id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 april 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.287 Rolnummer: A. 224838/XII-8525 Zaak: Arrest 244287 - Overheidsopdrachten - 25/04/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-05-02 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-21 07:21 Fiche Arrest nr 244.287 van 25 april 2019 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER nr. 244.287 van 25 april 2019 in de zaak A. 224.838/XII-8525 In zake: de BVBA VEISTERS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Nele Vercruysse kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 15 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de STAD GENT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten John Devers en Patrick Devers kantoor houdend te 9000 Gent Kouter 71-72 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 23 maart 2018, strekt tot de nietig- verklaring van “de beslissing van het College van Burgemeester en Schepenen van de Stad Gent van 26 oktober 2017 waarin (enerzijds) beslist wordt om de opdracht „vernieuwen van het buitenschrijnwerk van zaal 41-42, Bijlokesite Gent – bestek nummer BOU/2016/062-ID 3013‟ te gunnen aan Wycor NV […] en waarin (anderzijds) de beslissing om de offerte van de [bvba Veisters] niet te selecteren ligt vervat”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge- diend die aan de verzoekende partij ter kennis werd gebracht op 6 juli
- XII-8525- 1/8 De verzoekende partij heeft op 13 september 2018 een memorie van wederantwoord ingediend. Op respectievelijk 26 september 2018 en 1 oktober 2018 heeft de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, aan de verzoekende partij en de verwerende partij de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 14bis, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 „tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State‟. De verzoekende partij heeft gevraagd om te worden gehoord. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting van 11 december 2018, datum waarop de zaak is uitgesteld naar de terechtzitting van 22 januari
- Staatsraad Johan Bovin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Fien D‟Haenens, die loco advocaat Nele Vercruysse verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat John Devers, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Ines Martens heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- XII-8525- 2/8 III. Toepassing van artikel 21, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 3.
- Naar luid van artikel 21, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, stelt de Raad van State het ontbreken van het vereiste belang vast als de verzoekende partij de termijn voor het toesturen van de memorie van wederantwoord niet eerbiedigt. 3.
- De verzoekende partij heeft voor het instellen van het beroep tot nietigverklaring gekozen voor de elektronische procesvoering. 3.
- Artikel 85bis, § 1, tweede lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 „tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuurs- rechtspraak van de Raad van State‟ (hierna: het algemeen procedurereglement), bepaalt: “In afwijking van de artikelen 14quater en 14quinquies, 84, 85, 86 en 87, wordt overeenkomstig de bepalingen van dit artikel te werk gegaan wanneer gebruik gemaakt wordt van de elektronische procesvoering.” Artikel 85bis, § 4, van hetzelfde besluit bepaalt: “§
- De keuze voor elketronische procesvoering is in het kader van de betrokken zaak definitief voor een dossierbeheerder van zodra die een processtuk langs elektronische weg heeft gedeponeerd en deze beheerder kan de overige proceshandelingen dan alleen nog op diezelfde manier stellen.” Artikel 85bis, § 13, van hetzelfde besluit bepaalt: “§
- De Raad van State deelt de processtukken, alsook de betekeningen, kennisgevingen en oproepingen mee via neerlegging in het elektronisch dossier. Ten aanzien van de overige personen heeft de mededeling plaats overeenkomstig artikel
- De dossierbeheerders en hun gedelegeerden worden per elektronisch bericht van deze neerlegging op de hoogte gebracht. Een elektronisch afschrift van de hun toegezonden berichten wordt op de website bewaard. XII-8525- 3/8 De termijnen die deze berichten doen ingaan, nemen een aanvang wanneer de bestemmeling het stuk voor het eerst raadpleegt, ongeacht het de dossierbeheerder dan wel een van zijn gedelegeerden betreft. Wanneer een stuk door de bestemmeling ervan niet is geraadpleegd binnen drie werkdagen na het versturen van het bericht, wordt een elektronisch herinneringsbericht verstuurd. Wanneer het stuk niet is geraadpleegd, wordt het geacht ter kennis te zijn gebracht bij het verstrijken van de derde werkdag nadat het elektronisch herinneringsbericht is verstuurd. […].” Artikel 85bis, § 14, van hetzelfde besluit, bepaalt: “§
- In het geval dat de website voor elektronische procesvoering van de Raad van State tijdelijk gedurende meer dan een uur onbeschikbaar is, wordt elke termijn die vervalt op de dag dat deze onbeschikbaarheid zich voordoet, van rechtswege verlengd tot het verstrijken van de werkdag volgend op de dag waarop een einde is gekomen aan de onbeschikbaarheid. De periode waarin de website onbeschikbaar is geweest, worden op de website vermeld. In het geval dat de informaticamiddelen van een partij die gebruik maakt van de elektronische procesvoering tijdelijk onbeschikbaar zijn, kan elk stuk met de post overeenkomstig artikel 84 of per faxbericht naar de Raad van State worden gestuurd; de verzoekschriften en memories dienen slechts in een exemplaar te worden neergelegd. In deze zending wordt melding gemaakt van de onbeschikbaarheid. De partij bij het geding voert de inhoud van de zending in op de website zodra dat mogelijk is.” 3.
