voor de goede werking van de dienst, komt het aan de Raad van State binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht, niet toe om zelf een beoordeling te maken van de omvang van het schadeverwekkend effect van de bestreden beslissing. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de korpschef is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of hij die correct heeft beoordeeld en of op grond daarvan, binnen de perken van de redelijkheid tot het besluit kan worden gekomen dat de bestreden ordemaatregel niet meer lasten oplegt dan nodig voor de goede werking van de dienst. XIV-37.074-14/26 Ter beoordeling van de vraag of de bestreden beslissing meer schade toebrengt dan nodig, is het wezenlijk om in die beoordeling ook het gegeven te betrekken of de verwerende partij over alternatieven beschikte die minder nadelig zouden zijn voor verzoeker. Niet blijkt dat verzoeker zulks aanvoert of aannemelijk maakt. Zulks blijkt in elk geval niet uit het betoog dat de ordemaatregel hem moreel zwaarder treft dan de lichte tuchtstraf.
- In de mate dat verzoeker tot slot kritiek uit dat er geen enkel dossiergegeven zou toelaten te stellen dat de bestreden maatregel noodzakelijk is om de goede werking van de dienst te waarborgen en dat niet blijkt dat wat is misgelopen, werkelijk zijn oorzaak zou hebben gevonden in een zodanig structureel gegeven dat er sprake kon zijn van een gewijzigde geschiktheid, valt die blote bewering van verzoeker in wezen samen met hetgeen verzoeker uiteenzet in het derde middel. Zoals hierna zal blijken, is dat middel ongegrond. Hij maakt aldus niet aannemelijk dat de korpschef in verband met die beoordeling buiten de grenzen van zijn beoordelingsbevoegdheid ter zake is getreden.
- Uit wat voorafgaat volgt dat de argumenten die verzoeker aangeeft, alleen dan wel samengenomen, niet volstaan om te besluiten dat de bestreden ordemaatregel een bestraffende maatregel is. Inzake de tweede grief: het niet inwinnen van het advies van de Tuchtraad
- Verzoeker ontwikkelt deze grief vanuit de hypothese dat de bestreden beslissing een verkapte tuchtmaatregel is. Uit wat voorafgaat blijkt evenwel dat die niet wordt bijgevallen. De Tuchtraad oefent zijn adviesbevoegdheid enkel uit in het raam van een tuchtprocedure zoals die is bepaald door de wet van 13 mei 1999 „houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten‟. Nu niet blijkt dat de aan verzoeker opgelegde ordemaatregel van bestraffende aard is, beweegt de korpschef bij het opleggen van de bestreden ordemaatregel zich niet in XIV-37.074-15/26 de toepassingssfeer van de tuchtregeling, maar maakte hij daarentegen toepassing van zijn hiervoor nader bepaalde bevoegdheid vervat in artikel 44 van de wet van 7 december
- Aldus diende de verwerende partij bij het opleggen van de ordemaatregel niet de regels van de tuchtprocedure te volgen, noch heeft de Tuchtraad ter zake enige bevoegdheid. De grief is derhalve ongegrond. De in latere processtukken ontwikkelde argumenten en kritieken
- In zoverre dat verzoeker in de memorie van wederantwoord en in de laatste memorie nieuwe of aanvullende argumenten en kritieken aanvoert, toont verzoeker niet aan dat hij deze niet reeds in zijn verzoekschrift had kunnen ontwikkelen. Aldus geeft verzoeker op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan zijn middel. Ze kunnen derhalve niet tot nietigverklaring leiden. In de mate dat het geen nieuwe of aanvullende argumenten betreffen, vallen ze samen met hetgeen hiervoor is uiteengezet. Ze leiden in dat geval evenmin tot het gegrond bevinden van het middel. Conclusie
