← België

Arrest 244292 - Penitentiair recht - 25/04/2019

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 april 2019 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.292 Rolnummer: A. 227927/XIV-38025 Zaak: Arrest 244292 - Penitentiair recht - 25/04/2019 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2019-04-29 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-24 01:50 Fiche Arrest nr 244.292 van 25 april 2019 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 244.292 van 25 april 2019 in de zaak A. 227.927/XIV-38.025 In zake: Kevin LAPEIRE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Laurens De Koninck kantoor houdend te 8830 Hooglede Kerkstraat 17 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 19 april 2019, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de “beslissing tot tuchtsanctie dd. 16-04-2019, uitgaande van de directie van het penitentiair complex te Brugge”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een administratief dossier ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 april 2019 om 11.00 uur. Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. XIV-38.025-1/8 Advocaat Ruth Van Ooteghem, die loco advocaat Laurens De Koninck verschijnt voor verzoeker, en attaché Xaveer Laureyns, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. Verzoeker is opgesloten in de gevangenis te Brugge. 3.
  5. Op 13 april 2019 wordt over verzoeker een rapport gericht aan de directeur van de penitentiaire inrichting waar hij verblijft. Het rapport vermeldt: “Tijdens het uitvoeren van een celcontrole op cel […] bij [verzoeker] werd er een vermoedelijke verboden substantie gevonden. Dit zat verstopt in een plastic zakje onder de lavabo. De substantie zelf was verhard en donkerbruin van kleur.” Op 13 april 2014 wordt verzoeker ervan in kennis gesteld dat na onderzoek van het genoemde rapport een tuchtprocedure wordt opgestart conform artikel 144 van de basiswet. Hij wordt uitgenodigd om te worden gehoord op 16 april
  6. De hoorzitting waarop verzoeker wordt bijgestaan door zijn raadsman en waarvan verslag wordt opgesteld, vindt plaats op 16 april
  7. Op 16 april 2019 wordt aan verzoeker de tuchtsanctie opgelegd van “[d]e afzondering in de aan de gedetineerde toegewezen verblijfsruimte 30 dagen (13/04/2019 tot een met 13/05/2019)”. Deze beslissing steunt op de volgende motivering: XIV-38.025-2/8 “De gedetineerde heeft tot plicht er zorg voor te dragen dat hij door zijn gedrag ten opzichte van het personeel, medegedetineerden en andere personen de orde en de veiligheid niet in gevaar brengt of verstoort (art. 106 §1 van de basiswet 12.1.2005) Gelet op het bezit van of de handel in door of krachtens de wet verboden substanties dient een sanctie opgelegd te worden. Het is voor gedetineerden verboden om in het bezit te zijn van wettelijk verboden voorwerpen. (p. 9 huishoudelijk reglement) De gevangenis is een omgeving waar normen en regels noodzakelijk zijn om het voor iedereen leefbaar te houden. Gelet op het feit dat de regels niet werden nageleefd, lijkt een sanctie hier op zijn plaats.” Dit is de bestreden beslissing. IV. De schorsingsvoorwaarden