- In het Verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 13 januari 2014 „tot wijziging van het regentsbesluit van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State en het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State, met het oog op de invoering van de elektronische rechtspleging‟, wordt artikel 85bis, § 13, toegelicht als volgt: “Art. 85bis, § 13 Voor de partijen die gekozen hebben voor elektronische procesvoering vindt iedere kennisgeving door de Raad van State plaats via neerlegging in het elektronisch dossier. Voor de partijen die niet voor elektronische procesvoering hebben gekozen, verloopt de procedure via de post. De XII-8525- 4/8 dossierbeheerder wordt van die neerlegging in kennis gesteld via e-mail. De termijn gesteld om in voorkomend geval een processtuk neer te leggen ingevolge de daartoe gedane kennisgeving gaat in vanaf de eerste raadpleging door de dossierbeheerder of door een van zijn gedelegeerden. Deze eerste raadpleging is in feite de tegenhanger van de inontvangst- neming van een aangetekende zending. Op de website zal melding worden gemaakt van deze raadpleging; dat bericht is toegankelijk voor iedere persoon die het dossier raadpleegt. Het ontwerpbesluit bevat een bepaling die het geval regelt waarbij de geadresseerde het neergelegde document niet raadpleegt; die bepaling grijpt zowel terug naar artikel 4, § 2, van de procedureregeling, als naar artikel 7, tweede alinea, van het besluit van het Hof van Justitie van 13 september 2011 betreffende de neerlegging en de betekening van processtukken met behulp van de applicatie e-Curia (2011/C 289/06), met dien verstande dat de termijn drie dagen bedraagt in plaats van zeven, maar dat een herinneringsbericht wordt verstuurd. Indien de stukken niet zijn geraadpleegd binnen drie werkdagen na het verzenden van het emailbericht, wordt een herinneringsmail gestuurd. Indien de stukken niet zijn geraadpleegd binnen drie werkdagen volgend op deze herinnering, gaat de termijn in zelfs indien geen raadpleging heeft plaatsgehad. […].” 3.
- Te dezen heeft de verzoekende partij gekozen voor de elektronische procesvoering en woonplaatskeuze gedaan bij haar advocaat. Met een elektronisch bericht van 27 juni 2018 werd haar advocaat ervan op de hoogte gebracht dat de verwerende partij een memorie van antwoord had neergelegd op het uitwisselingsplatform e-ProAdmin in de huidige zaak. Aangezien dit stuk door de verzoekende partij niet werd geraadpleegd binnen drie werkdagen na het versturen van het voormeld elektronisch bericht, werd met toepassing van het voormelde artikel 85bis, § 13, vierde lid, van het algemeen procedurereglement, op 2 juli 2018 aan de advocaat van de verzoekende partij een elektronisch herinneringsbericht verstuurd. Aangezien de neergelegde memorie van antwoord niet werd geraadpleegd, dient de neerlegging ervan krachtens dezelfde bepaling te worden geacht ter kennis te zijn gebracht bij het verstrijken van de derde werkdag nadat het elektronisch herinneringsbericht is verstuurd, te weten de derde werkdag na 2 juli 2018, dit is 6 juli
- XII-8525- 5/8 3.