- Het eerste middel is ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert in het verzoekschrift de schending aan van het ne bis in idem beginsel. Hij meent te hebben aangetoond dat de bestreden ordemaatregel is genomen ter bestraffing van het vermeend gebrek aan neutraliteit en het vermeend rancuneus opzet waarmee verzoeker jegens inspecteur van politie [V.] zou zijn opgetreden bij de opmaak van het samenvattend stageverslag. Ook de hem opgelegde tuchtstraf vindt volgens hem mede haar grond in de overweging dat verzoeker laakbaar zou hebben gehandeld bij de opmaak van datzelfde XIV-37.074-16/26 stageverslag. Voorts is de straf die hem bij de thans bestreden beslissing is opgelegd onbetwistbaar zwaarder dan de eigenlijke tuchtstraf. In de memorie van wederantwoord herneemt verzoeker het middel en benadrukt dat hij wel degelijk het bewijs heeft geleverd dat ook de tuchtstraf reeds haar oorzaak vond in zijn gedrag als mentor, specifiek bij de opmaak van het betrokken samenvattend stageverslag. In de laatste memorie behandelt verzoeker het eerste en tweede middel gezamenlijk. Beoordeling
- Verzoeker ontwikkelt het tweede middel vanuit de hypothese dat de bestreden beslissing een verkapte tuchtmaatregel is. Uit de behandeling van het eerste middel blijkt evenwel dat die niet wordt bijgevallen. Nu niet blijkt dat zowel de aan verzoeker opgelegde tuchtstraf als de bestreden beslissing van bestraffende aard zijn, is er geen schending van het door verzoeker ingeroepen algemeen rechtsbeginsel en dat los van de vraag of aan beide beslissingen identieke feiten of feiten die in hoofdzaak dezelfde zijn, ten grondslag liggen.
- Het tweede middel is ongegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- In het verzoekschrift voert verzoeker als derde middel aan, de miskenning “van de algemene beginselen, c.q. het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, in het bijzonder in volgende zin:
(1)gebrek aan zorgvuldige, XIV-37.074-17/26 uitputtende feitengaring, onder meer gelet hierop dat ook bij het nemen van de zogenaamde “ordemaatregel” enkel is voortgegaan op het tuchtonderzoek, zonder stelselmatig onderzoek naar de wijze waarop verzoeker zijn rol als “mentor” tot dan toe, ook jegens andere stagiaires, had vervuld, c.q. naar de structurele geschiktheid van verzoeker om voortaan nog opnieuw de rol van “mentor” op zich te nemen, ten aanzien van andere stagiaires, alsook
(2)afwezigheid van deugdelijk onderzoek naar de precieze omstandigheden waarin het gewraakte “samenvattende stageverslag” dat verzoeker op 30 april 2015 over de “probatiestage van INP [V.] had opgesteld, tot stand was gekomen, en meer in het bijzonder ter verificatie van de al te vlug opgevatte verdenking als zou verzoeker zich bij de opmaak van dit verslag door een persoonlijk conflict met ING [V.] hebben laten leiden […]”. De voorbarigheid waarmee louter op basis van de gegevens van het tuchtdossier is besloten dat verzoeker niet langer de kwaliteiten zou hebben om, zoals de voorbije vijftien jaar tot ieders tevredenheid, te blijven optreden in de rol van mentor, is volgens hem niet verenigbaar met het vereiste dat elke administratieve rechtshandeling steun moet vinden in objectieve gegevens van de zaak en in verhouding moet staan tot datgene wat in redelijkheid uit die gegevens kan worden afgeleid. Verzoeker stelt dat geen enkel verder onderzoek is gedaan naar de precieze ontstaansgeschiedenis van het gewraakte samenvattend eindverslag dat hij in overleg met, zelfs in opdracht van zijn oversten, omtrent de probatiestage van inspecteur van politie V. heeft opgesteld. Hij verwijst ter zake naar wat hij hieromtrent “hoger” heeft aangevoerd in de uiteenzetting van de feiten en hij herinnert aan zijn verzoek tot gepaste onderzoeksmaatregelen omtrent de rol die zijn hiërarchische overste heeft gehad bij de totstandkoming van het samenvattend eindverslag over de probatiestage van de inspecteur van politie V. Verzoeker meent dat er geen ernstige onderbouwing voorligt voor de stelling als zou hij zich bij het opstellen van het bedoelde eindverslag hebben laten leiden door een partijdige, negatieve ingesteldheid jegens inspecteur van politie V., laat staan dat dit eenmalige feit op zich zou kunnen volstaan om te oordelen dat hij niet langer als mentor kan blijven fungeren, temeer nu hij deze XIV-37.074-18/26 functie vijftien jaar lang probleemloos en tot ieders voldoening heeft uitgeoefend. Meteen zijn ook het redelijkheids- en evenredigheidsbeginsel geschonden.