  8. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting door verzoeker
  9. Onder de titel “IV.A.
  10. Uiterst dringende noodzakelijkheid (spoedeisendheid) + moeilijk te herstellen nadeel” stelt verzoeker in zijn verzoekschrift dat “aangezien de sanctie van dertig dagen ATV reeds lopende is, het duidelijk [is] dat [de vordering] uiterst dringend is zodoende een einde te maken aan deze sanctie.” Hij stelt dat daaruit volgt dat de gewone vordering tot schorsing te dezen niet zou volstaan omdat een schorsingsarrest slechts zou tussenkomen “na het verstrijken van de termijn van de bestreden beslissing.” XIV-38.025-3/8 Verzoeker preciseert vervolgens dat het “voorgaande evenwel geen voldoende voorwaarde is”. Hij voegt evenwel toe dat er “in zijn hoofde” onherroepelijke schade zou ontstaan indien verdere uitvoering aan de bestreden beslissing wordt verleend om de volgende redenen. Hij stelt vooreerst dat nadien geen voldoende rechtsherstel kan bekomen worden door middel van een loutere vernietiging van de bestreden maatregel. Het gegeven dat er geen opzet aanwezig was in hoofde van verzoeker en hij toch een tuchtrechtelijke veroordeling oploopt, is bijzonder zwaar om dragen. Het zorgt voor blijvende frustraties, die hij mentaal onmogelijk kan kanaliseren. Hij zit momenteel in voorlopige hechtenis, en werd “destijds overgeplaatst naar een meer beveiligde sectie in de afdeling „mannen 1‟” waardoor verzoeker het zwaarder te verduren heeft dan de gemiddelde gedetineerde die zich in voorlopige hechtenis bevindt. Door de opgelegde sanctie (ATV) wordt de vrijheid van verzoeker nog ingeperkt. Verzoeker dient zijn bezoeken thans achter glas te ontvangen, hetgeen een ernstige inperking inhoudt van zijn recht op privéleven. Voorts stelt verzoeker nog te vrezen “dat hij geviseerd wordt en vindt het beangstigend dat hij zonder opzet en schuld tuchtrechtelijk bestraft kan worden. “Voor zover als nodig” benadrukt verzoeker nog dat hij gedetineerd is en het dus allerminst een evidentie is om de aanwezigheid van een moreel lijden aan te tonen. Hij meent dat “de voorwaarde van spoedeisendheid een quasi onmogelijke barrière vormt om een bestreden tuchtbeslissing te doen schorsen middels uiterst dringende noodzakelijkheid”, hetgeen “schrijnend is, daar de Belgische Staat in gebreke blijft om een functionerend intern klachtrecht te installeren.” Tot slot, doet hij gelden dat de opgelopen tuchtsanctie ontegensprekelijk een negatieve invloed zal hebben op het proces ten gronde van verzoeker. Tevens bestaat de mogelijkheid dat verzoeker zich voor de feiten van onderhavige tuchtbeslissing zal moeten verantwoorden voor de correctionele rechtbank. Verzoeker wijst er ook op dat hij diligent heeft gehandeld. XIV-38.025-4/8 Beoordeling
  11. De schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van de rechten van verdediging van de verwerende partij. De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak meteen voor iedereen zonder meer duidelijk is, of door de verzoekende partij op duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond. Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 „tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State‟, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen.” Dit impliceert dat een verzoekende partij aan de hand van precieze en concrete gegevens aannemelijk maakt dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien ze pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of de belangen van de verzoekende partij veilig te stellen. De uiterst dringende noodzakelijkheid kan daarenboven niet voortkomen uit de enkele omstandigheid dat ingevolge de doorlooptijd van de zaak een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure of een uitspraak ten gronde zou tussenkomen in een min of meer verre toekomst, waardoor de gewone schorsings- of annulatieprocedure verzoeker niet toelaat een arrest te verkrijgen voordat de bestreden handeling zijn volledige uitwerking heeft gehad. Opdat aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid voldaan is, moet deze XIV-38.025-5/8 vaststelling ten minste gepaard gaan met andere feitelijke gegevens die eigen zijn aan de voorliggende zaak en die aantonen dat de uiterst dringende noodzakelijkheid eraan inherent is. Niet minder dan het geval is in de gewone schorsingsprocedure, is daartoe vereist dat de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten om haar beslissing te verkrijgen, “op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen” (memorie van toelichting, Parl.St. Senaat 2012-2013, 5-2277/1, 13).