- In de elektronische berichten waarbij de verzoekende partij op de hoogte werd gebracht van de neerlegging van de memorie van antwoord in het elektronisch dossier heeft de griffie bestuursrechtspraak de bijzondere aandacht gevestigd op het genoemde artikel 21, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, wat betreft de gevolgen van het niet (tijdig) indienen van memories, en van artikel 14bis, § 1, van het algemeen procedurereglement. 3.
- De verzoekende partij heeft op 13 september 2018 een memorie van wederantwoord op het uitwisselingsplatform e-ProAdmin neergelegd, dit is meer dan 60 dagen na het verstrijken van de derde werkdag na het versturen van het elektronisch herinneringsbericht op 2 juli 2018, en bijgevolg laattijdig. 3.
- Met een brief van 8 oktober 2018 én ter terechtzitting stelt de advocaat van de verzoekende partij dat zij slechts naar aanleiding van een e-mailbericht ontvangen in een andere zaak, op het uitwisselingsplatform e-ProAdmin vaststelde dat in de huidige zaak een memorie van antwoord was neergelegd door de verwerende partij, en dat zij noch op 27 juni 2018, noch op 2 juli 2018 een e-mailbericht van de Raad van State mocht ontvangen. Zij vraagt aan te tonen dat die e-mailberichten effectief werden verstuurd en ontvangen op haar e-mailadres. 3.
- Krachtens het hiervoor aangehaalde artikel 85bis, § 4, van het algemeen procedurereglement, is de keuze voor de elektronische procesvoering voor de dossierbeheerder definitief. Ingevolge deze keuze is de advocaat van de verzoekende partij, bij wie keuze van woonplaats is gedaan, ertoe gehouden ervoor te zorgen dat zijn infomaticasysteem hem op elk ogenblik in staat stelt kennis te nemen van alle processtukken, betekeningen, kennisgevingen en oproepingen die worden meegedeeld via neerlegging in het elektronisch dossier. Tevens is hij er in dat geval toe gehouden geregeld in te loggen op het uitwisselingsplatform om na te gaan of er nieuwe stukken zijn neergelegd. XII-8525- 6/8 Te dezen heeft de advocaat van de verzoekende partij de Raad van State er ook op geen enkel ogenblik van in kennis gesteld dat haar informaticamiddelen of de website voor de elektronische procesvoering, tijdelijk onbeschikbaar zouden zijn geweest, noch gehandeld overeenkomstig de bepalingen van het voormelde artikel 85bis, § 14, van het algemeen procedurereglement. De omstandigheid dat aan de verzending door de Raad van State van het elektronisch herinneringsbericht een aanvangsdatum van kennisneming wordt gekoppeld, leidt niet tot een andere conclusie. De keuze voor het gebruik van de elektronische procesvoering houdt immers de verplichting tot waakzaamheid in. De ontvangst van het elektronisch bericht is ook geen voorwaarde om de betrokken stukken op het elektronisch platform te kunnen raadplegen. Te dezen blijkt ook dat, zoals door artikel 85bis, § 13, derde lid, van het algemeen procedurereglement is vereist, een elektronisch afschrift van de aan de advocaat van de verzoekende partij op 27 juni 2018 en 2 juli 2018 toegezonden berichten, waarbij zij van deze neerlegging op de hoogte is gebracht, op de website van de Raad van State is bewaard. 3.
- Om de termijnen een aanvang te doen nemen, volstaat het bijgevolg dat blijkt, zoals te dezen het geval is, dat de door artikel 85bis, § 13, van het algemeen procedurereglement bedoelde elektronische berichten zijn verzonden. 3.
- Er dient met toepassing van artikel 21, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, te worden vastgesteld dat het vereiste belang om de gevorderde vernietiging te verkrijgen, ontbreekt. XII-8525- 7/8 IV. Kosten
- De kosten van het beroep, met inbegrip van de door de verwerende partij gevraagde basisrechtsplegingsvergoeding van 700 euro, vallen ten laste van de verzoekende partij. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 25 april 2019, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Johan Bovin, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Greta Scheveneels, griffier. De griffier De voorzitter Greta Scheveneels Johan Bovin XII-8525- 8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.287 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.