- In de memorie van wederantwoord merkt verzoeker nog op dat het gebrek aan onderzoek naar de precieze ontstaansgeschiedenis van het gewraakte samenvattend stageverslag blijkt uit de vergelijking van de administratieve dossiers in deze zaak en in de tuchtzaak, die volgens verzoeker overigens ook genomen is omwille van zijn handelwijze bij de opmaak van het stageverslag. Verzoeker merkt op dat met het oog op de voorbereiding van de ordemaatregel niet één bijkomend gegeven aan het administratief dossier is toegevoegd, laat staan dat een ernstig onderzoek is gebeurd in het kader van deze maatregel. De verwerende partij kan, aldus verzoeker, evenmin voorhouden dat de korpschef zich inlichtingen, gegevens of stukken zou hebben laten overleggen die een licht kunnen werpen op de wijze waarop hij het mentorschap de laatste vijftien jaar heeft vervuld. Indien dit onderzoek wel zou zijn gevoerd, zou de korpschef volgens verzoeker nooit tot de thans bestreden beslissing zijn gekomen, nu er uit zou zijn gebleken dat hij zich steeds voortreffelijk van zijn rol als mentor heeft gekweten. Verzoeker meent dat de verwerende partij haar eigen verzuim om een degelijk onderzoek te voeren niet kan verschonen door kritiek te uiten op de manier waarop hij zich heeft verweerd naar aanleiding van de voorgenomen maatregel en dat het afkeuring verdient dat de korpschef de ordemaatregel heeft opgelegd zonder bij de voorbereiding van deze maatregel in contact te zijn getreden met verzoekers hiërarchische overste, die nochtans goed geplaatst was om verslag te doen over zijn merites en eventuele zwaktes bij het uitoefenen van zijn taak als mentor in het algemeen en in het kader van de probatiestage van inspecteur van politie V. in het bijzonder. Verzoeker wijst er bijkomend nog op dat het “schooldossier” van inspecteur van politie V. met veel vertraging beschikbaar was en dat dit een ander licht op haar persoonlijkheid en ingesteldheid heeft geworpen, hetgeen XIV-37.074-19/26 verklaart waarom de inschatting van haar functioneren “nog gevoelig is geëvolueerd” na het eerste stageverslag dat verzoeker als mentor opstelde. Ten slotte merkt verzoeker op dat hij nooit als dusdanig op de hoogte is gesteld van het feit dat na en omwille van de onenigheid die tussen hem en inspecteur van politie V. is ontstaan naar aanleiding van de gezamenlijke interventie op 18 februari 2015, een einde zou zijn gesteld aan zijn taak als mentor van inspecteur van politie V., en dat een andere collega, die hem feitelijk heeft vervangen als mentor, nooit overleg met hem heeft gepleegd. Hoe dan ook wijst verzoeker erop dat hij steeds te goeder trouw heeft gehandeld. Beoordeling
- Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van het middel op grond van de volgende overwegingen. De bestreden beslissing steunt op het onderzoek dat commissaris van politie W. voerde naar aanleiding van het negatieve verslag dat verzoeker opstelde op het einde van de stage van inspecteur van politie V. Op grond van de daarin vermelde gegevens en vaststellingen is de korpschef tot de thans bestreden ordemaatregel gekomen. De korpschef stelt vooreerst vast dat de tussentijdse evaluatie die verzoeker na drie maanden probatiestage opstelde, duidelijk positief was, dat nauwelijks negatieve werkpunten gesignaleerd werden en dat vervolgens gedurende de drie daaropvolgende maanden geen signalen aan de stageleider werden gegeven dat één en ander misliep, en dat derhalve mag worden verwacht dat de probatiestage naar wens verloopt zonder dat moet worden ingegrepen of bijgestuurd. Vervolgens stelt de korpschef vast dat verzoeker in de periode na 18 februari 2015 tot 30 april 2015 zijn houding plots wijzigt, in