  12. Uit wat voorafgaat volgt dat het argument, wat verzoeker ook in zijn verzoekschrift erkent, dat de tuchtstraf uitvoering kent en dat, gelet op de doorlooptermijn, de schorsing van de tenuitvoerlegging van de gewone schorsingsprocedure dan ook te laat zou komen, op zich niet volstaat opdat zou zijn voldaan aan de wettelijke voorwaarde van uiterst dringende noodzakelijkheid. Voorts is diligent optreden bij het inleiden van een procedure tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid een noodzakelijke vereiste, maar het enkel voldoen aan deze eis volstaat op zich niet. Evenmin volstaat de enkele bewering dat een latere vernietiging geen voldoende rechtsherstel biedt om de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid te rechtvaardigen. Verzoekers subjectief aanvoelen dat hij “wordt geviseerd” volstaat evenmin; noch wijst de loutere referte aan het gebrek aan opzet en schuld, de loutere bewering (ter terechtzitting) dat een ander de verboden instantie in zijn cel heeft geplaatst of een schending van het vermoeden van onschuld dat in het eerste middel aan bod komt, uit dat de zaak voor verzoeker urgent zou zijn. Die gebeurlijke onwettigheid betreft immers een andere en afzonderlijke voorwaarde waaraan (cumulatief) moet zijn voldaan opdat tot een schorsing kan worden besloten. Het gegeven dat verzoeker momenteel in voorlopige hechtenis zit en normaal zou dienen te verblijven in de afdeling „mannen 2‟ doch “destijds” werd overgeplaatst naar een meer beveiligde sectie in de afdeling “mannen 1”, is XIV-38.025-6/8 alvast geen gevolg van de bestreden tuchtmaatregel wat verzoeker overigens ook niet beweert. Wat de beperking van verzoekers sociale contacten betreft ingevolge de bestreden tuchtmaatregel, bemerkt de Raad van State dat de gedetineerde overeenkomstig artikel 140, § 2 van de basiswet van 12 januari 2005 „betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden‟ voor de duur van de tuchtsanctie “afzondering in een toegewezen verblijfsruimte” weliswaar niet kan deelnemen aan gemeenschappelijke activiteiten, maar deze verder bezoek van de in artikel 59, § 1, van dezelfde wet bedoelde personen van buiten de gevangenis mag blijven ontvangen, al is dit dan onder de vorm van zogenaamd “glasbezoek”. Het isolement waarin verzoeker volgens hem als gevolg van de betwiste tuchtsanctie terechtkomt, moet dan ook in deze context worden gezien. Te dezen maakt verzoeker niet in concreto aannemelijk dat hij zich hierdoor in een toestand bevindt met onherroepelijke schadelijke gevolgen die de uiterst dringende noodzakelijkheid van de vordering rechtvaardigen. Het enkele argument dat hij dit regime moet ondergaan volstaat niet. In de mate dat verzoeker aanvoert dat de tuchtbestraffing ook gevolgen heeft op zijn psychisch welzijn, betreft het een moreel nadeel dat in de regel kan worden hersteld door de morele genoegdoening die een vernietiging van de bestreden beslissing met zich meebrengt. Verzoeker zet niet uiteen, laat staan dat hij aannemelijk maakt, waarom dit te dezen anders zou zijn. Het argument dat verzoeker verstoken blijft van een functionerend intern klachtrecht, kan de Raad van State er niet toe brengen een andere invulling te geven aan het wettelijk vereiste van de uiterst dringende noodzakelijkheid. Waar verzoeker tot slot verwijst eensdeels naar de “ontegensprekelijk” negatieve weerslag van de bestreden beslissing op het proces ten gronde van verzoeker en anderdeels de mogelijkheid dat hij zich voor de feiten van de voorliggende tuchtbeslissing zal moeten verantwoorden voor de correctionele rechtbank, kan verzoeker niet worden bijgetreden. Vooralsnog is dit immers een louter hypothetisch nadeel, waarbij geenszins blijkt dat niet kan worden volstaan met een behandeling via de gewone schorsings- of XIV-38.025-7/8 vernietigingsprocedure. Bovendien zal verzoeker alle waarborgen kunnen benutten die het strafprocesrecht hem biedt. Het gaat niet om een rechtstreeks gevolg van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing.
  13. Verzoeker brengt geen andere concrete elementen aan, zodat de uiterst dringende noodzakelijkheid niet is aangetoond. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijfentwintig april tweeduizend negentien, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Kaat Leus, wnd kamervoorzitter, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Kaat Leus XIV-38.025-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.292 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.