die zin dat hij een samenvattend stageverslag opstelt dat steunt op een volstrekt onjuiste beoordeling, die aanleiding geeft tot een bijkomend onderzoek, waarin vastgesteld wordt dat de eindbeoordeling manifest onjuist is. Omtrent het door verzoeker ingeroepen gebrek aan onderzoek naar de concrete ontstaansgeschiedenis van het gewraakte samenvattend stageverslag motiveert de bestreden beslissing als volgt: XIV-37.074-20/26 “Daarenboven verantwoordt het geenszins de wijze waarop u tot uw eindbe- oordeling bent gekomen. Een wijze die ik niet kan volgen zodat ik, gelet op de manifeste onjuistheid ervan, niet langer in het kader van de goede werking van de dienst, u dit mentorschap kan toevertrouwen. Uw verwijt dat er onvoldoende onderzoek zou gedaan zijn naar de concrete omstandigheden van de bestaans- geschiedenis van de gewraakte eindevaluatie, treed ik niet bij, temeer daar u alleszins in de mogelijkheid was om daaromtrent nadere toelichting te geven, wat u niet doet. Ik heb u de mogelijkheid gegeven om uw standpunt weer te geven doch ik vind in uw memorie geen enkel argument terug dat mij zou kunnen overtuigen dat u terecht tot uw besluitvorming bent gekomen in alle objectiviteit en rekening houdende met alle elementen m.b.t. de uitoefening van de probatiestage. De discrepantie tussen enerzijds het tussentijds verslag en anderzijds het eindverslag, de discrepantie tussen uw verslag en de vaststelling van INP [D.] die de laatste twee maanden met INP [V.] heeft gewerkt, zijn dermate groot dat ik mag verwachten dat u daarvoor in uw verweer tot een concrete toelichting en verantwoording komt. Die heb ik niet gevonden in uw memorie.” Uit de aldus vastgestelde discrepantie tussen het tussentijdse stageverslag enerzijds en het eindstageverslag anderzijds, en de discrepantie tussen verzoekers eindstageverslag enerzijds en de vaststellingen van verzoekers collega die de laatste twee maanden met inspecteur van politie V. heeft gewerkt anderzijds, en uit het feit dat verzoeker voor deze discrepanties geen concrete toelichting of verantwoording geeft in zijn verweer, kon de korpschef redelijkerwijze afleiden dat verzoekers beoordeling en houding de goede werking van de dienst en in het bijzonder de goede werking van het mentorschap ernstig in gevaar brengt indien hij verzoeker zou toelaten dit mentorschap verder op te nemen. Verzoeker slaagt er niet in aan te tonen dat de korpschef op basis van het verslag van commissaris van politie W. en de daarin opgenomen vaststellingen op onredelijke wijze tot zijn besluit zou zijn gekomen. Wat verzoekers vraag betreft om thans aan de hand van een onderzoeksmaatregel het aandeel van commissaris van politie J. V. in het opstellen van het samenvattend stageverslag na te gaan, bemerkt het auditoraat dat verzoeker niet alleen in het kader van de voorgenomen ordemaatregel op geen enkel ogenblik te berde heeft gebracht dat hij in overleg of zelfs op instructie van de voornoemde politieofficier zou hebben gehandeld, bovendien legt hij geen enkel concreet bewijsstuk voor dat staaft dat commissaris van politie V. hem dergelijke instructies zou hebben gegeven. XIV-37.074-21/26 In zoverre dat verzoeker stelt dat de korpschef de bestreden beslissing heeft genomen zonder omtrent zijn voornemen daartoe, contact op te nemen met verzoekers hiërarchische overste, rust op de korpschef geen dergelijke verplichting indien hij van mening is dat de gegevens waarover hij beschikt volstaan om zijn besluit te verantwoorden. Voorts bemerkt het auditoraat dat het feit dat bepaalde stavingsstukken aanwezig zouden zijn zowel in het tuchtdossier als in het dossier met betrekking tot de ordemaatregel, geenszins betekent dat het onderzoek gebrekkig zou zijn gevoerd. Wanneer, zoals te dezen, in het kader van een tuchtdossier bepaalde feiten blijken die de goede werking van de dienst in het gedrang zouden kunnen brengen, kan de verwerende partij daar een andere maatregel aan koppelen indien zij dit nodig acht en voor zover dit geen verdoken dan wel bijkomende tuchtmaatregel is. Zoals blijkt uit wat voorafgaat, is dit te dezen niet het geval. Dat verzoeker zich de voorbije vijftien jaar voortreffelijk van zijn rol als mentor heeft gekweten en dat het om een eenmalig feit gaat, neemt niet weg dat de verwerende partij kan optreden wanneer zij plots vaststelt dat verzoeker deze taak niet langer uitoefent zoals het hoort en de wijze waarop verzoeker ze thans uitoefent een bedreiging vormt voor de goede werking van de dienst en voor de goede werking van het mentorschap in het bijzonder. In zoverre dat verzoeker zich in de memorie van wederantwoord poogt te verantwoorden voor het feit dat hij, na eerst een positief verslag over inspecteur van politie V. te hebben opgesteld, vervolgens, na hun gezamenlijke interventie op 18 februari 2015, een uiterst negatief verslag heeft opgesteld, gaat hij voorbij aan hetgeen - onder meer - daaromtrent in de bestreden beslissing gemotiveerd wordt: “Uw argumentatie m.b.t. het ontbreken van een tijdige, uitgewerkte voorbe- reiding binnen het korps, het niet tijdig beschikbaar zijn van het studieverslag, het ontbreken van een stageplan, het ontbreken van enige vorm van opleiding,... verbaast mij enigszins wanneer dit wordt geuit door een mentor die zich beroept op een jarenlange ervaring en die noch in het eerste tussentijdse verslag, noch in het samenvattend stageverslag daaromtrent opmerkingen formuleert. Binnen het kader van een goede werking mag ik ervan uitgaan dat de ervaren medewerker aan wie XIV-37.074-22/26 gevraagd wordt het mentorschap op zich te nemen, tijdig melding maakt van eventuele gebreken in de voorbereiding van de probatiestage, het ontbreken van documenten, het ontbreken van enige opleiding,... en dit met het oog op de goede werking van de dienst en een correct uitvoeren van de probatiestage en verslaggeving daaromtrent. Wanneer u thans stelt dat u deze taak op u hebt genomen terwijl u dergelijke gebreken en mankementen hebt vastgesteld, voor zover waar, dan had u minstens dit tijdig moeten melden. Door uw houding van niet-melding ontstaat dan ook een vertrouwensbreuk voor wat betreft het aan u toevertrouwen van het mentorschap. Daarenboven verantwoordt het geenszins de wijze waarop u tot uw eindbeoordeling bent gekomen. Een wijze die ik niet kan volgen zodat ik, gelet op de manifeste onjuistheid ervan, niet langer in het kader van de goede werking van de dienst, u dit mentorschap kan toevertrouwen. Uw verwijt dat er onvoldoende onderzoek zou gedaan zijn naar de concrete omstandigheden van de bestaansgeschiedenis van de gewraakte eindevaluatie, treed ik niet bij, temeer daar u alleszins in de mogelijkheid was om daaromtrent nadere toelichting te geven, wat u niet doet. Ik heb u de mogelijkheid gegeven om uw standpunt weer te geven doch ik vind in uw memorie geen enkel argument terug dat mij zou kunnen overtuigen dat u terecht tot uw besluitvorming bent gekomen in alle objectiviteit en rekening houdende met alle elementen m.b.t. de uitoefening van de probatiestage. De discrepantie tussen enerzijds het tussentijds verslag en anderzijds het eindverslag, de discrepantie tussen uw verslag en de vaststelling van INP [D.] die de laatste twee maanden met INP [V.] heeft gewerkt, zijn dermate groot dat ik mag verwachten dat u daarvoor in uw verweer tot een concrete toelichting en verantwoording komt. Die heb ik niet gevonden in uw memorie.” In de mate dat verzoekers argumentatie ertoe strekt de beoorde- ling van de zaak te laten overdoen, behoort zulks niet tot de bevoegdheid van de Raad van State. Te dezen kan volgens het auditoraat enkel worden vastgesteld dat de korpschef, op grond van de hem beschikbare gegevens en op grond van de tegenargumenten van verzoeker, in redelijkheid tot zijn besluit is kunnen komen. Dat verzoeker meent steeds te goeder trouw te hebben gehandeld, neemt niet weg dat de korpschef op grond van de hem voorliggende gegevens tot het besluit kon komen dat het in het belang van de goede werking van de dienst, en meer in het bijzonder in het belang van de goede werking van het mentorschap, niet langer aangewezen is om verzoeker thans als mentor te laten optreden.
- Verzoeker betwist deze conclusie, maar beperkt zich ter zake in de laatste memorie tot het letterlijk herhalen van zijn reeds in eerdere procedurestukken uiteengezette standpunten, zonder daarbij enig onderscheid te maken tussen wat hij aanvoerde inzake enerzijds het derde en anderzijds het vierde XIV-37.074-23/26 middel. Hij verzuimt in elk geval op enige wijze inhoudelijk te reageren op de beoordeling van het middel door het auditoraat. De Raad van State ziet geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het derde middel ongegrond. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert in het vierde middel aan dat de bestreden beslissing “voortgaat op en de verdere uitwerking vormt van de eerdere tuchtbeslissing” van 6 januari 2016, zodat ze “in de onwettigheid van deze eerdere beslissing” deelt, zodat “verzoeker de middelen herneemt die hij tegen de eerdere beslissing d.d. 06.01.2016 heeft aangevoerd, om deze thans ook te richten tegen de [bestreden] beslissing houdende een zogenaamde „ordemaatregel‟.” In de memorie van wederantwoord herhaalt verzoeker het in zijn verzoekschrift uiteengezette middel en voegt hieraan toe hetgeen hij heeft uiteengezet in zijn memorie van wederantwoord in de zaak A. 218.682/XIV-36.
- In de laatste memorie herneemt verzoeker - weliswaar onder het kopje van het derde middel - integraal het in zijn verzoekschrift uiteengezette middel. Beoordeling
- Verzoeker betoogt dat de bestreden beslissing “voortgaat op en de verdere uitwerking vormt” van de beslissing van 6 januari 2016 van de korpschef, optredend als gewone tuchtoverheid, waarbij aan verzoeker de lichte tuchtstraf van de blaam is opgelegd. Deze beslissing maakt het voorwerp uit van een beroep tot nietigverklaring gekend onder nr. A. 218.682/XIV-36.953 (zie XIV-37.074-24/26 supra, punt 3.2.). In het voorliggende middel herneemt verzoeker de middelen die hij tegen de voornoemde beslissing van 6 januari 2016 heeft aangevoerd. Zonder dat de Raad van State moet onderzoeken of de thans bestreden beslissing te dezen een gevolgakte is van de eerdere tuchtbeslissing van 6 januari 2016, wordt vastgesteld dat bij arrest nr. 244.247 van heden het beroep tegen die tuchtbeslissing is verworpen. De tuchtbeslissing van 6 januari 2016 is derhalve definitief geworden, zodat de onregelmatigheid ervan thans niet meer kan worden opgeworpen in het raam van het voorliggende beroep.
- Het vierde middel is niet-ontvankelijk. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigver- klaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegings- vergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. XIV-37.074-25/26 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drieëntwintig april tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-37.074-26/26 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.248 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div